Skip to main content

Full text of "Kawi-balineesch-nederlandsch woordenboek"

See other formats


Google 



This is a digital copy of a book that was prcscrvod for gcncrations on library shclvcs bcforc it was carcfully scannod by Google as part of a project 

to make the world's books discoverablc onlinc. 

It has survived long enough for the copyright to cxpirc and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject 

to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books 

are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that's often difficult to discover. 

Marks, notations and other marginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the 

publisher to a library and fmally to you. 

Usage guidelines 

Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the 
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to 
prevent abuse by commercial parties, including placing lechnical restrictions on automated querying. 
We also ask that you: 

+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for 
personal, non-commercial purposes. 

+ Refrainfivm automated querying Do nol send aulomated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine 
translation, optical character recognition or other areas where access to a laige amount of text is helpful, please contact us. We encourage the 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 

+ Maintain attributionTht GoogXt "watermark" you see on each file is essential for informingpeopleabout this project and helping them find 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 

+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just 
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countiies. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can'l offer guidance on whether any specific use of 
any specific book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner 
anywhere in the world. Copyright infringement liabili^ can be quite severe. 

About Google Book Search 

Google's mission is to organize the world's information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers 
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full icxi of this book on the web 

at |http: //books. google .com/l 



Google 



Dit is ccn digitale kopie van een boek dat al generaties lang op bibliothcckpl anken heeft gestaan, maar nu zorgvuldig is gescand door Google. Dat 

doen we omdat we alle boeken ter wereld online beschikbaar willen maken. 

Dit boek is na oud dat het auteursrecht erop is verlopen, zodat het boek nu deel uitmaakt van het publieke domein. Een boek dat tot het publieke 

domein behoort, is een boek dat nooit onder het auteursrecht is gevallen, of waarvan de wettelijke auteursrecht termijn is verlopen. Het kan per land 

verschillen of een boek tot het publieke domein behoort. Boeken in het publieke domein zijn een stem uit het verleden. Ze vormen een bron van 

geschiedenis, cultuur en kennis die anders moeilijk te verkrijgen zou zijn. 

Aantekeningen, opmerkingen en andere kanttekeningen die in het origineel stonden, worden weergegeven in dit bestand, als herinnering aan de 

lange reis die het boek heeft gemaakt van uitgever naar bibliotheek, en uiteindelijk naar u. 

Richtlijnen voor gebruik 

Google werkt samen met bibliotheken om materiaal uit het publieke domein te digitaliseren, zodat het voor iedereen beschikbaar wordt. Boeken 
uit het publieke domein behoren toe aan het publiek; wij bewaren ze alleen. Dit is echter een kostbaar proces. Om deze dienst te kunnen blijven 
leveren, hebben we maatregelen genomen om misbruik door commerciële partijen te voorkomen, zoals het plaatsen van technische beperkingen op 
automaüsch zoeken. 
Verder vragen we u het volgende: 

+ Gebruik de bestanden alleen voor niet-commerciële doeleinden We hebben Zoeken naar boeken met Google ontworpen voor gebruik door 
individuen. We vragen u deze bestanden alleen te gebruiken voor persoonlijke en niet -commerciële doeleinden. 

+ Voer geen geautomatiseerde zoekopdrachten uit Stuur geen geautomatiseerde zoekopdrachten naar het systeem van Google. Als u onderzoek 
doet naar computervertalingen, optische tekenherkenning of andere wetenschapsgebieden waarbij u toegang nodig heeft tot grote hoeveelhe- 
den tekst, kunt u contact met ons opnemen. We raden u aan hiervoor materiaal uit het publieke domein te gebruiken, en kunnen u misschien 
hiermee van dienst zijn. 

+ Laat de eigendomsverklaring staan Het "watermerk" van Google dat u onder aan elk bestand ziet, dient om mensen informatie over het 
project te geven, en ze te helpen extra materiaal te vinden met Zoeken naar boeken met Google. Verwijder dit watermerk niet. 

+ Houd u aan de wet Wat u ook doet, houd er rekening mee dat u er zelf verantwoordelijk voor bent dat alles wat u doet legaal is. U kunt er 
niet van uitgaan dat wanneer een werk beschikbaar lijkt te zijn voor het publieke domein in de Verenigde Staten, het ook publiek domein is 
voor gebniikers in andere landen. Of er nog auteursrecht op een boek mst, verschilt per land. We kunnen u niet vertellen wat u in uw geval 
met een bepaald boek mag doen. Neem niet zomaar aan dat u een boek overal ter wereld op allerlei manieren kunt gebruiken, wanneer het 
eenmaal in Zoeken naar boeken met Google staat. De wettelijke aansprakelijkheid voor auteursrechten is behoorlijk streng. 

Informatie over Zoeken naar boeken met Google 

Het doel van Google is om alle informaüe wereldwijd toegankelijk en bruikbaar te maken. Zoeken naar boeken met Google helpt lezers boeken uit 
allerlei landen te ontdekken, en helpt auteurs en ui tgevers om een nieuw leespubliek te bereiken. U kunt de volledige tekst van dit boek doorzoeken 

op het web via |http: //books .google .coml 



KAWI-BALINEESCH-NEDERLANDSCH 



W^OORDENBOEK 



DOOR 



D'. H. N. VAN DER TUUK, 



t 17 AUG. 1894, 



UITGEGEVEN 



INGEVOLGE GOÜYERNEMENTS-BESLÜIT VAN 14 FEBRUARI 1893, N". 3. 



DEEL II 



— Tsinon^ 



' ^ V-^ ^-^^y. > -^'^y^ • s ' * " * >^ • 



BATAVIA 

LANDSDRUKKERIJ 

1899. 



m\ 



^\ 



1? 



, s.^ z. onder lëmab. 



n9SiQ I., jay. (*kwëb); akéh naast katab; 
kakèhaning^ lawan, Kid. Sund. Z. 2, 181; 
kalman udjaré klta, je hebt te veel praats tot 
een te bestrijden vijand, Us. b.; pakèban, z. 
aanh. onder pabang; z. ook onder kwèb; 
kinèhanlka tandwa kangkat iDlrid tëkapulng: 
bala V. geketenden vijand, Ar. Z. 63, 5 (te 
lezen kinwèbanP). 

IL, benaming v. e. groote soort tabwan, 
die in den grond nestelt, is geel aan den middel ; 
z. dawan* 

III., njënP; toen zoo vele visscben door 
den listigen ba ka waren verslonden, kajoja 
tëka, madèwa ratu manjiné, grlisang dja 
kada rata, dong glngsirang^ tityang^ né manjp- 
klD, sang: baka asmu maras, ngfénot i ki^oja, 
rasa patjang: kasang^kala, bané likad, katun- 
dèo noDgos dl batls i kajoja ja mamindah 
,,panlkl tjokor g^astlné bllg:, g^amël tityang^ 
kèh padëm dl djalan, labah tltyang; kag^aminé, 
want de kreeft wilde zicb aan den bals v. d. 
baka vastbonden, T. bg. Z. 4, 8 vlgd. 

OQQOP^, «wingit, onwillig met ati: oön 
ati, nglëk ati, niet willende (gelooven); ng^ë- 
koh ati, (nglëk); makrana kohning^ pakè- 
dëpan lU^nn^^^^ sami, «agawé wërë ri 
(bi) manabikang r&t kabèb, Nts.Z. 4, 19. 

II., koh karlb, z.^ onder urn ar. 

tsiui^ L, nik kahlnya, hoeveel te meer 
Br. Z. 13, 34; k&hinyan wwang^a, waar zijn 
dftnawa's en andere diergclijke wezens, die 
me kunnen bestrijden, gezwegen van menschen^ 



boe zouden die mlJ durven onder de oogen 
zien, Z. 38, 2 (mangkin ké, kanistan); 
Z. 46, 4; Bb. 81 o; H. Z. 28, 11; kahinyanta, 
Sut. Z. 69, 4 (kaling ké); kahinyan akëdik, 
misschien wel, immers er zijn maar weinig 
krijgsknecbten v. N a r a k a, allen naar I n d r a's 
bemel gegaan zijnde, B. Z. 2, 22 (manawa, 
kaling ké, mingkin ké); ndah tiDg;liali ta 
kaparakraman bhag^aw&n bhtsma, jadyapin 
dèwatè mwang dftnawa l&wanir&ng;aja ka$ak- 
tin ring; raiiamandala Ine' tan kasowajanlr&r- 
patyana ja, nda kakinya sang: p&ndawjipaii 
manasa, rin; kapana ta jarpabhjasaha bali- 
nfttjara, Bh. 57 (vert. v. èk&bn& bi raAé 
bbi&mo, n&fajèt dèwad&naw&n kimu 
p&fidusut&n juddbé, sabal&n sapftdft- 
n u g & n) ; jadyan Ikin; traüokjaniaüdala tawi, 
jaj& ikft g:ësëng:auya dé mami, nik kahlnya 
ikA masahta, Bh. 68 (vert. v. lokftnda- 
hèjang kimu 9atrungstawèba);aanb. onder 
iwëng (vert. v. kimu). 

II., vrnw. 1^ pers. jegens minderen, maar 
vooral in toorn gebezigd (z. iba), «aku. 

III., kaing, aanb. onder rèmbèk. 

9^uii\ I., Smbr. kabu, *t hout of harde 

gedeelte v. d. klapperdop, (vgl. tëngkulak) 
of V. d. k emir i-noot, «tjangkok (vgl. onder 
adëng en ombak^); kailii tëndas, schedel 
('t zelfde begrip in de twee bet. v. H jav. 



tjumplung, dat niet alleen pongpongan^ 
maar ook doodshoofd, en 't bis. bagóP, schedel 
V. bagol, gehalveerde ontbaste cocosnootdopv 
in jav.-mal. verbalen batok këpala, waaii 



«I\ 



5 



9SI^ 



het eerste woord 't jav. balok is, terwijl 't 
mal. anders b a t u bezigt ; 't mal. tëmpurung 
këpala en H bat. borbu^ van borhu gaat 
Tsn dezelfde gelijkenis uit, evenzoo 't bim. 
Loha tuta van koha, kaü en tuta, tën- 
das; vgl. ook onder kulak). 

8*. I. onder lam pit. 

5% bata kaO, eigen n. v. e. berg in Tab. 
Vs BaL watu karu, vgl. aanh. onder b ra- 
ta n): sufhjaiif rabat batu kawa» aanh. 
ooder basakib. 

II., mal. der Bugineezen, vrnw. 2« pers. 
<iok in 'I actif (in pi. v. ëngkow); tjobaq 
kal lébas péfang kandalinja djaran gasti 
en lèhèr kail ka potongi» Prtj. 60; kaO 
djangan basa bofis, is 't antwoord v. iemand, 
(iit «wien men die taal liezigt, ald., vgl. ald. 56. 

sQoun^, ka WO, aanh. onder bètjong. 

T^i UI ^ , kli^ om bonden te roepen ; vgl. 

kolak eo onder kirik. 

9Siui^, jav. (kija); makihA» aanh. onder 

régrëg, V. e. gebouw» L. Z. Z, S (maki- 

jud); kfttrëf dwtp&ngga sang (rtoarapati 

Bakih* JarkëDèng langfal&twas, Rt. Z. 11, 12. 

'^ui\, kèkahai z. bij këkuwa. 

isiui\ , 8., eigenn. v. e. rivier, aanh. onder 

mlè^a. 

oaui^, z. kèja; mëkèha?, pruttelen f 

J7SMnut\, kèbot (z. kèri, kéré en vgl. 
jav. kédé); qgéé, links slaan v. d. nummers 
f>p een lontarblad, de gewone plaats rechts 
ojnde; fliaiiféé ngaoawan, met beide handeti 
T. iemand, die veel eet, Tjp. Z. 1, 30, 3; Z. 3, 5» 



9siui<j^, ka en aüb, naar de analogie v. 
kangin en kadja uit ka en een vroeger 
aQh (vgl. daüb), west, (0. S. a.: karuh, 
vgl. darub, danjur en tingkir); ook bij 
uren, om nacht van dag te onderscheiden, 
maar alleen op plaatsen, waar een water- 
uurwerk bekend is; datth ro katth, 2 uur des 
noi'hts (z. kangin); mëdala katth, is niet 
geoorloofd; kattan, kawwan en kawan; tan^a 
all bandjar kawan, Swg. Z. 1, 71; ook 
kawang, alsof dit 't stamw. ware (vgl. onjang) 
en van daar ngawangang, westwaarts; nglod 
kawangang, noordwesiwaarts ; tawanga kangin 
kaüh, hij is reeds bij zijn verstand. 

goi'^ui^^ I., kaèh tojah taupa angkah, 

Tjw. ; kaèh paling t|ai mangalth dl sastra» ald., 

aanh. onder baiitjuk en sëlir; vgl. kaing. 

IL, sas., kèskès; ngëngaèh, ngèskès. 
9Siu^n, s., ikang k&la tambènipg 

tjandr&ditya mapasah ring pratipada- 

f ukla, Ag. 

o«iiUTi<j^, z. onder kèwuh. 

9^ui9q|\, kaënan, kadurusan. 

9^ uu 39]^, mal., djaragané dinëdëlan, tl- 
nnödong kinèn longaba, sinallnan kainkadat 
V. iemand, dien men de kostbare kleèren heeft 
afgenomen; Am., Kid. Sund. Z. 1, 33. 

Kil OUT) 95!]^ L, misschien kram a-vorm v. 
khala {een slechlaard);h.Y. djëlé (jav. awon). 

II.. jav. (ka won), h. v. kalah; mëkaOn, 
«umür; h. v. mëgëdi ofmëkalah (z. 
mèii|[gat); sapakaOn danèné, *ri wuri- 
nira; ngaonin, h. v. ngalahin en nggë- 



f^\ 



'm\ 



dinin; ii|;aOiiaii|^, b. v. ngalahang, nggë- 
dijang en ngutang; 

IlL, sandé kaOn, z. sandé kala. 

gsnunél^, eigeDn. pi. Bdng. 

QSjuiQQ^, (#jaY. kowana, sund. kuhanah). 

oaiUTjyl., jav., Ws. 142, zich moeite geven 
om iets, zich bekommeren] nihaii kftlaliniag^ 
rata nityasa sah sake dè^anya, angfalili un;- 
g^wanya, mapuhara krahaii^ wadwanya, tan 
kahor nmèt bhnktiuya, tatau wënang: Ja 
maprang:, wètni(n;) hèlnya, Kam. b.; tan 
kahar mamjatolnn; anakta, katnnwinjp apaj 
sèdèng: adjwala, Kam. 13; masa kannra (of 
kaüra) maulh pon nini dèpon makaradbwa- 
dja, hoe zou M. d. nog iels om mijne dochter 
geven, hij heeft vele scboone vrouwen, Ww. 
Z. 1, 21; rnpanira iku ni sri taudjun;; nora 
plra (b.: sa pi ra) manj^ké, luj^ kèndran wi- 
djiling: léwih, sira vfong saklng^ gunnnj^, 
mangsa kahora slrèka, Stn. Z. 5; tan kahor 
(b.: bawur), B. Z. 68, % (tan mari, tan 
kalingudng), 

IL, z. onder bawur. 

QSiuiTi^, z. kuwara. 

IL, s.y kuping. 

9Si|uir)^, s., (guhëra, Kern); apaksako- 
hira, ondankbaar f, Br. Z. 36, 14 (Iwara 
Qgwalës kasukan); tan sëng^g^ahën kobira 
mara hatnrnlki dé paramè$wara, Utt. 64. 

961 UI 71 uj^, een visch?. Ar. Pr., vgl. sing- 

baraja. 

ssnuiaoil^, daftné raris mëtëng^ka&k wa- 

tuknya kalk\ 



9611 UI gsüj ^ , kaik*, gillen v. e. opgepakte 
vrouw (vgl. ngadj.); niangaik v. herten, Dj. 
Pr., V. e. bezielde^ aanb. onder ga mb ring 
(z. nggëlob); wegens pijn, Durm. ook gaikF, 
Swg. = kraik (raafidjërit pakraik v. 
përmadé's, Z. 2, 21); vgl. kraük. 

9SII UTj 9sï| ^ , vgl. kraük; kaflk*, »mawii^ 
R. 5 Z. 1, 15, kafik n^ükin, iemand roepen 
(ngësèngiu; balav. en sund. id., vgl. bat. 
gaük, mak. kijoq en ook 't bat. pijo en 
beneden kijak en kèjok); pakaQk, «masu, 
2 Z. 1, i\, V. vele personen schreeuwen en 
steenen (vgl. ngadj); makaDkan. 

9Siiour:)eu]^, z. onder kawoq en karoq. 

9611 UI 9sii| ^ , sbr., bèt vgl. kuük II. 
96ijui96ii|^ I., jav. (kuwuk), soort v.Jij- 

o i \ 

gerkat op kippen en ander gevogelte jacht 
makende (vgl. mahmah), «brahaha; kala 
koQk zou 't tijdstip zijn, waarop men niet 
mag dobbelen. War. b. 132 en 133 vlgd. 

2^ nm. V. e. sëmbung-soort. 

II., nj^nQk, uitkrabben, uitdelven (\g\. këhuk 
en bat. hor uk, mad. korok); nj^oflk bijas, 
aanb. onder kalëbu en randab; basaiig: 
lajah buka kaflk, Tjp.; kinnflk, kobkoh; 
djuro kowok pabatjin en kuwuk djadjamban, 
aanb. onder batjin; z. ba kik uk en këduk. 

lil., 't geluid, dat iemand, die zich ver- 
borgen heeft, maakt, zoodra hij bij H mëkug^an 
(ook mëkring^an of mëgri^an) aanduidt, 
dat men hem zoeken moet(Bjw. ilik);koflk*, 
om kalveren te roepen (vgl. ij uk); anorak 
ngoflk swarané taupèndah glap, vgl. Tjp. Z. 



«I\ 



961^ 



1, 41t Bhimasw. aruara, 4 m.; ka&kkaflk 

V. iemand, die zoo een uitroeping doet; mékn* 

tk V. d. banaspati; kaflkan, uitroeping v. 

iemand, wien een ramp overkomt of die in 't 

spel verliest. 

'|iGi'>ui»|\, kèèk* V. iemand, die aan 

droogen lioest lijdt, ten gevolge v. amah'an; 

kaikkfCk v. 't geluid v. e. vogel; makeëk 

V. J. kaïidik^; vgl. mëkoös en kèk. 
^»non-o«!A I., zeker bruin bebaard rond 

beeslje, als een kakkerlak, op de rijstvelden en 
daken?, bij de minste aanraking laat bet een 
scheet, die de huid verzengt, zou de duisternis 
:oeken, en in H oor gekropen, den dood kun- 
nen veroorzaken (vgl. sund. kuük);ook ëntuk? 

II., z. lowok. 

2V zeker «pook (kaboulermannelje?) om de 
kinderen me£ op bed (e jagen; zou tegen den 
morgenstond geluid geven (arukoök) ; ara kook 
ara fofoqg, om kleine kinderen meè bang te 
maken; abét fog^ong mawah kook, Tjp., Z. 
t, 33 (hds.; mwaog). 

III., kohokan, satra, kokan. 

IV., kuQgf; makoOk ikang surak, «su- 

injuk sinurakan» R. L. Z. 7, 108. 

)9ui»^, drohaka Sm. Z. 26, 6; v. e. 
i 
riksasa, Z. 30, S (sapa kadi aku); T. 

Z 4, 17 (linjok); ald. 47 (ngaku bisa); 

Br. Z. 33, IS (momo); R. S Z. 8, 6 (m.); 

B. Z. 76, 3 (tjorab); Z. 76, 3 (m.); ald. 11 

lobha); W. Z. 8, 4 (arëp of amèt dru- 

wèniog lèn, tjorab), aanb. onder mütra, 

tweemaal; kahaka taupanata rasa sanghjang 

Mjai^ kadjl prafAsti wnimh ring asitkala, 



0.; sira ta knhaka, mada m&na, aqggnnifakèn 

mürka wlrjjanira, putri was paja llnamar 

dèra walat, Tjt. 214. 

9^^9Si9^, Y. d. rug v. e. padde (vgl. mad. 

kèrkèr en z. onder ambat), ruw op 't ge- 
voel, oneffen v. papier, waarop de pen gauw 
bot wordt (tegenov. luwës), v. geverfd bout 
door de hitte, (vgl. kak ah); ^obëkè kahkah 
maOng, Pan Br. 19; kabkah dangkah v. e. 
leelijke huid; kahkalian, rijper v. kleur dan 

de gewone betel zooals de blëug? 

sQ^o^^, (vgl. kikih); ngibkili, ra^/?^» 

(z. kurkur); ngibklli ntnh (vgl. mal. klkir, 

kukur en kukuran, klapper^rasp , sund. 

kuhkur); klbkihanan of kibian, rasp (z. 

kam pad); i bungot kihkih, z. onder siwab. 

nosi^oosi^^ I., (v((l. kohkob 111), ngèh- 

kèb, krauvcelen als kippen (vgl. jav. tjokèr), 

uglur mans:èbkèh (hds. niangèkèk) tanah 

V. e. tijger; kèhkèh mèjong, gekrabbel van 

kallen, v. schrift b. v. (men. kSkas ajam; 

vgl. onder rëkata); ngèkèhang awah, aanb. 

onder pi tik; z. kuük. 

IL, mèkèhkèli of mëkèskès, jav. si ra tan; 

ngèbkèhin of i^ è s k è s i n , een rundbeest 6e- 

sproeien ! , jav. nj i r a t i. 
o«n9Q6i9^, z. kokih. 

ogsn^n9Q09^ I. of kokoh; magawé ko- 
kohau, »a pi wat uk (vgl. tjëkob); niékoh- 
kohan, hoesten (mëwatuk; sund. ngèhkèb, 
gohgoj en geuhgeuj); z. kèlkèl en paëd. 

• IL, kobkoh lingnira, Lamb. 6 Z. 29; 
(swètjtjha ingwaiy, mangko udjar 
i d a n é). 



m\ 



8 



9SII\ 



III., z. kok oh. 

961 UI 9SII os»! ^ of kikiky zekere kleine, zeer 
laag groeiende vruchtlooze banaansoort, helico- 
Diopsis amboinensis (afb. Rumph. V. pi. 62 
fig. 2); is echter meer bekend in K. A. dan 
alhier; de bloesem als een groole kam (vgl. 
bij o Dg), terwijl men te Majong biju klikih 
en in Bngl. ik ik zegt; de bladen ter inpak* 
king y. tabak en op ngabèn-feesten (njawa- 
wèdana) in gebruik « vgl. aanb. onder 
tj a 8 u. 

961 UI 961 u|^, z. onder kapkap. 

^ui&o|^ of kaëd (vgl. add); mëka&d 
(of mëkaëd) telkens in sommige hds. v. 'l 
W.9 «lumiugsir, «alaradan, «murud; 
Sflpakaëdnja, sèlagnja; nora ka&dan, «tan 
dadi surud; iig;a&dlii of njpiëdiu, «amiog- 
kingakën^ mundur, «mangunduri, (vgl. 
onder udang), v. e. letter een andere voorgaan; 
2^ van een der hanen ontwijken den anderen, 
die lyulon; Bngl. ngatat. 

96iui&cï|^, z. onder kuüd. 

961 UI fioj , Smbr. këhud; «tjëogkir^ cocos- 
noot nog zoo jong dat het vleesch week is, 
ook op de ëntal-vrucht toegepast (ibn. ka- 
lud; vgl. klungah, o. angon, ifidjin, ijat, 
palëm, klèpèk, pëqadja^ panglèklèk^ 
pëqalon en sambuk); kamakaad v. d. 
jonge kofflvrucht (vgl. jav. këmërut, niet in 
H Wdb., van cocosvruchteu ; zoodat er een 
kërud moet geweest zijn, 't jav. kr&on 
moet 't zelfde beteekenen en is blijkbaar v« 
rawu, afgeleid; z. onder këruk). 



96iinuTn*|«r>n|\, kamaOdog:, z. onder 
kaöbot. 

96iimtsT)|^, z. *hat. 

96iiuitsi)|^ L, Dfaët, in iets 6»}7en h. v. zich 
in de tong (bat. har at, tag. kagat); mö- 
kaét, ugambris, «akatuk, «anggrëgut; 
mëngaët lajah bij de tiwang dëngëii; 
ngaëtang^, de landen op elkander drukken van 
een kind b. v. dat een drankje niet wil in- 
slikken (vgl. mad. ngarët). 

IL, links tegen ploegossen (Bjw. rëd, z. 
sus); ook kërët. 

9611 UI tSTJ ^ , ii|;alih kalt, een vrouw tracht 
te krijgen die een talrijke familie heeft (vgl. 
gait); tanpakaït, niemand, 't zij familie of 
vriend, hebben, die ons kan helpen ; tanpamèmè, 
tanpabapa, tanpabraja, tanpakait, Lp., Ww. 
Z. 3t 9. 

961 o UT) \5Ti] ^ L, jav., kostbaar v. kleeding- 
stukken (lamp. ka hut, duur; vgL onder 
lubèug); anak kaot, in tegenst, v. anak 
sudra of a. tambar, Bt. 101. 

II., «pasësëran, Br. Z. 38, 13;kaotan, 
•sësëran, «kalih^an, B. U. 4B0 (ook ka* 
WO tan), terwijl een ander hds. pa b wan leest 
en te voren patjanaqgan gebezigd wordt; 
V. goud in de gedaante v. e. gans; rljksklei- 
nood van den Dèwa Agung; z. ardani en 
bogëm; kahotan (7), »k&ngën (kawotan 
te lezen P). 

96iiui\siiK, z. «krët (sund. keureul); 
ngèét^ tabak kerven, in mootjes snijden viscb, 
't oor V. e. rund, om bij 't nj ë p i niet aan de 



\ 



9 



9SII^ 



desa aftehoeTen leveren; kakèët, «winë'r; 
Untft, «sinësëb; z. ëëb. 
nuiTSii|^, z. onder gait. 

nwi\sinji|\, z. onder gutil 
sivitFini|^, z. onder kritig. 

n UI ;iS| ^ , in tegenst. v. d a r m a (mal. 
këras); tuahé kaïs (b.: katos) magriëdor 
T. d. grond, waarin een grafkuit moet gegraven 
worden, Pdj. 

IQ vri Aj) ^ , dlro pugnné narikanif , mastjok 
Btwarya aart, mudjëngrkiiiff djro mangka 
fébaiy, fliaipikak raris makais, nah ton- 
taa Jaja djanl» Dora* rata ag^nn;, fëdè sakti 
rinr fëkoqr, nah tJontoln Jaja djaui, grëni 
«■nib, bèh angfo mawadjik tmgtin »safèt 
tinn pakabjafbjaf, pan r^èdaf ring^ pan 
bt^fil, pan pajaiv kakln parong^ot, mang:am- 
tola fanbraoKfambriiy, mansokok da&s- 
diis, lèn mawasip ktjadktjad, marirak dèla- 
Mm (?), manpikak djëng:ka]ig:djëng:ki]igr, 
ida ^g^Iar, makais mafëg^ëiidjiran „tarik 
4BPBB kataranan, badjang; tawa lah mo- 
waai, flièB t^üinr dJro ba^an rèbodg, dané 
kétat teljaa buitfik, lèn kantfan 1 naratl, 
i arsa aarëag 1 lolnt, 1 ratna 1 f ëfaron, 1 srldja 
tékèa t sari, pada sftmpun, tarlk saml kato- 
man «paia katvran panastan pasafjèn toja 
riaf batil, lèn sëkar mawadah bokor, bag^ns 
knfdfnl maiilalibslb, qfara mlla ng^ajahin, 
prasatri aé aju*, dëlëp atarin roko makofiod 
riag 1 Dsratl, bakat nsud, lamon mënangé 
ifaikaa •qlallbslb q|ara*aiv katudja twara 
igiwaaiB, 1 ratna bakat masondol, kaidlo 



tëmpuh 1 sari, laman mënangr akëtl, atlné 



bas baka sëlnh, njara lantaa man^Jong^kok, 
baf as protjot Diandjag:4|ftg:liif nftb bèh adjor, 
baO not pindo njampèjang: »ènffalan Ifja 

pang^ah, masallndëng: lah mowani masabda 
sang: këtat malong:, nah né mang^lUo sapanapl, 

1 rata pada saml, lanang: wadon saml taran, 

lëdjarang^ mang^kln rawas, santakan yawé 

puulki, sakl(ng:) dja^al, atftran lémba né 

tawa >sailr mannk pakabjahbjah, 1 rata 

pambajan {akti, 1 rata agrang: ring: gëbong:, 

rata aja manik sari, 1 rata made pantl, 

pambajan kabjang^an agfang:, 1 rata manIk 

bèlong:, rata aju masl nang^ling:, rataag^ang:, 

pambajan pnira katèg^an »apa si mallh ra- 

wosang:, g^awènè bas Uwat lëbih, saparilurama 

né kaot, makëdjang: papak masarl nah raka 

made panti, pambajan kahjangfan ag^ang:, 

bjang: ag^nng: manik bèlong:, Indajang: tjatjad 

tidong^in, wantah patat, g^awèné mawangran 

Jasa >matjlng:kèngr all dargan, 1 dèsak djanfat 

masamblt, rata pambajan dl g^ëdong: sëllré 

nanas pasamblt, 1 gèié sapanapl, sapa slra 

karmanipan, lëdjarang: ring: sëllré, data té ta- 

konang: sëllr, sëllr tan wrah, karmaiija tëkèn 

mlsanan (volgt op de aanh. onder njang- 

gluh, 't vervolg z. onder sëlir). 

K«oun^^I., of kawos, krama-vorm 

V. kadjang (vgl. pawos en pandjang) Mal. 
b. 95 o.; tlnalising; djënar kaos raAda en 
pada kaOs laka enz., 1 44 m. ; kaos slrah, kussen, 
163, 353, (jav. kadjang sirah); atatorwan 
samaren; kaos firah, Hal. Z. 2, 4 a.; kaos 
dèwang^fa, van op olifanten zitlenden, 168. 



Ï6II\ 



10 



^\ 



2s z. onder paos III. 

IL, kanos tarèn, huif, bedf, Tj. A. I. 8, 
10 (bis), alwaar ook kadjang luron, z. 
onder kadjaug. 

HL, mal. (kaQs, ar. w±j^),; mal. k. Bndjr. ka- 
üSy schoen ;Aq schoenen bepaaldelijk v. Am ad, 
die hem in staat stelden te vliegen (mal. Amd. 
s., heefl panah, boktja (z. èftdong), en 
kuilt, waarvan gezegd wordt b a r a ng 
k a m a n a k i t a h ë n d a k p ë r g i ma- 
ka naiklah kaalas sérta katakan 
tërbangkanlah aku kasana nistja- 
ja sampejiah baraiig^ kamana kita 
hëndak përgi, dimèkijanlah kasaklian 
k tl 1 i t i 1 u ; de 3 wonderdingen, door A m a d 
een paar djin's ontfutseld, worden ook vermeld 
in de Kalhdsarits. verl. v. Taunay, I., 13; 
vgl. èftdong; 't jav. VVdb. val het op, als 't 
hoU. kous, 'Igeen een kluchtig eiïèct maakt, 
als men leest Anb. 101, waar Musa zijn 
kousen moet uittrekken, omdat hij in de tegen- 
woordigheid v. God staat; Anb. p., trumpahV, 
ook kawos en kawës gespeld; vgl. onder 
tlu mpah. 

IV.» kuvvah (schijnt een nieuw woord te 
zijn, is althans bij velen onbekend). 

3Q1 UI pjij ^ , niakiis, de goden naar de zee 

brengen (z. mëlëlasti), 'Igeen ook gebeurt 
na 3 tilëm, in geval er een manak salah 
is, en ook na 't njëpi, opdat de zuivering 
volledig zij: wirèli bliatarané dl para desa 
di dèiitjarik iiatjan; lung^a makiis; n^iisan; 
auaké njëpi. 



9Q| UI a!!)) ^ , kaïskuOs, heen en weer loepen? 
vgl. klidkid. 

ogonoun AJij^, Sbr. kohos, spoedig op v. 
olie b. V., 't geld van dobbelaars, tegenov. 
inih; jav. en sas. Irapas (Bjw. ganas, vgl. 
jav.; z. lam as). 

II. , koostiu , k r o s a n , ffercuis v. d. zee 
{i, grëdëg); koSs* v. *t geluid v. vliegende 
ngosngosan's (mêkësijut v. d. bulusan); 
mèkoos, ruischen van komenden regen, v. stroo- 
mend water ; niëkoos v. d. ngosngosan 
(vgl. mëkèèk). 

osn^^uniu^, z. kalkaösar. 

«SU ^J^j ^ , z. onder k a w a I. 

9SII ^J^j rnQJ ^ , sbr. balé agung. 

ooiuiruj^ , sbr. k ë h a 1 , ondeugend v. e. 
vrouw, die zich slecht gedraagt, v, e. speler; 
V. e. ongehoorzaam kind, vgl. prèrèng. bëtah, 
tjëugkal, kuwal en bëlër. 

gsnuiTul^, z. onder kuwal III. 

QQii UTj rul ^ , jav. of mal. (ar. Jy), gelofte 
(alleen bij de Nahom.), aanh. onder umpal. 
»5flUiiTu|^, z. onder kaal. 

gQiuirui|^ (jav. kijal, vgl. mal.), akial 
V. d. lengen, B. Z. 5^ 2 (matwas, pabing- 
këlëd), Z. 81, 32 (kowat, sitëng); adii 
kial, Z. 87, 32 (manëmuang kapurusané). 

«nuTiru:)^, s. , tabëh^an, aanh. onder 
barëbët, z. kèla II. 

«iiuiiru^, jav. (kuwala), vrn. = pafl- 
djak, «paritjèrikè, «bhrëtya, «jodha. 



m\ 



11 



'm\ 



• wadwa, »pèka, «r&kSaga (?), dëngën, 

palik^ walék, punpunan, bala (vgl. onder 

paödjak en aanni. onder rèütjang); over 

de soorten v. alaven, z. onder aapta d&sih; 

kallan kj^ng Jamai j a m a b a 1 a ; anaUiv 

kawnla sor kawonganè ing^aka anak v. e. 

lier zes kinderen, die niet erven, Wlb. 259 

Manu IX 160 (audra); ngatawang: kattia, 

lan een pamëkël, die zijn post neerlegt, zijn 

onderdanen den torst aanbieden; kamaDla ti- 

tyftttï riiy palin^i^ih ^okor i dèwa; aiig:a- 

vola, T. Z. 4, 13 (ui a mafidjak) naasi 

angèr. 

3?iuinr)jsi|^, z. onder mëlëië'. 

3SI O UY^ u| ^ , afstammeling ?^ in bepaalde 

hetrekking tot f, aanh. onder prëlhü, v. hop?; 

vadwa kahop. War.; wadwAkaliop, bwat 

kinonkon , mamAdjèog: tasik, rin; (ma, *ring: 

liitara hajo, ald.; sèwaka kahop, mamüdjA 

pntsiddha, ring^ heringa hjang^f ald.; wadw&- 

kahop masèwaka winèb dmak, ald.; ndan 

rüLwa kadamèlanlkanjf swajambara kahop 

rinf anakëbi rara, Sum. Z. 23, 4, aanh. onder 

kasëlëwëg. 

aa UI u ^ , zekere smakelijke rivierviscli (p a- 

oak bëboso), ook kipi (»wrëgis), vgl. 

onder blukua. 

9?iui^uj^, z. onder kapkap. 

t-mouioK. z. onder krépèd. 



ao 



9S«ui'E)i|^, kafimaii, z. onder krojan. 

9Siiuia|^, makëëm, zitten te broeden v. e. 
vogel (sas. b a k ë r ë m , jav. ng ë r ë m en 
ënggrëm, lamp. niërëm of mërom, bat. 
niodoni of mëdëm, tag. kallmhin of 
linilim; vgl. pëdëni en arëm); ngëèmiu, 
op iels broeden (lamp. ngërëmi en ngang- 
këromi); makëëmanjf, pakëëmang:, ter uit- 
broeiing een ei aan een anderen vogel geven, 

9^nuna^, kuraiig: g:awé ri kahomi (of 
rika homiP), zegt een prinses als antwoord 
op de bewering, dat men een mooi man niet 
alleen kan blijven bezitten, Ar. Pr. Z. 18, 15. 

ouinoN, of kumbang, zekere caladium- 
soort met zeer breede eenigszins gemarmerde 
bladeren (kadi sënté); de bol gekookt door 
sommigen genuttigd, maar de bereiding is 
lastig; blad en bol jeukverwekkend ; de bladen 
ter inwikkeling van tabak om droog worden te 
beletten (misschien de këiubahang der Ma- 
leijers) , * k a m u m u ; samanja ndég^dèg^aiig; 
damnhé dl don kumbang: (k a ü m b a ug) tong: 
dadi song^gèngr g^ig^is Jèn pèlih (b. 1 ë p a s) 
baSu manampa labub buwln tong: këna tul- 
tal, Tb. (vgl. onder tjandung); Bjw. krum- 
bang; vgl. tiih. 

ouinl>^, vgl. kërug; kuDg: kadja g;ërëh 
këiod, van dié naar 't geen vermist wordt, 
overal zoeken, Bt.; makuflg: v. e blabar, v. 
geween, suizen v. d. ooren, zooals bij zekere 
kwalen; kèdèké mAufïgi luidkeels uitgebracht ; 



sQuii 3Q|^, kawi-s(;elling van kajun. 

Tauieü]^, Smbr. kabem; ngëtor, dit er 

niet in gebruik zijnde, de koude koorts hebben, buwln mang:ëIodang: djaui, kapang^fik gèui 

I 
kwtsachlig. dumilab, apiué grèdé makufig;, atuiané pada 



9SI^ 



12 



«1^ 



pasèbak, paèiig:kik pada maiig:èUiig:, nag:lh 

lakat nagih dadas, Pdj. (volgt op de aanh. 

onder pëtuog); ng^oflg^n, iemand» die slechl 
danst b. v. uiljouwen. 

3Siiuir5ij^ I., V. e. kalen pronker op den 
weg b. V. met geleende kleéren ; ng^&abin, langjf 
iemand heen hopen onbeschofl; z. slèndor. 

IL, krama (K. A.) naast krab en ké- 
kantènan in de bet. v. kameraad. 

9^ UI oh ; ngèéb, overschaduwen v. e. plant 
een andere; ng^ëöbin, vert. K. 6 Z. 4, 7 (b. : 
ngèmbonin); vgl. këréb en onder këbkëb. 

gQiUT|nij\ I., dwang dëpa, Ve gëbog 
(z. rirang); kufiban, sluk onvermaakl lijnwaad, 
waarvan nog niets vervaardigd is; kofiban 
daging: in tegensf, v. kufiban tilèh, de maal 
van een handelaar, die korter is; kafiban pë- 
kën, z. onder pëkën; nffufibaiig, een woord 
als een ander promiscue gebruiken b. v. wa- 
d a A a als vnm. van g i d a t en tevens van 



nioa. 



IL, (vgl. këëb); pëkafiban, tij., grondge* 
bied V. e. desa, dus palëraahan z. wë- 
wangkon. 

IIL, kuQb ban tikèh v. die een zweetmid- 
del bezigt b. v., vgl. sëngkufib, kurub, 
sërung en kërëb. 

3sii'|uin'|n-:)^\, kumaObot (b. : kuma- 
robot^ c. : kumaOdog), druk bezig, Djpr. 51. 

)SDUii^, koraal, rif v. koraal; kalkachlig 
aanzelsel aan de tanden gegroeid; kaing^ apl, 
«sawang ring pawon, roei aan de lang- 
galan ol punapi; bunipan kidng^, ben. v. e. 



als een zeegewas er uitziend, bij .de Mahoin. 

meer bekend, gebak ; mëkaUng^, verkalken v. d. 

tanden; ka&ng^n, aan U graveel lijden (mal. 

karangan en pënjakit karang, jav. ka- 

rangen). 

9^uii\ L, z. onder kèrèng. 

II , verdord b. v: v. e. boom, tab kainirf 

vgL garing. 

IlL, jadin; kaing: ti^uh tra bakat, vgl. 

kaèh. 

^ ui| \ , smhr. k a r u ng , een ongesneden 

varken, beer, ongelubde beer, die gehuurd wordt 
(vgl. onder saki) ten einde kroost te ver- 
wekkenVz. gègèan, raden 2% bangkal en 
» k a r u ng) ; bag:or rabinë kamnip , tJèlèDg: 
amëpëkan (f) lèmoné, ronipda (b.: raAda) 
iiorana lakiné, Stn. Z. 1; ng^andanff kafing^, 
een k. roepen om een zeug te bespringen; 
tjlak kaung^, die als een kurketrekker er uit- 
ziet; katlng^an v. e. bodjog djègo en in 't 
algemeen v. ongelubde dieren (z. butuhan), 
een oude slier, die reeds een grootebaük 
heeft en te Sbr. in tegenoverst. v. tjulajan 
(z. djagiran) z. plitir. 

^oOii\, mèkaèng^n v. e. woord, dat zoo- 
wel een goede als kwade beteeken is kan heb- 
ben, zooals glimgin b. v. 

Qsnui^, mag^awèkakèn tan kèëng^* ng^am- 

bang^ pndja sambilang^ madjalan, «madjapa 
mangunyakën ta sira mantra tëhër 
lumaku; këëng:* dèning: takntnya, «angi- 
pikipik awëdi; ng^éëng^ng^, mëtaftng, v. 
iemand ongunslig spreken: mëkéëng^n, prul* 
telen, morren over zijn ongeluk, over een anders 



^\ 



IS 



kl\ 



gdak, aanh. onder nasi; x. qgëmakmak 

eo qgrëqgk6i]|g. 

nui^, ja?, (kawu^g); tèdja katlmr is 

boogYormig (i. guliqg); kèkaiug, rond gebo- 
gen sësaté met zwoerd en 'l vel er blJ als 

offerande, aanh. onder ^ a 1 u og en z. k u w u ilg. 
ciui^^. X. onder kingkiug en aanh. 

onder doi^kun. 

^laisn^ I., Sut. Z. 128, 1 (ibn. id.). B 9 

l. 5, 3S, 0. (vgl. kain); «Qahat kèn, radja- 

^wala, Sm. Z. 4, 18, aanh. onder brahma- 

« 

hilya. Wit. 20, Adip. 20; kèn sadJahat,Sm. 

■ 

Z. 4, 25, 10 (tjampur); kèn*, R. 11 Z. 1, 
18 (tapih), «lapih; manprakët ri sira 
hén kadi aaaak, R. 2S Z. 30, 3 (tan adoh 
riqg dané ika luri manjama, ma^grëm- 
pég dané ika luri mabralara);pakènan9 
tiqgab, baiigkjang, ^roAi (vgl. pasabu- 
kin). Mal. 111, 113, 171; amrih pakènan, 
Ar. Pr. 53, Was. 33, Mal. 64 o. (vgl. bat. 
paqgabitan). 

II., Ydór eigennamen, zoowel v. mannen 
als Trouwen; raken salia«Qa, B. Z. 29, 12 Z. 
3, 34; Tgl. onder rake en de aanh. onder 
bnta. 

ni., Terk. y. tëkèn; kènlng in pi. v. 
tëkèn tiig. 

IV., in pi. T. ëi^kèn; kèn «Qa dané 
lianra paqgi, Bngkl. 8, 18; to kèn né allh 
i dèwa, «punëndi dinuogkap jaji; dl 
val Bglèsaiv taplhé ambanlng goplta tan 
■aria ika ^andananya kèn makapangastawa 
ika^g pa^gawl paiifarang kèn makadhjana, 
légan BiaBahé tanpawasta, «sahnikapg 



sifldjaqg mrik warginiqg gopila qgnt- 

kaia lèpanftstutyan ri lambaiig kiduiig 
naugarasmrëti lëjëpniiig djnjftna nir- 

wastu, T. Z. 1, 14 (di klès tapibé miik 

ban gagandan pantjalajwan paiigu- 

kup sarwa wawaugi paogastawanya 

ban kakawin kiduqg panjimpëniiig 

sluti tlëoging augën' tan këna inutjapV 
nosnioj^ 1., z. kwan; tan wmblngkoni 

T. Z. 3, 60, 74, Z. 4, 18, K6 (tan wrii« 

laksananjané; vgl. tan wring arggi en 

tan wring paranga); radeloos y. droefheid, 

Was. Z. 1, 29; sakon paran, R. L. Z. 10, 

3 (salaku sèlwan). 

II., jav., hètnnyan ngkon (b.: kon) ikaqg 

■ 
daitya, W. Z. 7, 3 (makakrana malun- 

dènan i. d.; karaniog ja motus ikang 
asura, karaniiig makon ikang a.); ma- 
kon, «aogftdjnjft, ftumutus en «aiigutus; 
mèkon, h. y. n u n d è n ; mékon, n j è d a- 
jang; pakon, Sm. Z. 6, 7 (adjnja), R. 4 Z. 
1, 84 (paogutus), «wëkaa, R. 5 Z. 1, 11 
(panuduh): imperatif, Br. Z. 16, 10, op last 
van, Z. KI, 20; aapakon, «sadjnjft; kamon, 
uüspreke», gelasien uit te voeren, zoodat het een 
vrnm. woord is, Br. Z. KI, 1 (ngandika* 
jang, ngandikain), W. Z. 1, 4 (mèngkèné), 
Z. 14, 14 (jav. hds. kinon); klnon, «ingAdj^- 
njft, B. Z. 101, 8 (tinuduh), W. Z. 30, 
1 (kapangan dikajang, inutus, kandia 
kajang), ald., 6 (katuduh); kinon puidja<» 
rana, R. L. Z. 7, 110 (inakon pgara^g'^ 
kèngin), ald. 113; nginon, bevelen te gaan 
enz., Us. hl. en dj., dén kinon, ald.; z. kjan. 



9^\ 



u 



1^\ 



III., in pi. V. 't oosl-jav. ^i^ooutdoJ^; du- 
rung manfsané kon raati, Sin.; mou laput 
dènira angilanfakëii ing: ksatrya roro iku, 
kon (b.: ën{(ko) dak ilanipakën, Ar.; niati 
tab kon sidapaksa^ Sm. 5; de slaaf Jus up 
vindende en hem verdenkende v. te willen weg- 
loopen, sinang;sara sapolahé, dèn kökèsèr tnr 
dèn tépak, sarja ing;amannnian, nni warahé 
gfnstining; Jèn kun linjok pamingipatan, kinon 
in|[;snn atl*, Jsp., h. (Jsp., j.: dèn sang sa ra 
si ra niangko^ d. k. t. d. L, sarwi dèn 
uman^, u. warahing g., lan sun idëp 
jala sira, warahing guslimu uni j. 
kon 1. p., atul ing paminggalané pali- 
njokan njata sirajèn paminggalan; J., 
a.: dèn èrèd l. dèn lëpak; sas. Jsp.: dèn 
kèsèr dèra L); lab kon ang:undang;a (R. K.: 
kowën ng u n d a ng a) agflis, R. m., ook ko- 
won, zoo telkens in de W. kap. 

IV., sas., longos; kon balènja si nënërat 
dasan mapak, afschrijver van d. Kbj.; 2^ als 
praepos. tëkènf; tnnasang; kadji sapa^at, kon 
pang^èran alali si palin; Inwih, Kbj. Z. 4, 
BO (vgl. de analogie v. men. ba kas). 

5611^^^, s., z. onder djawuh en sirat. 

QQiïQyof k&na; ng^kftné, aldaar op een 
steen, R. 1 Z. 1» 3, ng^k&nèng: kalpatarn, W. 
Z. 17, 8 (irika ana ring); kftna, B. Z. 46, 
9 (ring kana); ri k&na, W. Z. 14, IB (ri 
kuna, punika, ring alita, né riin), Z. 
16, 12 (Z. 17, 5: ngk&na), aanh. onder 
banjak, B. Z. 4, 12 (ngüni) 15, (né suba, 
ringkang); kadi ri kina, zooals voorheen. 



Br. Z. 52, B (eigenll. alstoen; vgl. 't mal. di 
situ en 'l Bat. di si); ngkftné ka1patarU| 
W. Z. 19, 3 (irika); ikana kanang^, en nuf 
R. Inl. 42, 43; ikana, R. 9 Z. 1, 4 (maiig- 
kanaj; relat, ikanang; pëdjah, B. Z, 87, 7 
(lijan ikang malt; vgl. «jav. kanang); 
ikftnang: tinanjan, Z. 37, 2, R. 9 Z. 1, 5; 
nahan ikana, 2 Z. 2, 1 vgl. ngk&. 

II., denkelijk verb. v. 't Indische kangkana; 
gelang kana, armring boven bij den oksel 
gedragen (vgl. mal. en jav.); aping:g;ël kana 
Alit adjadjawi mirah noni*an; Mal. 167. 

III., kana ring; pamrijanibadanika 8an; 
ang^aras, «ugk&né paiigarisarisning 
mangarëki, Anj. Z. 2B, 2; kanèng: udyana 
kanèng: ang^sana nëdéng:, «ring té man ing 
asan&ngdjrah, ald. 3. 

«n^^^ , s., aanh, onder kut ik. 

«QOïQ^, z. onder kana I. 

^9Q\ I., jav. (kanilf, vgl. kané); san- 
ten kani, uitgeperst sap v. d. geraspte cocos- 
nool zonder water er bij, vgl. k a b a r en onder 
pati. 

II., vgl. kanin, R. 23 Z. 3, 13 (talu) 

V. d. cunnus, tut. BS (3 maal); ang;ani, Sm. 

Z. 7, 9 (natoni), B. Z. 60, 9 (natonin), 

R. 7 Z. 6, 2 (na ton in), Ar. Pr. Z. 4 en 

telkens; niang^ani v. slagtanden, R. 22, Z. 5, 

7 (natonin); norana mangani, «tatar- 

pangapa; Qëb ngë'r twasnira sang: minang:- 

kana manisning udjar ang;anl padmaning^ 

hati, Kk. Z. 11, 9. 

^03Q^ I., verb. V. kanyè; santen kané. 



9Sli\ 



ia 



'm\ 



sanlën rara en 8. 1I88, maar eenmaal uit- 
gepers/e coeosnootkem als geneesmiddel. 

II., maiUa kané, sas., om in de leng is 
sêmbawa te doen (mal. madjakani). 

si'^coN, E. onder kanwa. 

2^ » \ 1. 9 (k n i)» geraaki gelraffen ; tan kèna, 

mis f. e. wapen, B. Z. iOZ, 3 (pi il))'* l^^na 
■tiaaaf Lamb. Z. 3, 3 (kapasukan sma- 
ra'>; m heeredimst verplicht iels te leveren (h. 
r. këaa tüni^i hamhoe in heeredienst leveren); 
ket rerloren hehhen, (egenov. ngukup; herkend 
fv^rden^ apm., R. 2 Z. 7, 4, Z. 1, 42, tua/ 
geoorloofd it; legenof. sa lab, 23 Z. 13, 29, Z. 
l^*5(vgl. iépas), vlg. onder gurApatjarana; 
riBfiria këna stnpya pëiib, sadina kéna, iedere 
hq is goed b. v. voor *t geveclil zonder eerst 
te onderzoeken, of de dag goed is; tarnng 
kiaèqg tsrA, B. Adip. 87; tra kèna nasi, niet 
gegeten hebhen ; këna anaUah, van de vrouwen 
iets oploopem ; kénèmp satèb, sung^ga v. woud- 
dicren, R. 5 Z. 9, 16; 2% (kéni) naast apaug, 
këaa ^ai nandèn mjuridi ; këna apa, k n a- 
pa, kanapa en kunapa, wat deerenf; ënto 
kèna^ tindas ibané mèblalang^n ; i gasti 
kaaapft sangis, kalih maqlëlsëlaiig raga, ma- 
nwi maaggih aangkaon, T. bg. Z. 5, 121;« 
ilap këaa, z. onder alap; këna*, aanh. onder 
dioa; S'^pakëaa, V nut^ roorx/ee/ door iemand 
Y. iets gebaald, Wir. 71 (vgl. ma pak na), 
Br. Z. 1 8, 2, aanh. onder k r i j a ; kanang ring 
waras taapapakëaaag tamba dènika, tut. 26 
>erl. ▼. n i r Q dj a s y a kim a u s a dh a i b, 
vgl Ittd. Spr. 2714); pakaoanya dèaing liu- 



Inn, Adip. 64; a&lian pakënanya, daarvoor 
dienst het ^ 37 m, (bis.) en b.\ paknaa 
idëp adiné. «doni buddliimu; nèatën 
wèntën pakënanipun, '/ dient nergens toe; 

«mapakëna, Adip. 14, 16, 105, om gebezigd 
Ie worden als, bl. 29, 66, 91; makëna (ma- 
ken i), aanleggen een gëlar, pannen ei^n strik, 
zetten een fuik; pikëna, plan^ voornemen, 
»don, B. Z. 2, 25 (klrtti), beoogd iels, Z, 
78, 7; plknanya, #donya, B. Z. 99, 2; 

piknan, don, Lamb Z. 40, 1; «kamëné wi- 
djangnira v e. lipung, Hari^. Z. 18, 5 (vgl. 

jav. datanpangëné, niet treffen, jav. W. 

26); kumënèkanang kala, R. 4 Z. 1, 2 

(mangënèn, mal. mëngënai); ngënain en 

mangënanl baOng, #olihi; inangënant mn- 

sub, Sul. Z. 121,11 (mangrabati); ngënain, 

een vogel b. v. vangen, v. d. ëi^kët; ngëna- 

nln, overtuigen v. woorden f, «rësëp, B. Z. 

2, 26; mangënèn apaja, «magawé maja; 

angëné en mangëné, W. Z. 25, 5 (mai^ë- 

nanin); «tlkël ngëuë (in pi. ▼. i^énai) 

parangan v. vlucbtende jakhalzen, T. b. Z. 3, 

3 en 4; aagënftnl ngagrang*, «knèng tuii^- 

tung, Arj. Z. 14, 2; Z. 19, 5; kaknaa, 

geraaki door een pijl, Sm. Z. 23, 6; R. 3 Z, 

1, 41; Bgëna&ng, fuiken ^e^/en; agënajang, 

paarden voorspannen, «pasang, B. Z. 45, 8 

en 9; ngënajang lëlajaagan, een vlieger oplaten. 
9^9Q\, h. V. kna en bakat; agënUangi 

h. V. ra ha ka tang. 

2^ h. V. apang en këna, dat echter zelden 

apang beleekent, b.v. këna ratu, «ralwa 

(lamp. kënaj en kënjin; men. mal. bolèh 



9S«\ 



16 



odi^ 



zoowel opdal, als verkregen worden, kunnen); 
nèntèii kent antak tityang^, h. v. tra bakat 
ban itjaii^; nèntën kèni èlingin, h. v. tra 
kna ingëtin; mékéni antok tityang:, Jèn 
kèni Inémlpan, zoo hij het te drinken krijgt; 
pakéni, pakëna; knèn anak, door iemands 
toovermiddelen geraakt; kéknin, alles waardoor 
iemands van wege den vorst getroffen wordt, 
heffing, heeredienst, 

961 o 9Q ^ « ambnl sëkèné, ambul né; ngrëné, 
z. onder menu. 

9610 060^, sas., kèto; ng^ëno en sakëno, 
z. onder Ihënu; ambul sëkënoan^ ambul 

9 

to; si sëkëno, «mangkana (sakëno, Tjp.). 

^^\« jav., h. V. kuna; ing kina, Uadji 
D. 68, 19, 26; Mal. Z. 3, 78, bis (né 
sampun). 

9SI 96) ^ , jav., voorheen , in een vroegere mensch' 
wording, wanneer men spreekt van e. onge- 
luk, dat naar 't volksgeloof aan deze of gene 
tekortkoming in een vroeger bestaan wordt 
geweten; tanpakirti tityang kana, djaui tama, 
nu ondervind ik de gevolgen van mijn tekort- 
komingen in een vroeger bestaan , G. Waj.; bij 
H klagen over baar ongeluk, zegt dezelfde 
persoon verder in H gedicbt, tanpakirti dak 
ingilu ngëmasln lara sangsara; (vgl. purft* 
krëta en onder nasi, dangu, malu en 
i^üni); ook ring kana, «T. Z. 4, KI (ri- 
ng uni); nli(ng) kana, van vroegere tijden; 
drësta kana, z. onder d, vgl. kina. 

II.« kana of kona, z. onder gëmbok en 
bhaga. 



o 



9Q|9Q^ I., sdëk, kant barëng, kanin itja- 

ngé sëgër. 

IL, sas., vm. =s mésaq, sëmiton kani, 

njama sodët. 

ngsunoQ^ I., aldus, gelijk dit, «nft (jav. 

kènèk, vgl. kènto en z. nto; misschien is 

ké bier een verb. v. 't jav. ka ja, vgl. mëng- 

kèné); ngènè&ng, aldus (op deze wijze) iemand 

behandelen meestal in den zin v. mishandelen; 

« 
mnsnhé mangènè&ng tityang, «fatru sftha- 

sènghulun. 

ft II., jav. lah ta ring kènyalliv:giha, T. 
6. Z. 1, 23, Tjp. Z, 1, 80. 

"^gonsQ^, tan koui (1.: koniogf) kang 
kaliasan, T. Z. 3, 63 en 73, Z. 2, 31, aanli. 
onder guwug. 

II., z. aanh. onder linggapranala (= 
konif, vgl, kon, zeggende). 

n ion o 961^, zoo zegt hij of zij by 't over- 
brengen V. iemands zeggen (vgl. iloc. kan en 
kano, bat. hanuhon) vgl. rëko en kanja. 

n 9Qn o 960 ^ , jav., sapèng kono pangalasau 
bij 't roepen v. een der bedienden, Hadji D. 10, 

9611961^^, (manah of budi), gemoed, ge- 
voelen, meening, gedachte, wil, hartstocht, lust, 
trek b. v. naar de coitus (bij de Mahom. in 
deze bet. napsu; kënëbé bas gëdé); ma^a 
di kënëb, lezen zonder geluid te geven d. i. 
op de europeesche wijze; tra nglah kënSh, 
geen trek hebben voor de coitus; sakënëh 
(sabudi), naarmate iemands lust (sara kajun}; 
sara kënëb, naar verkiezing, naar 't geen gij 
raadzaam oordeelt (sa ra kajun); makénèh 



«1^ 



17 



«1^ 



yorth, van plan zijn iets misdadig s te doen; 
■tkénih blsa, zich inbeelden bekwaam Ie zijn ; 
mikéméh madwa ring 1 rata, «aptyanu- 
hun pada daiig guru; makénëh mamalinip, 
roomemens zijn te stelen: makënèh*, «aii^a- 
i^énai^en; kénèhirané, kaharëpit^sun; 
këBéhauf, «hinapti; kènéhang: luii, «pa- 
Qgidépiogsun; kènéhan; i<Jai« (manahang 
lilyai^g), ik vermoed, denk; kènèhaiqp, »ka. 
taka: kénéham: dané, «hinidepira; 
^nf kéaéliang, «sakahjun; kakènèhai^, 
•iDaogënaogén; mamroëh^ang, «anaha- 
nahi« 

^7»oj^, Gh. Z. 33, 5, gewis, B. Z, 100, 
i dahal palul), T. Z. 8, 2 (bnëh), Adip. 
:7. 27, 116 (knohnya); kênoh patakwanta 
ri dagkakiiif halu, Sum. Z. 31, 1 (Kid. Z, 
i, 9, wjakti tan salah kadi watjanan- 
la,: daarop beval hij, 't verzoek der heiligen 
iowiUigende, zijn krijgers, kënoha sang: rftwana 
(èkyawULëBa, Ar. Z. 6, 6, moge hij begena- 
digd worden; aanh. onder itjtjhè; s&djii|a 
Matira kënoh malnj&ng: rit, Hw. Z. 44, 3; 
kéioh walajauinf halan tawin iking: pëdjah 
tkiripa hajwa saaf^iUa, Z. 4S, 1; kënob- 
ivt, U is billijk dat, L. Z. 11, 9 (pa tut); 
tin haiia këooh ri buddhi, geen dier voorstel- 
\-n rond hij gepast, Adip. 38; apa pakënohë, 
*paran wëkasnika, T. Z. K, K2; pakno- 
kuya, Br. Z. 10, 17 (pikënanja). Kam. 7, 
bb bruikbaarheid). Bh. 76; angnoh sawawa 
^di» W. Z. IS, S (samapta aogénani 
'Wir, a. sairib buka, a. satanding mai- 
^b), precies gelijk, alsof f; latyagësëng" angr^- 



nok, Was. Z. 7, 27; lyënoh iDanisnii* lati 
amirab, Mal. 

«q«J\, z. floka, 0. (Kern). 

^^^^\. ar., i^MS), eigenn. (Arb., J.: 
kanangan), z. onder adjar. 

3^«iui3q|^, zekere groene boschduif soort 
(mal. punaj, de jav. djoftn, vgl. onder idjo), 
K. A. punaan, ook kunajan; z, «wanten 
en onder kukur. 

JeigQUiAjl^, z. bij kënus. 

a^ïstuiw^, jav;, aanh. onder ga rib. 
«« OS) 90) ^ , z., onder kawan II enkftnan I. 

«OQS)gs)|^ I., in pi. V. kahanan, T, Z. 8, 
33 (vgl. kawan, tadèna, sêras, mantën 
en nftn); kanan, m. c, Wrs. slr. 96, Ar. 
Pr. 21 m., 22 6., 82 6., 83 b.; tan k&Dan 
gingslr, van geen wijken weten, Kid. Sund 56; 
tan kanan mor, verdwijnt niet f. Mal. 99 o. 

II., Ar. Z. 18, 1, W. Z. 28, 1 (lëngën). 
Sul Z. 122, 6 (dftköina; mal. kanan, z. 
onder kawan). 

«»ïsige|^, #kani (vgl. bij ipèn), vrn. 
en h. V. tatu, W. Z. 8, 1 (brana); #aba. 
rup kanin , met iemand strijden , Kid. Sund. 
Z. 1, 20 (vgl. onder urup); aiqranlni, W. Z. 
32, 2 (natonin, mangranëhin); B. Z. 34, 2; 
kakaninan, Z. 49, 14 (kakuwui^an, na- 
ftnaog tatu). 

9Qn«^»:)gQ|^, katon?, R. 4 Z. 1, 80; Bh. 
82 6., 91 6. 

«g«I|^, anfnëknën, z. onder knëk. 

osiSQQS)^, z. khanaka. 



^\ 



18 



i^\ 



«Q09Q9Q^, s., #alas, T. Z. 8, 88; ook 
kananèm, met de ulu mi tja, vert. R. 7 Z. 
8, 38; z. onder sukët en mürtti. 

«OQQ»:)^, B. Z. 24, 3 (kftlaküta). 

ft ♦ 

o 1.1* 

songQQQ^, s., anakning kanyd. 



rJc^l^' (1. karnnah), z. arnah. 
96igQgQ9Qn^, s., anak^aning mata, vgl. 

onder sapèkëa. 

&«)3n\, s., R. 7 Z. 8, 6; 23 Z. 12, 7 

(strinya), Z. 10 Z. 2, 6; manuk kinnara, 
zangvogelf, 10 Z. 8, 8 (këdis malalil); ma- 
kinnara sjAUwawinnftngigël, 18 Z. 1, 10 (ma- 
rarëbadan masasulingan maigëlan, 
ikang amara sang asaling i n igëlan); 
• makinnara malftwawinna, 2 Z. 1, 39 (rë- 
bab saha soling); 16 Z. 10, 12; klunara 
rara, 23 Z. 12, 7 (wininjané badjang, so- 

mah badjang); vgl. kimpurusa. 

o o - . 

OGiQQTi^, z. kinari. 

ïsigoyi gi^, s.,.z. onder waigrawaAa, 

Ar. Z. 8, 8. 

gsuggnyiiRijyi^, s.,z. onder waigrawaAa. 

QQi9Q^ of kënar; barak mèkanar'an 

als vuur; mëkènarnar, gloeien van roodheid; 

vgl. kënjar. 

«j«i\,jav., «haridru, »gori (gauri), 

«r&tri (zijnde nifft een der namen), kunjit, 

üs., Hadji D. 73; tawon krnilr, Bjw., njang- 

njau^ (vgl. onder kunid); kanin|:in|: kunir 

tèmu, «watagna (f); ban|:ln; kunir apah, 

«raktagata (?); vgl. aanh. onder wulung; 

kémanir, z. onder gamongan; Bawang^ ka- 

niréii, geele, 0. Vlll 4 b. 



«i!9Q7i^, 8. (kinnari), «apsari, *tjèti 

sawari, «mftlini. 

9S1I 90 yi unsii ^ of kanduruan (jav. ngadj. 

kanarohan, in de basa sangjang vorst) ; 
rakrjan kanoruhan, een titel, 0.; Adig. 37 b.. 
Ar. Pr. 24 m.; sainëg:è(t) tëka kannrnhan. 

96« OS) genj ^ , sas., anak tjërik (vgl. mal.), 
aanh. onder rubèda, in den vocatief lot 
onderdanen door een vorst; mèq lékaq pin- 
tang^ kanak babatang^ sini mèq èmbnn ; inaii 
kanak, iemands vrouw, vgl. èpèn balé. 

ïsjïQU^, z. onder k una pa. 

9^gQ(SJu^, sas., bënëh (vgl. këna). 

glii 9Q 9dii| ^ , anKënèknék , Bh. 79, of a ng ë- 
nëknën? 

^QQ^düj^, benaming v. d. këmong bij 
kleiner orkest, zooals bij 't dansen v. d. gan* 
d r u i^ (z. p ë t u k) ; schertsenderwijs 1 1 i, maar 
V. kinderen wegens 't m ë m o fi tj o 1 , vgl. 
nonok. 

ngQ)9Q9sii|^, vrn., lëga en sëgër; nora 
kènak, «tan (obha; sara kènak kajan, 
geheel naar U genoegen of den wil; kèuak ka- 
Jan; vrn. =r këndël; kènak kajonéyègar 
manahira; n|fènakan|f, «amarasi, B. Z. 
48, 11. 

gQi3Q96ii^I., z. onder «nakha. ^ 

IL, s. (k h a n a k a) , eigenn. v. d. delver 

i 
V. d. gang, waardoor de P&ndawa's uit 'tj 

lakhnis ontsnapten, Adip. 86 (ka na n al). | 

III., 8. Br. Z. 9, 8 (mas, tatur; «jav. id.);| 

djnu kanaka, Z. 22, 10 (vgl. onder drawa}: 

kaju kanaka snpatralèpana, Sum. Z. 4, 43; 



»i\ 



19 



9SII^ 



kuiltb stnirani: ikanf tahèn kanaka marm- 
■i«Kiè rarasDlng: molat, swètambaranira 
kinéBao talis kanaka parwwatjarita kinë- 
■Jèp, Ar. Z. 46, 9; tahan kftnaka, eigenn. 
T. d. patih V. M a dj a p a h i t , Kta ; vgl. Ar. 
aan 't slot ongeveer; kanakawati, eigenn. 
T. e. pi. in den hemel, z. aanh. onder apus, 
z. a fi dj i w a n i ; lor wètan saking: kanakawati, 
V. d. plaats Tjandrakiraiia, Nw.; kanaka- 
wè^na, bruidêkamer, ook gréha kafitjana, 
Wir. 73 fr.; kanakalata, waarmee de haren 
lier apen vergeleken worden, R. 10 Z. 2, 10, 

bon émas, rukma odwad. 

o 



3SI3S)»\, z. B. Z. % 5. 

9<an95)9si^, kanekapntra , jav. z. onder 
tjatnr. ook ganèkapulra; patjèkanira 
sang nftrada, nga., ganèka putra, ga, 
rarira, nèka, tunggal, patra,anak, 
ii^isii saii^ nftrada midjil saking ku- 
kos, nga., nftrada, nara, djana, da, 
hidép, wruh halabëtjikiii^ m&nusa, 
oga., kottama, winajana, sudanta, 
tohan, i^a., saranagra (da^ra), nga., 
samanta bodra, dëning midjil saking 
dhAma, liga., jawa kapi (kapti), ama- 
dai^i batining mftnuëa, roanatinda (?), 
soka aniiigali prai^, Tjt. (b. steeds inga- 
ran in pi. v. n^a.); ook djalèkaputra 
K. zegt dat kanèka een verb. is v. kanyakft, 

omdat N4rada de zoon eener maagd was). 
isiisiisw^, eigenn. v. e. staat, z. onder 

kistabam. 

»|iq|^ L, Adip. 56; siddhanin; amrib 

akiBkiB, T. Z. 5, 68 (masadya nabdabang 



manah, namtamang dèwèk); mèklnkin, 
«mékiré; mara mékinkin nkana molihan; 
kuminkin ri, zoeken iemands dood, T. b. Z. 
4, 101, Sum. Z. 7S, 2; anginktn, Br. Z. 45, 
7, R. 7 Z. 12, 18 (ngègasang, i^gisëhang), 
(vgl. jav. k ing kin); lrik& ta slrftnginkln 
amrIb* doméling: v. d. stervenden Bbidma, 
Bh. 88; amrib anginkin, Sm. Z. 21, 2 (njadya- 
jang ngisëhang); slDun^ang kininkin sira 
dènyarinlra v. den bedroefde, ald. ; ktninktnka, 
Br. Z. 51, 2 (taki^ tyai^, kiniré ingsun); 
kininkinira, W. Z. 1 , 1 (k i n a r j a n i d a, 
karjanin ida, gawènang i); ktukinèn, 
tracht naar, T. Z. 1, 26; kinUnën, W. Z. 7, 
7 (gawènang, ginawé); nginklnang, «anë- 
n ë b u (vgl. onder t a k i) ; nginkinang, vm. =s 
Dgirëjang; ng^nkinang tustanikang djagat 
sami, «mftr sukai^ rftt kabèh. 

«IL, angiokin atkén, W. Z. 5, 38 (i^alih 
tungkëd, mamarggi matui^këd), B. Z. 
48, 7 (mangai^ katungkëd, ngangsëhang 
ma tungkëd), Wit. 20 o; uahan bètanir&n 
panginkJn, B. Z. 44, 13 (makiré, madja- 
I a n), Wit. 66 o.. Bh. 88 6. (bis.) ; z. onder 

« 

gisëh. 

Q^ 9Q 9Q| ^ , in bezit genomen ; ngankan, eens 

anders eigendom, 't zij vrouw of iets anders, 
tot zich nemen, als Zijn eigendom gebruikende ; 
pada bani mitwijang pan sallt raalaksana 
tjorah njnwang ngnnkon tor nganggon ka* 
rénan ni kètat tjènik, prk.; ngnnknn bédagan, 
een vogelvrij-verklaarde huisvesting verleenen^ 
vgl. ngubungin. 



oén^ 



^0 



ÓSI^ 



^O'^gj^oj^ I., jav. (kèngkèn); i^[;ènkèii, 
h. Y, nundèn; kènkènan tityang^; kènkènan 
wadoiiy z. onder düta. 

11.^ (vgU ëogkèn); ana kènkèn punika 
sampan sawèndanèné, «pira kunaog la- 
wasnira huwus; Jan akènkèn to, pira 
kunang; mëkènkèn, wat doen f; bakal ng^èn 
kèn, wat komen of zullen uitvoeren; kènkè- 
nang ngèsopgin, hoe maakt meti er een gat in f; 
4|alnia of manasa kènkèn en wong of djalma 
kènkènan, #narah apa; énto té djlëma 
kènkènan, Tj. b. Z. % 23. 

III., z. kèn I. 

nien'jwpQsij^, jav. (koog kon); kon- 

konan, Sm. Z. 29, 1, B. Z. 98 4 (utusan); 

makonkonan, «molus. 

^ o cv • 

96igQ^^, z. onder gitir en trikafitju. 

961 gQ n 9Qn 9Si)| ^, sas., kajëhan kutu; 
bnlon kènëkok, bulun ka long. 

gojnoeoQ^odüj^, z. onder klongkang. 

gQi3Q96itsiiU, kanékëtakén, R. 2 Z. 6, 1 
(t u t u r a ng, ngr a kë t i n, pëbèsën) ; kanëkëta- 
këna, B. Z. 38, 3 (sëkënang, mapikëna), 
Z. 3,28 (pagëhang, rakëlang, lëwihang 
ugi), Sm. Z. 12, 12 (kèngëiakëna), aanh. 
onder diwjatjaköus; vgl. tëkët. 

^a^o'^^ . b«..™,ng ,. . ^«^i. ,l.n. 
kerder de kleur en grooter dan de t a b w a n 
kunjit, en zeer groote neslen als een klapper 
ongeveer in omvang vervaardigende, Gj. ku- 
lid?, vgl. kunjit en onder kunir. 

96iOQeoo6CO^, sas., blinbinan, ook 
èngkok^an? 



96«^\ I., s., (khaftda), Adip. 101 (bis.; 

vgl. jav.); dè$a sakanda*, Adig. 54 h.\ ma- 
kanda, Br. Z. 26, 2 (madabdab); makanda 
akèh of makanda pafplarnya, «atingkah 
akram, R. 18 Z. 6, 2; Z. 7, 1; «agëlar, 
«marëpat, «atingkah, Z. 22, 7;k&k&nda9 
Z. 23, 9 (ningkah tingkah, makanda^). 



R. L. Z 11, 112; 



a*. T. Z. 5, 107 



(m a d è r è k^) ; makanda*, «matapatap; 
suka makanda* saha sikëp, «ègar sah&s- 
Ir&tihang, R. 4 Z. 10, 31; kinandakanda 
ring mas v. e. danda, R. 21 Z. 9, 5 (tin- 
rapan dèning kanaka; vgl. jav. R. bl. 
439o) vgl. T. Z. 1, 4. 

2«, pakanda, «praringkah; parikanda, 
verklaring om nader door den rechter onder- 
zocht te worden, (vgl. utër); pikanda en 
parlkanda, surat parikandan tityang;; kanda 
mpat, Us. 443, 5, slaat op de ari^ gtih, 
banët en jèh njom, vgl. onder banëh en 
kèrè; ng^andaln alanipnn v. iemand, die te 
zorgen heeft, dat er geen ruzie enz. bij 't spel 
plaats heeft, zoo ook ng^andain wikara; ngan- 
daiUi zich om iets kreunen; tra kandaina (tra 
r u ng u a ug a) ; ngandain satra v. e. koop- 
vrouw, om te verkoopen; ng^anda&ng^» voor het 
gerecht iets aanbrengen b. v. een paard. 

II., B. U. 77 (bis.). 

III., kadga, L. Z. 16, 2; Z. 19, 3; Z. 15, 
1 (vgl. mal. iUi-). 

IV., kakanda, s. (misschien kanda, knol, 
bol, knoflook), djagung. 

9Qo^\ , s., z. onder sarga en wi^ikha. 



m\ 



21 



96ll\ 



w Al ^ # ktntÜ*, B. Z. 1, 28 (gagandék; 
vgl. ogadj. kakandi; bat. handé, jav. en 
sund. kandé, lamp. kandiq, mal. z. Niemaon's 
Ib. I. 179, vgl. onder b ë b o s a pg ; pangisi 
kandl onder de onbetaalde leveringen, vermoe- 
ddijk 't leveren van betel, daar de kandi 
daarmee gevuld wordt, O.; kakaAdi, de buidel 
\. Umar maja, waarin hij alles bewaarde 
i'o xelfs personen vervoerde, Aw. (jav. kaA- 
t oqg. Men. 75 naast k ë k a h d i en Z. 74 

ka pa sang; h. H. steeds ^ 't perz, ^^suj); 
ktndi walah manik, aanb. onder mahaka- 
piqg; vgl. èndong; kandi kawirl, eigenn. 

V. e. pi., aanh. onder kapulungan. 

^ o 

^^\t jav,, z. onder tjarat, Wtb. 261 

Drm. telkens k ë n d i 1 1 , Anb. 167 k ë fi d i 

winulai^, waarvoor Anb. J.. bl. 132 këüii 

w a 1 u I a ng heeft) ; angèndl aanh. onder w u- 

lu' en vgl kundi en onder kafidaga. 

«^\, jav., glaug këkéndon, Kid. Sund. 
'L 1, 11, aanh. onder tjaAdi. 

>=ï0^n^, jav., aanh. onder tjamah. 

9^i?\ , s. {jasmijn), gambir (de bloem 

nanientl.). 

*5f*f^^ 1., Bjw., manda v. 't waler der 

zee op panglong (vgl. pantis); pakanda&n 

(>r pakaoda, saorl vijver^ soms bemetseld aan 

de kanten boven de paütjoran of de graote 

njrer, lot badplaats dienende, aangelegd om te 

llf^ieUen, dat 't badwater zand inhoudt, Tjt. 

63 (vgL andai^an). 

U., Ar. Z. 1, 17, Z. 15, 11, opbei gen, Yfir. 



63 b.; kondan (1. kubdanf) amèr<n, Br. 
Z. 16, 9 (ipgsun karana ogamër, tan 
mari punika agëm). 

IIL, s., W. Z. 3, 6 (paoman), aanh. 
onder ièla (vert. v. antarwèdi), vgl. aanh. 
onder aksapatj&ra en minjak; p&wakan 
kundajoni v. Drësiadyumna, Ud. 89; midjil 
saka ri kandawiwara^ ald. ('t origin. agni 
kufiddt samutthita); kandadhira, eigenn. 
v. e. Korawa, Bh. 70; kuïidawlsama, eigenn. 
V. e. daitya, hr. Z. 45, 17 Z. 46, 1 en 2. 

IV., z. onder hal on. 

3sj^^^ , 8., z. onder umft. 

^^^ L, jav., wwaog agawé dapg- 
dang, gnuk, kawah, orig.; gnl mnnggwing 
pakundèn angubar «yan, kawali, dangdang, 
tapèl, bata, dnrwanda (?), orig, i^ga«, Tjt. 
6 6 , vgl. angëAdi. 

* II. , z. k u ft d i k a, de waterkruik v. e. 
brahmaan, Kam. 6, waar een priester water 
meé uit de put haalt (de overeenkomende 
plaats in de T. heeft kamandalu), voor 
palmwijn, T. Z. i, 43 (djun); amrëta ring 
knAdi, B. Z. 110, 13 (mrëta umui^gwing 
kamandalu); kuAdi manik, z. onder rat- 
m a dj a. 

lil., z. onder um& en vgl. onder uttari. 

^^\^ angandoknnda, B. Z. 94, 1, 2 
(dj r a n a k dj r u n u k, m a i^ u n t u k). 

n 9QO T gp ^ , këkondo, worst v. rundvleesch 

in een runderdarm v. d. bëbëtuk vervaar- 
digd, aan beide uiteinden lal! kupas; wordt 
meer gemaakt door de Moham., om aan lieden 



KH^ 



n 



m\ 



uit Séngënëp en Kaogëjan te verkoo- 
pen, sas. këkondoq; z. urutan en 
bluntak. 

gsii^^q^ , jav. malLandah v. lerneérgevelde 
rijdieren, B. Z. 15, 36 (ödjëlantah, pa- 
djëngku); R. 21 Z. 4, 1 a.; akundah ataru, 
T. Z. B, 67; Br. Z. 1, 11 (mamulisah, 
mftgujang, Iwir niagujang); Z. 14, 30, 
Z. 15, 36; akundah v. d. beenderen v. gedoo- 
den, Utt. 42; makundah, K. 20 Z. % 18, 
♦ aniba, L. Z. 15, 6; R. 21 Z. 4, a.; 22 Z. 3, 
8 (magujang); akundah in; lëmah, v. beelden 
op een tempelerf, L. Z. 3, 1 (ngulintik 
ripg natar). 

gsj^'^n , Bjw., de vrucht v, d. gëbang. 

gsj^'^gQ^, s., eigenn. v. 't rijk v. Bbis- 
maka, Hw., telkens (jav. kumbina, 't geen 
ook voorkomt in de Tjt. bl. 88, ^^mS, residentie 
van jjM*i'^U, vader V. Rukmini, Pw.fr. 131), 
nrëpa knndlna en kundiiièndra, Sut Z. 128, 
5 en 10 (sang prabhu susèna). 

gsj^oeon^ (1. onangkü), Hw. Z. 17, 7. 

gsjgniOtAJi^, zou de titel zijn V. e. kidang, 
z. kundangdya. 

gsiiè\, si kandar dnlkarnèn, jSiLJ 

^^IjJ, Am. 

9S1I 9^ N , z. onder k ë n d o r. 

^\ 

9610»:)^, Bjw., këftdor, slap zich gevoelen 

voor men gegeten heeft, mal, moede (sas., 
këndur, ënduk, vgl. mal.; jav. këüdo), 
z. kënjang. 

gsj^\, z. bij bligo, Adip. 84, War.; 

vgl. onder tambwas; awok g^oliuiyA ï^»** 



wonga kuAdur, Ww. 6. Z. 3, 29; hnka kun- 
dur, z. onder buka. 

nïsnn^'^TO^, jav., «manihër (?). 

9S119S1 T\\, s., z. angkus. 
QsniQTiN, s., z. onder gulü. 
QSH^'^yiUTiïSw \ , z. onder kanuruhan. 

^ é V 

QSflOQyiN, s., smara, Br. Z. 12, 1, Ar. 

(^ 

Pr. Z. 5, 15. 

gsioicoa^SJi]^, of këntodaq, sas., ba- 
lang sumbah. 

g6ii)Q(Sul\, këkandiq, z. onder bëbo- 

sang. 

goi êi osJ] ^ , «wadang, soort v. bijl om 
boomen, voor brandboul b. v. te vellen (z. tim- 
pas, dëdapak); mèraui kandik, z. onder 
ibul; nikul kandik baütaii kaOri mösnsnn 
timpas, spreekw. v. iemand, die, voor een 
schuld reeds boete betaald hebbende, voor een 
ander weer beboet wordt; mara iilkël (vaker 
nikul) kandik, met een krul v. katjang of 
een andere boven den grond boog- of krulvor- 
mig zicb pas vertoonende uitkomende pit (z. 
këtjaï); kandik*, zekere groote vogel, die 
genultigd wordt, leeft v. kikkerts, paling enz., 
een kleine soort ngosngosan; z. këp; 
mëkandik padi, blbd., nganggap, wegens 
anggapan; npindik, mei een kandik iets 
hakken of vellen; kandia, «wadungën, R. 
22 Z. 4, 22. 

9Siiogp(55|^ , sas., dj uk ut. 

o«r)n»:)(rji|\, sas., djun (z. pëndaiq); 

këkondok, z. onder këkondo. 



9SI^ 



23 



9SII^ 



a-^isnx, 8., V. e. kluizenaar, T. Z. l, 
40; z. kuftdi en onder suwariina. 

»ogon«o^, z. kënodo. 

}Qi ^-^ tsiij ^ . jav., Unauilat, B. Z. 11, 4 
'makadot, kagrondot); ptnfaAdatan wa- 
Iab, W. Z. 35, 4 (pasindutaniog sasih, 
p. \v% (afau^ka, ulës (a^adhara). 

>a-^TsQ^ 1., vgl. jav., akèidat, wurgen f ^ 
Adip. 97; ziek verhangen f. Wir. 20, 22; mt- 
traiéndftt» aanb. onder tumpëk; kinèniUt 
iif tali, aanb. onder taluwah (vgl. onder 
a p a s). 

IL, volgeling F, kataf saköudatnya, K. SO, 
30, brajaP 

IU.Jay. (tehdat), ketat; këikdatan Jèh 
v.depadi, zoodat hij sterft b. v. (ja v. kakëA- 
dakan, «jav. kakëndatan bukti. Men. 
Purw. 1S6, 141, katëndangan b., Hen. 
D 197). 

ó^f^OTJ^, jav., R. 14 Z. 8, B (tali bang- 

kjai^, pamatëb), vert. v. mèkbalft, ikët 
kèn, aftrasana, kaköya, kftfitjt saplaki, 
katiwandba, (ronibandba, rasanft, radj- 
<^a, (ulwa (vgl. mal. en sund., sas. g&ndit, 
vd. bal.), W. Z. 5, 15; Hadji D. 61, v. e. 
naakt meisje, R. 10 Z. 8, 2 (a^lpok^ tali 
bafttjailg); baklt mëkëndlt, met een vuurzuil, 
avaariyk voor kraamvrouwen, 't geen verteld 
wordt van de Raün, die een këndit beeft, 
ab jai^ aju dalem këAdit mas mëngilis 
de lusleo heeft> zlJ de vrouw zijnde v. dalem 



mawilis; këidit birajang, eigenn. v.d. vorst 
V. Nusantara (vgl. Catal. 66), bij wien N u r- 
sèwan tegen Amsyab bulp kwam vragen; 
in Djb. verslaat hij A. met behulp van zijne 
broeders, die evenals hij, uit een nageboorte 
waren ontstaan; van zijn broeder Sërpaboga, 
die in den grond woonde, wordt gezegd, dat 
hij ontstaan was uit de kunir en wëlad; 
van K. B. zelven, dat hij uit de ari^ was 
voortgekomen, terwijl zijn andere broeder, ge- 
naamd Malai^ S umi rang, die in de lucht 
leefde, dadining kakawab was; K. b. en 
M. S. worden door een wuluh gading, door 
Rëngganis v. Iman Sumantri verkregen, 
gedood, omdat beiden op gezegde wijze waren 
ontstaan (mal. W., bl. 16, Bhiöma doodt een 
paar raköasa'a, uit de ari^ v. e. princes ont- 
staan, met een lans v. wuluh bëtuog); 
z. ook w. R., 167, waar 2 danawa's, uit d. 
këkawab en ari^ ontstaan zijn en een wlad 
pring wulung onder de middelen genoemd 
worden om ben te dooden, vgl. onder këka- 
wab, z. onder djubil, en aanh. onder ga- 
langgang II en tlorong. 
QSii«^^, z. onder këAdi. 

^^^\> J^^-> kampih; praa kandaa, 
dj ng a s a t ; maqgaiidas, te latid komen, 
ergens, aanh. onder prapasaAan. 

^ w?^^ (?), een wapen, Wir. 8. 

too^^u^, s. (khftAdawa), kh&Ailawa- 

wanai nm. v. e. boscb, Adip. 114, aanb. 
onder wjartha, Wir. 48, 118, Sut. Z. 154 
e. (T. b. Z. 4, 230, andakawana; Tjt. 225, 



w^ 



24 



tsi^ 



s&kö&t hrü sang pftrtha lawan sang 
krésAa niangibëki kanana riug anda- 
kawana, vgl. jav. krëüdawabana, vgl. 
Caial. 244, en z. dandawana); k&ndawa 
dahaua, Wir. 22; khiAdawaprastha, vroe- 
gere nm. V. Indraprastha, Adip. 106, 107 
(alwaar kandawiprastha, terwijl de ki- 
dung Z. 3, 11 en 14, kandawiprastha 
leest) 

5Sfl»^u^, of kandwa, de groote ijzeren 

hamer, waarmee op 't gloeiende ijzer geslagen 

wordt, palu, op sooimige plaatsen, pëugan- 

dub en pépgandwan; vgl. pëngëntub en 

pënanggilan. 

9Sin^u^, z. këmbèjang. 

9Sig^uuii9Q^, eigenn. v. e. plaats, T. Z. 

3, 62, maarald. dandawana (b. Z. 4, 115, 
andakawana = kh&iidawa wana^). 
96i3QUU7i\ en këndawiwara, z. kis- 

kindba; katjarita sang sugriwa bali 

radja, niajuda sai^ lanana bisa djriba, 

marukët magagadajan, sauii tëguh 

makakalib dadyanya bias, pajudan- 

dané né mangkin „sang s. ngësëngin 
mangké sang nila, tjai n. mai dini, 

kma Ijai luwas kaftlas gili mlaja, dè- 

ning bapa kasoran (ma)djürit, kma 

parëk sapg rama, aturang bapa nunas 

urip „dawëgang pisan ugalurin ida 

sang r., bapa ngaturang bakli, mwah(i) 

tjai pada, watëk i (b.: dawëg ki) prati- 

twab (b.: pratiwa in pi. v. partiwa?) ika, mi- 

wab paüdjaké né tjënik, watëk krëndawi- 

wara, makdjang ngaturaog bakti „sang 



n., (ma)pamit raris mamarga, tan 
katjaritèng margi, mangkin sampun 
prapta, ri gili mlaja ika, (b.: sang 
rama atawan tangis, sang nila glis 
mamarga, katjunduk ida nrëpali „da- 
dya kagjat ida sang r. dewa, manji- 
ngak busét prapli» agungé tan sapira 
sang rama glis ngandika) iki buron(b.: 
busèt] paran prapti, sang n. glis nga- 
turang (maturi), tityang utusan bapa 
adji „tityang kawkasin a ntuk (dané) 
sang s., (ring) tjokor i dèwa mangkin, 
dané wantah mamaQdjak, ring(pa)ling- 
gib (tjokor) i dèwa, durusang swè- 
tjané ugi, ngaülajang i bapa, daué 
(ipun) dawëg nunas urip „ratu sang 

r. ^apunikidartaqa, awanan tityang 
(rawub) mriki, mamarëk i dèwa, dané 

kasor majuda, mamësëb dané wa 

bali, mrëbatin waümab, ptjak pangu- 

pabé nguni „ka(wi)witipun dané (né) 

nga(ma)madëmang dètya, magnab ring 

guwa ugi (nguni), sakèng sang hjang 
indra, mangutus mangrusakang,i bapa 
sarëng wa b., sang s. magnab ring 
djaba, wa b. raris mangrafidjing „raris 

dané. wa b. ma sa(m)bada (sabda), ring 
sang s. jwakti, né adi sang s., dini adi 

djwa apang mlah, dëpang bli maman- 

dingin, i dètya danawa, adi pang pri- 

jatna ugi „lamun ada gtih putih 

mtu ring gwa, tambël guwané glis 

(tan wangdé bli pëdjah), apang subanën 

adi kadjaja, sapunika kandauèki (ri- 



9^^ 



28 



«•\ 



hio), tityang (wah ngaturang« ring 

tjokor i dèwa mangkin „tumuli maju- 

da (sang b.) tngah ing guwa, tan 

Jumadé raris niidjil, rahé kadi (m) 

èaibah, ëmbah (putih) tan(pa)pëgatan 

sang 8. raris gëlis nambSl i (tikang) 

gawa, antuk gunung anggo (kadi) 

dalil ,,rari8, lunga dané sang s., pa- 

rék riog swargan adi, ring ida sang 

bjang) indra mandawfigang nunas 

pangnpah, dèning dané sang b. mati, 

majuda ring i dètya, sang hjaug i. 
raris i^iljènin „sang s. raris (nia)nam- 

pi paAgupab, tumuli raris mapamil, 
ring ida sang (bjang) i. pangupabé 
raris kabakta, tumuli kadlap rabi, 
lolak sang s., tan katjaritèng margi 
Jumali mtu dané sang b. radja, kro- 
dané tan sinipi, san^ s. kalëbonan 
^atangtangin majuda, sang s. dadi 
brangti, t u m uli m aj ud a, sapunika 
Dé ring uni (kaodané ngnni) ,,R* bl. 
2. 4, 11 Tgl.; S. om hulp vragende zegt 
^n krëja kaüIèU, prasai^^a amba gusti, 
ttttnrèBp sangahuloii, anëda tulang amba, 

ÏMSênm amba adJarU) tan kawasa kattia 
tttpag Jttda 9,lialawan patili batara, nama 

ta dra puii ball, Iku dada si wong lljan, 

^ttak kaftla sadjatl» panawa kakang b., 

nkilihan kaillèka, kakang b. lan amba, 

Barna vraagt de reden van S.'s strijd met B., 

«urop S. zegt) inggih kafila dèwadjt, kaüla 

ntir prmnula, tmahé amaqgglh djarit, inga- 

■i u iiaag adji, batara Indra ing danga, ana 



patra sannnggal, Istri antnké mamangglh, 
ajn pèlag, kapanggih indrabawana „raden 
galuh tjtnolonican, dèning mahisasnrèki, ngan- 
dika batara i., maring kattia inguni, mwah 
ring kakang b., èh b. s. iku, sing sapa 
kawasaha, amatèni mosnh mami, Jan amati 
nlnl galah san agandjar „mugkana andi- 
kanira, batara 1. ing kami, tamaU(h) kattia 
kèsab, kalawan i kakang b., langa maring 
wanadrl, nnsap maring alas agnng, ngalih 
mahisasnra, tan asnwé amba manggih, sang 
mahisa sinndak tintmbaltimbal „nandang 
tatn sang m., amalajn djëratdjèrlt, binara 
dèning kattia, saparan* dèu tatatin, ladja 
gawa ingangsi, këndawiwara tinadjOi maiëba 
maring gnwa, anali kafila nganti, adan amba 
ararasan inhnr g^wa „sattsè amba rarasan, 
anabari kakang b., èh ta slra sang s., an- 
tlnana isnn Iki, san malëbn gawèki, lan 
malih wëwëkas Isnn, jèn ana gëtib mëdal, 
abang mniitjirat nmldjil, pan panika gëtihé 
m. „atmahan was apëdjab, laman ana gëtih 
patib, kadi mënnh ënlng mëdal, si kakang 
adawé gëtih, pon kakang was amati, pëpë« 
tëna gawa ika, mangkana ndjarlra, si 

kakang Ing kattlèki, nali(h) malëbn ing 
gawa këndawiwara „dnrang lama maring 

gowa, Jata gëtlhlra midJH, kadi mado patih 
mëdal, ènggal kattia roëpëtl, tandang kattia 
malih, sarëng lawan raden galuh, sang ba- 
tara ngandika, mangkè baja as amati, mn- 
sah Ingsnn dènlra radja s. „mangkana andl- 
kanlra, anali(h) ambatnr bakti, Inggih ma- 
hii^a us pdjah, dènlra si kakang b., nglng 



9SII\ 



26 



75fi\ 




kakang: b. matl, mang^kana atar ambèka, 

batara i. iiffatjap, sin; orip amèt san; dèwi, 

sanan^kana andikan batara i. „raden ;alab 

was akrama, kalawan kaflla gusti, 1anil*nè 

kafila, tandan; raOh kakan; b., matar in; 

batarèki, neda katrimèn ika, marin; batara 

i., san; batara ng^Andikaris, kaIin;aDë san; 

b. aminta kanya „sin6n;;èh sira was pédjab, 

niui ;alah wos iu;ambil, dènira sira s., 

man;kana andika mami, béuda si kakan; 

b. dnmafèu; kaüla rata, pnnika mila amba, 

ajada lan kakan; b., R. sas« Z. 4 (vgl. mal. 

R. bl. 106). 

QSiignjI|\ I., jav., Br. Z. 26, 6, Z. 27, 1 

(tëbël), V. d. dorens v. e. boom, T. Z. S, 40, 

dikte V. d. duislernis, B. Z. 87, 12 (dëdët); 

makandél, dik v. d. basl v. e. boom, Lamb. 

Z. b., V. opgehoopt slroo, 21, v. duislernis; 

V. e- wolli, Br. Z. 16, 14, R. 23 Z. 19, 5; 

aanh. onder pariwrëta; (mal. v. Bandjarm. 

kandal); akandél lambènya^ aanli. onder 

santaw&ra; pikandëlin; para v. e. plaats, 

alwaar de gh a n i a gb a n t i gehoord wordt , 

de garantang opgehouden hebbende, Sut. Z. 

1, 1 ; pëkandël pari v. e. huis aan den muur 
V. 't paleis grenzende; amikandël in; pari, 
Kid. Pam. Z. 1, 50; kandëlan, jav., overtrek, 
meestal v. goud, slechts aan één zijde de scheede 
bedekkende, aan de andere de pèlët zicht- 
baar zijnde; offandèl, de pënjambung v. d. 
kris verwen met atal en kèfitju enz. 

11.,^ z. * a n d ë I ; amitan;;a makaudëlin 
won; IJan, eedf, van die geen eed mogen afleggen; 
komandël} «manggëb (vgl. këndël), «ku- 



manif tjaja; dahat komandël, «sani^tjaja, 
uë kamandëlan;, «panghadè; kakasikannja 
kamandëlang^a, «hana swamitranings un 
p&ti; n;aniandëlan; tëkanin; mënan;, ni(- 
tjajèng djaja lëka; n;amandélan; kaké- 
rëng^n, panghajëng ka^üran, hanakakn- 
mandëlan;, «hinarëpharëp; kakamau- 
dëlan; en knmandël , « p a r tj a j a en p r a- 

tjaja. 

9^^ru|^, zekere boom, de bladeren samen- 
trekkend als een der ingrediênlen v. d. u n- 
taPan voor klophanen (vgl. sund.); këndal 
bataka, onder de middelen tegen pëdjën, Us. 

^giruK, verheugd, blijde (kènak), «agi- 
rang, «manggëh, W. Z. B, 1 (1. kandël.^). 

IL, (te lezen jav. këftdalf), B. Z. 80, 43 

(mangsëg, kau^ël). 

ogtrul^, n;andal, over een vrouw */ be- 
heer hebben van haar man of bij afwezen van 
dezen een zoon, broeder enz. ; kawaOmah (v. o. 
m è n a k k a r a b i) tar kakandal tityan; an- 
tok né mawasta i ktat sadanta, z. ng o da- 
gang, ngraköa en ngëmit. 

"^gsii^ruj^, n;èndëlang, ngëlëdang (vgl. 

jav.). 

n«nn»2jpiru|\, n;oA4ol, Bjw.. mbong- 

kos, jav. uggèmbol. 

QSfln«pfu\, sas., ëmbo^an (vgl. onder 

dëmén); bijah këndola, benaming v. e. groole 

soort buikwormen. 

QSi'^ru^. s., «karnawèöiana, Sm. Z. 

7, 7; B. Z. 108, 7 (anling^); Br. Z. 23, 6 

(a., gondala, jav. R. 75 o.), R. 4 Z. 1, 66 

(gondala, a.^), onder de insignia v. e. heilige. 



> 



27 



9^^ 



aanb. onder mftrkaAJèja en (iwopaka- 
raóa. ooder de dingen, die uit de melkzee 
irekarnd werden, aanh. onder su rabbi (vgl. 
iinder (wèta, zoodal aldaar kamandalu Ie 
ben is), Tgl. aanb. onder wiku. 

w-^nj^, jav., (oom v. ijzer (blèbèl; z. 
padaogal en tja mok, sund. kadali): de 
rolan-band, die de bantang v. d. lampit 
un de uga verbindt; rapihinsf: kandali, z. 
<Mider rapih; ngnndalt v. d. kafltjul, als U 
n^e een touw^ zoo versleten, om berooidbeid 
»n Ie duiden; betah sabal (b.: suba) ma- 
irudall, Bogk. 3 (Bjw. i^ëAdaii, waugsalap, 
-qgapus, jav. dikëftdali bun tut); ngan- 
üli djélmanéy lèUgé mlëkag, waarin i^un- 
hli een bibd. is in pi. v. niëlali; i bot 
ran qpiuidaU, bobotoh mangaiësir, T. b. Z. 
l aanh. onder balaka. 

3S5 -^ nj ^ , s., u Ift, V. A n a n t a bh o g a , 
ivarai bkodjagapatl, p&$aridja, nig&dhipa, 
«rtBf ratoniDg kandalt kabèb. 

^•^ul^, z. afidap. 

Ki-^tüui»)^, B. Z. 40, 5 (ikut lulung, 
agat L), R. 24 Z. 29, 1 (djanggar syab, 
U); B. Z. 40, 3 (k., ikuh lutung), Mal. 
1%, (tabu?); Mis. Gag. 34 b.; kandujahan 
tkkra mamb lantakasana (7) ngrawlt tinon, 
Vargas. 

^j^uiaoj^, sangwrèti (of krëti?) kan- 
^Jn, T. b. 3, eigenn. v. d. eersten koning, 

m 

L ooder mangukuban. 

ia^uj«]^ of kiftdajut?, T. Z. 1, 2 
uglèotèngan); v. e. hals, Z. 4, S4, alwaar 



*i gevolgd wordt door dèning en een passief 

■ 

moet voorstellen (vgl. s u ng g i) , de plaats 
komt overeen met die onder odod (kaglan- 
lingan); munggwing kaAta m'akiniiajat v. e. 
kreeft, Z. 3, 17, vgl. aanh. onder pafitjftnana; 
w&hamajat tangan mahftrftdja krësAa, matttis 
I tënggëk bhflgaw&n bhtèma prajanira, ka- 
nyatan Jatna saiqf ardjnna lammnpat sakèng 
ratba, kamindajut 1 b&hu mah&rftdjft krësAa, 
om hem te beletten, Bbidma te dooden, Bb. 
58 ('t origin. 2610, djagrftha; Br. Z. 12, 20: 
anggëmëngi tanga n): satata makindajatan 
ikang (rt ri b&hudaAdanira v. e. machtig 
vorst. Bh. 1; akindajutan ri» een plant v. e. 
slang, T. Z. 5, 90, tweemaal (malilit); akin- 
dajutan ri kipinginir padati, Kid. Pam. Z. 4, 
aanh. onder k ft wat (waar 't proza gum- 

1 a n t i ng heeft). 

g^^usoj^, rakjangta kandyawan, nm. 

V. e. vorst v. Mëdang, die voorrechten aan 

priesters gegeven heeft, Wrt. 44 6., Tt. ter; 

(jav. Bah. bl. 11, vgl. onder kutara); sang 

kaAdyawan» in een half sund. stuk, z. Tijdschr. 

Batav. Gen. XXVII bl. 96; hjang kaAdyawan, 

Wishu op aarde te Mdang kamulan, Tt., 

z. kanyawan. 

LM^, z. onder aftdém. 

Q^^'&ül^, kasor, «sor; ngnda kandëm, 

ook tegen krekels in 't gevecht; ngaudëmang, 
vgl. kandap. 

'fl^\ y s., nm. V. e. bhagawftn, die 

in de gedaante v. e. kidang door Pftndu 
gedood werd, Bs. 1, Adip. 75, aanh. onder 

swatantra. 



60) 



O 



^\ 



28 



m\ 



«ii^av/i^, 0. (jav. andamuhi, Adji 

saka, 12B^ ook t^nd^muhi, Men. XI 336: 

Djajalëngkara, telkens; R. L. Z. 7,160, afida- 

m u h i; Catal., 117, noot 2, t a n d a m o i als 

eigenn.), aanh. onder dharnimftdyaksa. 
Qsii^ni^ I., L. Z. 19, 10 (kadga), Sul. 

Z. 136, 1, Rra. Z., 45, 3 (bis), #tjurik; 
silih kandagra. Ar. Z. 49, 12; vgl. blJ kanda. 
IL, jav., «supranagi (?); kaikdag;a niAs, 
«panudjada (?), subadradja (?); kaïidag^a 
salaka srajawanda (P) , nandajaka (P), somita, 
|i&ni rftdja, pAdan&tha (z. onder p&da), fwara 
r&dja, iig:a, panakawan; supranagi, pratjaka» 
dorpawah, tariuatrasa, nja., aiij:aiidag:a; sn- 
misui, parthawi, pradjonita, ii;a., ang^ëndi; 
warakta, sarnprada, saèyusni, ng^a., aniplanté; 
prakanda, walawa, wwang: anambalu (P), 
warftrdjdja» witjirnna, r&djanoiig:i , wwang: 
djoru pajnn;; prag^apata, sanasota, $ropa 
(b.; dr opa) sutra, prag:arnka, wwang: aiig:èm- 
bal, eene opsomming v. volgelingen v. e. 
voornaam persoon, Tjt. 9. 

, kadugi, Kid. Adip., b. bl. 3. 

gQ| ^"^no o ^ , s. , kunang: ikan; da^auana 

sèwn tahttu lawasnika nirAhftra kèwala, 
konan; bhèdanya makakali (b. : k a 1 a k a r) 

téndasnya krama (b.: nya) jan tëki sèwu 

tahnn, linwang^nya téndasnya pinAdjikènya ri 
san; hjang: kniid&g^ni, sèwu tahnn satèndas*, 

ika sapnluh ikang: da(;a warsa sahaua, sa- 

ny&sa ta ja tumng^èla téndasnya ika kasapn- 

Inhnya, irikftn pannrnn bhatftra bralim& saha 

liwan waték dèwatft, watsa* da$agrrlwa, 

prlto' smi tawatjjirjjaja?, (lifbram waraja 



o 

ó 



dharmmadjnja n^aro jaste* bhiküng^ksitah, 
pnjntkn laki sang: da$ag:rtwa, atyanta saka- 
nyambék(k)n dèniku tapanta, paminta tosèn 
anngrraha, ikang: prasiddha sakahjnnta, Utt.; 
10<ie srg., laksa widaning waréftn pa- 
jogèdjapa, dairjj&ngkën iwu warsa 
jëka magalak tëibdasnya tunggal pi- 
në'k „naiwèdanya ri kufida rakwa ri 
sëdëng sang hjang (liwftgnyodj wala, 
mëh^ jan tëlasang girah pramukha* 
ning mdrddhèki tjftrww&këna, è(- 
tjarjja krama datrëdèwa lumihat 
mwang sarwwa dèw&ngiring, rëp' 
pr^pta ri sang da(:ftsya sira tèkjohut 
ri sang r&wana, ai^ hajwa pujutku 
mangkana mapft sftdhjanta ma ng- 
kwèrjjaku, sing sw^rthanta mat&ku 
tan dadi surud mah dënta dhirè^wara, 

Ar. Z. 1, 16, e — 18, b. 

QQi -n/Tl) o ^^1 ^ , eigenn. v. e. w u r u* in de 

fabel der elka&r verlossende dieren (Hitopa- 
dèfa tjilragrïwa). 

>^ A' \ I. , jav. , amnnnli lémbu sakandang^, 

aanb. onder gir'i^a; tnmpék kandang:, de 

dag, waarop men, om hel te doen tieren, 
voor ^l vee feest viert (ujé); këbo anfprnsak 

kandang:, rechtslerm v. iemand, die een ander 
in drift doodt, dien hij van deze of gene mis- 
daad verdenkt, Drp. hds. v. KL, 8, ung^g^wa- 
ning; kandang:, War. b. 4; kandan^n v. vele 
buffels of runderen, Mal. 103; kandang^an» z. 
onder hadangan; bèbèké kandang^*au, Tjp. 
Z. 3, 2 ; makandang^'an, in kudden v. harten b. v., 
tegenov. njëlé (z. sëlé en sapalakènj. 



o 



> 



^9 



961)^ 



Rftumdkiiüagi jdL^f. {weergalm, echo), xeker\t9i Ja dèning tasik asin kamnlilinir irija, 

ja tïkk kinnlilingan dèninip (Akadwipa, lw&- 

nya rwangr djambadwlpa, Ja tikft nièsi pn- 

noüg pawitra, Ikimg warsa ngkina, sabhikèa 

djanapadauya, dlrg^h&jusa wwangfnya, tan 

hana ang^luh^nya, sam&tèdj&nwita (?) ik^xig 

wwang: ng^kikna, maharddhika niah&$aktl, 

Ikanang: suniiiig këüdan;, dndut; ing; tasik 

asin ing^ djro, dndug: ing^ tasik kslra snkunya 

ri hèng^, snmëng^kè' Iwanikanji: {ftkadwipa, 

kaljan mis nianik muwali, rwa ta ng^araniki 

sowan;*, ikanang^ Snnongr tëpinya wètan saka- 

wètan flèninip aniilang;a, ring: prftf &, Jata dawA- 

ngawètan kramanya, Jèk& pArwwaning awara- 
warali, si ndaja n^aranya wanèli, ngk&na 

ta pangralapan sang: kjang: indra mèg:liai 

janpan^hndani bMrata warsa, ar in; tan; dè- 

wa gaudliarwa janpamèngamèn; iriJa, ku- 

nang:, gunnn; kidnlnikü, jèk& si djalada ng^a- 

ranya, si tjandr&sama n^aranya wanèh, pada 
gé'ngnya muan; dawanya gnnnn; ng^üni, 

kakwèhanin; nsadlii, pangalapan sangr hjang* 

indra wwai, Jan panghudani rikin; bhirata- 

warsa, Inmadjur manga wètan ikA, Brii. 85; 

mwah Jan hana wwang audjamah pjanak 

tèmën dnmng wrnh ing awak, wnang pate- 
nen (nin) saranta patinya, tka wnang ki- 

nèüdangan patinya, bantang këndang ika, 

mèsi tadji malnngid, idërakën ing margga- 

gang „jadyan anak njama, tnnggal patinya- 

djadma sang kadjamah rare ika, rèh tan djalir 

tan patenen (nin), Jan sira djalir saking 

hldëpnya dnniQg wrnh riog radjaswala pisan, 

srëplngr {rëp, Jan ana djadma ika, annni- 



ipoökjibg. tumandang, aanh. onder pas ah), 

nameollijk de ziel t. iemand, die bij de wa- 

dab aan lëbihan aba^an schuldig is (vgl. 

kénipraog); hy roept djuwangini baftll 

ik gevoel mij bezwaard, neem er van afl), 

k\. ajuqg en ook onder bèja. 
^^ 
i^y^^I., ngandën; y. water in een holte; 

■akandë^gan, siihtaanY. water (vgl. andung). 
ILol andëogfyilgandëngjZ. onder mutëng. 
^^^, mabwat mangandung wëtëng- 

lyia palandung, R. 7 Z. 18, c. (abol hl ing 

basaqgnja nggalèndong; a. b. udara- 

ova niaqgangsëb; mal. mSingandung, vgl. 

'Und. en lag. kandong). 
^i?\ , san; hjang rambnt pakandnngan, 

é 

.n de pamastuning tjor v. Gj. vermeld, vgl. 

unh. onder basakih. 
«*^a\ L, jav. soort pauk (bij Raffl. pi. 

N. 18; sas. gëndang, vgl. mal. en bat.); 

kêadang dèwa sing dadi gëbng, raadsel op 

ujawan; 8ajang*an këndang v. liefde met 

laslijding gepaard; gunung këndang (këö- 

•lèng): nihaa ta patèngëraning bhiratawarsa 

wuèh. Jan hana dè^a kadi {a^a Iwimya 

kiriiig ring madhja sang hjang wnlan, 

dkijjitting bh&ratawarsa ngaranya, (bhftra- 

tawtrsa i^faranya), ftpan mangkana pakato- 

itiiUk dèalng dèfantara, mangkana Iwlming 

Tirsa rii; djambndwtpa hina^farakëning hn- 

lu, salawasiikang wwang irija dharmen&r- 

tkikannmanya tias kabèb, ri warsanikang 

tikadwtpa, aijarakna kawëkas, Ikang djam- 

ktiwipa sanljnta Jodjana Iwftnya, klnnUUngan 



m 



\ 



50 



3e<i^ 



nam ii|;awé rasaking; djag^at ^Mg amawa 

bami, patènakna ring sètra guug saranta 

patinya, fr. bpl. (vgl. een diergelijk slrafoefe- 

ning met een ton, waarin nagels, in 't men. 

ra dj a m, dat eigenllijk 't ar. ^j is); këndang:*: 

2 vrij groole aan beide kanten v. d. voorzijde 

V. e. V? a d a h uitstekende k ë n d a ng-gelijke 

sieraden; achteraan beeft men aan sommige 
wad ah 's een wilmana; kéndang^an, zeker 

speelgoed van babad sampi voor de kinderen 

(vgl. këtipluk of këtèpluk). 

^S benaming v. e. b u b u met 2 openingen ; 
vóór de plajah aan weerszijde hangt een 
cocosnooldop, die door de visch bij het bin- 
nenkomen, opengeslooten wordt, maar hem 
belet er uit te ontsnappen. 

II., bos V. sadang (jav. riem papier); 

g^alnngran këndangr zoo vele betelbladen bij 

elkaèr gerold; dat zij de grootte v. e. kën- 

dang hebben.; vroeger werd bij de sa la ra n 

tevens zoo'n hoop betelbladen den vorst als 

schatting aangeboden. 

«en^^, jav., pees v. e. boog. Ar. Pr. 66; 

këndëng^ sënfkër, z onder sëngkër;kaméii- 
Aing V. e. wolk, R. 23 Z. 20, 16 (njalëbat, 
mamëtëng, Br. Z. 27, 1 (mandëdët), v. 
kar ik il langs den weg, Sum. Z. 28, 7; 
ahalëp apftrwa blnapra kamëiidëng: , Kk. 
Z. 29, 4. 



w • A 



N 



2*, g^anang^ këndëng^, z. onder këndang. 

5«, z. onder gëdog. 

96iig)^, of këningP, naast tlakar (vgl. 

mal. këning, bug. Sning, mak. kanjing, 
mlg. handrinS). 



9611^^, jav., lajar katon knmëndinip, Stn. 

76; z. mëiidung. 

3Qii^\ , zou de naam zijn v. e. boom, ivaar- 

van 't hout zeer zwaar is; de pitten gelijken op de 
mannelijke koffieboon en worden de 25 voor 
eea atak verkocht; volgens sommigen zou dit 
de geneeskrachtige pürnadjiwa der Javanen 
zijn; awat kënduug^, verbl., de penis. 

'^^\f jav., paiïdjakangr djwa tityang* 

g^Dsti anf grèn kandang^ tang;|fal lawas, Tb., kon- 

dang^ kasih, smara karon djiwa, piv^las; 
sarana kundangr kasih patih, sëkarakéna, Us. 

(vgl. jav. go6dang kasih); pad&kondanf grau- 
ding; gamërëh asëlur, muziek bij xich hebben, 
Sum. Z. 39, 2; jadyastnn gast! matiiig:g:al 
dadi njusup di kalangfun né dl masan kar- 
tika, tityang: njnsnp di kawi néné makaii- 

dang* karas arënik mwang tanak garnng: 
apangf tityan; djwa mamaroa kalangan g^os- 
tiné nianggrnh, ald.; kinundang, R. 23 Z. 8, 27, 
(kasanding, kinanti), «padulur, 
Wir. 39, Sum. Z. 5, 5; gevolgd door volge- 
lingen V. e. princes (vgl. mal. en bat. hun- 
dangan, atj. kunangan); kingfüng ktnon- 

dang, aanh. onder pul ut; aangekomen op *t 
gebergte pinun angandangana ri saparant^ 
tan saha, L. Z. 9, 7 (tityang iiiakaroron 
ring salakun bli apang da bias); ma^ 
kandanipan, Meg. 305 of maknndang 238 ; zy 
verwachtte dieven marmanira tan sah akan^ 
dang tjangtjingan , pëdang ib pinèaing^^ 
umnlat mollnga, Spt. Z. S, 19E. 

2^ vrouwelijke' volgelingen v. e. vorst, onl 
voor zijn eten en dat der gasten te zorgen t ; 



^ 



< 



»l^ 



si 



OSI^ 



ütjWÊg wglTiwgBMg i gwM angri^ii djwa kan- 
ëof, dfattsnya ftia bëtjik, Neg. 66, v. d. 2 
iroawen v. Si DgaQdjaja, fr.; kandanpdya 
4 dyah), held en titel y. e. bal. gedichtje, 
hij besliep Djërum, de vrouw v. Limanta- 
rab, ten gevolge waarvan bij met de vrouw 
door L werd gedood (jav. koAdangdija, 
.NoL Biv. Gn. XXVII, 136; ook een wijk van 
Balavia heet kondangdija); ik zag slechts 
etn brok v. dit gedicht, dat vol iouten was 
m hier en daar geheel onverstaanbaar; de 
vensm. waarvan ik den naam niet kon verne- 
nfo, lie men uit de aanh. onder wëdom. 

w-^jnN, eigenn. v. e. Vorsl, 0. v. Kutéj. 

wni©«iij^, BJw. (holl. knecht, oost-jav. 

kérnèt), de loaper$, die achter op een rijtuig 
litten en 't oog moeten houden op de paarden, 
balav. en west-jav. pëlopor; 2« de bediende 
T. e. werkman (te BH. is k ë r n è t een pas 
ingevoerd en hij slechts weinigen bekend woord 
eo geiegd v. d. knecht v. e. waschman). 
a*^^ L, 8., (kaötha), «gulü, «bfthu» 

R, L, Z. 10, 19 (baóng); wwaoK mèh matya, 
ikaog 8ëdè«g kantafataprina, tut. 39 (vgK 
ooder «pëpë'}; kantaniag rana, T. Z. 3, 
19 (vgl. onder anta), 63, Z. 3, 11; ri kanta* 
likaiV feotrawi, T. Z. l, 18 (di tëngah 
lalagané). Ar. Z. 2, 1; Z. 20, 14, aanh. 
onder djamani; kantanliiff pari, Sut. Z. 96, 
:; vgl. sukafiiha; kantèngT tambak sindn- 
kuda, R. m. (R. K. ook met een dentaal). 

n., hasa kaiita, R. 23 Z. 1, 3 (aau 
gaploi^^). 



«n9Q^, s., atikftnta v. d. tjandrak&nta, 
R. 30 Z. 2, 10 (da bat ing utama, gum- 
jar), z. rawikftnta. 

«noeoN, s., z. onder stri. 

«n*'^^, jav., ft^raja (lamp. kantiq), 
bondgenoot, « Hadji D. 57 (bis.), «mi tra; tan 
wénang kanti , aanh. onder sangsargga 
(tan jogja anggèn rowang); sang amèt 
kanti, «sang mangftcraja, «ngagaraha; t 
katnnan kaïiti, hinftfraja; makakantlnlng 
djagat, «djagatparft^raja; makakantl, 
«panga^rajan; anganti, T. Z. 4, 36, Z. 
Z. 5, 108 en 116 (ndandan en nandan); 
bekennen zijne vrouw; anganfi ring rabjadji- 
nira, Sdm.; kinanti, nm. v. e. jav. moderne 
versm. (R. K. gaiidèng asta, vgl. Men. slot 
V. Z. 54); dèra kanti langajan rabinè kang 
kèri, Hadji D. 37 (bis.; Ad. 51, anjëkëli 
asta); nanas kantinèn, «amalaku (arafia; 
kantinèn dè frtnarènlra v. goede priester, 
T. Z. 1, 2 (kainté, kaftdjak); kapakanti*- 
ailg, «tinagwatagwakën; akèkantèn, 
vastzitten in de coitus, aanh. onder krotjok; 
këkantènan, kameraad, medgezel, kornuit; mé« 
kékantènan, kameraadschappelijk met elkaar 
omgaan; ni salit makakantènan madagang 
sanda kadjak olib ni Inh dangin di tataiQèn 
dl silang41ana; këkantènan, z. onder ka ah, 
Kid. Adip. c. Z. 1, 3 of 4 f. 

3^»^, (kantos), jav. (anti), pëlan; 
kanti rëmak, zoover gekomen dat de ëntal 
verkeerd is (door de bnbuk); tra kanti kaO- 
kina, At; behoefde ze niet eens te roepen. 



«11^ 



3^ 



«11^ 



o 



900 9Q^, 8., glans, schoonheid y. d. maan, 
R« Z. 1, 1 (tèdja, pasangsargal); tèdja- 
ninii: walan a^arira kftnti, aaoh. onder kunang 
en sëugap. 

^% aju, Krws., kautipürnna, kantitjandra, 
haju niwang bagus, Kr. 

3Sfi9Q^, jav. («kahanlu), vrn. = papte- 
Dgan of kasrëb. 

2«, Bjw., bëngong; kanta*, mëloök^; 
blbd. ngëmbang kalu. 

75an75r)\, kènlo; bag:asë ngajang^ kadi 
ëmasé maflkir baja kanto widyadara fcata- 
runang, Rkd. 

^^^1^, kënta*(kafilha^?)iiiii|f kata, z. 

aanh. onder dawatè. 

9QH3Q^ I., mëkènta, in U geheel niet eten, 
omdal men niets te eten heeft, vasten; 2«, Bbg., 
m ë d a g a ; ng^ënta, ntei van spijs voorzien men- 
schen of vee; niet verzorgen (vgl. tjëla, 
pëndëug); inag:awé kakèntan, z. onder këëng. 

11., kèkëntan, kunststuk f v. e. mooi mes, 

b. v. 

êfOQX, 8. Wir. 11, 68; Br. Z. 58, 1 
(wjakti); kinfn tlah karuhnn, Adip. Z. 81, 
1, 17 m„ ^0 o.; kinta pwa, en toch, en echter, 
Sut. Z. 1, 7 (punika mangké), Br. Z. 35, 
9 (kèto ika); vgl. onder pwa. 

QQiQQ^, kuntabbodja, Ud. 94 (vert. v. 
kuntirftdja); kakinta san; kontabho(m. 

c, lees bhu)djAdirftdja, slrèkahën mftnak 
anftma kunti, makirt rAma prabha (tut. 
krëöna), Hw« Z. 3, 5; kuntawisaja, Adip. 
lï, z. kunti. 



9Q| 9Q ^ , s. , eigenn.9 Adip. 72 (k u n t a) ; 
kantlbhodja» vader v. Kunti, ald. (kunta- 
bbodja, z. onder kunta). 

3S« ^'^ ^ , z. onder k u d i. 

ïsjQQ^, 8., de eerste vrouw v. Pft(lciu, 
Br. Z. 51, 6 (vgl. prëtbft); kontibhodja, 
aanb. onder (akuntaU en musuh; knnti- 
jadjnja of kantljajnja, 't geen de jav. uit- 
spraak eigenlijk is (vgl. onder pratidjnja), 
titel v. e. gedicht, dat, behalve in de versm., 
geheel overeenkomt met W. Ast. zelfs in de 
keuze der woorden (z. b. v. onder song song 
en pasang); zou ook een naam zijn van de 
versmaat S u d a m a 1 a (z. ald.) ; de titel schijnt 
genomen te zijn uit het begin, waar Kunti, 
vernemende» dat Ar dj una niet in zijn kluis 
op den Indrakila te vinden was, zich met 
de 4 andere p&ndawa's in 't vuur wil stor- 
ten; de taal bevat zeer nieuwe woorden (z. b. 
V. mrëtawasa en onder tilothama); de 
versm. v. Z. 1 is die v. de Wasèqg, die 
volgens een ander handschr. v. d. Adjarpi- 
katan, ook Wagal beet en bestaat uit stro- 
phen, waarvan de helften eerst op o eindigen 
en dan op i; b. v. bhatari kunti amu- 
wus, adub anak ingsun kaki, sira 
wrëkodara ulatana si rajinira, 
sira ardjuna ring wukir, asuwé tan 
rawuh mangko „manawa amang$^ih 
këwuh, arinira anèng wukir, jèn sira 
paratra pandawa masa abëtjika, mati 
tunggal kabèb mati, sarëng saodaran 
jingong „sang wrëkodara ngntjap, lab 



^\ 



S3 



^\ 



ako lupga aqgluruh, marii^ patapa- 
nira 81 ardjuna, karija bhaiara kun- 
(ya, lawan fri j udbisthirèki, muwab 
sira sBüg kréöAa, Dakuia sadèwa 
iKa, pada karija sira sira arining- 
waqg» aktt luqga aqgrërëha, fighra 
lampahé ripg margi, z. b. v. onder 
p a s a 19. 

1»7«;^\. K. A., kèlo, B. Z. 6, 15; Ja 
■é kènlo en Ja kènto djaui ; een uitdrukking 
overeenkomende met laai hel zoo eerst zijn, waar- 
op dan lol ieU anders wordt overgegaan, Tj. 
b. Z. 1, 68, 103, 109. 

''«n»^, 8., (kunta, werpsjties); koiit&- 
«tnta, Z. 86, 18 (lipungé kontajanga); 
kfaanu* B. Z. 4K, 6 (kludan ban konta); 
'•nder de dieren aanh. onder dj a la rang. 

!3Q^^, naast gade lajar; mékantah 
iels, b. T. een tuin verpanden, maar de op- 
brengst zelf houden, slechts intrest betalende 
io geld of wel product; dit nalatende kan de 
pandhouder er bezit van nemen; z. onder 
p Q t r a. 

S% gijzelaar; ii|:atnram^ kantah, aanh. onder 
taogah en z. onder gade. 

^g^^, z. onder kat ir. 

i3iiQntn«|^, eene onderafdeeling v. d. i^ 
kaste (Pam. 26), die van moederskant v. e. 
tatrija uit Blaogbangan zoude afstammen 
jar. eigenn. Babad 196, nm. v. e. district, 
nsidentie Nadioen, afd. Magëtan); Jan sira 
kahjaafaii rtaif kanltèD adja sira oninfa 
Tiar nrè baljanf iqpnm, Us. (puflh hl. 6). 



' ^§{^\> ^' ▼- karwan; tatas kaotflii 
antnk tltyanr dosta tlgmf diri, ik heb dé S 
dieven goed gezien: makantèn, z. aanh. onder 
«wjakti; nfantènin, h. v. i^atëpukin en 
mbalihin; kantènana, «nyata; npuitè- 
nani:, h. v. ngarwanaqg en v. i^ënot (z. 
niQgalin), «anëpgër, «andulu; Bfantè- 
nan; rinir wèugi, «adjarii^ kulëm; kao- 
tènanya, Ar. Z. 25, 2 ; dus, ergo, Br. Z. 8, 7, 
L. Z. 19, 2 {de bedoeling f van zijn zeggen). 

«^^«j^, wat«k r&iUaUDtèn, Sut. Z. 
132,2 (sakafitjan prawira né rii^ 
pondok). 

«^Jg»]^, «kftntun, naast kari; «wèdln 
kantona, bevreesd achter te blijven, Br. Z. 2, 7 
(kènggatan en kaènggatan); kantana 
warasa, R. Z. 10, 23 (kari i dèwa apai^ 
bëtjik); tanpakantnoan, «nirawafè&a. 

«^Jfj^Jj^, mèkintèuaii v. e. plaats niet af 
te slaan zijn?, in de nabijheid zich steeds 
ophouden. 

7^tf! 1^' ^' ^' i^éné en kéto; Dgèntè- 
nang:, h. v. ogènèaqg. 

^1^\ !•, jav. (waar ook katar), «papan, 
Sm. Z. 30, 4, aanh. onder abir, R. L. 103 
(bis.); R. 2 Z. 1, 43, 20 Z. 18, 2; L. Z. 1», 
3; Was. Z. 2, 26; papan kantar, «tanggul 
bhaja, taniggal bana (f), vgL kntamara. 

II., z. onder katar. 

^S\ '•' >• katir. 

II., (b.: kantër), eigenn. v. e. plaats waar, 
faka 1144, (Iri Radjasa vorst Dai^dang 
gëftdis versloeg. Ar. 13. 




)S«^ 



54 



os«\ 



9Sin^^,HoU.» kantoor, en dikwijls in ien 
mond yan minder met Europeanen bekende 
Balineezen huis v. e. Europeaan (vgl upas); 
ilg;aDtorang^, eene zaak bij den magistraat vo'^'' 

brtÊ^jfênn 

nwiKj^, z. onder inlar. 

99i9Q7iQ^, z. onder kat! r ah. 

«i9St7i@Ji|\, këntëriqan of këntéréqan, 
sas., aqaog^an; z. triq. 
Q6l9Q7iu|^, z. bij «twab. 

«i it\\, jav. (kitrang^); kaii(p lèjak swa- 
rané angrok, ki mënjal sampan prapta, ra- 
wolinya klBtrang:*, rëbèk langkong lan gé- 
l^èndnq, mënjcan* djaran grnjang: prapta samja 
anèng arsi, dinpkrak* (samja) lëpar rèma, 
Lbd. Z. 1, 8 vigd. 

éi o 9SO 9Sii| ^ , sas., kuping (kërna, z. 

gèdèi^). 

Q\, likad? 

o9Q9sdK, nipintëk, Bjw., nuruang, ngë- 
togang (vgl. suntëk, Ind. Gids 1882). 

OïsnoïQeu]^, en kontaq, sas., bawak 

en bonlok; tapakontéqaiig , kabawakang 

V. e, verhaal; tapakontaqna tjarita siq 

kawi, Tjp. 

floi'^QSiN, aanh. onder uttarakftfida. 

êi^-^KiCruN, s., z. onder nangka. 

9Sii9Q&o]\, z. onder ëntud. 

WingQ0&r\9Sil|^, naast lëngkèrèk of lëng- 

kèrèt. 

jeiio«OiCi(Su|\, z. onder kënodaq. 

«noövsi!]^, vgl. gantèt; rits garnalen 






(25 stuks; vgl. onder ampin); mèkantèt, in 

ritsen v. vrachten; ilg;aDtètiii, aaneen rijgen 

V. vruchtjes; makakantètan, z. aanh. onder 

bèjod. 

'^goi'^^ij^^, ngèntèt, dagelijki fMénemen 

naar huis een gandrung of djogèd; ka- 
kèntèt antak anaké agrangr v. de lieden in 
zijn dienst; mëkëkèntèt, v. honden in copu- 
latie, z. kètèt. 

9^9g^^9 z. onder ëntas. 

^7^^^' h. V. kanti; kantos atiban, 
kantos kallh raina, kantos nasak, vgl. pinah. 
QSii9QPJi|\, z. onder ëntas. 

gsun^'^oowiK , këmëntos, Bjw., een afye- 
vallen pinang-noot, die geplant wordt, 

n96ii9Q^^, ja ma, Tjt. 3, 50 (Kern houdt 
bet voor kinft^a, z. ald.). 

gQi9QOiru^« ka£it|>wali?, antawali, Us 

isii^^ru|^, jav., Hadji D. 67 (z. ëntël) 
ngëntël, niet opkomen v. lieden b. v., die eei 
eed moeten afleggen enz. (vgl. de beteekenissei 
V. katos); vgl. këtëd; para këntël gnm 
in Gj. 

^JQru)^, Bjw., sërut (met dubbeld yze 

heet panglus, vgl. jav.). 
II., jav., Hadji D. 57. 

Qsii ^'^ rul ^ , z. onder in til. 

^9Qru|^, kintalkintnl , v. den gang tm 
de posteriores draaient aanh» onder këtès. 

o QQ rui| \ , jav. B. Z. 5, 56, Sm. Z. 1\, 
(kokokan; z. biëkok), vert. onder krë&di 
Tjt., om witheid aan te duiden, aanh. ond< 



gsi^ 



3» 



«^ 



papui^ (vgl. onder gagak en kokokan); 
kutil blm, z. aanh. onder wiring; atèkèn 
pésak(?)iiif koBtal am^lajuigr, Pabr. 13 a.; 
(atanptkaingr kuml angrlajam^, Tt. iO, 
sufkan alih kadatané lafing:, né mélak pa- 
«aaé, apau nmaah sal dampingTt into sadja- 
jAif rarak, lamno Ja saba katépak, marasakén 
'. di atiné, nsanffo kadatan babam, ma- 
f^nh koBtal maaiflajangr, driwèn sang: istri 
itaauw êato Mggo iigaaiatiftn; musab ,»8ali- 
jiB muahé tonden tébèk snba mati apan 
tii babarm angrhingr lang^h anak tafi, di 
4ra port loof es^jané, difn patambnn babam, 
awik siflgaf én majuda^ pada ng;aran paba- 
nUB< lat. K. Z. 89 z. ook onder tjidra; 
tasufnataly angalap of angamèt stri 
riqg sawah, Wtb. 

"«on^^^noTuj^ , z. kom pol en onder 
vriqgsilan. 

'JsonKpfuj^, aanh. onder sontèog. 

o»ru\, sawa (ofsnha?); kantala, 
t^L^enn. y. e, heilige, die Rftma op zijn tocht 
naar Lëiffka groote diensten bewees, R. m. 
R. K.: biköu k.; mal. R. bl. 146, JUui^L); 

£. martaoggana. 

^ o 

]Q3S;rui^, sas., iknt lutung. 

aisiruiN, z. onder cakuntala. 

la^^ruix (?) z. onder sawé II. 

aiQnrto^^of këntaluq, sas.» kënjëlj 

iijalL 



«i^ujv *lëiifgak; kantëp ring nakd, 
• alaftdësan kuku. 

^mn ' ^'S^"^"' ^' ^* bhagawftn in deNw. 

ooonnoijui^, s. (kauntèja), wëka saqg 
kunti y. Ar dj una of een anderen pftftdawa, 
tut. ^é (kuntija, een der nam. y. Juddhis- 
ihira, G. W. 24); 1\ Br. Z. 1, 15 (kunti). 

«i9|j<EJi^^, eigenn. y. e. plaats in Bangli 
ten W. y. de Batur, ook tjintamni. 

Kü^'^noxiyi^^x , s., «kaluiwr, «karah, 
halssieraad, yert. met kakaluqg, Atp.; z. 
kftfttha en ftbharafta. 

9^^\, kroiltjongan?; sapinyamadolnr 

pada makantang asahnran angantërijig gë^ 

gër, fr. 

9610^^^, jay., z. onder kaAdi. 

9sii^^, jay., aardappel, eerst sedert de 
Nederl. op Bali kwamen bekend en nog by 
velen onbekend, yooral als yoedsel; ygl. aogsri 
on onder klëntang. 

Q^^^N L, jay., kawat makëütëqg y. de 
lelegraaf; sing knmëntëng pëgat, ati* katfnn- 
dok rëbah van Bhima in de w.; flfëatëqg tali. 

IL, oost-jav., naast 't jay. gobog. 



>r ^ 



^"^X* jav., këntuwan, z. këtaqgan. 

9sin9Q\, Bfëntèif^tny met iemand sander 
geld spelen, een weddingschap aangaan^ om 
bij verlies niela te belalen; z. Qganggap. 

o^^, jav. (koAiiqg), benam. v. zeker 
fatsoen vaartuig, by de meeate baL onbekand. 



aê^\, kuntalai«; knntillig, aft^cf maar zelfs in bal. gedichten telkens te pas 
m 'i slenteren zi>. gebracht, z. b. y. aanh. onder bidak, Smw. 



tsa^ 



S6 



^\ 



t. B, 21; knkiiAtliig:aD, klein vaartuig^ R. L. 
Z. S, 92. 

«ig^, • iifmitiiv'ftiig: 9 fnet een toorls 
zffbaaien zooals bij 't m a b u ü ^ (vgl. ogadj. 
ktttiqg); z. kiitik en kutil. 

nisno^^, baljan makontèng:, bal jan 
èpgèogan^ aanh. onder bëbë en gèntong. 

9SIQQAJI|^, tegenov. pa; u en dus wild dier, 
Waarvan de leeuw de vorst is; siiigflia kitèng: 
kènas (Bh. 36: singba oghulun jan ing 
mrëga), R. 20 Z. 9, 8 (mrëga, buron), 
kidaog, sënggah, K. 15 Z. 6, 2, 1 Z. 1, 
27; 20 Z. 9, 8, Sut. Z. 33, 22; Kam. b. ('t 
origin. IX harini); malaja tikan; balikaba- 
lasah kawfis kadi kënas manon mrègapati, 
Rm. Z. 57, 3; ook v. kruipend gedierte b. v. 
V. een duizendpoot» Krws. ; sarwa kikéDasan, 
allerlei gedierte, Krws. 

9sa9^^^^ de inktvisch (sas. kenaus, jav. 

iwak nus, mal. nus, mad. ënos, lamp. 

nusy hënus en rënus, roet); z. onder 

baogsab en buntak. 
99199 Aj|^, z. onder kas I. 

&Q60t>x^y 8.9 z. onder jama. 

99i9QU^, s. (kanii^iha), tegenov. ma- 
dhjama en uttama, tut. 28 a. (vert. v. 
adhama), aanb. onder dhana, R. 9 Z. 2, 8 
(n i s t a) , 16 Z. 2 , 2 (d a m a , n i tj a ; vgl. 
onder Ubba); 16 Z. 6, 12; 9 Z. 2, 8^ Adip. 
44, Br. Z. 33, 5 en z. aanh. onder ngbèl; 
kanlètaiyaiima , tuwa, luli, pifitjaqg, 
diqgkèl, wudug, adinilara; kanista- 
madhyamottama) de 3 ongelijkhedeH in 't leven. 



zeer klein, middelmatig en zeer goed, aanh. onder 
pghèl; vgl. ni&ia. 

II. en onder w i ng k ë 1 ; kanlstamadhja- 

mottama, aanh. onder djënëk. 

9sa9Stuo^, 8.» bij weinigen slechts in ge- 
bruik als vrn. a katjing; kr. kanistika, 
waarvoor te lezen kanidihikft (tjalilingan), 

aanh. onder lëmëis. 

«ii^\ , 8., eigenn. v. e. heilige, die ^a- 

kuntaU opneemt (Tjt. 37: balmiki), Adip. 

69; ook kano (jav.), maqgkwa sapg dja« 

naka pinèt saja dé sapg kano, kin èn 

amëdjahana mabftrftdja ukara^rawa, 

sftmpun pëdjah, ipgaran mahftrftdja 

sajat, doAanya amèt lëmbunira bbaga- 

wftn kano, Tjt. 34 (vgl. H mal. w. verhaal, 

waar seta in pi. v. sajat, Pw. fr. bl. K6, 

ook oj|Im); mpn kanwa, eigenn. dichter v. 

H Wiwftha (faka-jaar 1022). 

9sa9S)U9Q|^ en tëngawan, Sbr., nawan, 

de rechterhand of 'Zijde, -kant enz. (tën^ën, 

mlg. ha wa na na); i^^nawan, z. onder kéé 

en vgl. ka wan. 

9^ru|^, jav.?, tanpëniprëiigë taliitfa kè- 

nol tlAngkëm knrapu, E.; ta., lara ring 

pnsèr, tëwang këniil, nga., Us. x. 38. 

9Q|9Qru|^, ben. v. e. sotoQg-soort, die rood 

van binnen is en een dikke groene schil heeft ; 
pandji kanal, eigenn., Kid. sund. Z. 2, 127. 

ntonnonru)^, patikonol, ongepast f; sa- 
mnnja patikonoli vgl. patiöfidjo. 

»i 9^ u| ^ , mènggëp kënë'p ioilagao kapi- 
tnnggal anghèr, W. Z. 4,6 (alëp, apgënani), 
Sm. Z. 27, 1 (pagëh); z. kë'p. 



9^ 



> 



37 



^ 



»«)u^ of kanapa, z. onder këna. 

i^»u^ L, 8., Sut Z. 12, S (rëbi), Br. 
Z. 31, S (si rara; «jav. kunarpa en ku- 
poaa. kanërpa, R. sas.), B. Z. 87, 20 
wangké); Sut. Z. 103, 15, m. c. konapa. 

U., z. kénapa. 

1«o«u\, 8. (kaanapa), rftkèasa. 

iei«co5|^, 8., berg van lijken, W. Z.2K, 
7, TgL onder saraswftn. 

«'^«on^ L, z. onder nodja. 

II., eigenn., z. onder nandi. 

'^'9P^' ^«t *• onder dïS en kanyakft; 
kABTAbhawant, B. Z. 43, 22 (kanyapuri, 
pagalahan); arowam^ wongr kanya (sarëng 
ian wanodya), R. sas., Z. 1; parawan ka- 
lya, eem ongerepie numgd, Tjat Z. 1, bis, Z. 6. 

a«M, z. nyu. Ar. Z. 19, 2; Br. Z. 17, 

Tof 17? 

:k3 99 (Aiis!| ^ , z. kunaAn. 

"^«jQQ^ (f), kènyènl rosningr pëtangr 
üaia Iwlr tènf^ah ai^Iifèngr djinëm, Ww. 
Z 1, 95, Tgl. onder èni. 
]gi)S)|9sn^, s., z. onder kanèka. 



njsi 



)9^ian^, s., 't rijk v. WifWjmilra, 

\A\f. 95 (alwaar kangkuildjarauagara); 

rt^identie van G&dhi» Ud. 58 (alwaar kanya- 

kondjara). 
33)?itsi)q|^, kanyatan Jatna, toen Calja 

iijna gesneuveld was Bh. 60; walangan ta 
«rla^Hlgl^tangfnt, tambis Ilnndi kany&- 
tu siratlitiiira JatJBomandarakén rathanira, 
.'U. 72; kanyatan padém tèdja ring ftdltya, 
du méiitas i {réngganiag astaparwwata. 



kasaplhao tèkang pnuf mëkasany Bh. 67, 

aanh. onder kindajut. 

9611 96) nuooj^, sang kanyft wan, (Iri op aarde 
Ie M'daog Ramulan de menschen onderwij* 
zende in 't spinnen, weven en *i zich aan- 
kleeden, Tt.; vgl. kaftdyawan. 

96iige)nu^\, «kAnyApsari. 
9Qn9SjniJU7i^, ring kftnyApsari (kanyft- 

puri?) rongga dé saqg asnrèodra rikang 
alajaratna, B. Z. 18, 4 (riqg kanyftwati 
kaQnggwaog antuk sang asuradipa iri* 
kung grëha sphatika, riqg kanyabha- 
wana kagënahang olih saqg bhoma ripg 
grëha manik). 

9a9QUJiui@^^, z. onder anyftja. 

ïsiQQ'^'EJijgQil^, z. onder kopok^an. 

oiia^n^, këndugi. 

9sii3Qni7i^, Br. Z. 6, 1 (padmakara, 
wrëghotpala, tjanigara mal. nymphaea 
stel la ta» aanh. onder rèka, «afwamftraka» 
«wrëkSotpala (z. ald.), «wrëksatana, 
«wrëksanara, «wrëkiadaja, «kanikara 
(ta), «wadaraka, «rèkada&a, «kintaphala, 
Kr., «karnikara, Krsn. Z. 10, 15; kbokanl- 
gara, aangenomen naam v. Punta, Was. 
Z. 1, 56 (djaran kanigaran, aangenomen 
nm v. Dijapak, P. S. 122, këbo kanigara, 
aangenomen naam v. G a d i ng a n (z. onder 
dyah), W., ed. R., bl. 229; z. onder turas 
en vgl. tigaron). 

9Qin3Qni|^, makënèb, schitteren (vgl. krè* 
nèb). 





wiy 



38 



^\ 



.mè(\, nmmiigis mkanasng'aB. Nw. 2 b., 
7 o., Atp. V. e. verlalen pas geboren kind, 
Utt. m. 5^ terwijl een andere redactie alhier 
b6eft wat onder g r o w è ng staat (de kawi* 
text akrak anaogis). 

9Si09Si^, verb. v. «ngkftnèng, z. onder 
kana III. 



9^9Q\y kënëng* ngalih gé^aèn; kènëng* 
ngnpadjiwa; pëkénëng:, eensgezind met elkafti 
eten enz., op hun gemak eten zonder te spre- 
ken ï ; kënëng^*in i rata mling^g^h iriU : b lijve 
U. E. hier zonder U ie veiroerem kënëng^'ln 
mëgaé) wees ijverig: ajahin kënëng'in, eene 
vrouw aansporende haren gast ten dienste te 
zijn, Swg. Z. 3, 50. 

II. 9 nyèklng: narmmada s&|:arottama tan- 

manbhèdft pwftwaknyftrëngë-fl, mwang: sap- 

t&hnlaparwwatidi pakënënip brahm&nda sap- 

tèrlka, sang: kjani: dAta sirèka ngüM dama 

mël donyftn pafpëh ni$tja1a, sakwèhning: 

bhnwanftAda towi katëkèng: swarg^g^flnda tan 

findala^ Rm. Z. 33, 7. 
9Sii9Q^, z. «nening. 

II., z. onder kënèng. 

KiinOQ^, oost-jav. en Bjw. (mad. këning); 

in pi. V. k é n a ; dnrang: këning: Jftn kadjaba 

kawërta, R. K. b. (R. na. Z. 4, 57: kni en 

jèn), V. e. nieuws^ dat men niet publiek wil 

maken. 

QSI9Q^, jav., nginang, Tab., ngamah basé 

(ngadjëngang tjanang), Meg. 14, ang:inang: 

z. aanh. onder ittjhè; skkhki dag:da grësëng: 

tikang: mnklia Jadin kita tan angrinang:èri- 

kanir sabhi, s&ks&t dajda géséng tikang; 



mnka, Jadin prihüwak anfinan|:èrikang: sa- 
bhi, sAkaftt dagrda gësénf wwaiif anwam i 
wajahnya dnmadakita htna kiqrasih, sftkèit 
dag^da grësënf hawas djadapikan damadaka- 
tëmn bkagja wtrjjawftn. Nis. Z. 8, 2; kini- 
nan|;an, W. Z. 3, 14 (inadjëngin tjanang, 
sinërèhan), Sm. Z. 24, 12; tq)akiktnaD|:au, 
R. L. Z. 1, 107; tig^ang: pang^nang:, Sum. Z. 
141, 20 ; pëng:inang:, sas., p a b w a n ; vgl. 
mika; pang^naug^an, h. v. pakpakan basé; 
ada kalih pang^inangpan, Bt. 203. 

i^75\\ I., en konang, verb. of uitspraak v. 
kawënang (vgl. onang en 't jav. konangan 
onder wëuang); ng^ang^g^o sakonang;, fi;i7/e- 
keurig zijn; tan kanang pira Jan wi^aranën, 
rechtsterm, hij mag niet gemolesteerd oï er 
over in rechten aangesproken worden, 

IL, jav., knnang:*, vuurvlieg, «Br. Z. 50, % 

Lamb. Z. 15, 2 (sodama). R. 6 Z. 1, 12 

(vgl. ëngkunang onder go rok); kukananj;, 

«khadyota; *djyotiringga, «tinara (?); 
kunang* iké padanya sëdëng^ng wolan bha- 

swara v. WiSnu's verblijf, dat, vergeleken 
met dat van Rftwajia, als 't ware een ku- 
nang^ was; bij de maan vergeleken, Ar. Z. 
13, 7; kadyaRjfg:anin; kaknnan;, andaran; 
kënjar stting^u, zegt een dichter uit nederig- 
heid van zich zelf, fr. , wëtn irèn iig:awé 
kidang tëmbang dnrma, mnnjiné djawa bali 

pangkah paksa bisa pongah mangonjang^ asa 
milH manntttin ngawi andé kaknnang; mabudi 
namng $a$ih, fr. in andere bewoordingen 
tanpataöding tanpatimbang oratin 
jadin ungkalin sawat ëdjoh twara 



«i^ 



S9 



991^ 



oialra boka sumuré kèn laqgit, bëndé 
baruqgin (b.: bëdèg maodarapg) gën- 
diog Iwir sodamftndarung tangsu, 
iwara sëdëng tandiogaog, Rkd. (z. ook 
uoder pètjèpg en nifftkara); dèn kadi 
ibflf* dak sagriiniiiig: kalmnpiikanya katlban 
fwaja apnl sakokanani^, Sèmot (gëmpung) 
tupa^èsa, dèn mani^kana hilaii|:a]ié dèn- 

tintalapyahaiigrkjüunta, mahanta, drèmbanta, 

vjvalaBi(né) katiuta, een vermaning toi die 

U^\e gaan doen, Krws. (volgt op de aanh. 
üoder kis at); kokanang anftt gnnnng» Wtb 
lil. b.; kinonaiigkanang manftt graamg, aanh. 
ander baftlèng (kasamhaogin rahina 
yfttgï); kiinang*an, duizelig zijn ten gevolge 
Tan congesties, allerlei klenren ziende, ook 
naikanëi^^an van de oogen v. iemand, die 
•Ironieën L<, v. die lezende de letters niet goed 
ziel, V. die aan purub Jijdt (vgl. jav. kona- 
agën, Bjw. mëtu kunangé, duk pinë6tung 
l'tnir papasnngé^ sru kumëprak këku- 
oaogé midjil, djagadé kadya miriog, 
panduluné biru, jav. f. Z. IK, bèta ini 
pon di tamparnja sampé bërkunang^ 
'lata bèta, mal. w. vgl. kënaogning). 

IlL, door. bet niet schrijven van de e vaak 
:iiet te onderscheiden v. kunëng, Adip. 19 
lis . 81 en vooral i5, 46, R. 1 Z. 1, 55, of 
n-l, Adip. 67, 77, 78, iOO, Kam , Ar. Z. 54, 
3. aanh. onder dangü, mAr en niftjaja 
'frt. V. wft); apa konang, Adip. 19 (vert. 
T. kadAljii), dikwijls achter vraagwoorden, 
-Q) de Traag Iwijfelend te maken ; pira ka- 
ui^ aawèiiira, wie weet koe lang hij er bleef, 



Ud.; plra kanang antaiDlnya, ald.; mapa ta 
knnang ikang hUa, H. Z. 2, 1, Z. 1, 106; 
apa ta knaaog sftdlUan mnwak dènlra, Sm. 

Z. 1, 8 (jan apa ta malih sadyajapg ida); 

aanh. onder lilir I; konang tApan» Adip. 25^ 

27, 42 (of kunëng tf); echter, maar F, K2, 

87; plra* konang, B. Z. 4, 16 (jèn akèn- 

kèn to, jèn akuda smalih), i^apa ta 

kauang ri sadjnjanira, hoe gou sijn naam 
zijn f W. (?) 1, 68 l.; plra konang lawasnira 

hnwDS, B. Z. 49,20 (jan akènkèn punika 

sampun suwèndanèné, jan aknda 

smalih niaklon idané sampun, aknda 

s. suwèn danèni s.); hana tan (ra)kwa 

sandèkaning hnlnn i kita, bhatftrt lakèmt 

sang ta(n) molaha rlQg paogkailfawana au- 

gjan bhaf Art saraswati knnaog kIta sang pina- 

kadèwatanlng (abda, athawft klta kanaog 

pangawakniranganya p&wakniQg stri knnang 

tèdjaning wnlan a$artra knnang Jatanyan kita 

slnanggah ktrtti knnèng, Wir. 16 (vert. v. 

laksmib padm&Iajft kft twam atha 

lihülib sumadhjamé hrih (rib kirttir 

alho kftntir ftsftm kft twam warftnané, 

1 388). 



ii5^7S[\ I., jav., duidt een overgang tot een 
ander onderwerp aan, W. Z. 28, 7 (vgl. ku- 
n a ng) , wat betreft nu v. e. persoon, tot wien 
men weer het verhaal wendt, Adip. 20; of 
wel?, nametUlijk, R. 2 Z. 6, 8; 3 Z. 1, 58^ 
40; 4 Z. 1, 72 en 78; wraj apèki konèng 
(I.: k u n a ng), welke aap zou dit zijn f, R. 7 Z. 
14, 3; 9 Z. 5, 7; vgl. 19 Z. 18, 8; knnéng 
pwa Jan, maar zoo daarentegen, T. 6. Z. 4, 222; 





«\ 



40 



«> 



apa iQ&tiiita Jan apsait kuèngr (kunang) 
wal Mijt ge ft wellicht een a.f, R. 3 Z. 1, 38; 
h^lwamuktt salwiriog^ sinaivt^lan , ^amah 
fu^i kanèiigi nuttig niet alles waaraan getwij- 
feld kan worden, of U rein is of niet, Wrt. 7. 

IL, makimèqpui ; z. onder kanang. 
96196)^ I., jav., «buQgalan» geel; 't is de 

kleur V, Buddha, aanh. onder sëngkër; v. 

d. padi geheel rijp (ygL bat. gumorsing; 
z. daluü^dung); kèmbanf kaniDf, nm. v. 

e. boom naar de kleur v. d. bloem aldus ge- 
naamd, cassia glauca, de bladen met krui- 
derijen bij de gul i Dg als groente, Afb. Rumph. 
IV. pi. 23; sari kaning:, zekere fijne geelachtige 
aardsoort gelijkende op de at al bij de tjéraki 
gekocht, onder de geneesmiddelen, Us. ; kunlngr 
sariy z. onder sari en bëiigul; kémbang 
knniof praB of djawa, de cassia alata, 
de bladen tegen bulènan gebezigd, Bd. en 
Tab. këpèlu, Mngw. këtjèlu, Gj. pilu^?, 
KL tuwi alas?; z. afb. Rumph. Vil pi. 18 
(Bjw. apjun^an naast 't jav. këtèpèog): 
taksa kèmbang: koning, z. onder përtata; 
wa^Jn knning:, aanh. onder r ft dj a w i dh i ; 
nong aknning:, z. onder lëntrèh; rari akn- 
nlng T. Baladèwa, aanh. onder wadha; 
nfnntni: v. door at al geel gemaakte wapens; 
kulknlé ngëmbnt, idépang mnijiu gamelan, 

tombak ngnning, idép djodjor barls ngam- 
bjar van die om de vragen v. 't geschaakte 

meisje niets geeft, Wrtn.; knningang nasi 

apnlnng, om en de vaste uieé te verbreken, 

aanh. onder këkëb; knningan, nm. v. e. 

wuku; op tunpèk knningan, 10 dagen na 



Galungan, waarop feest gevierd enz., en op 
de graven v. die niet ma bén zijn, spijzen, 
doch minder dan op Galupgan, gelegd worden 
(z. onder pufidjuqg en ma nis); op manis 
knnlngan, eigentl. m. lang kir, worden offe- 
randen naar d. d a 1 ë ni gebracht ; kiknninfan ; 
jav., geel koper, 

i\ kèmnnini: of këmonjng^ de bekende 
boom, wiens geel hout voor heften van wapens, 
echter bij de Balineezen niet, zooals biJ de 
Maleiers, in tel is, «kamoniiig, Br. Z. 5, 6 
(kadjënar, z. pèlèt); sëkar këmnning:, nm. 
V. e. groeten boom, 0. b. IV 0. S. a.. dus 
sandat; rawa kbo këmnning, eigenn. v. e. 
meertje? Tt. 18. 

II., holl. (koning), radja knninf, de 
koning der Nederlanden (sedert 1882); ari 
koning^, *skonings verjaardag, te Bil. gevierd 
met mastklimmen enz. en vuurwerk. 

"^9611961^, K. A., wté tt;6e/, drukt onzekerheid 
en tevens onbepaaldheid uit, '/ mocht eens, 
slngnja, B. (J.; kènangan ngawè sisip; kè- 
nanga (b. : s i og nj a) wrnli ida i gnm, vader 
mocht U eens weten, 390; singnja ada widi 
kènang mani, op dezen of genen tijd in de 
toekomst. 

n^QOQQ^, z. onder kunang I. 

o «n 09 ^ , verk. v. k o n i qg a (z. onder 

uninga?); tan koning lawasèng lina, wordt 
niet verteld, hoe lang ze op weg voaren, T. Z. 
2, 31 en 34; Z. 3, 73; snrnping arka pakè- 
djèp tan koningan, R. K, b. (R. m., Z. 6, 
16: s. arka p. tan ginopita). 



A 



41 



\ 



ia«n^, sas. (jt?.). s. onder san dat, 
tbiodawasa (F); aanh. onder gadjih; vgl. 
kioai^ga. 

»»*|no^, sas., balang sapgit (lamp. 
kinaigaw en tënapgaw, mad. walai« 
téiioga, Kangean w. tënaqga, bug. anapgo, 
mL <yëna^gow, ibn. en Hoe. daiigaw, 
qpdj. hampaqgaw, mal. v. Seraw. papgau, 
hl attisgano en tjii^ano, bis. ta- 
J>iV«w« tag. olaloi rup$so9ri de rijst en 
ladm irianten aantastende, mig. tsindranu, 
Bü. bolanigo en katit^alof). 

««•^no^, sas., tui^u. 

siSi^\, mëkèilBgnligaB ?. d. oogen v. 
e. dronken persoon (?gl. onder k a n a ly) ; ook 
oikani^gnanigan r. iemand, die een slag 
<t \ hoofd krijgt en flauw valt, Dd. 95. 

S »^^ , 4géBèi«iièng v. d. oogen, tjëéng; 
^Mpgnèng natanU, de %m %kh vlak m de 
«jn lêlem eehijnen zooals bij zekere tooYer- 



niddekn; s. onder njup. 



^o^ % 



smaQ^, z. kënipgniqg; ^gfaingnang) 
wh^fUtdf Y. die op heeten grond loopt, b. y. 
ai«oiQ , zekere boom, üs. 

»»n^, «katapgga (tamil kanai^gftjr). 

siNi\ L, maL (kfttja, s., glas), een bril 
iorja); maka^a smnangUn lamor, aanb. 
<»der Inta; kèdU ka^a, Am. (bis; katya), 
"gL Parwftkftndl 

IL, eigeam leerling y. (luk ra, Adip. 53, 
^ xyn leermeester's docbter niet buwen en 
^t door haar Yenrloekt, ald. 54; Ygl. onder 
ièwajini. 



n M ^ , mal. of jaY:, zekere witte katoenen 
stof Yoor kabaia's enz. gebezigd (bij de Moham. 
en aan de haYenplaatsen slechts bekend). 

^ ^ \ » j^^« ^<>or betel (Ygl. lamp. en sund.). 

«I ^ M ^ , kèkatjé, een boonsooi^t, veel oYer- 
eenkomende met onze sperzieboonen ; pit en om- 
hulsel worden genuttigd, grooter dan de ko- 
mak; cajanus flaYus?» de plant zeer boog en 
slingerend (bug. kantjéq); z. këkara. 

9Q'^«n^, mal. (katjau); ngaQo, qgaduk; 
ka^ona, tUj roert de la war, hij hindert hem 
in zijn werk (meer bij de Mahom., die in 
aanraking met Chin. liplappen komen, in ge- 
bruik). 

^^\f •pinusus (bataY. kutjak); më- 

kntja (beter mëputja), ontzet v. zijn kaste 
als een brahmaan wegens bet niet betalen y. e. 
boete, zoodat bij gelijk wordt aan een sudra; 
kaknQa, zijn kaste verliezen, door misdaad 
(z. putja), bnka kutja, «kapusus; ngn^a, 
tusschen de palmen der handen kapot wrijven 
(Ygl. kutjëk en këfltjah); mangn^a lima, 

• musus tapgan; kn^anën en pa^angkaQa, 

• pusanën. 

IL, s., de borst, ki^adwaja, s.» de beide 
borsten eener Yrouw, susu, Ar. Pr. 43, aanb. 
onder èni. 

^^\ (kotji, Kid. sund. Z. 1, eigenn. y. e. 
staat; mal. kutji, Cochin China); pipls kn^i, 
zekere zwartere en dunnere soort Chin. duiten, 
waarvan men godenbeelden maakt (z. ukur, 
sëdana en onder sawèn en djëpun), ook 
bij 't goudwegen gebezigd (z. onder djëpun); 



9^\ 



42 



o^ 



men heeft er, die aan de eene kant een beeld 
bevatten, voorstellende een boogschutter en 
daarachter een dvi^ergachtige figuur^ waarin de 
Bal. Ardjuna en Sëmar (of Twalèn) 
'meenen te zien; de andere kant is geheel glad 
en zonder eenig schrift. 

IL, z. utji. 

«sjpcj^, kntjn*, B. Z. 5, 3 (tjèkèl; vgl. 

jav.); wadahi kakatjn, Us. 

n 56« p^ ^ , mal. of jav. (eng. k e t c h) , soort 

V, vaartuig f B. U. 16, am. 

oooDMi^, z. onder gogorèn. 

9Qnpoi^ I., aanh. onder krürapaköi. 

IL, z. kutji. 

9SiiPOi9^ I., s., rambut. 

IL, aanh. onder sëlir. 
Q^pjjn, z. patikatjuh. 

961^9^, pinhè man(fët|ah, U. Bil. Z. 1. 

gsiiP^9^, ang^ëtjëh v. regen, Hari^ Z. 16. 
aanh. onder afudji (vgl. jav. krètjèh); akë- 



tjéhanv. regen, Sut. Z. 138, 7 (mangèljèl), 
L. Z. 19, 17 (makèljèkan), Sum. 28, 21, 
H. Z. 58, 10; Ar. Z. 9, 2; R. L. Z. 7, 100, 
Z. 11^ 152; Kid. sund. Z. 4, 239. 

2«, mèkëtjèh jèh matané, ook makëtjéh; 
tanggfil èlin; makëtjéh kangën (ingët) ring: 
raga U. 6j. 41. 

^S^» jav. (këtjoh), kënjnng: manis 
roakë^nh djarah, Njalig 13; sang: ^ikrabala 
(b.: djogormanik) rafih, Dg:aba g:ada raris 
moknl, bëSdar (b. b ë n t a r) tëndasé malèlèh 
(b.: malèdlëd), poloné pësn makètjah (b.: 
makntjuh, c: marusbus), Drm. 25; më- 



9^ 



kë^ub, spuwen tj. katjuh; (z. lëpé); ng^è- 
tjabin, v. bloed, «sumirat ri; ngétjahaBg^, 
spog uitspuwen (z. natahang), ké^ahan^ 
« tustus. 

9^poi9^, sawènèh adas mAng^kJa kitfah*, 
MaL c. hl. 54, daarop agngubah enz. 

QQiM^^, andere uitspr. v. pitjih? 

opjiQ^, kntjahan, Bjw, water, waarmee 

borden, kommen enz. gewasschen geworden zijn 

en dat men den varkens geeft; këkatjah, 

water, waarin rijst gewasschen is; m&%gsel 

V. bladen voor varkens, in toorn gebezigd ook 

voor menschen. 

o ^ 9 ^ , mëkatl van, aanhmidend en veel 

V. woorden bij twistenden (vgl. tjuhtjuh), 

vgL variant onder bras bus; manjiiié mèkn- 

tjwan; vgl. kutjah. 

nosno^^q^, makotjohan en makotjogran 

V. zweet. 

9QiMi/D^ , jav., uitloopende katjang, vooral 

V. d. k. idjo, als groente (mal. en mak. 

kutjai (vgl. ëmbut^an) «katjambah (z. 

onder kan dik); ng^ëtjai v. d. bulih in de 

pawinihan, de eerste graad v. wasdom 

bereikt hebben vóór kumatadji (Bjw. së- 

mumbi); zelden kafitjai, tumbuh ngafi- 

tjai V. uitbottende veer, Tj. b. 

Q^P3^^^^, z. onder këtjubuh. 

n 56« wi 9qJ ^ , makètjau*, pratem ?, keuvelen, 

3SïiPJi3n\, s. (katitjhurê), këfltjur 
(tjëkuh); z. kailtjura en kartjüra. 
o n PJi PJi ooi \ , n(^aljètjak , aahb. onder 

t a k 8 u. 



> 



45 



\ 



» M ^ AT) «i| ^ , mékèt}tt|oteB ▼. e. Treemde 
taal onüerstaanbaar rad b. v. als 't Chiiieesch: 
(mad. i^a^è^ot); z. mébratjakan en 
b a tj o t. 

wi'^Mi'^wi«Ti|^, «, onder gutjèijèt. 

^JSt^^' 8. (katjljhapa), een schildpad, 
•pas» «ëmpas (gevecht v. e. vorst, in zo(> 
een dier veranderd, met zijn broeder, een oli- 
fant . Adip. 36, z. s u p r a t i k a , is de aanleiding 
van het spreekw. onder tja pa, daar Garudsj 
de beide twistenden opat); kadi sang: piruda 
dané Ika né mam^kln nfatonaog gadfah rim 
katfapa, «Iwir pakdindra sirèki ra- 
kwa Inmihat ring pas lawan sftmadja: 
si katjapa, eigenn. v. e. vrouwelijke schildpad 
T. Z. S, ito. 

isiMu^, z. katjapl. 

ya A3 M ^ , jav., pakatjitjèng:, m a k a tj u r a- 
qgah; I4:étfët}iii;f n^atjëng (sund. qëng- 
ijérëgëpg); ook pèljétjéiig: b.T. v. d. palud 
veil. pëkëtofidjol. 

y:i «ji AJi ^ , zekere plant , waarvan de samen- 
trekkend zuarachtige roode bloemknoppen ak 
sambël of groete genuttigd worden; de oadi 
siam Toor 't lldjërak v. wapens, 't jonge 
merg als groente (jsT. tjombrang, teSoerab. 
katjombrai^, Bjw., latju de bloem, ofidjë 
de rmcbt en tëpas de planten zelve; sund. 
tjorobraqg, ben v. d. bloem v. d. hofidjé; ook 
Ie BataT. heel de plant ofidjë); z. bongkot. 

^^9n^Kr^\, (vgl. kë^ëljëi^); i«ëlJo- 
4m^, JI9/ \KU9leim V. d. penis b. v., vgL 
tjotjoog. 



^ ^ ^ > jav. , këtjèr*, ▼. pis ; akëtjér, een 

paar druppels, v. vocht een weinig; agCljirln, 

iets b. V. inkt, roet een weinig vocht, azijn 

b. V., begiefen, bevochtigen; ta, |^tël aiyëmn 

nanah, $a, banaan angsoka angn, plnlpls, 

'mbanya, Islnrongr, dènya sangkép, was ara- 

tèngr, këtjërin léng^ls tannosan, lèsahakna, 

Us., aanh. onder pa pang, vgl. këtjëk en z. 

aanh. onder tjatjab. 

9S1ia:i^, iV^tJlr v. bloed uit een wonde 

(lamp. tjir, uitroeping 't uitspuiten van vocht 

voorstellende); akëtjlran t|énlk« een dropje 

drank; mara makëtjir Ikntnè v. e. joujgekip; 

ngëtjiram^ katjlng: , de pink , of een ring zoo 

houden aan den vooruitgestoken pink, dat ieder 

hem zien moet, Dd. Z. 1, 6; bangrkiingé sada 

këtjirangr, Tjp. z. këfidjëh en këfidjir. 
'mh(\ (ëngkëtjur of ëngkësur, ëngkè- 

lèp); gairak putéq baodjar këtjiir (b. kilip 

b a ii dj u r). 

asiioi^^, makétjor, «manumbër, «ma- 

nëmbur, «mufitjar, «gumulak, «kumi- 

tjir, «surairat; makëtjor pésv gètlh, fitlh 

makëtjor uU bongrot; pakétjoran Ika^r ^^t 

«gumarafidjang ing banjo; kliiél|oralE<D, 

• kinutj urakën. 

^ ^ \t jav., (ook ktfitjër); ngitjër, bijna 

geloken v. d. oogen (vgl. pètjèpg); *ap^ 

npttjérlii anèii zooals bij 't mikken; nffltjè- 

rang:, één oog dicht doen; z. tjitjër. 

^^\ I.. naast kitjër; nfltjir, «apëdé; 

z. onder borang en kësip. 

U., knmltilr v. water, L. Z. 3. 8 (makë- 
tjor); vgl. kutjur. 



«I\ 



44 



«i\ 



m. , Bjw. soort fuik v. bamboe» kleiner dan der 't voortgaan van de w a d a b aan weérs- 



de b&rH, om bédjulit te vangen en met de 

opening naar den zeekant toe (z. b a d o ng) , 

onder vlechtwerken v. bamboe (a n a m ^a n 

pring), Wtb. 241; ngi^ir gédë, Bjw., wang- 

salan, wegens bUrS (z. jav. Wdb.), = bSr&, 

vgl. itjir. 

9Qn ^ ^ I. , V. bloed , B. Z. 94 , 1 , c. (m a- 

këtjor), Sut. Z. 47, 7; Z. 123, 16; katjur- 
nikang; wwaj, R. 15 Z. 3, 3 (këtjoran 
ikang toja); kumntjur v. bloed, Sut. Z 132, 
4y V. water, Wrs. slr. 30, v. e. mak ara, ald 
slr. 37, van bloed, Sm. Z. 9, 4 (sund. kotjor): 
kumntjur f «angher tali, Sut. Z. 43, 9: 
anffutjorakën g^ijfir, Sut. Z. 48, 7 (njosorang 
tundun); vgl k itjir; kinatjnrakén v. wa- 
ter, Br. Z. 39, 4 (kinëtjorakén, sinira- 
taken. 

II (?), walervat als leksteen; ngutjar, bij 'l 
ngotok zeven door kapuk om een dun en 
helder vocht te verkrijgen; kutjukatjar, Sm. 
Z. 21, 1 (kpotan katak). 

III. , jav. , zekere lekkernij v. meel en suiker 
gebraden, vgl. tjutjur. 

IV. , tandjang: katjor , z. onder a 1 a s 

sloka. 

nosiiow^, een grof woord voor pi pis (Bjw. 

evenzoo in pi. v. p i tj i s) ; tra iig;Iali këkètjèr 

V. e. berooide; klëtèkang: këkètjèré, grof 6e- 

taal contant. 

2s këkètjèr, een paar duiten, een doode 

meegegeven, als leeftocht^ op een gespleten 

bamboestaak met een lap wit lijnwaad, een 

baiugin-blad en een pad i-aar gesloken; on- 



kanten van den weg. 

n«no«o^ of këkotjor, klapperdop met 
water om de banden meè te wasschen, vandaar 
't raadsel mëbasta meklètèk lèngkong 
(blbd. slaat op de sangkèt) singdak! pada 
mëbttdi (z. protjot), aanh. onder srëbad. 

"^gsiAJiTi^, s., (khétjara); satwa kètjara, 
vogels Adip. 115 (raahawan gagafta); vgl. 
Wir. 53, waar een opsomming van hemel- 
bewoners. 

gsR ^ ^ M ^ , makatjarëtjè v. pijlen als regen, 

B. Z. 9, 4 (pakarëtjëb, kumarëtjëb). 
9siiPJjr|p3U)|^, aanh. onder I aft dak (pa- 

tjurènggèh). 

g^ pji n p^ nlj ^ , makatjaratjab , B. Z. 87, 
50 (patjaranggah). 

SS! JOiT^^nu^, aarib. onder laftdak (ha- 
lës); makatjërëtjëb v. paarden en olifanten, 
Ar. Z. 60, 2, V. pijlen, Sut. Z. 129, 1 (da ha- 
ling balës), vgl. tjftrtjëp? 

isn ^^V ^J^*' zekere vogel, die niet 

hoog vliegen kan, W. Kap. 153; z. paftt^ 

9^001^^, jav. (vgl. tjrèt, këtjrot en 
këtjrèt); makëljrlt, spuwende spritsen; mé- 
këtjrit, uitschieten b. v. van H semen, van ver 
uitgespogen spog (z. aanh. onder k ë tj a p) ; 
pëkétjrittjtit, telkens uitspuiten en bij kleine 
beetjes v. pis (vgl. trëtjit). 

g|iinpj|^^, tjrèt (vgl. këljrit, këbrèl 
en jav. t j ë p r o t) ; i:rabu|: këtjrèt, de cholera ; 
katjratkatjrèt, bij kleine beetjes betalen; ngé- 
tjrètiu, iets bespuiten: ng;ëtjrètan||;, iets, water 



\ 



48 



^\ 



of medicijn» tegen of in iets spuiten; pan|^ 
tjrètu, sfuiije (vgl. onder k é ij r o t) ; kikë- 
tjrftta, ifuU T. bnluh gebezigd om op ge- 
deelten V. H lichaam als douche te fuugeeren. 

iQ^^Antsij^ of këprot (vgl. këtjrèt en 
k 8 tj r i I) ; kétjrot* v. Tonken ; ook p a k a- 
tjrottjrot, («samiral); makétjrot, «mul- 
lak; ■gëtjrotlii of pgtiprotin (jav. ngëtjroti 
en malltjrut); mékétjroti uUspringen b. v. 
T. hersens uit een verbrijzeld hoofd, v. oogen 
bij 't ngulakin, t. bloed, «kapitjil; mèkè- 
tjrot Bèaèk ▼. e. vuurpijl (batav. këtjrotan^ 
eea ipuii, vgl. onder këtjrèt). 

19 io Ajj ^ , eeitigzins bleek in H gelaat. 

19 Aa 71 n 9^, makAtJaraiiifah, B. Z. 87, 48 
of 49 (pakatjëtjëng), Z. 88, 5 (patjurèpg- 
zah), vgL tjarangah en tjranggah. 

ciMifi9|^ of katjag; mëkatjalian en më- 
kètjèkan of mëkètjègan, hier en daar ver^ 
spreid T. Tuil» afgevallen bladeren onder een 
Uem, ttjken v. yerslagenen (Bjw. gëdjag); 
■ati Békatjakaa, vgl. mëtjègtjègan; nga- 
tjtkaap alt vleermuizen, vruchten, onder aan 
im boom verspreid, rijst wegwerpen; péda- 
Vm katfakmg, 't is jammer v. d. rijst weg 
te smijten. 

va n Ml n| ^ , te zoek raken ▼. iets in iemands 
loedeL anibreken aan een leker getal munt- 
stukken, V. e. oog (z. pètjèng), een stuk vee 
ui. qèk); katjèk baiia mëtèktai; pgatjè- 

ai«na]^,i. tjok; sami katjokang^- 
vao S woorden promiscue gebezigd. 



^A3i9sii|^, kërëtjak. 

9SiiPj9Sii|^ I., vgl. jav. en z. gëtjëk en 
ëQtjëk); këtjèk*, R. 24 Z. 12, 3, (makètjèk^ 
makètjèk^an): akëtjëk, makètjèP, sapo- 
Ijapan, 23 Z. 12. 11, Lamb. Z. 18, 2, R. 23 
Z. 12, 11 (roakètjèkS matafidjak), 28; 
24, Z. 12. 3; akëtjèk, kikken; hajwftkëtjek, 
aanh. onder nijama; knmëtjëk v. dj am pa- 
ri og's en pasar's, Kid. Sum. Z. 3, 76; 
ngëtjék v. d. regen (sund. këtjrfik); di 
pangëtjëk oiyané, toen de regen druppelde; 
makëtjèkan v. regen (vgl. jav. krëtjëk, sund. 
ngëtjrëk), L. Z. 26, 7 (makètjèkan); më- 
këtjëkin sgat v. e. dalang. 

II., ngëtjëk, in iets eventjes met de nagels 
knijpen, op die wijze eventjes verwonden een 
lichaamsdeel, een vrucht zoodat 't vocht er 
uit komt (£. ngompès, tjrèken impëk); 
ngétjëkin, iemand beknijpen de jeukerige plaat- 
sen; ngëtjëkang, met de nagels drukken; më- 
këtjëkin, pëkëtjikin , 't jav. £1 dj a w i 1 (Bjw. 
og gu t i t), den eigenaar waarschuwen tegen die 
hem zal gaan bestelen; mëkëtjëkang tkèn 
dnstané, mëtudingapg. 

III., z. onder tjëtjëk IV. 

g9i^gdii|^, *t geluid v. e. krekel; 
krieken v. krekels, tikken v. e. klok; vgl. 
kring. 

9siMi9^^, kamplta katjak, aanh. onder 
rawa (molah pglèfitjok); kunntjak 
kakoBtJang atogor v. d. lee (jav. en mal, 
kotjak en z. onder otjak), R. 23 Z. i, 8 
(otjak gojapg tan pëgat» otjak pagëh 



^\ 



u 



«É^ 



maüsëran; jav. R. 498 kumotjak); z. Irabinya dèwèk, ring* sanak pata bajnt sang:- 



kotjak en kufltjak. 

gsi joi o] ^ , makatjëk , doorgehaald v. e. fou- 
tieve letter (batav. kutjëk); ng^atjëlL, iets^ b. 
V. een blad, fijn tusschen de palmen wrijven 
om er b. v. 't sap voor oogmiddel uit te 
persen (vgl. sund. en kutja); ng^atjëk, door- 
halen; wrijven de oogen, waaraan iets hapert 
b. V., een lont door hem op iets heen en weer 
te wrijven uitmaken (z. bitjëk en vgl. utjëk). 

o«inwiïSiI|^, z. tjèngtjëng. 

II., z. katjak, «kètjèk* v. zwaren regen; 
makètjèk*, « a k tj ë k ; ng^ètjèk, ook v. d . regen ; 
makètjèkan, * m a k ë ij e k a n ; makètjèk*an v. 
kleine kinderen in plassen zitten (vgl. onder 
kotjèk). 

III., z. gètjèk. 

nï6nwi9sii|^, jav., geklots v, d. zee, * ba- 
nge t (nikang halun), B. Z. 5, 42; vgl. otjak 

en kutjak. 

09snM9sii|^, mwah wjaktinikao; kapa- 

pëhani sang: wika rinp jasadharmma pa- 

ramartha, Iwiroyft lang-fèn; tnnggéng sarira 

dèwèk dharmma angfalns tan kataman ing; 

para hala manpkana kramanira, jan hana 

wika alënpit lampah hidëp, linjok sabda 

tjorab, atmn smara rinp rabinya sampan ma^ 

tèmpah siti, tan anot mapadjalakrama abrë- 

sih, mwanp anplantjabin rabining: wong; 

waDè(h), aagfrabini woag: djadjaka kanya, 

waifek Diwang^ wong: atang^gfon ataka, wadon, 

pilik tanggil kalantjabinin, mwaogf asabda 

tan rakaja sakalwiraning^ sabda akas ang;- 

kër, riag: woof samaiya wanèk, mwah ring; 



gfarwarèng:, sabda parasyft, jan hana wikn 

samangkana, alahoya dada wika, nga., wi- 

ka^au, ng;a., suk analar bawaning; wika, 

ambëknya dasta, wjaktinya wnang; sang: wikn 

ika pinatja olih sang; wika adig^ara, nora 

wnang; amarasiddha di hala haja karjjA 

ag;ang; alit mwah amarisada woug; mati^ 

arip, wnan; wika samang^kana apalaja dadi 

brahmana walaka mwah, nora malih akrama 

wikn, satafihè nora wnang; annfln pada malih 

dadi wikn, ala pantën kawikonyi atin^g;al 

kramanya, ng;a„ jan hana wika wanèh, ènak 

ang;g;awé lu;(r)aha njisyftni nnmpang^ parab, 

ring; sang; wikn was pinatja, malih angarip 

kawikonya sakadi mala ramahan, wuan; 
sang; wikn awèh lag;rahft anfisyanumpaiigi 

parab, samana hala pantënya, sakadi wika 

ring; arèp, apan wika salah krama salah 
idép, pantën ng;aranya, anrang;in bawana 

alit bwana ag;ang; wnang; sang; wika samaog;- 

kana pinatja dohakna lang;g;ah wika saman;- 

kanft, ring; wawéngkonira sanf a(nia)wa rat, 

nora nQapën malih grnahing; wika samang;- 

kana, mwah jan pdjah sang; wika pino^a 

iki, sinalih tang;g;al Isuiang; wadon pdjah, 

wnang: pratèkapangëntas sakadi walaka, wèda- 

ning; pang;lèpas gnl aiig;lajaDir9 nora witjarané, 

jan nora samanjrkanft, jan Iwih paBg;apakara 

kadi wika, pagëh dharmma Iang;g;ah riogq 

ja$a, lëbar bwana alit, bawana ag;aBg;, sang 

mawa rat, kotjëk idëp, kotjëk rasa, kotjél^ 

adjar ala dadi katon aja, kagjat bwana roj 

matmahan atrang;, tjwah pianaa Uqlok tajah 



«N 



47 



««^ 



■tUar romanp, liep kali sangrara nawë. 

wéb afabor patik w«naii|r kbo sanpl Borana 

(■ah apaB iQafat noraiia aju, bawana rofl^a 

katjaiapaa (f), sarwwa tandur maffiéair, 

fr. bpL 

IKn^MKSuj^, z. kodéq. 

'Issn^Mtoj^, ]«o4èk| een km schoanma- 
ktn met boiiigkoUYOcht en warapgan; m6« 
kotjèk V. d. pa mor v. e. kris in 'i vocht v. 
de boiigkot, manas en tibah gedoopt, 
om door 't mar de Yniligheid te Yerwljderen, 
waarna 'I lemmet met sangihan gewreven 
wordt en glinsterend gemaakt met batu las; 
■akmèk^an dl Jiké, in U water ploeteren, 

menen, vgl. onder kètjèk. 

nter>n«^70Kai]^, «ginugah (jav. mal.^ 

saad. en vgl. kotjak); mangèllng tong dadi 

katjok T. e. klein kind, Pan Br. It; mdjak 

katjak of kopjor, een drank bestaande nit 

jèh koQd, asërn^ ujah en.tabja; vgl. 
bir; nÉkatJoki v. binnen rammelen als een 

bedorven ei; batu makoQok, eea wandersteen, 

die r. birnnen rammelt, en iemand onkwetsbaar 

zoa maken (vgl. onder këtjap); ngotjak, 

9eknddem b. v. een slapende, om hem te wekken, 

• apggwgab; nuiffotjok, «anggogah (vgl. 

batav. katjnk en krotjok), «amëdëli; 

ka^ëamk klaa^k v. lyken, «inalap ini- 

wè'; luüiotj^k, • ginugah; de dobbelateenen ; 

kakotjok, • k ë g u ; ngotjokang een kind om 

't weer te doen slapen, tvwggal Bgèndosln 

katjokaaf, Pan Br. 11. 

OMin^, (watjikaf); tan kafflka, niet 

ie overreden syn gelofte v. knisehheid te ver- 



Q^OPJI 



breken, Bh. 07, vgl. onder dharrjja, waar 
't corrupt is. 

"^Astoi^, zou grooter zijn dan de kësi- 

sat en minder rood. 

«pjisi^, z. onder kètjaka. 

QSi M wi ^ , s., eigenn. v. d. generalissimus 
Y. Wirftia, door Bhima gedood, omdat hij 
Dropadi lastig viel, Wir. 15, aanh. onder 
maja (jav. këfltjaka; vgl. tanu III), B. 
Z. 81, 45; sang kl^aka, Z. 84, 59 en 40 
(i tjaka), vgl. ook upakitjaka. 

"^oon A3 9Sii^, tusschen warahan en ta- 

rimba, 0. kitjaka, aanh. onder rAdjawi- 

(Ihi (djurupratèka). 

o o 
KI M Qgi Q^K , mangnQlktlak, snappen v. d. 

b u tj i tj a. 



^ ^ v^ 

gsiAa»^, z. onder tjikuh. 



«iPj9^9Siih, Bjw., de vrucht V. d. udani 

(jav. këtjëklok of tjëkluk). 

«iM&o|^, iwrt ingekrompen van nature, 

V. d. penis b. v., v. d. voet v. die bolang is. 
'm9C\t^\y bleek (atjum), «mawënës, vgl. 

tjoöng en lèmlèm. 

0Qsiinj^r>&o|. pèrot, ada labnb nnngkajak 

pacQnqgkël ada maDni4:giiig bai^^ ngnlèpot 

kètjod manandang ëlik, fr. ; bals kètjod lima 

ëUh, ald. 

96iA3tsi!|^ I., \ pop-hulsel V. e. rups, een 

geliefde lekkernij, en gebraden genuttigd (z. 
bëgading); mëkatjat, vóór H mëkulës v. e. 
pop; z. bekatjut. 

II., tanggnn mnndnk aplt tnkad Jadln 
paqgkong (Sbr. krafitjut, munduk sënik 
apit tnkad of muntjnk munduk); ^ga* 



^\ 



48 



^\ 






t{at V. d. punt v. e. m u n d u k boven een 
pangkung, ngofldjol v. dèsa^s die gemak- 
kelijk door zeeroovers kunnen overvallen wor- 
den^ di tëbèn tongosé; Bngl. ngantjut 
V. d. panggal pangidjëng, vgl. ngatjung, 
waarvan 't stamw. mij onbekend is. 

p^tsii|^ 1., sils (vgl. ropa en krast); 
këtjit blandai soort v. ^7^, wiiie grand en roode 
stippeltjes; sindjangr këtjit, B. U. 357. 

IL, makëtJit, elders, makëdjit, «mak- 
tjap, «angudjiwat; pada salliig: kë^lt (b.: 
pasaling kindjëpin). 

goi M| ^ ^ I. , jav., masëm këtjnt, zeer zuur 
(vgl. sund. en lamp.), këtjing. 

II. y z. aanh. onder pa du. 

«intóotSTij^, «ininum; nicëtjot, H bizon- 
der slurpende geluid bij 't inzuigen, inslurpen; 
kakë^ot, «risëp; jèn sëpsëp këtjotang:, 
«sinësëpsësëpan. 

qsiwiist!|^, bigge, jong varken (tag. kulig, 
b i j i k en b u j i k) , herhaald om biggen te 
roepen (vgl. tjitah); kntjit makoping: patpat 
mabatis akotas siki ikah matjanppah, onder 
de slechte voorleekens, U. Gj. z. bëiidjit. 

o ^ \si!] ^ , jèh paiig:akèiJië patambwas blos 
kntjnt, Kid. Adip. C. Z. 3, 11; ombakDjané 
manëmpah, parang^anè sami kntjat, Lmb.; 
ook putjui; vgl. lutjut. 

og^OJOit5i!|^ I., kètjèt*, geluidnaboolsing 

V. e. sanan; z. ëntjèt. 

IL , padang: kètjèk*an, z. onder dj i t dj i t. 

oïenowi^^, kotJèt*an, uit afitjruk of 
uit de Bubatah v. d. kutuh of andere hoo- 



rnen ontstaande dofgrijze torsoort met zeer 
lange voelsprieten, hij geeft 't geluid o tj è l ' 
(oost-jav. ingkik^an, jav. gigikan en ook 
een ënggik>an,batav. ëngkët^ of ëfitjët^an); 
wordt genuttigd en ook, in goud nagebootst, 
als krisheft gedragen (afb. RumphJ plaat 17 
fig. E; waar fig. d de afitjruk, fig. E de 
sumëgèo en Gg. c de sumangjang voor- 
stelt; z. njungah); 2« soort v. gesp, zooals 
bij de pak da, hengsels bij koffers (kodai^, 

tèpak), een deur. 

'^gen^^MO^STil^, kotjok; kotjot*v.e. balé 

door aardbeving; ngfotjotani:, ^^ balé v. d. 

aardbeving; mékotjotan door aardbeving. 

^ o 

SS! AS ^ ^ , een slingerplant , wordt veel in 

de bosschen aangetroffen. 

^ o 

^Süwio^ffO^, zeker geel vogeltje (Bjw.tj ito) 

z. onder tadasih. 

«1 o w 'èti\ , zekere v. wormen levende 

kleine vogel, die zich in de sawa h 's ophoudt^ 

motacille speciosa; (Nw.: tjètjètrung 

en verkL door baga kinangsèn). 

oAJi^svon^, s. (kutsit&ngga); djanma 

katJit&nn:A» ^g^*f wwang: akala ka (b.: U| 

palaDg: tnwahnya, Iwirnya, wwaog: wwaV 

wong^kuk, kajang: (b.: wajang), wadjil, drè 

midarë (b.: darih)» (lampang), bnlé, wè 

lang; 9 lampi (b. : lampir), wlwaog: (b.: wi 

dang), IkA ta kabèh kntjitftng^g^a, ngfa., Wrl 

32, aanh. onder taluwah. 

gsi Ml ^ ^ , mëkëtjis ménèk als water v. d 

grond of door slagregen. 

osiopji^^, bijnaam v. lieden , die lan| 

en mager zijn. 



^> 



tó 



«> 



«"^Ar^A^^ (Ygl. tjostjos); makétjosi 
• omésat, «wiplatwaiigy «Ittmampat, 
T. e. wagai ipri^gm, vert B. Z, 91, 5; kètjos*, 
# lompal wiplalwaqg; këtjaskè^osi «la- 
malltjal; ook këtjwasf; pakéyos duèné 
eo liwal bëtjat pa ki tjasé, «luinpat- 
ntrAdrëa; paka^Oi^os ?. yiaschen springen 
beeo en weer, •lamumpai; dakatloa^os, 
mai^aliwër; ^fé^osliiy over iels springen, 

T. bj. Z. 1, 19. 

^'^sn^^9j!i\, z. onder këtjos. 

aMjU^ of ko^iwa, ja?., aanh. onder 

tjatarmnkha en këlèm, «sor» «masor; 

•tlas kvQlwa, alah larut; k^tjiwa, W. Z. 

1, 8 (katnnan, kasor katëpgër), aanh. 

onder g ë 1 ë b ; ^pUjlwèn tandlflf , aanh. onder 

kapèi^; qpi^iw^Jam: mosoii, vert. R. 
aMjAju^, z. onder këtjos en vgL kë- 

^wag. 

isiian|\, kë^'og; makëtlwaf, springen 

u ^wag en vgL këtjwas, loa in sommige 
stitkaa, Përgoqg b. t.> de naam ▼. e. siroo- 
klenrige balanig zijn (mëbulu aomi). 
isiiaci^, een beestje een weinig dikker 

dan de blaOk, waaruit de tjapnpg djaran 

aMfu)^, z« ga^'ëL 

aMfuj^ JnpLv. Hja?. patjulf, z. aanh. 

ooder piso en prapg^ 

aMiruj^, mal., pjanak door de prama- 

dé*8 gdbesigd; z. onder ma nik en aanh. 
•ader iiëpg (in eeneigen, in tegenst t. akbar 
ea algewissdd met yu), asgar, moh. fr. b. 
tdkena). 



BMxmtK DiiL n. 



3% nm. T. e. der 4 kleine pai^alasan^s 
▼• Mantri Wadak, z. pëngah. 
9Qi«aru|^, z. onder pn^'iL 

«Mruj^, zekere zeeyisch (aas. 1 aqg sa- 
ra n), Stn. 

"jKi^Mirul^, makè<Jèl*, «ak^ëk; maivi- 

4èl, «akëtjëhan (Tgl. Men. kètjèqf); 
adres paqgètlèlaBliv dfawnh, Dd. 4. 

'j«o'jMoru|^, ko^ol*, wiggelen als een 
wapen in een te ruime seheè (gulik>), komèl^ 
als 't maar aan een kant plaats heeft. 

96iMiru^, z. onder brëiigkèk. 

^«^MfU\, z. blJ këmbaiy kuning 

praQ. 

n Mi|^ru| ^ , jaY. (k ë tj a tj i I), de Yrucht 

V. d. kësambi (afb. Rumph. I. pi. K7). 

»iMru€i9eï|^, Y. d. kallQil, R. 23 Z. 
12, 14 (mlali mësik); makaljiilamlk T. 
kidapg's, Harif. Z. 9» 24. 

«i^MfU^, Bjw., de vmeht t. d. dadap 
of tjapgkring («ja?, tjèlu^g, sëkar da* 
dap}« zou in de Us. met de bet. ▼. tjangkrinig 
▼oorkomen; Tgl. kalëtjung, Tjt. 46. 

96iMui|^, ja?, (waar ook kntjëb), inge^ 
érengen v. e. wapen; lalandéptflf pèdai^^ni- 
rèki maiiUliVf marlflf paristelfèkM, pitanf 
(patang) d|arl4|i ka^ëpnya, Am.; Tgl. tafitjëb. 

961 MuK, ja?.» Yrn. aktjakët (ngady. kan* 

tj i p, Katingan kantjib, Sampit katjih» mal. 

▼. Ambon katji, mal. v. Kut. katjop, tag, 

karot, bat gatsip, baardfangeije, nijpers v« 

e. kreeft; vgl. ka pil); katjip mangsoji, z* 

onder mangaoji. 

k 



*^\ 



80 



ièk\ 



iaiMiu|^, jaT., '( apwen en shaten der lip- 
pen vergeleken mei een open gebarsten m a ng- 
gi&ia, Sum. Z. 5, 9, B« Z. 13, 8 (rimang, 
tuturang); asalah këtjap, zich verbabbelen, 
zoodat een geheim uitlekt, Mal. 146; mang^dé 

ké^Jap ▼. d. blikken v. mooie kluiaenaresnen , 
B. Z. 13, 9 (mahjun aniljipi); kètjapl 
Udahlnir aiitaka, aanh. ond^r kakiritjik; 
sawang kadan atè'b tlbèng banjn kitjapning 
apapnl amangan rtnéiigwakiii, Sul. Z. 129, 1 ; 
mapagat kèljap ring, z. onder pagut; tnwi 
kétlap kang sapalth bij 't aanhalen v. e. andere 
overlevering, R. m« (R.k.b.: tuwin riwajat 
sapalih); sakétjap, de vrucht v. d. tjër- 
mèn; manlk sakétjap, een toovergesteente om 
allerlei eten te doen komen (in de satwa; 
vgl. astagina^ onder kotjok en adji); 
akétjap, Z. 18,9 (pusub), Br.Z. 1, 13 (ma- 
këtjit); akëtiap, B. Z. 27, 1, Z. 47, 14 
(madëkësan, wA»&« jüLa^, uit vreerooed, Tj. 
b. 10); osah akëtjap Iwir anitjipl enz., Z. 24, 1 ; 
• Hw. Z. 24, 1; B. Z. 24, 2 (osah), Z. 15,10 
(sabda, dëkësan); makëtjap, R. 23 Z. 13» 
13, B. Z. (, 7 (madëkësan), W. Z. 4, 2 
(makaruna, makëtjit); Br. Z. 29, 13; 
bhftwanyAkëtJap aki4a, B. Z. 60, 3 (ting- 
kabqané mapëës madëkësan, bikas- 
danèné makëtjrit mapëës); makëtjap 
masënii eenigszins zuur muiken; makëtjap*, 
V. e. ¥raterstraal. Ar. Z. 11, 3; iq:ëtjapln| 
i^itjipin; tanpakë^apan , W. Z. 34, 1 
(tanpa ograsa ènak« nora pginaka); 
kadi pakëtjapaoing inkat pahit, B. Z. 68, 3 



(Iwir mapgëdapin djangan né tikta, 
Iwir rasaning djukut bapgkit). 

gsip.3uj^y V. hoeven, tegenov. këpèr. 

9SI P^ u| ^ , misschien slamw. v. 't geen onder 
itjip staat. 

IL , kang sou tëda mariqg sira, sëkar sari 
kumnda lagja klljlp wëdaran (f) ibah, Tji- 
linaja, Z. 1, 42 (schijnt een verzoek te zijn om 
't maagdom v. d. jonge dame, zoodat k itjip, 
om H rijm in pi. v. kutjup gebezigd is). 

^^u|^ h, gesloten v. e. bloem (vgl. kufi- 
tjup) V. lotus, Lm. Z. 27, 8 (né pusnh), R. 
11 Z. 1; 1, B. Z, 4, 12 (pusuh); vgL aanh. 
onder hidëp, «kumrut (men. mal.); su- 
mujug, R. 5 Z. 1, Ut (vgL maL v. Kut 
këlutjupanf), met de beenen naar elkaAr 
toe, tegenov. mënèngképg, v. d. posteriores 
V. e. meisje, dat nog niet bij een man geweest 
is, invallend; ku^apning sëmbah, «mud ré; 
katlnplng kara, T. Z. 1,27 (kutjup tangan, 
vermoedelijk vertaling v. krëtftfidjali); ku- 
ma^np, kudmala, mukala; knmaljup 
d|rid|lné bij 't maken v. e. buiging voor den 
vorst, Tjp. Z. 1, 29; toen de vorst hem ver- 
zocht meé aan te zitten bij 't maal, i Ilngsa 
pëtak angn^ap, sa&tnré saka baktt, komn- 
4ap 4Jrld|lné Turas, blkasi||ané qggawé 
lolnt, Jan i gnstl daros l^a, tltyang qjarik, 
Lp. (kérup tjungkup astané njuwun 
sawab pgawis utama, W„ R., 3, vgL 
kudup); z. ku&yup. 

« IL, Sm. Z. 1 4, 7 (s a d a k), W. 22, akn^np, 
Sm. Z, 14,7 (masipat); knmn^op v. paardeiii i 



«^ 



81 



«N 



Z. 41, 13 (ndrawak^ manamplak)» Z. 86, 
11 (sahasa) Z. 87, 45 (manganittk), ald. 
18 (maiygalapg), en 19 (maiigamak), Z. 
n, 6 (mandrowak. bolus), Z. 95, 7, Br. 
Z. 7. 9 (katrëp, pgatjnpi); ma^fii^iq»!, 
Ar., Z. 6, 15; ma^fetlnpl nuoHf B. Z. 87, 
iO^ataiyimgsëb ripn); a^piQoplfiarawftra, 
Ir. Z. 17, 1 (apgiepasi); die 10 lieden tan 
bwasa apfvtjiipi, Baarèp dfofa, Baakslli 
kiwii nakaaapnlah ; by bleef ben vóór, zlJ 
iLOodeo hem niet mkalm, Pam. Bad.;klnotJapaii| 
B. Z. 86, 10 (kaQiyseb), ald. 11 (inidëran). 
Z. 87, 43 (inongsèng); kinntjopaii, Br. Z. 
!0, 8 (kaka^apin). 

UL, «mI loopen ens. (bëtjat); kntjop 
•Ub, snel op den loop gavn «amjas. 

'inoMuj^, «utjap, zegt men^ wordt be- 

tterd (TgL rëko); rasané kotjap bétjik; 
U^apa^K». 
aiau^, s. ka^tjbapa. 

siMU^ I., 8. (katjtjbapt), een luit f T. 
i. Z. i, 43, Ar. Pr. Z. 18, 35 (mal. këtjapi, 
Bga^ kaaapi, bat basapi, tag. korjapi, 
bis. kodyapi, «jaT. tjapiyjyweUuigr der goden, 
R. T. Eijs.); noBl kug rëdép lawaii katjapi, 
Mal. Z. 4, 9; bnda ka^apt, titel ▼. e. proaa- 
werk naar een heilige v. dien naam, in H 
begin wordt bij geraadpleegd door S baljan's, 
met nanie Klimadaaa en Klimoaadi. 

n., b«l« ka^apI, zekere kwaal, waarbij 
men on eena kood, dan weer warm ia (f). 

DL, jav. en sond^ 1]nt (Ind. Gids 1889 

* 

Xiart bl« 488 legt, dat këtjapi de naam is 



ia, de baL de këtjapi, bier oit Bjwi^. aan- 

gebracht, terstond s ë n t u I noemende), R. 7 Z. 

S, 5 (boni, kaliasëml). 
»iA]iuu|\, van den buik. 

96iMu\I., (bnds. katjëpir, jay. katjapg 

katjipir, z. klongkai^); •talakia éa- 
lanti (?), botarxian ka^pir tabn baU walnh 

IJlna, fr.; kalè^ong mnndéh lan imjan, 

Qarorlqg laqgaat salak, anmaga sawa kqiiui- 

dong, wonl pakèl sariki^a „aéntd qfanibn 

lawan maaggtsi patfélawan gëdaqg (kating- 

gnlnn lèn woh bënda), i^emit dfarati 

qfambn wèr, kaliaste lawanplsaqg (mrëta* 
pi aan) t,knaanibl kai0n|iMf ^éni^tai 

(samapgka lan bilni^kaii), ka^apg kMr 
tjlplr lan bèqgnk (katiman), poh amplta 
lawan pok bawang „poh dodo! ktltwan wi- 
ni (lan tëgarasi), nan|^maH8 aaaal^|a 
(wna tjamadai^), R. saa., Z. 9, ook tji- 
tjipirf; dyaniganipan rantai lawan ka- 
ramnntjan lan babëpgnk ^i^ipir 
lalap kamapgi, lan ^aqgan babajëmaa 
„saisining wnkir wns anma^i, Djt. b., 
101. 

II.r, maqga^ipir, R. 20 Z. 18, 11 (mangë- 
djëranc;), 23 Z. 12, 11, 24 Z. 56, d. (i^a* 
dj ir dj ir); anglQiplr 1 harép, B. Z. 8, 3 
(maujëaër di arëp, mapgaèpin, manjam 
ri adjëpg). 

III., saksankgatn rahlna pakat aarafl 
nmyawnrahan atri pangnwnhnlnf ka^iplr- 
Ing ffèfér aaangganl aënggahnya mangaal 
gnmantjrang këitfarinr rawl anèlëki iarw« 



itf Tniehten y. d. sent ui, 'tgeen juist i aariy Pdjm. 79. 



«»> 



B^ 



»i\ 



OAJiu^^, jaY. (tjëpuri, vgl. mal.? id. 
en lamp. djëpuri), Adig. 14, O., djèro ka- 
tjaparl, B. Z. 28, 14 (para djëro tjrëmi: 
ftaa. wat daksgewijse over 't lijk gelegd wordt 
en op de da ka rust, vgl. mal; jnv. v. Bantën 

9SI Ml u 9\ tsiiU , angatjapnrity z. onder tj ë m- 

pul-it II. 

tsiMU^^, Bjw.» soort grondlijster (fisiti 

eyapara» Vr.; jav. tjiprël). 

tsi^u»!^ ^), anfëtjépok, karananikAn 

paBgatJépak awélah marènir tëpi» B. Z. 3, 42 

(bètaqja manogaaang dajung maring 

paaisi, awanan punika pggëlisaii^ 

madajupg nguqgai p.; marganikang 

malantjutan molah raüh kasisi). 
9SiMiu^\» staken met knijpers^ die men 

aan de pap ah 's hangt, om eekhorens te 

vangen; voor lederen eekhoren krijgen de 

vangera twee klappers; ijzeren raileval, die toe* 

knijpt, jav. ijëpitan; (z. pëkëtok), om bë- 

djalit te vangen met een bungbung, waarin 

het aas. 

tsi Ml u ^ ^ , Bjw. , zekere gedorende slinger- 
plant. 

«Miuivil|^ (f), • angratjapit, B. Z. 4, 14 

(Iwir nartakinya, ngripit). 

9G|]Gu»i|y gidè kètjëpwak, een komische 

figuur, bediende v. RftwaAa of g. tjauduug; 

mèn kët]ëpwak| mèn kopok^ an. 

laMu «9i|^, zekere boom met geele bloem* 

pjes, pusëran tabwaui maar de bladeren 

minder breed; jav. t r n t u pf ; z. k i nj u k^; 

bagno kaQlplak. 



o 



9sit?iitAJiru|^, sas., kapëljit. 

9QiMia|^, jav., R. Z. 15, 8 Z. 96,2 (tan- 
patèdja^ maLenpgadj. knsam; bat. hnsóm), 
«tistis, «mrëm, W. Z. 25, 3, R. 21 Z. 3, 
5 (surëm), aanh. onder wèdhaka; mako- 
^ëm, B. Z. 87, 12 (nistèdja); akatjëm, 
Lamb. Z. 11, 7 (nisprabha), aanh. onder 
sphüta, Ar. 69, 1, Wrs. 10 ^vgl. utjëm en 
wrëm); kotjëm, R. 4 Z. 1, 96, v. d. maan 
(iiawnës, atjum). 

ïSüMiO'EJiK , klofltjing?, de hoornen zit 
vol rupsen, waarvan de pop genuttigd wordt; 
2s de kë dong dong nog geen vruchten dra- 
gende ; mëjèh katjëmtjëm v. een wonde, waar- 
uit roodachtig vocht komt; katjnt katjëmtjëm, 
de pop geel en bij elkaftr zittende, gebraden 
gegeten; z. manggut. 

99|Miuru|^, jata sapangmnfonira (de 
ongunstige verklaring van sQn droom) , anaiigfs 
sambi ngutjamil, Uqlok ndfarira ngnfjap, 
Jsp., b., 187 (Jsp., j., 89, sapamijarsa- 
ning wong ika, anangis mapgké sarja 
ngling, angliqokën jsp. mangko). 

96«Mia^^, zeker stinkend torretje, zicl^ 
bij boomen ophoudende. 

^^rl^' verbastering v. kuiumba (vgl^ 

* jav. k u t j u mb i) ; ka^Jmnbawargfai L. Z, 

8, 7 (kadang w.). 

MiQ9^, jav., K. A. ëmbutan, B. Z 

81, 41 (këtjai; mal., lamp.). 
gsnp^nu^, z. onder katjak. 

3S11 Ml n] ^ , afvallen v. d. wonde v. e. pleialet 
i*kawapgsul, uitvallen v. e. woord bij ' 



flSH 



10^ 



55 



\ 



1SII0I 



afKhrijveD; êterven als men tot een meerdere 
ipredit oit nederigheid van zijii eigen familie 
geiegd (Tgl. ilaAg};i|g«4agangiebs/a/éNi va/Zen 
b. ▼• een gestolen kleedingstuk, iets laten vallen 
b Y. onder 't loopen ; ké^lagaqga né Ikatuiil 
vpaarden, «katiqggal ivg lagi^ kèt|ar*an 
üaah, Weggeworpen stukken lood. 
riA, z. onder 8fltjëg. 

ia nil ^ . néké^lr mènèk, mékëtiig tafln; 
to«r 4éBèk baftiUa (t a è u dj e n Ö k m a)nongo8 
ké4«rké4if (b;. ketjabketj«b) mingsar- 
■i^pv siqg iQalan^alaiiqJa (m'a)i«:loJah 
f. iemand, die een ragebondisch leven leidt, 
Bogk. Z. 1, 3. 

a'^wonj^, kétjos (vgL ëfltjog of aft. 
4 o 5), aakmof, kèt|og*y hinken op een van 
beide beenen (vgL ëfidjok); i^fétiogin, tegen 
f i« ofêffrimgem^ op iets, een paard b. v. springen, 
fftr een djiiqgctjiqgan springen; tjoganga 
"f ké4«gmpga ban sakatna, kè^ogaiv saksi, 
iémpakan s., z. ketjwag. 

-a*^Mo|^, ». onder katjak, vgl. ka- 

nsn^^Ajonj^, z. onder kotjoh. 

«a ^ g ^ \ , ^Sf4Ufli^f afgebroken, hortend 
^ d. gang, eeo gesprek enz. 

sj'^M^^^nl^.paka^lèrtèg, «kaparapal 
«d. kèrtjèg. 

^^S!"l^' kèöartagkëtjlrtig, telkens 
it« ktmen drMelen, sloven en zwoegen. 

«i.»rl^, ^gë^affara^g, teleurgesteld opkij- 
sn ieouoi b. v. niet vindende^ dien men te 
iitt Beende te zullen vinden (vgl. tjëi^ag); 



sijap 4|aro na 4|aqggaran këmpid baiOBf dl 
méngwi, bU kado ogétlaffarangt babnl liaOi« 
minlngéh mnitff. 



a^MnK, z. onder kë^ig. 






ri9^, makëtfëbnhaii v. d. gang v. 
iemand, die zich afgesloofd heeft « ilëb\ 

9^ AA ri 9 ^ , mëkëtjnbahan, verspreid v. wa- 
ter hier en daar op een balé, v. woorden 
(m ë tj a h tj u h) I v. spog, v. iematad, die overal 
neer spawt, v. iemand die overal spuwt ma- 
këtjuhtjuhan, vgl. gandola. 

^^onjv pëkë^nb^nby van velen een 
voor een te voorschijn komen. 

^ ^ ^ ^ , ngëQëbir v. d. lippen of H ge- 
laat; z. onder bengal en vgl. fidopgsor; 
ngatjabërëng en pgatëbërai^, dikker worden 
v. d. lippen, ook van die v. d. eunnoa. 

^iGnj^^, ngëtjébwah, wijd gespreid v. 
bloemen als de supgèi^é; vgl. pgëdjëbah^ 

pëkëtjèngi. 

96i«j|fii^, sas., kubapg^ 

«flwfï^, jav. («kutjabuog), datara 
al ba enz. (sund. katjubupg; afb. Rnmph. 
II pi. 87 Og. 1 en 3); tiawan kët}abang, 
groote soort v. tjawan (ulër këtjabupg, 
Bjw., alëd tjitjing of bidjal, jav. u. ki- 
kët); pawaking gadaqg kat|nboBg, aanh. 
onder upas; mirah këtjabang, de donkerkleu- 
rige soort (vgl. onder dalima en tjampaka). 

OPJi^, jav. B. Z. 43, 21 (atak), een niet 
geheel algemeene benaming v. peulvruchten, 
die rond en min of meer langwerpig zijn 



w\ 



U 



\ 



teg^enoT. këkara; soorten z. lèntor enz. 
(ondis en kornak b. ▼. nemen nooit ka- 
tjang vóór zich, vgl. onder këdia); g\ém* 
katjang: oaglh tnni^gaaii, fig. van iemand, die 
verlangt gespaard te worden en gezegd, als 
men aan iemands kwaal niet gelooft; këmbang 
katjani^i jav., aan de gafidja y. e. kris; 
kaljaii|:t z. onder sélat bui^a; katjang*, 
z« atjanig^; fillr këkatjangan, zekere zeer 
kleine langwerpige zeevisch. 

2% katjaqg*, Smbr., tikt ik; katjaiyorèk, 
z. onder ijëpgkorèk; katjaog pawos of k. 
lawaï eigenn., z. onder sang. 

^M\« pink (lamp. këtjiq en kintjiq). 

«M^ L,^bawakr 

n., katjëtjëi^. 

nio)^, ickerpxuur: asem kë4iqg(vgl. kë- 
tjut); ook fig. nèsëné pada kë^taif, Dd. Z. 
1, 7; dagang badjang këd|ltlii mèngas fiiyë- 
ngtsaDg, sëpët manjlné ké^lng, né 4}Mina 
kènkènan twah pongahé manolangy djowari 
bagiu di ati, 1 botoh rara, këdèk laflt 
iVëntntln, Tj. b. Z. 1, 38; baU këQtiv, ka- 
liasëm, Wgs. 

« o^ ^ , losgeraakt^ vallm uit zijn verband 
b. V. V. H heft v. e. mes, uitvallen v. e. tand 
v. e. bejaarden persoon, v. e. nagel, v. e. 
pleister, die afvalt; vgl. këtjag, afts en 
u 1 u ng. 

«M)\, z. onder tjiting. 



o^ 



«M^ I., z. onder tjakra. 
n., jav. of mal. mèjong, Tjt; katjing, 
War. fn 



•:^isii*jpji^, Bjw., pèk4s. 

ntsnpJi^ L, zekere wilde ab i-soort (afb. 
Ramph. V pi. 162; z. onder plëting), laU 
nbl koUiqg kinëduk of wnijjanlng a. k; 
«patjakingkuk ipg bakikukl 

I 

n., nm. V. e. zeevisch als de mëngida, 
maar geschubd en kleiner dan de b i n a s (Bjw. 
bëkotjing). 

I 

III., z. kutjing n. 

9ai0ArDnnO9^ (?), ngëtjongoh, qëng(h 

ngotr 

« Mn ^ of k ë s i ng a r bij velen onbekend 

en slechts bij sommigen als ingrediënt v. d 

bëborèh in gebruik, zijnde kaneel in bast 

staafjes bij de tjëraki (jav. këningar, mail 

këtjii^al, bis. kuningag, tag. kalingag 

z. Blanco, bl. 520, 't Wdb. m al a kali 

ngag, een boom, die veel v. d. kaneelbooi 

heeft; vgl. kajumanis praü); z. ni^ 

ngarii. 

9SlM)r1^9 z. katinglar. 

^e\. 

9sn^, knmë'ry z. onder kë'rpuh. 

9b ^ , herhaald (k u r I k u r 1 ) om kipp^ 

te roepen (jav. en mal. id., iloc. k o r k o r, bl 

hurho en hurro, mak. kuruq, tag. k 

rók); z. kura. 

ntsn^, z. onder kwar en wèni. 

9si7)\ I., kara*9 «tèdja (z. onder kata 
akarakarft, asamar^ Kr., dumilah, ^ 
Z. 14, 7 (vgh «jav. mangkara*). W. 
SS, 1 (Iwih tèdja). Z. 16, 6. Z. 23, 
M«kftrft, Anj. Z. ii. 3; H. Z. 35, 1. bil 
roDftlun*! z. onder a&da wBsi; tan ka 



w> 



K5 



»i\ 



B.Z. S7, 4 (tar bosën), ald. 7 (lar mari), 
auh. ooder aÈiabrata, waar 't tegenov. 
lanèh gebezigd wordt eo das één keer moet 
beldekeoen (hier kb ara, scherp, te lezen ff), 
B. Z. S8, SO, 134 (tan banget). 87, reg. 11 
;tao karkhaf a), ▼. riris» Sut. Z. KI, 5 
tao adres), Hw. Z. 10. 15; tan karaflfhi- 
lakinak, B. Z. 113, 3 (nora kari maka- 
iMVfin); latl kuDCi||ar tlür slnèsèpan pa- 
■ématrt wa^l&n karftqgaDt hati» B. Z. 27, 
S ;aSk ikapg osta tan mari kasëpsëp 
ban danèué pgubda untu anatoni 

oaoah, lambé sutè^a srinig k. kaki- 

ritaog ida dèning gigi karasa natoni 

yitia); lagJAgifwao tugan $rt narapatl 

tiMniB tao karftngan tuiintiui, Kk. Z. 36, 

I ; taa kara, B. Z. 27, 5 (tar kèi^gab), ald.8 

'aomari); akwèk parwwakatkAttrAinJa sa- 
ktaèig swarffèDütJap tan kara, Kk. Z. 19, 1. 

II. kékara, peulvruchten, die plat en kort 
zfjo tegenov. k a tj a pg (luaL) ; heeft veel v. d. 
Umak (vgl. mak. kara^}, in een blabad, 
^il ooder k o m a k ; aman kakarané v. slecbt 
ichrifl; z. katumbab; kara mo^aqg (b.: 
UramaBtjan), Djt. 17. 

^, om. T. e. gebakje (^adja) in den vorm 
^ e. boon of een half maantje, by Mobam. 
i> gebruik. 

IIL, s. (kb ara), eigenn. v, d. tweeden man 
^ Carpanakbft, Utt. 50 (z. kalakija), 
^jongereo broer v. RftwaAa. R. 3 Z. 1, 
^; S2 Z. 1, 3; z. düdana; i^, eigenn. v. e. 
Uiiya, aanb. onder mAka en ^akunL 

IV., 8^ vmger, Br, Z. 23, 7 (vgl. onder 



bftma); karani loms maqgaïitjaii, fr. (vgL 
onder gaütjan); karaputasamJofa, z. onder 
lupgajan; kararftkkA, z. onder djaridji 
en bbftnu, waar hastakara in de bet. v. 
straal vertegenwoordigt. 

V., s. (khara), ezel, Aw., R. 7 Z. 11 d. 
(tjèlèi^). 

VI., s., ben. v. d. letters b. v. nkara, de 

P in de mantra; akara, B. 20 Z. 9, z. 

onder ^\ 

Vn. , plraigkara^ in pi. v. pirai^kala, dat 
274 voorkomt, T. Z. 4, 264. 

«71^ L, blijken anders te zijn dan men 

vermoedde, R. 5 Z. 1, 7 en 11 (waar b,: 

k ar ih leest), onderscheid f, H. Z. 38» 10; achter 

vraagw., Sm. Z.26/3(z. karib en karika); 

mapa karl, wal tocht, Wrs. 60 en 54; W. Z. 

28, 9; wnaflf kari, Z. 28, 9 (ndi kapan 
jog ja), R. 9 Z. 2, 21, 27 (dadi ké); sapn- 

nikft (iki), W. Z. 18^ 11 (waar Heen vraag 

aanduidt); Z. 34, 14; Z. 32, 2; namenilijk, 

Sm. Z. 28, 4; Kam. 18, 19; Adip.51, 94, 40, 

bis, 113, 118; mapa kari pagawajta (b.: 

pagawènta) rlvg dapgn, Wrs. 51; takarlB} 

is *t niet de vorst?, immers, R. 3 Z. 1, 68; 
6 Z. 1, 9; takarin mangkk paqgadèfianta , 

wat is nu uw gevoelen o/'faad/,Wir.31« vraag- 
woord ; tan harohara kari bja^g iDdrama^gko» 
is /. niet ongerust f, W. Z. 17, 10 (nora ké); 
kari twaSyZ. 15,8 (twara ké i dèwa pgërës 
kajnné), ald. 8; takarlna ma^gkanai is U 
niet zoo f, Wir. 65; takarin tjéngèlnlka, is 
U niet enz., R. 16 Z. 2, 1. 

IL, («kftri) of kan tan, jav., b. v. nu, 



\ 



86 



^\ 



wai iemand ackierlaai^ zijne weduwe b. v.; 
benam. t. tjzer afkomstig t. 't overschot ▼. e. 
ijzeren gereedschap» als b. ▼. een aut, volgens 
't geloof bizonder deugdzaam ; tltyang kar! 
ilgènkèn mitatas; sai^ kart, dedoordm doode 
nagelatenen ; lak karUa» vaarwell, T. Z. 5, 102 
(dini dja), ald. 112 (kari ugi i dèwa; W. 
AbijSsS bl. 28 en w. ed. Roorda bl. 332, 347, jav. 
R. 159; kantuna wukir, zegt Hanuman 
afiMbeid nemende v. d. sprekenden berg, Tgl. 
ald. 131, waar Nftrada afscheid neemt (vgl 
maiiqggal); de bijvoeging v. sëlamëta is 
V. lateren tijd» mad. leesb. 1876 bl. 61 reg. 6 
en vgl. mal. ti nggal lab; tinggal lab 

ëngkow karna akn htindak pulang, Pw. 
fr. 110, bat. lading; vgL kalabin onder en- 
den en onder iriki; jav. Amd. telkens kan- 
tuna mukti wibawa bij 't afscheid nemen, 
karija rahardja, k. rabaju; en k. basuki. 

Kt]. 68, 52, 65, moet van later datum zijn, even- 
zoo pariqg wilutiySng kantun dumatëng, 

fb. IV 237, suka w. kantun, ald. 211, qaosi 
w. kantun, ald. 229); kari 1 dèwa apang 
bétjlk, «kantuna warasa; sakarin atang 

danènéy naarmate v. 't bedrag v, zijn schuld; 

sakarên padëm, «fèsaniqg pëdjah; nora 
makarian, tanpafè&a; këkarèn, «turah; 

V. d. vrouw, waarop 't ngëtohang wordt toe- 
gepast, V. e. weduwe ; wwang annnwaDl tègal, 
ia, 4000, wwaflf amèt kajn sasandan, kajn- 
olqg akakarèn knnaiig, da, 4000, Wtb. 

9akr\\, 8., z. onder liman; kari wid 
(dwitf)» sinigha; karlkawl, kuii, umah- 
nipg liman. 



^^\ I.» z. onder aru ü. 

n., watu kam, z. onder kaa. 

QsiOTi^ I., akare, aanh. onder «tinduk. 

IL, «kirjja (met de bet. v. feesi); angaré, 
feestelijk in den echt verbinden; kang klotri 

alflkirabl, Wtb. 17; slra san karé lan anak- 

maml, zegt de vader v. 't meisje tot den man, 

die haar bevrijt» Tjt. 24; al^Jm klnarélawan 

sang pnspawatt, ald. 13; kawola kl]iarè(n|f) 

aqjar, pas getrouwde lieden f Tjatri 1 ft; si- 

nimgakén potri katlga (door de vorsten, die 

hem de 3 prinsessen hadden willen ontrukken) 

Ingalap dé sang prabbAta, binakta mantuk 

marèag gadfahwaja, Ingatorakén 1 dajita- 

nlra, ngaran sang si^odJanagandU , tusta 
manahlra lawan antënlra kAIlh ngaran tji- 

trAnggada tjltrasèna, mangkln ta thtarima- 
kaken sang ambt ring arl ngaran tjitrang- 
gada, sang ambillka slnnng rl sang tjltrasèna^ 
mangké sang amba karènën lawan san| 
bbtèma kftrsanlra, tnmnll sang anten kMil 

pada wlnarang dènlng wwang sakastina 
mangka sang amba warangën lawan san| 
bhtèma, anghing sang prabhftta tan al^nii 

Tjt. 42, («jav. maqgaré anjar en mangar 

rëpgga, mbajaqgkari vgl. jav. wdl 
onder bajapg), vgl. bajangkarjja; rabi 

karé, z. onder rabut; karé In wak, aanl 

onder këdëlé. I 

9Sinro^ (z. ró), de V^ maand (z. ond 
undis); saslli karo, «bhadrawada; mëkal 
raga, ongewapend, zonder kris of ander n 
pen; karo bëlah z. onder bëlah; ngaroo^ 
«ai^alib. 



> 



87 



)SI^ 



)9j^ I., T. d. oog» ▼. femand, die wegens 
droakeoschap ie niet open kan houden; ▼• 
itrijdendeo (ëën). 

ü., mal. naast këtèk en bëdès, R. m. 
vgl. sampé n. 

^W ^^nieger kërë'?, kura II; akërë 
tegeooT. lëmu (jaT. këra), T. b. Z. 4, 86 (Z. 
4, 59, korwakiilg). 

^\t jav., gidib, ▼. e. paard, dat zich niet 

lul bettygen, f. iemand, die gekitteld wordt, 
V. i, band ▼. iemand, die een ander den hab 
wil aCmtJdeo (Tgl. mal. gëri; z. gri), Krts. 
17. Y. d. goden uit vreesf. Ar. Pr. Z. 16, 2; 
•akri, R. U Z. 18. 2 (kadjidjitan. wëdi); 
Uri ikl (b.: siki) teqganko arëp araë* 
rtaft t6A4asBii| Ww. Z. 2, 17; akëri si 
taasiakv, Mal. Z. K. 

>a|\. sas.» pawëk (mal. kërnh, sund. 

Urah, Tgl. pulu), ook këruqf 
7^.^» ]>▼•» «kawatja, ook kraj, Sut. Z. 

l!l, 9; badja kéré, hanuu, «rasuk; ga- 

QKtakrAyGj. pëpgadwan; makré, «kina- 

wa^an. 

S*, 'I ritst, waarmee sommige lieden geheel 

^«hald, geboren worden (z. tuluban). 
1971^, Um^ Sm. Z. 29, 2 (papgupaja), 

W. Z. 20, S (najopaja, upaja, indradjala); 

R. 9 Z. 3, 5; Kam. 17 fr, 22 b; kiraV^ 

ta kaatma, R. 2 Z. 1, 10 (papgrasana 

.1 Bora pasab, pada makiré nora kari 

^amab); makiré miiièng botrawi, ▼. zekere 

v<iRb, He rwieftea belagen Z. 4, 43; aktra*, 

^ Z. 80, 2S (iiglèbapg opaja, manmanen); 

kniraUra» aanb. onder pisanipgü; nakan 



pakiramaral Jan pamaqgan (rt narèndra, zoo 
leg ik *t aam, als ik bij den vorst eei,T. h. 
Z. 4, 61 (vgl. onder dèrjja); palüra*, aanb. 
onder darjja. 

9sin^, Bbg., mëmëri;padaniyarahinma- 
ngë*4|ok (b.: maigambak) iQaran bèbèk 
kiri lan (b.: sahas&i^ubër} sampl, Rkd. 

9a o 71 \ I., (een jav. bds. karé), W.Z. 3,8 

(kilailg, madu). 

IL, akire, W. Z. 28. 4 (madabdaban); 
makiré, b.T. makikèn of igatyapg, («adan) 
Kam.*18, 19; Br. Z. 48, 4 (magawé), Sut. 
Z. 9B, 14; kiniré, Br. Z. 21,6 (katjadai^ai^, 
kakarjanapg); kiniré ingsim, «kin in* 
k i n k u ; kirènén ri kapé^abanya, T. Z. K, 
24 (pggawènaog raapgdé matinjané); 
ngirèangi «madandan. 

III., bbg. , lëluür (mal. tirej). 

9sin^ I., herhaald (kural kural) om 
kippen te roepen, Sbr. kurrab; z. kur. 

II., (?) «galagab; lodot wok nanahën 
kas&mpir i pagëmya knra* ga4ang* djanor, 
op een kerkhof, Sut. Z. 91, 6 (pandjapg ilaiig 
nu wilis busuognya); saha kémbangiiig 
kora*9 6b. Z. 29, 2 ; kadi ta Ja kura pawwat 
Iwimikang singka dènya, R. 11 Z. 4, 16 
(Iwir punika pgaba padapg polab ikaog 
kèsari olih ika, sawapgapga punika 
ëbun aturapga tiiigkab ikapgsipga 
baftna; vgl. anakura); «kanènf kora*, B. 
Z. 81, 2 (uli oguni); sa^rt sakëmbang 
alaogé' sakAra sawidjii, Sm. Z. 16, 4; Z.BO, 
2; 1 korapradèfa, eigenn., B. Z. 39» 26. 



991^ 



58 



«^ 



III., z. onder kuwa. 

IV., z. onder kuda. 

«jyj^ I,, afgemat, zeer vermoeid, b. v. ten 

gevolge ?. e. reis of een wond, v. d. blik bij 

zekere ziekte, ën d u k ^ aanh. onder ë n t u k , 

ilëpg en angsur. 

«IL, jav. (*kurü), makarA, R. 7 Z. 

K, 14 (brag); Jap wan mang^ké kramani- 

kaïq* wwanip hana Ja wwangr akaro daridra, 

fë^Df iraog, tarwrah ri sang^nanya, Ja ta hl- 
nilaiig:akënya lapftnya» wluèhnya maojana, 

ikanf ^wwang: mangkana, Ja Ika tanpapadan 
hana \i^ rftt, manfké dlftha tnwl, tut. 29, 

(vert. V. krëdftja hrimaté tftta, wrëtti- 
ksiA&ja sidaté apahany&t këudhèm 
jastu na tèna purusah samah vgl.Anu- 
(ananaparwwa 3013); z. onder kërë en 
krëf a. 

III., 8., Br. Z. 11, 6 (astinakuran&lha); 
komksètra, Adip. 8, 199; karawarsa, Brb. 
s= attarakam v. Bb., alwaar 11 wènikang^ 
iQanibawrëkèa (v. d. sudar^ana) tibft, 
Ja ta tëmahan Iwah ag^ë'nf kamalillngri ma- 
hftmèru, mapradakèina Iwlrnya, tamampah 
rjjattarakaniy Ja ta matanipiyan ikang wwang 
rinf karudèfa tan kënènf lapft wëlkang:, tan 

kënèng: djahünarana sad&kftla ftpan nityaso- 

miunm lka(ng) hilinikang^djambnphala; knrn- 

patl, Br. Z. 12, 10 (sang gandarèja, 

sang astiAëndra); knrabala v. Suta- 

soma's leger. Sut. Z. 132, 4 (wadwa 

astina); nttaraknrn, z. kuruwarsa. 

IV., knrn*, Bbg., nm. v. e. sier. 
9Q|3[i\, z. onder kuru II. 



^9Sin^, ja?., naast kèrija, wuta siaih, 
z« onder kèdér. 

o QSïi 71 ^ , jav. (denkelijk v. i r i, zoodat 't 

de gehate eigentlijk beteekent, in 't mak. nog 
kaéri; z. wirangan en bij kiwa)» de lin- 
kerhand (vgl. mal. kiri, men. kiri, jav. ook 
kering); Sut. Z. 143, l; W.Z.25, 1 (kiwa); ^ 
vgl. kéé. 

n 9^071^ I., kékéré, sas., gëbang; kèni; 
(b.: kèn) kèijjftnananandnknt mrak, Sut. Z. 
90, 4 (kiwa tëngën kaftdan d.). ' 

IL, ngfèré, linksch zijn, de linkerband in 
pi. V. d. reeb ter gebruiken; vgl. kéé; Djp. en ^ 
zijn oudere broer reeds afscbeid genomen heb- '^ 
bende v. bagawan Subra, pamari^inè sada ''^ 
aris, tang^këdjnt kt g^agak tnras, ng^tonang: rak- ^ ' 
sasa mtfngkin, aèngnjané tan sinipiy barëngr '^^ 
patpat mapnndnhy figi angap tIaUnf rènpg^ah, ^^ 
mnrliigès matané ngëndih, bok barak kitjëng'^ 
(gintjëng) kalih mabrèng^an „wèntën kadi ^i 
djëmpong tiga, ana kadi djëmpong kanQlr,'i^ 
sami msmdjërit mangërak, ki g. t manggrilgil, <m, 
këdja lakn adi djani, baja ganti djani niampns,^ 
ki dj. t. angnt|ap, sampan bëli walang: atV^n 
niki sampan, njama gat! makapatpat „sangdti 
djogor manik ngrak angat|ap, atma parav«i»i 
takot (tëka) mal, dèn agè warahën ing^ong^ 
ndl sastra ginawa ngnni, sarat log kapalr% 
nèkly miwah sabaja (?) ika, tityang bojfta 
atma bil, djadma tafi mala bëli sanak Ü^ tj 
tyang „sang saratma mangëdèkang, èèh^ n 
tjëkap gati, aiq:aka sanak iringong ; parantf >i ] 
asanak adi, warahën dèn ingong djanti Jaj^lj. 



«> 



59 



t6l^ 



én tÊM buê (b«neh) wérih, <ak fttlk 

klMBia kite, tonaé aiMftko tawih, éadi 

mtk daü ktta Bfaka q|uui „kl dj. t 

MvatNVf Uaétmk MM lé maiiffclii, d«k ki- 

■a ri AJraslBf carba, titjiag: baréiif a^tlftk 

béU, MMua b«Uii« né rngmml, IMoibana abra 

Ika, I M|jM I kèkètè(ii), sampm gamipala 

■iiJU tar migCMos araa bèMaé Maki^taag 

J salalr i éjalair, 1 nokalr I makatr, nanaa 

kéltoé paMka, smiNia tttyaaf pada kUb, 

■ayiataa araa bill, mandadi dètya pMika, 

uff^patl nradjapalya banaspatl Ika malih, 

pttpat natpaa lawan bantspati radja „nè 

■aafkla nagéatos aran, ijogor maiiik araa 

kéU, saaf aoratma dorakala, mahakala araa 

Mlf agvtfa saagfkaa bCIl lall, mai(|a(ma)kèu 

tttjaar taadrah, saof djo^r m. ni:èdèkaBf 

Aib* sa4Ja adl, sang: saratma èèh* twi sadja 

jaaatr si (s a 19) dorakala, llb* sadJa adl, 

scaiallr aaaf mahakala, lih* sadfa adi, 1 djof or 

■. UBfayaris, apa fawèa ^ai raflh, kl dja- 

patvaB aafatjap, doaiiif tityang: rafih aiat, 

TitjtBf latjar Ipah bllné was pdjab „kot|ap 
irflU iBf swarfan, kèn^a Ihg^ng kotjap 

■aagfcia, aatak Ma saiif hjaag: ladra, ba* 

t«a siwa agirarabln, kallb lda(iir)lafraia 

«aiff, kanalaf tftyaaf raflh, kl djog^or m. 
ttfaijap, sadJa pjanaa bèll nai^ anfiap sant- 

MB tjal dia Bfoijof ] kèaui „mawaafpan) 

^imé BUidaa tjai, maaiaadas rl nia(pali) 
qaka lirte, ndèaajaar (f) lètahé djaal, 

a aa malaa ^al, bil afatèh tJai 

U 4. t; aafutlap» larrlli tltyaaf 

«irtBf bU| tar lamaka kl g- t. djirib pisaa 



„kl 4* t aqfa^ap, n^ada bil sa^fkaa 4<- 
rib, aaaas ké bil naaiarfaf tnnii rarta 
kiaantl, saaipaa bSU aalit taaqili apaa lU 
saaafc tahai iampaa biU aaaiaadèja, tanall 
raria (ma)maivl) saaipaa rawah ring bè4i 
pai^Jakatlrta „toJaaiUaaè maatJawarAa, taja 
paf aranèkt, wètan ptak klilp(l) abaair, kaloa 
kanlQir 'lor ahinf , rinf tngük aiaiiQtwamèkiy 
kl ^ofor maalk amnwas, rüv kldal damaa 
asa^ya, rarls ^or kamaajra (?) mallh, aiarlaiir 
wètan pamupat kaloo sapisan ,,bll tèiQaBl 
raatlDfi^l, ajanaa ada mamapagia, mènèa 
^al lan 1 bapa, dlnl agaatl apang b^Jlk, 
saml pada maalqgfaltai, pamarglaé taa ka- 
dalo, kl 4|. t. aiqra^ap, nanas ké béll na- 
sat|l, tatat sira f. t. asa^ya nriV bléol 
rl(hl)n asatiya, npibar wamaaajaaé Mual, 

ki g. t an^ti^Pt urn'* ^^^^ &'> ^% nuls 
marln; lor asalil, IrSap warAaaaJaaé Ika, 
rarls mallh katm^ah, maitJawarAa naktta- 
lih, rarls kanirin, patlh njamplan; makadadwa 
„pamapnté marlnf knlwaa, patlh gadluf 
makCkalih, kadi ènas siaaiqrllqsaB, falang 
tkènf dfroalng: all kl g. t. Uaguyarts, dè* 

alag: bil Itotanir taa wrah, dfa^at bfill ma* 

aakoaanir, M^a béHaé tan alpl, baka(h) 

sërah tkëd dl dJ«roBl]«r maaah „kl dJ. t 
anpatjap, tttyaur mldartala béll, pnalka 

aé kldal Ika, batara brahaui madriwèalo, 
pa^flakaté mwat mawlt, salahé aaumdaBf 
maada^r, salwlr laksaaa ala, aè kaloa Ja 
gal kaaliv, paaglakataa Ida saag bja«g 
Buihadèwa ,Jta ada wong salit krama^sané 
gaaiJa taaa (O aal, alpaka garl(ra) bibja, 



9^^ 



60 



'm\ 



kallh ftngfkara ring laki, sané wsar kolon kabèh, baba lambana mawak anffapati, 



nml, kalttkat baa toja ika malih, né né lor 

panlka, drëwèn ida san; hjaif aii, gnl iring 

panipliikat wung^ nëluh ni^èjak „saDèné aklra 

ala, djadma rabiniiig: arabi, maro ^ tikè- 

nlng: lakja, lakat dèRtngr toJa Iki, né wètan 
ponlka malih, ^1 ptak aranlpan, drëwèn 

Ida bjanir i(?wara, panirlnkat wonjr adwa sa- 
mi, bobad mallk tan niari adwa ilng adjar 

„malth né ring tnpth ika, gn^ mantjawarna 
nèki, dréwèn ida sang: l^f^og siwa, pang-lnkat 

womr sasar STi(ns), kagènda ring pitrë wad* 

dhi(wJBdbi?), aahananim: sakit lëbar, Inkat 

dèaiiv toja ika, samalapapaaé saml» g^ëséor 
raMpang samalapapané klèsang^, Djp.; iti 

kanda mpat, kawrahakna, Iwirnya, baba laoi- 

bana, baba agjan, baba kékéré, baba abra, 

tka sanakta dak la|:i rinip djro wtënf , awakta 

taiun son i (f) mandjéti, atangi^alan pang^aQi 

amampm lamatiqr wata amrëta titising: 

kon4i mwiik, g^ép sapolah widan, sarëng 

mta sanakta kabèh^ baba lambana, baba 

abra, awakta baba agjan, baba kékéré, angèr 

taha rlQgr lëmah, ajah* kinasyan déné sanakta 

kabèk, watt lomakn awakta anambat bapèbn, 

lali sira asanak, sanakta lali rlnf sira, lang;a 

amaradè^a, baba lambana angfètan, baba 

abra ang^dal, baba agjan a^gfalor, baba ka- 

kérè anfttlon, angel dènya langa, aprabèda 

aran aprabèda rnpa, raatmahan dètya, aran 

AiifffAPAti pradjapati banaspati banaspati 

radja, awakta aran totor nièng:ët, ikA aml- 

syani tan pgat, jan ta èllng asanak, dafitén 

sanakta kabèk, paidjing:akna kabèh, ispén 



amarga ring tjangkëm, tras ing pnpasiili, 
baba abra amawak mradjapati, amarga ring 
tinghal, tros riiig fuvèn*, baba ogfan ama- 
wak banaspati, amarga rinf iisng, tras ring 

amprn, baba kékéré, amawak banaspati 
ra^a, amarga ring karila» tros ring nag- 
aan , jaaja os angisèp sanakta , dadntèn 
wiQèsanya, apan Ikft wra(h)paraoing aparan, 

pan bana kang amréta, janja lara awakta, 
ikft sanakta wtwakna kabèh, pat magawé «Ja, 
Oga., hajwanglaraol awakta, wèbana mréta 
sawaug*, ikang mrëta amèt ripg windn riag 

rahasyamaka (réöyamükaf), swaraning 
angamèt mrëta, alnuggwa riag ba& tngën, 

ring bafl kiwa ring lalata, ring alan pang- 

kupg, swara ika kabèh, palanya. nirwigna, 

jan ring panon sanakta ring kanan ring kèri, 

riug arëp ring pnngkar, wèhana mrëta, pala- 

nya doh satrn^ tlas (z. Yervolg onder banëb). 

'^QQOTi^ I,, Jav., h. V. djlanan (Bbg. in 

pi. V. djëlanan, dat er niet in gebruik is; 

z. lawang), «gupura, fflawaog, gogrëha(?), 

guhwara; gelang kori, z. onder gëlupg; 

lobang kori (ook golubapg k.)^ eigenn. v. d. 

beldin v. e. naar baar genaamde kiduii^; 

tégëh.kori, nm. v. e. zeevisch-soorten van 

een soort v. prabali's, waarvan ia K. A. ; 

sakori dèwa, njakori dèwiAng* iemand boven 

zijn katie stellen^ een hem niet toekomende 

eer geven (spreekw.); kinorjjan manik pad* 

maraga, B. Z. 1, 9 (linawangan manik 

tundjang baiig« makori m. p., korinya 

m. bang). 



«*^ 



6i 



«\ 



IL en kari, g. onder uri; toj« korif 

eigeoD. ▼. 6. pbals? z. onder pengi. 

^i6o^7)\ I., jaT. (nm. ▼. e. pi. in 't Bima- 

oeciche); btaa korét ben* ▼• bimaDeesohe 

paarden, aanb. onder anda wisi(anitih 

lurli^gl koré ▼. e. bruidi^om, Aamp. 68). 

II , wang koré*9 z. onder woog. 
niQonr:)^ I., z. onder kolo UI. 

n., aaUt lapA koro, Kid. War. 

iGin^^ l., «jav. (gëlapg; men. en dairi, 

bat éeaillê de toriu»^ 'tgeen malag. en bat. 

hara en in *t tag. kala is), katitb&« 

bhftraAa» Br. Z. 23, 2 (sisimpiog, simsim; 

jaT. vert* piiggil padaka); karah kalong, 

Br. Z. 44. 10 (aliS mai^Ié wldjaja tali 

lébèr), L Z. 19, It (sampët). 

IL, benaming ▼. e. roode tj a p u pg-zoort ; 
•ok ▼• e. sapnt ▼. bizonder patroon, aanb. 
onder r i dj a ng (lamp. band v. goud of k u* 
niqgan onder H gevest ▼. e. lans of kris). 

ici7)^\ L, in een vraag (z. kar i); tan 
wr«h tka fatninta karili(b.: kari). weeige 
dm miei dat de v^amd aanrukt^ R. 21 Z. 2, 1, 
«Adip. 81, 84, 60; R. 4 Z. 1, 86, 8 Z. 7, 10; 
Bb. 24, 180; (bis.); kakarih, miii, R. 7 Z. 
19, 2; attta sang wiraha karih nirosadha, 
16 Z. 3, 4; pira kaHk, (b.: kunapg), Wir. 8; 
■dya karih pnja idana sanghalnn, T. Z. 5, 99 ; 
kaaAta kirtli wnmg mahAporasa ngfcé ring 
iaka, wtamg «ffsktya napaga iJDiijJa wrë- 
kaikaiAa wUUmg kradha, Bb. 26 (vert v. 
na bi so aaté pnmAl loké jab sai^ krnd« 
dkaiii wrékodbaraiii drasinm atyugra- 
karnmAAam wiaabètn narariabbaiü). 



n. , aaggar Ilmané saklt, aiakarahkarlhaa» 

bij bield zijn band van pQn in de boogte waarin 

een bukal bad gebeten (daflb daflb), Tj. b. 

Z. 1. 

^>i^\ I., in pL V. kawrub; taa Jagja 

gawèuéa mitra karah v. e. ontucbtige, Tjt. 9 ; 

kèkarnh, «rabi; mèkékarnhi b. v. m8- 

mitra; overspel bedrijven; iLiaarahakiny aanb. 

onder waraiig; alsip ngakarnkng brAhmaAa, 

sieA schuldig maken door lieh mei een brahm. 

vnmw af te geven; angaagarahang rablalng 

wong of somahèi Paswara. 

IL, z. onder kauh en vgl. darub. 
QsioTO^^, baknwih bakarohi sas., glar 

glur; agaroh agrak v. geween, aanb. onder 

paribasaq; mallg dl djro para sami na« 

nangis mafirahan ada mamantlgaag awak 

ada magajang mangarah ada aagih maaga- 

mak ada masasambatan mangliag mnaji- 

ajané agatjapang kaswèljaa saag prabka 

mamafi<Uftkang tltyang nlata tanpagaaa ma« 

slh kapah* aJlUb tityaag kapaagandlkajaag 

dl pamrèmaa - aagan auuaètèkla aaagkéa 

swètja maler kasambilaag aagaa kagarap 

kèwala, ada èlte masattt apang tityaag galag 

doag wjaktl tltyang taèa kasèagaa, kapa- 

mrèmaa aglafit, baa ra&h dl pamrèmaa nga« 

sapasap, tjokor sang prabha agl^aala tityaag 

pangl8(la)gan maaah, bij den dood van Pa-* 

rikiit, Kid. Adip. Z. 1. 

99) ^\ I., jav., mèrah, aanvallen van een 

dier een ander ; takat kérahai deze kat vreesi 
door de andere bestreden te warden; makirahf 
vechten als katten of bonden, «matukar (Bjw, 



^\ 



é^ 



^\ 



krah v. paarden, gorapg van honden); z. 
tëgéh, mëgërëngan. 

II., akrah, «akwèb, T. Z. 2, 1; tankrah, 
R. 7 Z. 4, 2 en 17 (nora këh) vragend, 
9 Z. 2, 19 (ging ké katah), 20 Z. 18, 5, 
7 Z. 19, 5; sakrah, «sakwèli, «sa ha na; 
sakrahnya, «kabëb, (vgl. 't mal. onder arab). 

isin^^, akirih, angisis of angirisT (Kr.); 
pèkAwrftlaradan gël&na maklrfli tanora ma<- 
malës, Hr. Z. 46, 5 ; jatnAnflès Iwlr kangèlan 
tinitihan aklrlh mëng^fëp kapalajü, ald. Z. 
35, 15; kèügrër dèniii|( kakftkirfh v. e. eigent- 
lijk plan werd hy afgebracht, doordat zijn 
broeder geene andere strijders bad of ais H 
ware verlaten was, R. m.; tan pantës katon 
aklrlh, van een vorst, die zijn verleden niet 
mag verzaken, ald.; marad akirih, Br. Z. 18^ 
5 (tlas lilib); npakirih, Sm. Z. 81, 7 
(dj rib); makirili makanda ja, «mundur 
adan ta ja; kang^lihan panangr bala lawan 
sana aklrlh angëb sorln; tarn molad lidahnya 
nètning panas tèdjaniuir rawl, Md.; vgl. 
k i r i g. 

^^^\f jav., anjawoknjavak toja akarah 
wadjAraradln, R. L.Z. 11,226 (mad. ngoraë, 
omspoelen); mëkëknrah, vro. =s mëkèkëmub 
(vgl. ook jav. gurab, sund. gugurah, bat 

sirukub), 

IL, karrah, z. kura I. 
9Si^n, BJw., sabët 

9Gi7j<j^, z. onder wrah. 

n«iir]9^, ook als b. v. oön gebezigd; afge- 
fnat als een gewonde haan; fadk Ja pala 



mail^ëltnf (ma)ngëMt i lajoii sëkar, g^adak 
njmg pada kèrnh, L. sari; wn^'kèmh pa- 
danirlih tan kèna tanpakanin, malah karing^ët 
kamrotos, van die zich bij 't sehieten met den 
boog te vergeefs afsloven, Djpur. aanh. onder 
gaftl (vgl. iroq). 

gsauv^, jav., z. onder bakatalak; krat 
l&nd&, z. onder bilungka. 

gs«yiuTi3^\, pakarank'^ V. geween. Dj. Pr. 
20; wong gègèr pa4a pakraOk, Dd. S; pa- 
krattk ja pa^Jërlt, ^arattiarat ada ja mara- 
jahan v. përmadé's, Swg. 22, vgl. kaük 
en kr&ik. 

«ij^ui«i|^, naast kramak. 

Qsnnuii^^ (t), sakarahlta s. (sabaki- 
ritft), sèkapraja (vgl. onder èka), P. S., 
(sakrabita, satjumbana,'[8aharia, sakèka, 
èka tjipta, tupggal karëpé, Tjt. 23), 
aanb. onder birab. 

Qeiui^\, Tjt. 223, naast sftrathi, pra- 
tjoda, kamrëdapggan, zoodat bet een kof- 
beambte schijnt te beteekenen, z. onder kat ik. 

gsjri'^ui^gsll^, jav., z. onder kurési. 

ouioj^, pëkranm van bonden b. v. aan- 
houdend blaffen; vgl. kraüng. 

QQinui^, z. onder kraipg. 

^Ot\ 1., «karahang, ^nvrnchÜMUir we* 
gens gebrek aan water; fvttta kanUuuif tè- 
kmg Tkt ri tan bant bhttdrl faigfA timg 
bhuwana , Brbmd. 80, vgL onder k a w i en 
ra ba; moeielyk ie kragen van eetwaren, wm 
den grond niet rijk of vruchtbaar^ dor van den 



\ 



^\ 



6S 



^\ 






gronë; «fn&ka (hieryan kraiganf), i. gg. 
rat, giaaog^ lob, garjaog en korèd. 

•U.. Bjw., loba, kadu, ^'grbaka, jav. 
kiiaha. 

g^V P*»«ÜHf van jonge honden; z. 
kraQng en TgL mëgriingan. 

▼an honden als teeken van 



iemands naderenden dood ; van een jongen bond 
om lijn oioeder (i. kréing), van een bond 
om boiten te komen, dikwijls herhaald (vgL 
™'- é^!;)« ^8'- graüng en baOng. 

«J7^\» bog. of mak., een op Lombok als 
aametlo* Tan den opstand Tan Sak ra genaamd 
inlander van Gelebes. 

ayijoj^, jav. (verk. en uilspr. v. «kA- 
rafta). Was. Z. 6. 180, 189; karaning, naast 
dwaning; ook kraning, «hètunyan. 

86I719q|^, z. onder «kari. 

«an«)^ I.. hhasiftkaniii, B. Z. 37, 12 
(sadya wlaa, door aan karn ha te denken, 
dahaliiv bhagja door aan II te denken). 

ü^ saa. (ar. ^^j\i)f eigenn. t, e. rijkaard 
(in de Mahom. legende), wiens schatten door 
Pètaldjémnr gevonden werden, Am.; vgL 
ooder mërtja. 

30»)^^ Br. 17, 4, hh4gjikarmi aanmata 
ngi^pwaa, gelukkig doarf, B. Z. 57, 
2 (au tuk); kAru téké. SaL Z. 135, 11 (sa- 
rSog riiy); ktem lawan» B. Z. 91, 1 (ba- 
ré^g rii^, aaripg^), ald. 15 (tuttig); vgL 
karoiu 

181*^70»)^. of karun (i. ro en roro), 

«sadnlar, karan (tka i),tegel^k 



(met), Adip.67, 78; fnakanm, «apahjonan, 

• adular, makamwah, «manundaog, 

• masandipg, «sumaftdii^, «dampati; 
makaronan, «mai^flrwani. 

g«j^. jav., «tamapgan (mal. k6ran, 
tag. en bis. kalan); makrén, z. onder dusdus. 
7g^^» kreng (vgl. jav.). «darppa. 

'^V^\' jav. akurën, B. Z. 17,7 (mapaü- 
mahan); stri was aknrëu, «stri la- 
rangan; makarën, R. inl. 18 (mapaOma- 
ban); makarën*, 2 Z. 1, 59 (i^ëlii^aiig 
panamju, mapamilra, maogajahin); 
lëngiengniDg mangnrën la^gé' saha karas 
tanah ap^Jong a^okapidapa, Rm. Z. 4, 5, 
sih*nlng mangnrën lai«è' ri lë^rëngi]^ 
pasisi rl sèdënging pad|aiv wolan, ald. 4; 
makorënang, paknrënang, tot vrouw gegeven 
aan; kapaknrënang ring Ida ktat anom, tot 
vrouw geven aan % k. A.; pakorënli^ dèwa, 
• sadampati; paknrënan, «bhratarar 
karënan, een lid v. */ huisgezin en beleefder 
in pi. V. som ah; kodjong knrénan of k. 
manakan, een offerande best. uit 6 kodjoi^s 
in een blad geplaatst en ieder met iets gevuld 
als b. V. komak, nasi enz.; sapa ii^^ kono 
rare batur, kakiirè*nën patonta^roi^:, lan sira 
liuMBa samh, paréi«a laa kakorënaB, dèn- 
èqggal siugana matfaqg, Stn. b. b. b. Z. 1. 

"190071901^, saab; koran mékékarai^aB 
van Ceramsch maaksel; z. séran, gora en 
hora. 

«^31^^, s., Br. Z. 13, 5 (marga); 
karaiiay m. e., ald. 1 (m); lipg saof dyali 



^\ 



&i 



9^\ 



Inamahiina kftraAa hjmg ypAf Z. 15, 11 
(pgamarginiD malaku); tanpakftrana, 
R. 3 Z. 1, 63 (nora madadalan, twara 
QggSlah awanan, tan wèntén krana- 
nipun); 6 Z. 8» 2 (nora ana awanan, 
tanpadjalaran), vgl. onder sopana; ka* 
nmaiiya, «donanya; Uiatftra kftrana, (iwa, 
Uarcf. Z. B, 3; karana (m. c), Sm. Z. 22, 
2 en 19 (bh. (iwa, bh. ifwara), Sut. Z. 
23^ 1, terwijl vroeger Rudra en (langkara 
gebezigd wordt; k&ranajadjnja, «dh ar m ma- 
ju ddha; kAran^JadJnJa op 't slagveld, Ww. 
S. Z. 2, 41 en 43; winaraking kftranaja^lnjay 
Mal. Z. 3, 90, m.; makakarana lobhanya, 
/0fi gevolge van inhaligheid, T. b., Z. 4, 60; 
matangnyan; kinaranlng dètya enz,, Sut. 
Z. 1, 7. 

«I7j*^\, 8. Sut. Z. 143, 1 (wëlas); z. 

dajah« R. 7 Z. 3, 23 (kawëlasan, kapi- 
rolasan), Z. 22, 1 (kawlasan, ngëmu 
waspa); Nw. onder de dafa^ila en verkl. 
met ambèk manohara asih tanpakft- 
rafia; si gi'ng karana, aanh. onder jama, 
z. karuni. 

2«, jav., weenen, Tjt., R. sas. Z. 1 telkens, 
aanh. onder rèntjapg. 

9Si7|«^\, onder de da(a(ila en verkl. 
door tanpamatèni sarwa tumuwuh of 
asih ring sarwa pr&ni, vgL onder 
k a r u A a. 

tsnrj«^^,s., z. onder tan^is, geween, 
MaL 270, jav. Anid., T. Z. 8, 70; m. c. 



karana, T. Z. 4, 13 (arorwan 
tangis), 19 (saha jèh mata); ami^iilakén 
wAspa karana; Nw.; vgl: karuAa. 

asi9Q^ (dwaning), «kftraAa, ♦dumèh 

(vgl. karang); to makakrana, «nahan 
hètu, Br. Z. 13, 21, 20 en 22; makakrana, 
• dumèh; makakraaa, «apuwara en kra- 
nané; ngrana&iqr of ngranajangi h. v. ma- 
kada, «apgdé, «dumèh; qgnuiajaiig en 
makakrana, «nimiita, karanii^, z. onder 
k a r a n. 

^QQ^, makaranai «apgu^ap^ *npa- 
pgutjap «modjar; makakranajan , «mo- 
djarudjar, «angutjap^ («jav. grëöa. 
safildjapg, R. K. telkens, gruna ing 
kalbu, bij ziek nel f sprelcen); ngron^Jaiig 
kah^foni «mamëtik> djë'i^. 

««>i*^\,s., *<raa/, «tèdja, sou ; pra^èka- 
nlng Aditya, dak sak sakèng adajaplri, 
wrëddhasara, sawitfti ngtL.^ dak anampak 
giri hatni (f), nidra, bagaspati, dlDakrétti, 
arlmbl, qga., sah Ing giri hatnl anélèhi 
mèfha mabang, baswarga, mlrtada (nda), 
qga,, anampak ing raktakftra (ratnflkara?), 
mawfts kang(ta) djagat, kara, prabh&kara, 
i«a., mi^lU sabhawahi aiUam4, tapana, 
iva,, waha ml<Ull, prabhftswara, wèkaitana, 
]«a., mangaiigkali dJaladU, aakaiUor, sArjja, 
karidafya ((wa), ngtL^ samadl^a naUka, 
pranarga» saptati, Ina, i^., aanalika, pra. 
taivga, aijjani4, asgangka (lees: aanftii^^u), 
nga.y rwang dawah, diwakrama, samaiia, 
karuna, Br. Z. 12, 17 (kasyasih); sa^lpa^ra (lees: püS&), nga., tigang^Hwah, ma* 



OSi^ 



68 



^N 



ÏMét diwafwua, mnarakte (uparakta), 

^L^ tillBf wètftD, francsa (sahasrftQgf u), 

ttita, «f«.| üu^puvè béDér, bhAnn, bagas- 

ptd, ^puy tUiag kilèn, arkka, taraAl» nga., 

triaallka kflèn, bhAskara, adisu, npi., rwaiif 

iawik klkèn, rawl, warl, i^., wdawob kl- 

IJait wlswaknna (w i f w a k a r m m &) , $ wawa- 

fcua (a(wawfthanaf), iq^^tèngah dawuh 

kiljaa, taranl, q^a., sakadjur kolon» aodaba, 

^tL^ tvvffaair firl, aroBa, «fa», tmnoriiii kft^ 

liBfaa baklt, klraAa, iifa«, saogèngé panifas- 

taaaiytt, tvbmi iDfaraD sanf bjani: Aditya, 

TjL 4; vgl. onder sürjja, waaruit sommige 

leiingen kunnen vecbeterd worden (de andere 

Daar een beter hds. slechts te verbeteren); 

aaatt (of amatik?) kirana v. Sugriwa*s 

boete (tumëpga satahun, tumungkul 

«atabun), Tjt. 138; (rl kirana, eigenn. v. 

«f. der Trouwen v. d. vorst onder S i ng a s a r i, 

Mal. 72. 373; sang Jang kirana, de maan. 

Mal. fr. b. Z. K, bis. (vgl. jav.); kaklrai&aii, 

L Z. 3» 6 (karawian). 

5b -'^^t s., vm. = kuping (sas. kërna. 



këntok; z. onder bflog); karnnAnta, 
2uU ge kowm, Br. Z. IK, 17 (vgl. kapf); 
karaa v. e. haan, die roode oorlellen 
heeft (Tgl. rëragjan); karna^ula, z. ald.; 
karuawèètaBa z. onder kui^dala; Dhrëta- 
risira naar de kluis v. PaAdu te Gata^rëpgga 
willende gaan , wva pwa mahArftdJa dr. ma«g- 
rasak (paritrija sa) paritrijaning karatnn 
ii^B^gwaiilra, mapa ta Iwiming mabhara alra 
ihhAraAaniraf) apawaka aira mnngguh 
ring Imngèfaii, akaninawèstana sira munggnk I kruitharen v. rood geverfd blik (geïmporteerd) 

wmnmnoÊM dbil U. 



ring taliAgan, asfikar tadjl, amakota, ma- 
prabha, makowèra (lees: kawara)^ sira 
munggnh ring brahmakara (lees bh ra* 
ma rak a), akalplka marlt slmslm sira 
muiiggwlng tiftUlliq;an, apradaka (lees pa- 
da ka) mungguk ing kantha, maplivsil 
(b.: binggël) pwa sira mungguh liq* bhad|ay 
ma^undamanik pwa sira munggwing gttai^:, 
sakwèhnlng bhAsananira plnonyAkënira Jan 
tëkèng patapan wiprajanira, Krws. SS; kar- 
napüra, z. sumping; karAamanohara, aanh. 
onder ulpftta. 

%«, eigenn. v. e. zoon v. Kunti bij den 
zonnegod, die uit 't oor geboren werd en tegen- 
stander v. Ar dj una, Adip., Br. Z. 17,6 (pa- 
tapggadja, rawisuta), Z. 27, 9 (radèja); 
vgl. onder rawi, djajadratha, djajaratba 
en aanh. onder k a ng k a; karnnaprftwarana 
onderde korawa's, Bli. 12. 

«i*^\, s. (f), lènging pasuwëpgan. 

9Sii9S)^, z. onder karAna. 

9Si^^, «djungut, tuin, T., b., Z. 4^ 

152 (kissersch id.); Mal. Z. 4, 23, aanh, onder 
kum&ra, en warftpsari, Ws. 4, 23, 26^ 
T., 6., 18, 19 (vgl. jav.); djaga makahèsi- 
ning kirAna v. d. aangebeden pinses, Dpt. Z. 
1; kirAnagirl, Sm. Z. 30, 8. 

75ii^\, s., B. Z. 86, 11 (rantaban), 

Sut. Z. IS, 8 en 14, v. lijken, Br. Z. 13, B 
(madjahdjah, makwèh), Z. 23, Z. 2S, 16, 

8 {*t groote getal van dooden). Mal. 120, bis., 

z. onder prak at a. 

oïsnoo^, Mal. (kerna, v. 't Port. camo). 



1 



^\ 



66 



«^ 



V 



^ 
^ 



«QO^^^,(z. «arAnah); kannnah wètan, 
R. 7; Z. 4, 88, vgl. ka U. 

96)07|^gsii^, si Uranika, R. 23 Z. 8, 
29 (i kawlasan, punika^ asibé); kftra- 
nlkaswabhawa, R. 19, Z. 18, 4; makAng^ön- 
angënaiii: kUnmlka, Ud. 18 (vert. v. $ rad- 
dhadhftna). 

0^ g]<A^\, aanh. onder dafèndrija. 

èii^ïsiiyi^, s. (karAikara, pterosper- 
mum aceum folium), R. 15 Z. % 9 
(kanigara), 7, Z. 17, d. (tjanigara; 
«ja?, nm. v. e. bloem), Kris. 43<>; tan karnni- 
kara, B. Z. 33, b (tan mari manggaük, 
Dora waspada karëngë'); karnnikara 
kaïïQana pinaka tandanira van A bh i m a n y u. 
Bh. 47; z. wréksotpala. 

«iri'^x, z. onder krëftda I en II. 

9q)''^\ L, pëti (skr. karanda mand), 
voor kleêren, R. L. Z. 1, 145, Z. % 29, Mal. 
107, 575, voor kostbaarheden, Ww. 62, bis; 
Mal. Z. 4 (ander hds. awadah krft'da 

« 

pëtak V. geschenken, bestaande uit kleêren); 
blnakta krënda panomlh, Kid. sund., c, Z. 1, 
5; krënda mèsi rftdjapanomah, ald. 5; sinf 
lakn djina tëmbé kaparëk siksa, piuamèng 
kranda wësi, djronin; uaraka ^andanyamis 
aba^lB, lélampahan limang atns tahon ko- 
Bgas ganda pëngnr abat|in, Jsp. b.; sakèb 
alaku tij siuik&a ing djro pëii, mang- 
ké sirèku djatining pëii wësyabaug 
ing ari kijaniat bindjing wësi sak ing 
ing naraka tur ag&nda kongas liwal 
abatjin, alalampaban mangkèku, li- 



mang a. tahunya, parandéné kongas 
g&nda batjin arum, Jsp. j.; x. en hds. bt. 
arung in pl.v. arum, nora bëtjik; alaku 
mangkono iku, agung durakanira, wi- 
nadahau pëii gëni, iku bésuk ana 
ing akérat, 1. M. II. 138 (vgl. onder bun; 
sund. voor betel enz., vgl. mal., bat. hu rondo, 
soort doodkist; tag. kalanda, een baar voor 
dooden: ngaiy karanda, kooi; vgl. jav. karda, 
Anb. lOS). 

II., s. (karaftda, eend, kAraftdavira, 
soort eend), kun tul, Tjt. (#jav. ooievaar, R. 
V. Eijs., jav. W., ed. v. d. Br., 66, mliv^ris); 
krëndawivara, z. onder këndav^iwara. 

^ ^ ^ \ , h^mg pramèsti sakrandana (k r i- 

da?) rjjantaning: padmArAm, T. Z. 1, 13 (bha- 
tara paramèsti guru arddhanari^wari 
ri sarëning tufidjupg mëkar, sang 
hjang pramawi(èöa a., ring dalem ing 
padma m.). 

og^96)^ , eigenn. v. e. aap, R. 21, Z. 7, 

1, 23 Z. 20, 5 (jav. krëdana). 

«son^^u^, s., z. karaftda en tljang- 

kung. 

'^o^g^^, z. krènèi^;. * 

^9||^, s., sapatiga pnlahaninf manda- 

lanika (v. d. aarde namentUjk), samang^kana 

linakvan sanghjang ftditya ring samnhArtta, 

ja tikft sakrftnti ngaranya, ri wèkasning 
daksinftjana, Brb. 107; vgl. sakaranti. 
^ogj^, bakranté, sas., ngomoug, ba- 



kranté dèngan pntri. 

Q^noQ^, Sm. Z. 15, 6 (puranta); knsn- 

makuranta^ R. 16 Z. 11, 6 (asana); blia- 



^\ 



67 



«\ 



tkrl panratl kaél kérnktog knnuita warnna- 
■ira, Sdr., aivvaiita, aanh. onder sëugkfir. 
2', (kapuranta) geel mei roeden gloed 
v.d. kleur v. d. pawal (mal. pinapg masak, 
WnL, sékar kapuranta); kuranta bolong, 
edelgeeteetUe, dat doorboord is; naar U geloof 
sou het kunnen gebezigd worden als een soort 
verrekijker, om van een verloren goed te we- 
len, waar het is; of wel v. iemand of bij deugt; 
sang^ kvaata, z. onder widhjftdbari en 
aanb. onder djabinapg. 

o o o - ... 1 

»3n9Q^, z. onder rintih, 

a7)nfu]^, jav., nni. v. e. wuku. vgl. 
ouder aqgg&ra 

vayiên^, (mal. uJoJ ^^V^, bug. aratiga, 
waskaars) ; hajam lanang 4, hantifa 4, hapft, 
salimas, iAnir h teral h pailyusan 1, ka- 
raatisa 1, sarafi pèwakan 3, wadnng 1, 
rffliwas 1, patak 1, timpalaii 1, kris 1, 
kanplt I9 fnlaml 1, furompai:! 1 (O., Goh. 
St., kurumbhagi), paraanjasé (?) 1, anpkup 
1, Awm wsl paiighatap 1, Inkal 1, \iv$,%\% 4, 
wan^Jnl 1, landok 1, saAdi 1, paogina^san 
1, kanpll 1, sréatl 1, dmang Irlkftng kèla, 0. 

isiis)^, dobbelsteen met een sleellje, waar- 
aan men hem draait op een bord ; zeven oogen 
dan wint de Noordelijke, vier dan wint de 
Oostelijke speler enz. 

4«, z. krèntèng. 

99 ?Q^, (?), ninriuitanf v. d. këtuiigan. 
3si3Q\, kaniarèitanf v. d. kulkulan, 

Bt 33t. 



7^7ll^ '*' ^^'^'^"^^^ ffiodof masriti 
• topgtopggrit; mikrèotèng als erwten op 
een bord; ngrèntèiif, rinkelen v. goud of v.d. 
steen, djapgib; ook iigrinting v, e. pot, 
tegenov. klësog^ swaranya alus amlad atl 
ngémpjaof maiq^rintlqg , Tjp. krèntèngani 
«kakrëtjik. 

II., sas., mësëdën. 

n «n o oèo ^ , nf rontong v. e. ledige dj u n ; 

vgl. gruntupg, kluntapg en rontapg. 
gb'^t^TU^, s., onaangenaam klinkend, R. 

1 Z. 1, 19 (ngëmpëngapg koping), W. 

Z. 8, 7 (njakitin koping, amadji kapë), 

R. K Z. 6, 6 (mirëpgang kasakitang, 

pgëbëkin kopipg), B. Z. 77, 1 (koping 

ëmpëpg, ngëbusiq k.); vgl. sëbit, tjëb- 

pëpg en wadji; («jav. mapgarnasula, 

nggëtapakën kuping). 

«n/j^n, s., Ud. 149 ('t origin. krëpft), 

[Jtt B4, Br. Z. 40, 10 R. 24 Z. 1, 2, kapi- 
wlasën, kawlasan; vgl. mal.); kèsyan 
kftrunya, 23 Z. 12, 8 (kabanan asib, 
kadagingan kalawasan, v^arvoor ka- 
wlasan te lezen is, kabananja wlas); 

kftmnyasanmata, aanb onder tanaja. 

o 961 n IQ 0] ^ , og^rènèb, blinken, glinsteren 

als b. V. v. sieraden enz.; vgl. kënèb. 

«i^^DCoyi*'^^, 8., antiug^ (»jav. kar- 

nabirana bij RafHes), Pam. b., 27. 

96i9Q^, alas maagrana^g van e. tapih, 

W. k. bis. (Z. 3, 12 en 15); aanli. onder 
t u fi dj a ng ; oakané pan^iang iq:aranang tan- 
pèadah maiiik warih, Rarasati; vgl. krining 
en onder toja. 



oa^ 



68 



^\ 



o> 



9Si9S)^, z. onder karan. 

^^\> vgl. krènèng» pakrinlng: of pa- 
kurinipg v. olie aan de ladji; v. tandvleesch; 
Tb.; V. vogels, antonya pakarinlng: mang^i- 
nang: bafl ping^tëlu, Laj. s., antu njalanip pa- 
krinlng, Lr.; kamarèdëp kiunariniiig: v. edel- 
gesteente, Bt.; Tgl. kranaog. 

noogst^ of krèndèng (vgl. krining); 
Blnf ngnrènèng^ v. helder water; pakrènèiigr, 
vgl. onder grandjaug. 

^71M\ I., jav. (kratja), Br. Z. 1, 13 
(pitji^, i padjwa; «jav.: kidj ing); ana* 
king^ karatja «garantas; karatja po&n. 
«suanh gsëng; kadi karatja kanjatan 
V. d. sneb van een specht, T. A., Z. i, 237. 

IL, kakaratjan, Kid. Sund. Z. 140, 118, 60. 

asioAT^^, ngratlo, onzeker v. 't geen een 
stotterende zegt b. v. , jèn twah kèto padja- 
lan pèllh dènlnf pangjaSs bwat, jèn ng^ringf 
sangf praba, badinja masasépëngan (P), twara 
dadi, ngraratjo atarè pëlih, T., bg., 4, 22 
(Bjw., pgajdukaduk). 

9SI ^ \ , kakrëtjèn, zekere offerande bij een 

Q 

lijk met p i p i s vermengd ; de duiten die bij 
de offerande gevoegd worden, zijn voor hem, 
die er gebeden over gepreveld heeft, aanh. 
onder pamuëpa en onder umbèb(r). 
oMi^, s., z. onder al is. 

' o PJi ^ ^ , kènkèn ba&n awak latjnr, sndanf 
djani karëtjëhé, apan twara njandang i:ogfa, 
saksiné twara fawèuja, wat is er aan te doen, 
gij zij t ongelukkig, laat de zaak rusten, Tjrk.; 
pakrë^ëh, een verschil gerezen tusschen 2 



partijen; këkrëtjëhan van een zaak, die men 
tegen iemand heeft.; z. rëtjëb. 

gsnono^^^^ sot|a knrètjèhanèkl, ag^ag^a- 
rajang^y lumampah sambil mëngfl v. e. stok- 
oud man, Am. Z. 4 (sas. red. nètra kurang 
tjahja kalih), nog eens een paar regels 
verder; in de sas. red. ontbr. dit vers.; vgl. 
pëtjëb. 

9^ ^ n \ , z. onder tj ë k u h en vgl. k a tj- 
tjhura en kafitjura. 

asa^gdüj^, pëtès (pëntès) plsan tjarnk- 
tjak mang^atjot, Njalig; ngjatjak v. 't ge- 
luid V. e. tjruktjuk, v. sprekende chineezen 
of eene menigte menschen. 

g^^Modüj^, patlng^kërë^ak weerklinken, 
V. timmer-gereedschappen, Hadji D. 11; amë- 
rangf kaja patingfkakrëtjak asangfkab klkls 
tan kart bij 't maken v. e. versterking, Kid. 
Sund. b. Z. 3, 15. 

9611 ^^odüj^ (vgl. jav.), tnlja sang^g&pipit 

kükrëtjëk jan kasandnnr, B. Z. 94, 1, b. 
(makrëmpjang ja kadjëkdjëk); makërë- 
tjëk, R. 22 Z. 5, 6 (makarëpwak, paka- 
1 ë tj è k vgl. tj ë' k) ; akërétjëk (?) 18 Z. 18, 
Z. 8, 16 (katab paklëtjë'k); akërëtjëkan 
V. water in een ravijn, B. Z. 4, 14 (1 wi r 
ngangsinin, kumariütjipg). 

o i^ gsüj ^ , jav. (L. Z. 19, 14, kritjik); 
krëtjikni tëwëk, B. 222 m.f, Tj. A. 52; 
kakiëtjik angfëné, B. 22 Z. 4, 12 (pakali- 
tjèk mangënanin); kftkrëtjikinf tëwëk, W. 
Z. 25, 5 (pakrintjing, krèntèngan, krëm- 
pjangan). 



Kli\ 



69 



9SII^ 



99^3 «u^, z. onder klopiog. 

•^»Mi»|^ (?}, ngrètjak v. iemands ge- 
babbel, vgl. onder krètjèk en kurètjak. 

"^a^pjigal^, Bgfrètjèk, «kumrin tji ng; 
■aip^èk , • k a tj a k tj a k ; pakrètjèk ma- 
■jiié ▼. iemand, die veel praal; krètjèkan 
«kisik, «titis; krètjèkan IkaDgf warlh, 
•gumarafldjapg ingbangju. 

"7 »o n iCD 99Ï| ^ , Bfrotjok V. e. pafitjnran; 
T. Teel praats; vgl. krètjèk en tjoktjok; 
butfokan jèh, «gumaraildjang ing banju 
Tgl. jav.); kroQokan, 'i geluid v. e. balé, 
waarop slapenden in de coitus (of krotjotan), 
rert. W. Z. 31, 9; akokrotjokan ta mani^ké, 
M" towok lan ki simar, saksana tikël kang: 
Ukah mmDfko, mawah (pdar tikël tibèng 
iMfas* pu sèmar, ma87akaka(ii)tèii, Sdm. 

3QrM»|\, zeker beest? in de hel, aanh. 
-Kider mdtra. Bal. eedf, Adig. 51,74; k. 10; 
Bt. 6, Wrt. 5 enz., aanb. onder krëmi en 
mótra, vgl. sund. kuritjakan; Ija^lnf 
karitjak, «lalër wil is; nyan tatakramaningr 
iaaiadi wwaiig, saklnj^ llniTlngr bhatara 
dkaraiMa, mooffwlnr a<Ui auiaparana, jan 
haaa wwaaf ntsfa madya utama wang^canya, 
Jo maa anasaafakën ^orah, dnsta, alphn- 
fc«"»*—fc ring saof pandlta, tan hana sodo- 
saaya, Iwirlka, amblaèka l^tni: asini: drë- 
w» saagr paA^ita, saklnf aaja dosta fjorah» 
■vak Jan a^}o1oiif ratna kaïitjana makadi- 
■ja a^laloDf IstrI anak sanak sang pandita, 
igaa; iosanya, sakalanièkala amanggah 
■paArawa tros kug thilwakakën npadrawa 



ring putra potnnya, ring sang tjorah Ika, 
vkasan patlnya, atmanya sumilëm ing kawah 
jamanfloka, ttnindihan biufkahlag giri ma- 
hAmèrai binilëd dènlng nftga slja, sf|o tawnn 
atmanya amanggah sangsara, Jan sak sake- 
rika, dadi karitjak tjatjlng Untah olër sal- 
wiring lakn* dadai mangkana gang dosanya, 
sang tjorah ring sang pai&dita, kadi alphaka 
ring watë(k) hjang mangkana kramanya, 
Tr. bpl. ; karitjak, z. k u 1 i tj a k. 

II., aanh. onder damu en vgl. krètjak. 

gsirj^odfu^ (mal. tjërutjuk en sund. ka- 
rutjuk, krihhettaak) \ makakara^ok v. lans- 
spitsen, B. Z. 8S, IS (tj umaranggah); 
prëndjak tnmandjak hanèng prik Iftwan tjok- 
tjak asrang monyangaratjak nokanèng kn- 
knta SQungnya hanga^ji wasanti hanèng 
prih wonnt ga gak anang arebat wawos tja- 
madyèng (b. : d y a) si 4)Alak gala kang adn 
tjëngtl si maningting anangtang atah pakèi 
patat Ja kapltat, Wit. 14. 

o n 71 pc^ 9Qi| ^ , ngarètjak mëmanji v. e. 
lutung, z. krètjak. 

ogsD07io^gdii|^, pating kèrètjèk, aanh. 
onder bèjod, hier ngrè^èk? 

n«noyr)0«OQsii]^, jav. (krotjok, vgl. 
sund. k o r o tj o k) ; kinëmbalan kinorotjok 
ing sandjata, Smng.; kinoro^ok ing Jada 
binotan Ia wan, ald. 

9qi^&o]^, di^anè mèkrëtjëdan. 

on^^^ of krëtjët?; krëtjèt en 
ngrëtjët V. verbrijzelde beenderen, v, e. 
b ë d è g, dof kraken. 



9SI^ 



70 



961^ 



«i|Mi^, kritjitan, *gril, vgl. kaljik- 

Ijik. 

noopowoisij , z. onder kroljok. 

Qsjyjpc^njj^, jav. (kruljil): awajaiigf kara- 
tjil| Mal. 567;?., suradé; kawajang: karatjil, 
(kr.), aanh. onder rubët; djënëngé san; dasa- 
rata, wajan; karntjü djadjaré (djëdjëré), 
R. sas. Z. 1, 4. 

5€j^iiSTi[\, palësat (#jav. kurtjat, ma- 
kurljyal en makurljal: mësal); kaknr- 
tjyat, R. 20 Z. 15, 4 (pakarèjat): 18 Z. 
8, 6 (patjarowèt); makartjyat kakur^jyat 
V. apen giltenf, 21 Z. 4, 1 c. (pakarèjak 
patjaruwit vgl. onder kirdyat). 

9siit^^.o|^, pakarëtjëb en kuniarët|ëb, 
«makaljarëljë'. 

9^71a:)i\, akaritjingan v. geluid, k. 9 (vgl. 

k r i n tj i ng). 

co - 
osüTiTi^ , bun. 

9611 nro^, sas., sok; z. onder randang 
en vgl. raro. 

on^, s., Br. Z. 30, 1 (karësrës), v. 
wilde dieren, Adip. 49; krArarApa v. Durga 
in monslergedaante; vgl. karma; ma^abda 
krAra, «asingbandda; ook krora, T. Z. 
4, 51 (brangli); als vervolg v. d. aanh. onder 
tjamah, kadyaiigg:anliig: mauak, krArapaksi 
fagak, dok, hajam bakikak, bulong, trilak- 
lak, kaky taha*, domdonian, atat, sljang, 
nori, tjod, gagandyan, alap*, bibido, darjjas, 
manak wlda, tan Jogja bhaksan Ikft dé saqg 
siddhAntabrata, mwah nilapaksl, mwang; Ikang 
paksi nara$abda, kotji, tjangkllniigy dëdëk- 



tju (?), tikns'an, djalak, salwlring djalak 
tètèk, sarindit, tan bbakèyan IkA dé sang:, 
wlko, Wrl. 6. 

2«, van uiterlijk, meer of min wt^eedaardig 
er uilziende; z. aèng. 

0«i|7i^, z. rèra. 

'^oepn^, z. onder krdra. 

«jyin^, s., bliurwak^ in pi. v^aarvan 
Kern tjurwak^ heeft gevonden (vgl. mal. 

sikudidi?), vgl, utkro^a. 
gsuDnyjuii^, s., kuku. 

9an9sii|^, z. onder «kulurak. 

^qy^oein^, s., galak, W. Z. 8, 10, Z. 

87, 1 (karësrës warna). 

gsnnpjij^, «ka ra ras, jav. (k la ras), een 

verdroogd blad vooral v. bananen (vgl. onder 
lësëh), tot 't inwikkelen van zekere gebak- 
ken, b. V. satub, gebezigd (mal. këraras, 
sund. ka ra ras); kararas tiris, R. 24 Z. 18, 
1 (danjuh tuh, danjuh kalapané); iigra- 
ras z. onder danjuh. 

961X1^^ en marus, arrotvroo/, Bjw. arus 
(jav. waèrut en garut), z. semprit. 

^«nro^u, B. Z. 15, 1 (ru katatakut, 
isu katara). 

osnnTiuj^, volgens de Bal., smut (vgl. 
jav. klarap, tjlarap en tjlarat; R. v. Eijs.; 
djënëng këlarap, daugap^), pangrapnin^ 
kararap monggwing wohning këpah malëkah 
mamirah mèsi tanggal amoiiipi* smara. Mal. 
304; ook kurarap (Tj. A. b. 10 b. evenals 
in 'l jav. kalarap); ngurarap, B. U. 327 
(mlisah), vgl. k&rap^ 



iai\ 



71 



«> 



oo> 



9^7171^, saküririiig en sakaliring, verb. 

r. sakalwiripg. 

lanrijnx, ï. onder kladi. 

3Qi]niei|^ I., ben. v. e. in bladen als betel 
rr uitziende plant, wier bladen als lalab 
ïrenuttigd worden, B. Z. 6, 4 (i bun ka ruk); 
wwaitai^ kamk, Us. (vgl. sund. ka rok). 

II., Bjw., nog groen v. d. w&ngs&-b!ocm 
vgl. jav.), 

III., z. kémarnk. 

?^nro€:ju^ en kioq, saa., gasgas; vgl. 

•sarat en gaQk. 

ie;i n rr> 9a| ^ , lusschen iets anders raken v. 

r. klein stukje papier b. v. onder grootore (z. 

arok); tnqggali karok, Dd. 11 6.; karokina 

naast arokina in geiiruik. 

)caaj^, «makrak, jav. (mangkrak), R. 

i Z. 8, 2, 20 Z. 16, 6 (magroh), Br. Z. 
17, 5 (i^alokang), Z. 30,1 (mangrik), W. 
Z. 14, 11, Z. 8, 30, Z. 27, 6 (maQdjrit, 
mapgakak, mangwalèk); akrak, Sut. Z. 
to3, 16 (padjrit): pakrak, de gil v e. ba- 
rende vrouw, Sm. Z. 28, 12, W. Z. 25, 2 
pang rik, padjrit); kinrakan door apen, 
R. 22 Z. 4, 12 (kagrakin). 

ya»)^, krek* ook v. kippen; krek* dja- 

lai Bida, peso tal mëdogdag raadsel op 

B^ikih njuh. 

n n) ^ , vgl. «brik; walang krik, Br. Z. 

So. 5 (djaugkrik kaljan; jav. krek); 

■anffcrik «mak rak; ngrlk v. paarden ^rAreeu- 

wen: pékrik. 

IL. jav., ngaturang këkrik, ng. podalan 

ijrik; ■ökèfcrik vm. samëaisig, *asu8ur; 



QSIi 



ngrik, afschrappen een blad om H geschikt te 
maken voor een cigarette, bout door 't scherp 
bot er op te zetten (batav. z. rot), v. d. ta- 
nah garu («kathadi of kawadi?), W. Z. 
31, 6 (z. onder kloh); ngrikin) heschrappen 
met een pcogiris den pas gevormden baksteen, 
om hem, voor ze te branden, een behoorlijken 
vorm te geven; panirërik, aanh. onder um- 
bèh; krikan gangsa, z. onder gang sa; 
krikan klapakan bgu, gedroogd om vliegers 
van te maken. 

>l(3U^^, z. onder këru. 

gq^QiK I., jav., een boogsgewijs gespannen 
bamhoesplinler, om zich 't zweet van de huid 
of te schrappen, ook wel v. e. stuk schildpad 
vervaardigd; këkrok, aanh. onder umbëh; 
kamërok, nog jong maar verder gevorderd 
dan mëtaluh kakul en reeds vol pitten, 
zoodat de vrucht geschikt is om geroosterd te 
worden v. djagung (Bjw. kumërok; z. ijat 
en dadah); 2«, nm. v. e. kokosnoot nog 
jonger dan de kuüd pëogangon, «kuma- 
r ing el (Bjw. këmëruk, vgl. jav., ouder dan 
dekëmumbël, vgl. mal. njijur tjupgkilan, 
'tgeen overeenkomt met 't jav. tjumukil), 
dnwëgan idjo kémërnk, vgl. onder kuüd. 

2s geluid van in den grond krabben (vgl. 
mal. kërok; z. aanh. onder këduk); më- 
krak* butur, z. onder hu turf 

II., z. onder pètu. 

9Si(3Jtl^(lësëh onder fr.), z. onder kèrèng. 

o ga gsüj ^ 1. , korèdg krek, een kleine schurft^ 
soort; z. ganggu en aanh. onder o jog. 



«^ 



72 



«^ 



IL, V. d. balang danjuh of de b. kèkè- 
kan (vgl. krèg); kërèk laiigsé pësa tam- 
pëng: kaning^, raadsel op 't doen v. e. groole 
behoefte, langsé op 't onderkleed slaande; 
krek* njansan djoh, raadsel op njampat; 
pakrèk, tèktèkan; pëkërèkan of pënjërè- 
han, waarop de wrijving geschiedt of ge- 
schieden moet, zooals b. v. de zijde v. e. 
luciferdoosje, waarop de lucifers aangestreken 
worden. 

III., lèpang: krek, sas., dongkang. 
nQQp€u|^, badaq këroqan, basang uding. 

o«iogsiij^ L, breuk (batav.), v. e. varken, 
wien de darmen na 't lubben uit den buik 
hangen; vaker këprok (z. bohboh, bluh, 
s a ng l i r) ; anaké krok ; dl iig;ëntah krok tpan ; 
batahé krok. 

IL, uitroepende nabootsing v. 't krijgsge- 
schreeuw, geluid v. apen (lamp. njangkakërëk 
en këmërèk, krijschen v. d. aapsoort die këra 

heet, bat. kèrèk en kërèk, nm. van die aap- 
soort); krok* V. padden; mëkrok^ zoo een 
geluid geven (batav. raëngkërok; 't jav. ko- 

dok is misschien in pi. v. e. vroeger korok); 
z. krëkëk, krokoh; pakrok v. apen hun 

bizondere geluid geven (z. përé); kërokan 
ombak, sas, ëmpugan omhak. 

IJL, jav., roskam v. builenlandsch maaksel; 
kruk en pangërukan; pangërok, aanh. on- 
der umbèh, paogorkoran en ngèskèsin. 

2^ kërokan, Bjw., 't geschrapte binnenste 
V. d. gëdëbong om vliegers van te maken 
basai^ kupas; kamërok, z. onder këruk. 

IV., z. onder pi pis. 



gsDTigdlj^, K. A., mëmëri (jav. een jonge 
hond, z. aanh. onder pèruh en gëijok, sund. 
geluid om honden te roepen; vgl. onder tji- 
tj i ng) ; atantmian tan pattk wënaqr kikirik» 
R. L. Z. 1, 55; këkirik iba, onder de scheld- 
woorden door middel v. 't woord hand. 

IL , Bjw., benaming v. e. zwarte u 1 i i^-soor l. 

IIL, këkirikan, sas., pëpindëkan; z. 
irik^ en pëpifidjëkan. 

^7i€u|\(?), n|[:anpi8 kimq pamëlënpia, 
asin tandang: tawa bani, Tjp., klraq baka- 
mët owah ling^ir, ald., npini^as kimq qjëlènK 
mata asin tandaqr tafi bani, ald. 

gsii/|gsi|^, ook in 't passief met 't aanh. a; 
mëkimk v. e. tèmbok door dieven (vgl. pong- 
pong), z. ook aanh onder buruh; z. iruk. 

oyig^^, sas., droesem v. d. tuwak. 

9611 n 9Sii| ^ , pëng^orlkan, een werktuig v. ijzer, 
om den loop v. e. geweer te verwijden. 

n 9611 o n sdiij ^ L, jav., këkèrèk, soort v. houten 
kalroli zooals die, waarmee men de kooi v. e. 
li tiran aan een hoogen staak hi|scht, ook kni 
sampun kifitjëh taliné (sund. kèrëkan, 
mal. kërèkan, mad. tangkirian, AijfcAfr/a/p); 
z. pënakalan, pëngaluran. 

IL, z. korèk. 

IIL, Bjw. (oost-jav. kèrèkan, een pijpje 
suiker); staaf v. arèn-suiker in een koker gego- 
ten (vgl. batav. en mal. gula kërèk, lamp. 
kirik; vgL onder galëng); i^ala sakèrèk, 
P. ; 5 kèrèky satoros; 10 kèrèk, sapadjëg; 
(gula satus padjëg tëlas, Wg. Z. 3); kakè- 
rèkan (f), aanh. onder prabusèt. 



«\ 



75 



«A 



'^«annnj^, koraktn, de buis, die onder 
aan de opiumpijp zit, en waarin de tjupak 
mei wordl; volgens anderen is dit eigentlijk 
ie yaogklong; z. tjëtjagak. 

^n»)^, ni^rèk, lucifers aan^/rtj/ren; 
oi>k. maar zelden, ngèrèkang; ng^orèkani^, 
een mes aanzeiien door 't op en neer over 
leu heen te slijpen, vgl. ipuli. 

-i60^roia!|^, SnSbvr., baöng (mal. ku- 
iaï, omdemek, vgL bat. had uk, mak., sal., 
' o rok, mek). 

Kir»^, h&sjakarakai aanh. onder hèsya. 

» r « ^ , zij beiden, beiden f, meerv. vrnw., 
Sm Z. M, 9, flw. Z. 2, 2; W. str. (punika), 
Z. 30, 9 (bis), Z. 32, 3 (bis); Adip. BI; 72; 
een vraagwoord, 84, 94; Wir. 8, 54; Jogja 
karikA, R. 2 Z. 1. 60 (nj&ndang ké), Bh. 
15: afripg karika kita, zijt ge ziek f Sum. 
Z. 23, 5; IM hArohara karika (sang)hjanir 
tadrm BBMif ko, is I. niet ongerust thans F, W. Z. 
17, 10 (Dora ké kèpuhan ika bjang 
'-akra né mangkin, nora ampag' ika 
h. c. mangké); aira karikADangis ayapa 
véraküi konaag Ja hadé, R. 4 Z. 1, 4, 8 
ida ké nangis sapasira uning mana« 
wi té boja, tong duga dané ngling s. s. 
0. iwang panèngguh émboké), ook den- 
kdyk m. c. kar ik ft of welf vragenderwijs 
fehed achteraan, B. Z. 4, S (vgl. rika), Z. 
100, S; Sm. Z. 26, 9 aanh. onder «ha dé; 
L onder kari. 

«oTiiGi^, kftrikawrèildhi, z, onder kft* 
ritl 



o o 



9siin96ii\, pira karikl lawaskmi aagdadi, 

koe lang ik ook moge leven, er is geen kans 
iemand aan te treffen zooals gij, Wrs. Si. 
«nrjQSi^, s., z. uftdahagi. 

9Si96«Q^ I., s. (kftraka), titel v. e. boek, 
behelst een soort v. dasanamaf (z. onder 
tjandragopita); krakak mapidarta a^a- 
kèpan. 

II., djaring krakak, een zeer groot zee^net. 

««9sii<j^ , z. krékwan. 
09000^0 95119^, aanh. onder sijungan. 
èii9S«^Q^, 8., z. onder wadara. 
9Si9SiiMi^, 8., z. onder ragadji. 

9b«i\, ngarkar V. djai^krik (z. kring), 
mëmisuh, vgl. kakar. 

9si9b^ L, ngarkar, H nog zachte vleesch 
V. e. kuQd met een omgebogen stuk bamboe 
uitschrappen, om er bëballtji van te maken, 
zoo ook onrijpe vruchten, als b. v. gédai^, 
om er rudjak van te maken (vgl. gobèd en 
kihkih); Dgarkorin, vm of uit iets schrapen 
b. v. uit een pot of flesch wat er nog aan 
vast zit; vgl. kor kor. 

IL, z. onder kur. 

"^ob"^»^, qgèrkèr.. 

9Qnnèn^, ngoriLar, schrapen de reeds 
gebrande huid v. e. geslacht varken om 't haar 
geheel weg te krijgen (vgl. k u r k u r) ; paiigor- 
karan, roskam v. inlandsch maaksel, beat. in 
een halve klapperdop, in den rand waarvan 
tanden gemaakt zijn (mërii^git); z. kérak 
en ngèskèsin. 



«^ 



74 



9^^ 



«««n^, s., ikang: bftja si krëkara, ma- 

fawé wahin, Wrh. ; ikan|r b* krékara m. w. 
wisaJaDya, Nw. 

osigooDn^, aanh. onder triwikrama. 

9SI gsa 99Ï| ^ , nirrakrak, nggémuk, nongos 
satata twak djumah mangrukuk, Tb. 

gs»gsi9^^ L, 't geluid v. d. dongkaiig in 

't begin; idëp aka donirkang: kaning; makëëm« 

krèkèki m., Us. y. 7; ni^rikëk v. e. kip, 

waarop men de handen legt, z. k r o k en 

k r o k o k. 

o » 9SII 9^ ^ , mëkrèkah, veel praats hebben, 

voordat de vijand er is; anderen mëkraka- 

han, z. korèkak. 

o«n9Qngsi|^, bawi krèkok, sas., tjèlèug 
alasan. 

09snn9Qr)9aï|^ or krokkok; pékrokek 
padden, z. krok en krëkfik. 

9enn7i99i9a!|^, pakorèkak, z. onder ku- 
rèjak, v. ontsteltenis, Bi. 113; roakurèka- 
kan, aanh. onder guriSIdjang. 

OWinwneii|^ of grèkgèk en grègèk, 
ngjèkkèk) lachen v. genoegen hard op; këdèk 
garègèk, Bwsk.; pëkrèkkèk meervoud, vgl. 

grëkgëk en ngrukguk. 

«9Sii&n|^ I., Bngl.,*maar te Bil ook k ra- 
kat, groole doos v. bamboe voor vele tadji'sP; 
z. srakat. 

II., jav. (krakat «karakad), Adig. 48, 
soort V. «el, sleepnet met dichtere grootere 
mazen dan de tokal (sas. krakat, tokal};ook 
rakad, Kid. Adip. b. Z. 1 (z. bftlldjang); 
nian|[;arakad, aanh. onder waring. 



V. 



9Si| vsn rsii| ^ , z. k r a k a d I en II. 

9diT^9si)^^ L, kamërëkët lambènya, R. 

18 Z. 8, 6 (pakarëtëk waktranya). 

II., makrëkëtan, bibberen v. vrees; lintaiig: 
djrih makrëkëtan (makëtkëtan) maiida- 
lamé pati babar*in (podkMn), Djp. Z. 2, 11; 
nadal 't lijk zijner vrouw op 't kerkhof gezet was 
en Dj a pal wan en zijn broeder geweeklaagd 
hadden, sampan wëngi wèntën (ada) sabda 
tanpasangfkaii, rasanya da(diné) sang lalis, 
mitadahin tingkah, sampan ké bli mamasah, 

sawah tityangé né mangktn, jan bëli kari 
trësna, tanëmang(u g i) apaug b^ik „laniuu 
ada tara mëntik Ja Irika, sat tityang sampon 
mandadijan wantah bli makarsa, gtihnyané 
ajanang, sat bëli sampan ka(ma)pangg:ih, 
(nialmu) tkèning tityang, lintang rasanjané 
lëwih (ing surasanèki) „kaja kostaba 
naman tarané (ri namannjané) ika, ring 
wètau magtih patik, Ilntang sarasanè ika, 
andadi artpning djan(d)ma, nè kidol bang 
ërali(j a r a h)nèkt, lintang ing mauah (p a n a s) 
mawisya, pa(ha)Ja dadi sasari ,Jao binaksa 
mome marka kadadènja, né kolou rahnjané 
kaniug, Ja mandadi tjtik apas, apau Ja 
padaatama(ja panapan dawul ing djiwa), 
angadakëu pwara pati, mala kalon sarapiija 
(pasupnja), miwah sarja tjandra sami „ëné 
kaning ëning ingaran ing sanya, karaniug 
mandadi litjin, nélor irëng (rah) panika,Jan 

ratasin sarwa ërak, a(m)pjan kadadènnjanè- 

■ 

ki, Jaënto mnla wisya pasti (pahaju) kada-' 
dl sasari , Jan binaksa mëntik manahè niskala 



> 



78 



)6l^ 



nisijaja), op^Ja sakiog; aris, manjilib 
•lih pikna rahnjané wètan pfak, iijusap 
téièBf sarwa dadi, é (ja ko) dadi èmpèbaii, 
aJuaB aiiak(ida)solin|rg:ib „darang: piii|r ro 
titaré maamu ala (glai^), kagèt makëplagr 
pritiwii kadi swaran bèdil lèla, bolong; i:a- 
■iaé (ina)nf1oo|rfaii|: kadi boda^é (boda- 
zéiè) kakaiih, midjil sangf hjanf djato 
tuMTiralt ffniidol malalaniT ni^liiigr (l u r in a i^- 
: I Of] vdjapa tawan snüd manlng:éhaii|r satwa, 
^dioféhaof monjin kaki, ng^nda sawahé 
kipkopas^, Ja saba (siti) mullli kagfumjai 
itaané (nja) di swarg^an alih, dadi lègrong: 
ièa kjanr indra, pambarèt twara nandinfin 
qamènin) „(ki)djapat. (niaQ)dJa|rdJa|riiJoii|[:- 

k»k t«r (laQI) njambah, tityang; dawëg: 
wan la h) matar sisip, daros swètja paka- 
jiMB, oiaSdJakaDgr tityang: kasasar, tityaiig: 
iuas Isgra mangkin, marfiné né kaswar- 
rau katara nfandika arts „énali ëné èlor 
wèeaa ambah mlah, tokad sarajuné aiig:si, 
Mi dit« natapa, abolan pitaog dina, Jan 
Ut itJaaiBS widi, atarangr kaki lagrra(a), 
aptaf da sangkala di mar^i 9,ki dj. t. ma- 
■firiai: (oiaHnr anémbah, nak djalan kaki 
ilaffalia, 8apadi(n)dléng:an (t a n p a m ë iig a n) 
raris ifjal, U g;. t. makrëkëtan (ngë l k ë l o ng), 
4JrihDjaaé tan sintpi» (wuwusé) ki dj. t, 
ktwawas (sumaur) anabda aris sanipnu 
Ml llntaB; «Urik makrëkëtan (makëlkëtan)» 
rltyaag Biaqg:o(wa)rahin bëli, nika sang^ lijan; 
^ata taa^TP^l, it|a pawarah ring; tityang; 
Jpab UI kotjap (né n é) niang:kin, kaüngr^èn 
man dadi) lègronp, di swarg:ao aatnk ida 



sorapati ,,ki gr, t. matakon naSdJndJntanf , 
angrob san bëli i auiii, riBg:(i)da sang hjaagr 
djata loivgral, grandnl tanpa waatra, ki dj. 
t. njattrin, nika ida sai^ hj^ag aiwaï saté 
mdal ing; (tjulé mlali) pritiwi „ida nala 
Iwib kalih ngrawiwënaugr, sang: kjaof aiwa 
ng:aran siwi, né snmbah sai nptyai l&araninf 
mangrnn kajang;an, ibnné apti sai, ida itja 
snka dnka karaning; a(j a)niang:g;ih Iwih „twara 
dadi ëmpah* (ampali') mang^aptya, ida sang; 
hjang; ninf siniwi, Djp. Z. 1, 41 vigd. 

9SII 9SI ^^ , ng;rtkit këdèk van innig genoe- 
gen over iemand, dien men beet gehad heeft. 

9S(|gQ|rsiiK I., sas., sambën; «akrnkntan 
V. 'l voorhoofd, Wd. 10 (vgl. «krut en mal. 
k ë r o k o t). 

• II., ng;rnkat, Bjw., alles nemen. 

^9eiio«n^^, ug;rèkot, bijien v. e. aap 
(vgl. batav. krokot; vgl. jav. krikit). 

-^oenooontsiij^, %. onder nggrogoti. 

g^7j9s»TSii|^, ang;nrnkat, z. onder &talftji 
(zou strikken zeilen heteekenen). 

^9|«^^, 8. (karkkaia), Sul. Z. 91, 6, 
K. 24 Z. 12, 10 (juju, kajaju); Gb. Z. 7, 
4; z. rëkaia en arakata. 

2S leek. v. d.. dierenriem, z. onder rftfi 
en aanh onder nftgawilhi. 

9^9Sii^^, 8. z. takadji en hantimun. 

9SBO^^, 8. (z. kukkuia), Dp. 90 o., 

vgl. onder umah. 

9Sin)sn^9Sii> , s., Ud. 57, alwaar deze 
nftga tegelijk met BAsuki, Takèaka, 
Dhanaftdjaja, Kèlija, Nahaèa, Kambala 



9SII\ 



76 



«^ 



en A^watara genoemd wordt, anak hhapi' 
w&n ka^yapa 1 sanr kadni, nikan nAga sèwn 
kwèknja kananr pinakMinya bftfnkik, fèsa, 
takaaka, kapila, karkotaka, danandjaja, Ag. 
(vgi. WttAup. p. 149 en Adip. 15,51 en vigd.). 

«&«^\ I., (z. kalikis); kadanir s^nstt 

twara polik krikis. Heg. 15; sok bikasé be- 
ken twara Dawaqr krikis ëning, Ba. bl. 
IL, aas., krupuh. 

9b9SiY>2ii\^ 8., Sum. Z. 52, 5, «sphuia, 
«humung, met luider siem, T. Z. 3, 72, B. 
Z. 32, 4 (dahatii^ bai^ét}, Aq. Z. 19, 6 
(kajunbjun); tan karka^ftlwan van muziek, 
Sum. Z. 53, 1, aanh. onder dii^ding; wftk 
kawafai z. onder w&k. 

961171 9Sii^^\, (a^a, Tjt. 44. 

«071 «^|n, z. gurèksjak. 

9SI9Siiqq]\, makrakwaoy lastig, moeielijk 
ie doen, verlegen hoe iets in orde te brengen 
b. V. een touw ontwarren, xich geweld aandoen 
om iets te begrijpen. 

ga QSii gdü] ^ , zekere watervogel, de jav. ajam'- 
an, Bjw. ijëwakwak (batav. tërkwak, galli- 
nula phoenicura; vgl. ook sribombok), «tja- 
krawftka; kan niet op een l>oom zitten (z. 
onder d^èwata en ygl. triwakwak en iri- 
wombok); lyrèkwak v. iemand, die tp 
lange beenen heeft; vgi. prëSIdjak. 

96I96IU096I9\, S., Z. SSÜpg. 

tei7i9Sivu|\, jav., akwèh tèwak liman 
i«kè Ja plnakakarakalnlns lanirka bièama, 
R. 14 Z. 3, 10 (gitgit, karikil). 



9si^96iivu|\, jav. aanh. onder tioggarap| 
Wir. 8, «agarihul volgens sommigen bati 
gitgit (sund. karèhkèl of karèkèl; niad 
balikèr of blikir, grint, keisteen), Hadjt D 
62, R. m., Z. 30, 34 (R. k. 6., kali kir) 
Sum. Z. 29, 17; wahwas krA karlkllnya 
Br. Z. 44, 6 (s a ng k u t i s u w a i u r i 
d a og n y a). 

gsn 7^ o vu| ^, amawa karoknl idjo, Pdjni. 94 

«T^QSivu^, in pi. V. karuugkala, z 
onder mangukuhan. 

ossiinji^, verk. v. krëkalftsa; nltyftnfii 
Inngolnng sakrëkala mnnnrwing patra, T. Z 
1» 41 (sii ugudjuk' kadi balwan noli^oi 
di doné); vgl. kèlasa, krëtalasa en ondei 
b u ng 1 o n. 

gbn^enru^sii^, s. , (kak kola ka; de f 
evenals in kukkuia, enz.), kapulaga, Sw. 
z. onder kapur, R. 15 Z. 2, 4 (kaliuioko; 
flindust. AJiU, cardamom). 

9SR99iru^^^y foutief in pi. v. krëtalftsa 

9Siin9Siiu|^, z. onder kapkap. 

«««^\, jav. (kërët); snku krëd, de rë 
Q, zooals in krëöfta (ook l)lj Valentijn mei 
een d; jav. tjakra kërët), Sw.; makéréd 
aanh. onder sakëput. 

«i|i€^\ (vgl. sund. en z. krig); akèriil 
sawoi^: kaéaton, Hal. 375, 417; kéridèn (b 
krigën), Ar. Pr. Z. 16, 3, Hadji D. 55 
akérltan angadjawi, R. L. Z. 7, 1. 

QSi&C)]^ L, berooid: niet hebben om var 
te genieten, ook v. d. grond tegenov. gëmul 



«N 



n 



^\ 



/ 



;Tgl. korèd); tlwu krad, «hinftrlha da- 
ridra. 

•IL, z. onder kaQd. 

'jïsn'^yte^^, onvruchtbaar v. d. grond; 

z. {rërat en krud. 

KnqTOvS\\\, porod. 

fii'^Tiso^?, pgarëda, z. onder klèdah. 

M&o^, z. onder krëftda. 

»06co^, grëdof 

y^^Mi^, 8., mingekoos, H. 7 Z. 4, 9 en 17 
smara); «sanggama; krtdft 10 Z. 4, 6 
sas ma ra); dJènèUiir krlia, «djënëk 
apum; ouüirl^ gemeenschap hebben meteen 
vrouw, Adip. 75, bis.; kalaoja makrlda, 
•sidéi^ sinanggama («jav. krida, kirda, 
yzl kariini, in gedichten meestal v. dieren; 
b. T. in een Damar Wuian sërgala kirda 
ett op een andere plaats asu gafltjèt, vgl 
Ad. 4, ook kruda b. v. kruda lan suna, 
Aob. hds. waar 't afwisselt met dj i n a h en 
kirda); fatlnja akrlia djènëk tan tmba, 

Wrs. Str. 48. 

«^asotaiA, s., z. onder bétidjit 

'U ' ' 

^9snt9^, 8., (krodha), b. v. pëdih (zel- 
deo), gSlëi«, W. Z. 21, 1 (sëi^it, ka- 
sëngën), z. onder sadwarga en aanh. 
ooder pui^gël, «masënghit, W. Z. 8, 6 
lébaa, srëi^ën, garwa), Z. 21, 1 (ka- 
»êiigën, sSpgit), Z. 9, 2 (brangti); grè'ng 
krattt, tut. 17 (yert. v. kruddba); katamao 
kradba , tuU 40 (vert. v. k r u d dh a) , aanb. 
ooder s a m r i d dh i ; liiifliarép rim^ krodha- 
tt(a. Pg. 15 (maëp klod kaüh), O.; krodha 



wirodka, z. onder wirodba; sakroiikaj R. 
5 Z. 4, 33 (lëwih brai^ti); sakro4kèi« 
adkamfttak, R. 9 Z. 2, 3 (liwal b. rii«, 
mamrau^tènin); ng^rodi^aiig, «maaëi^bil; 
z. «krodb&nala, duka en bëndu. 

«nto^, egenn.f, z. onder soda, Ar. Z. 
6U 8. 

««2^\, jav. (in pi. V. kar ja naar deana- 
l<«ie ▼. kadi=skaja en upadi in pi. v. 
upftja); kinardl, «ginawé; pèkardi naast 
pëkarja, vgl. samadi en saptopadi. 

OQonwogQfU^, s., [toarnouur), T.Z. 2,48; 

mMëg tèkang: krodk&nalé twasnira. Uit. 87 
mnntab krodktoalaninir waiawangr, T. Z 
3, 1, vgl. Z. 5, 93, alwaar murub v. toom 

«la^gsij^ (vgl. grëdëg); ngridëk v. e 
regen, v. d. adembaling v. e. aamborstige (ai^ki- 
bané), van kookend water, *gumulak; 
krédëkanpi antnk sabëbé v. e. zeer hevigen 
regen; krèdékan, krëtëb. 

i^^^^' vgl. krodok; kradakkrodnk 
V. kookend water in een pot (vgl. gruduk 
en ngrènjèh), z. onder krèjok. 

7 «I '^a^ ï^ ^ , nicrèdèk v. e. slijm opgevende 
(sarag muqjiné). 

n«n*^«r>9eï|^, vgl. krud uk; nfrodok 
V. kookende olie en kookend water (vgl. ngro- 
dog); z. krènjèb en onder tjroktjok. 

wwogsiA^i^, eigenn., W. Z. 21, 2 en 8 
(jav. W. 122, kradaksa); eigenn. onderhoo« 
rige V. Poru^ada, Tjt. 78. 

961 n 2^ ^ ]Q ^ , s., eigenn., R. 2Z.; z. khara. 



^\ 



is 



9Sk\ 



9Sitc^ru99i^, z. onder krëdap. 

ngentoiUYxX^, s., sapniah anaknira (v. 

kasyapa) i sang: krodhawaf^ft, kanyftsödënt^ 

h^Jn, pratyèkanini: aranika, sang: nirèg:a 

(Tjt. 71, evenals Wiöfiup. , mrëgi) mré- 

g:amandft, harl, $wèti, irftwatl, bhAtA, kapi^ft, 

daDg:stri, saramft, sarasft, IkA ta kabèh tina- 

rimAkén i bhag:aw&n palaha, Ag. (Wisnup. 

p. 149 n. 17, vgl. Adip., 't origin., 26, 24 

en vgL), aanh. onder tarunga, daksa en 

kapifft. 

9Sii7i£Ctu|^, aanb. onder rajap. 

96R toi u| ^ , jav. (z. këdap); pating: kèrèdap, 
• kagurilap, «makapuratuk, van nagels. 
Mal. 92; «kabaranapg, anghulapS «aogën- 
dëp^ Ar. Pr. 38; krédap slafca en evenals 
in 't jav., kréda slaka, en naast rëpat- 
madja, aangenomen nm. v. Badijolsaman, 
Dm.; z. brëgudombras. 

n«o&ou|^, knmarèdèp, aanh. onder kro- 
qoh; iq:rèdèp, «ai^hulap^, «kumëqar, 
*dumilah, «niahulap (vgl. kdèp); krè- 
dèpan sasotjané, vert. B. Z. 3, 11 (balav. 
mëngkrèdèp). 

»^£x^, s., mang;kA karadama toja ra- 
kwa karananya hilang ika Ja toja nirmmala, 
Sul. Z. 147, 4, z. onder «latëk ardhama; 
fcardama, z. onder tjaturlokapftia, kéamA 
en ftpomürti. 

Qqscjnj^, bèdilé komradag:, Tr.; vgL 

grudug. 

n«nnft«ni|^ of grodog; ng:rodog: v 

waterval; vgl. krodok en kaödog. 



. e. 



QSi 2C| ^ , bedompt door bosch v. e. landstreek, 
naar, zoodat men er niet graag is (a n t u k 
samuné); vgl. trëdung. 

«snntstij^ I., uiterlijk v iets, 't zich sus 
of zoo voordoen; mékarat, goed uitkomen v. 
figuren op hoofddoeken enz., v. fraai schrift, 
fraai van menschen b. v. wajab karat djöl- 
mané, R. 22, Z. 5. 

II., af schijnsel v. goud, R. 22 Z. 5, 3 (pa- 
patran, pininda). 

9^n\5iij^, kumarit, z. onder arit. 

««yj^^, z. kërut. 

9Si|rsii|^, mékrat*an, twisten onder hel 

spelen b. v. door een ander's geld op te steken , 

het voor 't zijne houdende ; ook m ë r ë n- 

tang^an. 

99irsii|^ I., kaët. 

11., mékrét, omknellen v. e. strik of touw 
(z. «krët); djëèt mékrét dl basang:é ngfré- 
tang:, stijf aantrekken. 

III., krét* V. d. tanden, Us. E., v. e. kna- 
gende rat ; Jèn Ja krët* aiitnnya, pnfik tikas 
ang:énani, $a, bnla meng:, Us., aanh. onder 
djirët (vgl. grët), vgl. krot en krijët. 

• IV. of krët, komérét ing: téDgg:ék van 
mantri's, die zich zelf onthoofden, T. b. Z. 
4, 11 (mal. kërat; z. këët); kérét téng- 
g:éluiya, R. 7 Z. 30, 3 (gorok baflnya, 
tjaktjah tëndasnya); ftkrétan, m. c. van 
de ooren van een verbrande, Sm. Z. 8, 21 
(m ë p r u r u t a n). 

V., makrét baftt v. e. kist, Kid. Adip. 
Z. 2. 



«\ 



19 



^\ 



«6itsi|^ I., kmnrat, R. 17 Z. 4 of 5, 12 
(tèkol), 2 Z. 1, 42, van de wenkbrauwen 
in toorn, T. Z. 3, 70, R. 21 Z. 9, 2 (kutjup); 
kuurvt ktea van H voorhoofd, 2 Z. 1, 42 
itjikup. ika, këskës), Adip. 91, v. 't hart, 
aanb. onder tënggëk (sas., kédkèd; vgl. 
mal. en krukut I). 

IL, Jan anètakéu krul (b., ka rut), d., 
5M«, Dp. b 18. 

o«p«ii|^ I., ben. V. e. geelachtig rood- 
harige spinsoort, die ook in huis haar web 
spint, z. èmbong. 

II., krot 9 knabbelend of knagend geluid v. 
ratten, ^protrot v. ratten knabbelen {z. po rot 
en vgl. jav. en sund. kërët), '/ binnenkeelsch 
geluid v. d. litiran (vgl. krët). 

IIL, z. bij gegrut. 

n7itsi|^, z. kiratbfthu. 

9Qiytsii|^, makirét, këdkëd, anggëtëm, 

• ma ng raket; makirét falak mahjnn nggut- 

gat, «ngakup nirungut arëp anahul, 

anaké ngambëkang kreng (magijët); 

■lakérét raris manoding van een vertoornde; 

nakirét, van een koopvrouw, die een vroeger 

aangenomen bod wéér intrekt; kétnndèD am- 

bol ta dogen raèkirét tra qjali'; maogtrétang 

Ubih, «manahut ta lambaj; ngrirètang, 

draaiend past zeilen b. v. 't deksel of de 

stop V. e. stopflesch; weigeren ie geven na 

eerst 't bod aangenomen te hebben; makl- 

ritafl, zich inspannen f b. v. bij 't kurken 

V. e. fleach. 

ojeiJi^^, jav., z. irut. 



'^9en'^yitsii|^, ngorèt, strijken v. lucifers f 
(z. korëk). 

'|9en'|r:)^^, z gorot; ngorot, langs 
een getwijnd touw mei sa m huk wrijven om 
H glad te maken, langs de snaren v. e. rëbad 
mei den strijkstok, die daarom ook pèngoro- 
tan heet, met duk het glas van een flesch 
schurend doorsnijden; iigorot méginding wegens 
rëbad, bid.: badbadang dajané malu z. 
kosod en vgl. porot en kërat; pangoro- 
tan, werktuig bestaande uit bamboekokerhelf- 
ten, op de eene waarvan de vuurmaker aan 
de uiteinden den voet zet, terwijl de andere helft 
er onder heen en wéér geschoven wordt; uit 
't gat der bovenliggende kant dan 't vuur te 
voorschijn (z. pangusuan). 

gsinrotSTi^, s., ginawé (z. krijaté); 
nakaroti, tan ginawé. 

900 71 tsn ^ , s. , kftrit&wreddlii , interest fre- 
(aald door een bestelling af te werken^ Wtb. 
(alwaar karika). 

)si\sii^, sas., kèkèr (mad. trata, solor. 
tërata, sikk. rata). 

«1^^, s., z. onder kèfika. 

961 \PB^, s., Utt. 51, z, onder sau^kalpa 
en dèwaröi; vaak krëtu. 

«tn^I., kritftaagraiia, W. Z. 1, 4 (po- 
lih nugr&9, molih waran; m. n.), Adip. 
102, 103, 108; Ar. Z. 4, K; krétakrètya, 
s., krétakrètya tan pédjaha dèning asora 
rèsl dèwa dftnawa, W. Z. 14, 10 (molih 
kirti, puputii« k.), T. b. Z. 4, 272; ikang 



«> 



80 



«\ 



wwiif tapwan krëtakrétya, tapwan paiiid- 
dkakën ^atnrwarna, atakat ring pali prft- 
Jaii;ai bmangr ikA sanir krètakrétya, tlas 
maiiddhftkén dharmmasfldhaDa, kalalah sl- 
ran hèrakèD ikangr mrétya kadi kalalakninr 
mnaBt jakèD tèkaniiv Istamitra, tut. %9 (vert. 
V. prijèèAkrëtyatwftt, mrëtyor udwi- 
djaté narah, krétakrëtyAh pratiksanté 
mrètyum prijam iw&tithim); akréta- 
krétya, W. Z. 12, 13; kréladkamiina , z. 
onder dbarmè^ti; krétadtksita , z. ben.; 
krètasamidfty z. onder prajoga; krétasApa- 
tnikft, z. onder maru; krëtasangsk&ra, aanb. 
onder ëkadj&ti; krëtawara, Br. Z. 16, i 
(molih nugrii); krétawarauiia, z.ben.; krë- 
uparlksa, Aw. 39, bis; krètapuya, babu- 
9ruta, Adig. 63, krécajaca, R. 13 Z.% 27 
(moiib krélti, Inggas gawèn i dané); 
kréudafa, Adip. 115; Sut. Z. 48, 4 (♦jav, kar- 
tijasa^Ad., 4, 152); krétaJa^èBg rana, aanb. 
onder prabawa; krètajofa; de zoogenaamde 
gaudm eeuw, Utt. 106, Sut. Z. 1, 4, aanb. 
onder sawa II (vgl. trèt» en onder rènukè), 
Wtb. n 33; krit&kUsèka, reeds als vorsl 
gehuldigd met al de daarbij beboorende plech- 
tigheid, Adip. 84, 107; kréubad|afa, z. aanb. 
onder bogor en gombang; padang: kréta, 
Srt., padaiv kling. 

2«, kritaihanuBa, B. Z. 81 , 41 ; krétana|:ara, 
• raAamanggala, eigenn. vorst v. Tumapël, 
naderband Ciwabuddba, Ar. 16; bij was de 
zoon ▼. Wisftuwarddbana, ald., R. L. Z. 
1, 2. o., Verb. Btv. Gen. VIII (z. widjaja 
en djajèo^ patra); krètaradjasa ; z. onder 



w i dj a j a; mas krétawi^aja, oudste zoon v. 
Purwadjati en overwinaar van Sindu- 
pati; krëtapralaja, aanb. onder upakftra; 
krétabasa, nm. v. e. wdb., waarin oud. Jav. 
woorden verklaard worden, meestal door jav. 
en minder vaak door balineesche (is hier 
kréta in pi. v. sangskrèta?, z. onder as- 
krëta en èkalawja); behalve dat de exem- 
plaren zeer gehavend zijn, zal men wel doen 
de daarin opgegevene woorden te wantrouwen ; 
zij behoeven nadere bevestiging ; er komen sas. 
(b. V. lëkong) en voor mal. aangeziene woorden 
(b. V. la sa) in voor. 

II. of kërta, gebruik, bepaling b. v. van de 
sëdaban bij de verdeeling v. *t water voor 
de rijstvelden; kréta bali, B. gewijs. 

2«, s. (kart&, priesier) prieslerlijk rechter 
(krëtba, Adig. 1 vlgd.); Ida krita v.d. rech- 
ters; «anë4a kinrètan, om recht vragen, Hadji 
D. 36 0., enz.; np'élajang:, iemand voor den 
raad van kretas trekken ; ngrétajaiVf een staat 
ifi rust brengen door een beter bestuur, aanb. 
onder among. 



SS! tsn ^ , rust en welvaart genietende van een 

rijk, Sum. Z. 15, 6, aanb. onder landung. 

2*, veilig v. e. land door strenge wetten; 

» Hw. Z. 32, 8, Z. 65, 7. 
m^n\ L, z. onder akrëti. 

IL, Bjw., kart ik a (sund. kërëti of 
k ër t i) ; lintaag kritt, een der varianten v. Sin.; 
krëti dèwt, aanb. onder na ba. 

9Sii^\, s., z. onder pandita. 

361 \si^ L, Vgl. onder fata, kréta pant|a- 
jadjflja gawajënta panaknra hntani^a rinf: 



té•^ 



81 



«> 



wMU, wa^a ghomvfè sira saiy ablUftfata 
ranana Jogja sambramaii, itl fftsanènr da- 
■adi tan paléh*a ri dharmma Mng wika» 
>'ts. Z. 9, 3; bjaktft lAbhaning a^wamèda 
kritn lAbhanlra siuiwi riiir sar&laja, ald. Z. 
4, 6 (a. jadjqja). 
II.» z. onder kratu. 



sqotST)^, sas., bësar S« (mal. kërlaw, 
o/ 
lamp. karlaw en kitaw, Atjin. grëlo, z. 

T. BataT. Gen. XXIX 473). 

'^ isn o w:> ^ , raèkroto, voortreffelijk v. e. 

planl. 
v^ • 
l^n^st\, {ri kftittawlra prabho, Rm. Z. 

33. 13, nrèpa kirttawtra, Z. 23, 1, narèniira 

kArttapati, Z. 41, 6, aanf f ri k&rtlAdliipa eo 

{ri kjkrttèfwara, Ar dj una sahasrabfthu, 

ald. Z. 19, 1 en B; sapinasuking; kArttari- 

iijMirAdJa, Z. 53, 5; z. krëtawirjja en 

onder hajftngfa. 

T^^st\, s., verdienste; godgevallig werk, W. 

Z. 19, 4 (kasaktin, ja^a), «ja^a aanb. 
onder «rahab, alëm en Tooral onder ja^a, 
lèga en biabnr; Ikang kArJa maranbara 

■ 

swargfa, tapa Jadjii|A, klrttl, pangawmh 
kaja indryanlffaba , kapisakitaning garira, 
mwanf kahrètaning da^èndrija, Ja tapa nga- 
nuiya, Jad}iiJA ngaranya, agnihotradi, kapA- 
dfan, nng bjaop ^Iwftfiii pinakAdinya, wi- 
aèh matèmah aaéma sala (f ft la te lezen? 
b.: maiëmahan wufala)» wIkAra, paijja- 
■ipiii, patanl, paiQnran, tala^^ ityèwamftdi, 
Ja tlkA klrttl iifaranya, ika tlgmg siki, 
Jèka naphala swar|:fay lëwih tèkang: tapa 

«akteg: Ja4p|A, léwlh tèkanr JadJnJA aakènr 

MiL n. 



ktrtti, IkMif tlfanr siU prawrttti kadliMr- 

mmah ngaranika, kuiaiir ikangr Jofa, Jèkk 

niwrétti kadhammii(ii) ngaraiiya, Ag.: ygl. 

pArta; dimarfanè aéfak ngèltiiiri bëngoqg 

napaairteanf Ajëlsël awak tanpa kirti, saiir- 

kan kéné ko palanja, fr. (vgl. aanb. onder 

malu en kuna); ktrtiiiiD bapa, «pakaja^a 

sangbulun; papat iof of patas lor kirtl, 

«krëUrtha; raaiipio kirti in boscb of op 

't gebergte; t|ai darma pjanak bapa paling 

wtyah» tambahé dadi kasèst, katinggalaii 

bQang t|ai djamab apaag mélab, bapa lawas 

maogon kirti. kaganong alas, idépang bapa 

mati, Durma; mara kirti, aanb. onder sinigkal. 

«130^^, sëmut (♦jav. kariti); vgl. ba- 

kiti; tëba kiriti, prasanti (f). 

«1130^^, 8. (kirita), *makuia, t. 

k i r i i i. 

QSrfrotsu^, s., tuba buru, vgl. aanb. 

onder djanma; ktr&tarApa v. (]iwa, Ar« 

dj una bestrijdende, W. Z. 8 (Muir IV S51); 

klrfttarapadharai Wir. 43. 

9^n^^, s., Br. Z. 8, 11 (ardjuna), B. 

Z. 99, 9, aanb. onder sumbar (prabu kaliii 

anèng suranadi, titel v. Ardjuna, toen 

hij in den hemel beloond vrerd voor zijne 

overwinning op Niwalakawatja, W. D. 136, 

prabu anilikitt, Raffl. I, 387, p. kliii 

ook opgegeven als een der namen v. Ardjuna, 

0. W. 29, Gatal. 247); sangkan ingaran klriti, 

dak aprang lawan sang hrogandèwa, asèma 

katriwalahan sang pftrtba, marék ri sang 

$akra, nëbër sinongan makatanira sang bjaiig 

sorapati, Ivganggé dé sang ardjuna, kagjat 



«\ 



82 



^> 



wailwanira stBf hrofaDdèwa, tinAtan (lees 
ban) paaah dé sangr pftrtha tlas tèké tnha- 
nya, manirkwa sang; ardjnna iiipiran san; 
klrttii Uritl nfaraDinr makata; iii|:araii sangp 
afwasèta (fwèta), dub aprang: lawao sanf 
kAnnma wyannr^i anitihi ratha maiiik, apa- 
ngirid a$wa pArAnamasada kapat sami pètak- 
nja, manfka ing^araii sang a^wasèta, dnk 
atapènir indraklla, nairiini rl bhafawta 
dwèpiUanay pinaraban bhagrawftn wrèk dislh 
(f), pftdjaranya s^hk ring wttarAg^a, dok 
asnsapan (zich ▼ermommende namenti. te W i- 
r&ia) mantndra harsahhftra (mamiftda 
wariadhara te lezenf), ng^arau sang^ wré- 
hanala* wrëha nfaraniug: dawè, nala ngara- 
nii^r hftti, Tjt. 34. 

<^ 99171^^, sanir lollig: d^idra hawns la- 
iningsir akémnl djalada mirir awarnna kèrata, 
Rm. Z. S8, 11. 

«nn^q^, s., gagah. 

*^9en*^vn«|^, sas., putjuk. 

o«sn3ntsTi«i|^, kawratan, vrn. =ss tii 
(vgl. sund. kabeuratan; z. poratan en 
këbotan). 

«^n^. s., z. onder gunting. 

ibi^9Q^ (b.: katrini), rarasirftnrang: ka- 
laagéning masa karttini v. Subbad ra, Ar. 
Pr. Z. 18, 1; katnlion si kajnnir&ngèraiifi 
lanK^nln; $a$i karttini, Z. 20, 23; ararénp 
tang snrak gnmnmh èng karttini, R. L. Z. 
9, 78; dawnh kartbU, Djprm. 

nvn^a^, s., aanh. onder idta, Br. Z. 
«, 9, Z. 80, IB; W. Z. 21, 2 (puput ipg 



kirti, putns iiiig kr.; jav. ook kétërta, 
R. bl. 77, 19), aanh. onder prabawa. 

9Sii^9a!|^ h, (?) pékrëtak v. 't geluid v. 
noten met elka&r in aanraking komende, v. e. 
^J^SM^K^ (batav. kataratak); vgl. «kaka- 
ratak, krètèk, krotok. 

IL, sas., kwam bit. 

)6in\n9^^, ta., karatakan banja, ^a., 
Us. 218, ter. 

9Sitnn|^, mal. (gërtak?), aanb. onder 

dudul (dus krëtaq). 

«ini»]^, vgl. krutuk; krëtëk*, z. bij 
Ijëkut'; ngrëtëk, klapperen v. d. tanden 
bij 't bijten op beenderen, koude (ding in 
ngrëtëk), bibberen v. d. ledematen, «angu- 
rut uk; ngrëtëkln, • op iets /MiiitiMm als kornak, 
een been v. e. hond; iigrëtëkang, vaari bij 
iets zetten, eene l>ezigbeid zonder uitstel trach- 
ten af te maken; pakërëték, «kumërëkëi. 

9Q|^(SU^^, z. onder grita. 

« ^ 9sii| ^ I., dunne reepjes gebraden en ge» \ 
suikerde pisanig of klad i (mal. en oost^jav. ' 

këripik, sund. kiripik; vgl. bloi^soi^ 

i 
2«?); ttgritlk, eroquant als gebakken tjotèk, 

in tegensL v. maiët; lyrltlk, «mrikitik, | 
vgl. rënjab; kakritikan, «prikitik. I 

II., angfigila tingkahé saqg Jaksa, Skvgü- 
wah ngrakqgërik, srëwya dflmprak*, au 
sibak aBfga(iga)nira, talang ofnéa au ka» 
ritlky wani laraagan, Ur dtegdèif nanytanf 
gëni, R. aas. Z. 3. 

9Sit$iK^^ 1., vgl. krëtëk, H geluid v« 
knabbelen op botor, kornak en diergelijke b. v 



lÖI^ 



8S 



«i^ 



2«, ia pi. ▼. 't jav. klaiak, benaming v. 
e. vol pillen zitleode pisang-soort (Bbg. nog 
biju bato, men. lambatu), verschillende 
T. d. bijo gëdanig saba; de nog wrange 
voor iodëk, de arës er van zeer gezocht 
Jav. k lul uk); apa iaftr Qal kmtak*. 

3*, K. A.; qaqah. 

II.« z. kot uk. 

"1 loi tsi aj^, Bfuiètak. v. 'l geluid v. lieden, 
«ite bamboe vellm: pakorètak naAdaaiT tt^Qf Rm« 

')Kontfin|\ 1., pakrotok tkan; fila, 
• kumnpak likang watu; bata krotokan 
T. e. onvmehlbaren grond. 

IL, sas., krollljoiilgatt. 

«^isi^nisirsitAjn, t. onder kèfika. 

citfi&oisi«j)t5ii^, aanh. onder upftdhjftja 
en pii^kér; brfthmaAa krètadtkslta, T. Z. 



961 7| tsi TSii| ^ {?), anirnrukut v. d. tanden 
V. iemand^ die H koud heeft, B. Z. 10, 4 

(ngrëtëk). 



o 



1 



j, l (b.: 08 apodgaia). 

knSia^, 8., B. Z. 1, 2 (katjatur), 

• labuh kapat; praharsanira tolja kftrttika 

iatëof, B. Z. 49, 6 (léwih ing suka dané 

Iwir tambèning kapat, dahat tusta 

ida Iwir kapat raüh), hjanjniing masa 

kirttika, Sut. Z. 43, 16 (hjang ratih); 

nnklDf kftrttika soniJok, ariris tlrthaning: 

aksi V. luid geween, Kid. sund. Z. 5, 5, aanh. 

onder wanftnlara. 

ya^nisiN, 8., de Pleiaden; Jan hana witt- 
op '^ 
taaf kadi paras* rApanya, Jèkft krëtttka 

Bftranya, oëm widji wintan|:nika, Ag. (jav. 

Iintai^ wulub, vgL karlini en kërti 

en onder èrang*); vgl. War. b. 83, z, 

Urllika. 



36ii\ffiioo;«j^, s. (krëtiwftsfth), (liwa. 

961 tsn ^ ^ , mal. of jav., ben. v. Europeesch 

papier; dalowaof krétaSi z. onder lapis. 

n\n^^, karitis, krëtis of krèlès, 
jav.« pakoritis V. zweel , «lumilis, v. golven 
(vgl. karotos en «kiritis), Heg. 94, (b.: 
tarik); kritisan, •hishis, «karirisan; 
kakrittsan, «kasiratan; i ndjao ngrilia 
komt als eigenn. voor in een bal. gedicht; 
krètësan sarkara, «lustusninig madhu; 
krëtèsan damub, «titis i bëbun; ngrè- 
tësin of Dfritisin, bespalten als inkt papier, 
besprenkelen v. vocht; vgl. këtis. 

n^notsDAjl^, «kotos^ komarotos v. 
zweet, Wtb. III 19 (jav. gomrobjos), aanh. 
onder kèruk (vgl. jav. tjaroljos, tarotos 
en drodos); vgl. kritis. 

QSintsDtjt^^, kréta en oöadha, genees-' 
kundige. 



g6i\siiui^^^, Iwir wipra krètawana, Wir. 
48; hotrawfthanaP 

96ii\si)oin\, akrétawara, Br. Z. 15, 2. 

9611 rm oi tAJiu , s. (kftrllaw.), vader v. 
Ardjuna sahasrabfthu ^z. onder hèhaja), 
T. Z. 1, 4 (ardjuna sabasrabahu), R. 4 
Z. 1 , 24, Ar. Z. 54 , 4. Adip. 78 . 98 (vgl. 
krëtu in pi. v. kralu), vgl. onder k&rtla. 

96IIVS110I a^, s. (krëlawarmft), eigenn. 
V. e. aanhanger v. Durjodbana (jav. ook 



I 



*> 



u 



ilbi\ 



katawarma)» Br. Z. 1, 1^ Adip. K; Krsn. 

Z. 14, 18, Wir. 7S, aanh. onder soptika, 

onder de ▼oomaamate kdrawa's, Ud. 109; 

Japwan wng pinakAiVKarftkm ha4|i (KrëéAa 

namentl.) tiwig samara sahaaa saiy watik 

Jada, aanir mantrt krétawaniMna sfttyaU 

samAmawa slra pinaUisi(d i r)nttimftn, Hw. 

Z. % 4. 

iei07\U9^, s. (meerv. t. kftrn), uftdagi, 

I. kftraka en vgL girajah, alajah, su- 

manaaa» bhawah enz. 

tsi\siuin\, eigenn. v. d. yorat y. Boiya- 

nftgara in de Hadji D. (de Darmawisèsa 

Y. d. jaY. Apgliiig Darma). 

9SK7itnru^ L, s., B. Z. 19, 2 (tlapakan 

lima; z. onder lëpa^) «tai^an; kakara- 

tala, «winawèng hasta, Yerkregen door 

samftdhi, Sum. Z. S, 3, B. Z. 18. 9, Z. 1 

z. kartala. 

n., krëtala L, karatala kadga, R. 4 Z. 
1, 1 (krëtala mwab kandaga, mangagëm 
kris); tinéwikiilièw karatala, R. 22 Z. l, 
52 (tëëg dané dènipg talapakan). 

i^tsifu^, Yerk. y. karatala; wani kar 

kartala of karttala. Was. Z. 2, 1: kakar- 

tala, ovarwoMai^ T. b. Z. 5, S, YgL ald. 4; 

kakartala saktbig flp« (R. K., sami pu- 

run) atiièka waraiin y. d. deugdzame zonen 

Y. Kombkakarfta, R. m., Ygl. aM. Z. 30. 29; 

aBlyaata kakarttalaattaaka, dènU nariig 

sMi Mam^é, unim rlqg tuwaal rèiaata, 

Tj. A. a. 4 (b. efwaoo). 
lo^mtu^ L» 1, kartala. 

IL» dgeuL, Ar. Pr 7 •. 



9snmfu^, kakArttalanta, uw droevige toe- 
stand f, Tj. A. 2, z. kartala. 

«tsuru^ I., W. Z. 23, 4 (pédaii^), B. 
Z. 103, 3 (bétala), R. 20 Z. 18, 5, 22 Z. 
4, 12; z. karatala. 

II. , eigenn. y. e. Yolgeling y. P a ft dj i en 
Ardjnna, Ar. Pr., waar hy met Punt a; 
Djurudëh en (]iwadjnjana genoemd wordt, 
Y. Wasèng, Z. 2, S5 (toen de ino y. Kori- 
pan Yernam, dat zijn geliefde Yerd wenen was, 
Yeranderde bij Yan naam en Djurudèh kreeg 
den naam Yan Wirun, Ponia dien Yan 
Andaka, Kërtala dien van Kalang en 
Persanta dien y. Sëmar, P. Sg. bl. 159; 
een ander P a n dj i-Yerh. in proza, noemt als be- 
dienden Y. Ino Kërtapati Kërtala, Andaga, 
Wirun en Kalang, z. onder dit woord) 
z. onder ^ridanta en dyab. 

i5in«fu^, Hari?. Z. 3, 7. 

n 96171 ^ru^ kèratllataata (tan tuf) y. e. 
kleed; B. Z. 74, 1 (dumilab Iwir tatit); 
kadi kèratfla stau^JiiV Ulati katJaU mom- 
baklng banju, Rm. Z. 5, 2. 

39tsinj^«j|^ s.. Ar. Z. 14, 3, aanh. onder 
balwan («jaY. kratalasa, bulus; RaflQes 
Wdl. groeme of daidcerklewrige hagedisy bis. 
tambolasa, Ygl. krëkala en kèlasa, Ygl. 
onder bunglon); kritalAsa rakwa témahan 
dkan^ Ma^ganuBbat i^g k^Jo, Ar. Z. 14, 3. 

»nTSiu]\, Bjw., figuurtjes v. geel of rood 
pupier op 't witte papier y. e. Ylieger. 

iqi^ujn, Ygl. taritip, op de rotsen, in 

U i 
zee, zeer kUue wMsselseart, wordt genuttigd. 



\ 



85 



961^ 



aLs xe grooter geworden is (Bjw. id., sas. 
rtlip) z. onder «uwar^, sarisipanen 
kripit. 

i; ben. ▼. e. xeer kleine aan de boonien 
sroeiende paddestoel (Bjw. grigit, volgens 
jaT. Wdb. oneêibaar). 

«itsnu^y z. onder ka Upa. 

icinr$r5UKn3n^ , s., geholpen door, aanb. 
onder wwat v. d. voornaamste belden v. e. 

« 

letter, üd. 109 (waar krStopakft). 

?cinw:)unccit>*^, K. 1, Sum. Z. 18, 1. 

isin\sr:>u^tu\, R. L. Z. J, 4. 
J • 

» tn jn \ , s., dankbaar, R. S Z. 4, 1 (wruh 
iog guna; vgl. onder utang), «gunaraftnla; 
krèudjnja ngaranikanang wrah ing gana, 
Spt. Z. 6, 259; z. krëtaghna. 

Kitsin;j«^, «guAaniftnla (z. onder 
u'aAa), aanh. onder (rëpggara. 

)ci«trDtffn\, 8., B. Z. 104, 7 (sang mo- 
lih iqg raös), «gunamftnia, R. S Z. 4, 1. 
13*511^, z. onder krëta. 

?^*5in, aanb. onder kftlada^amuka. 



uJt;)^, B. Z. X 18 (wruh ipg 



(tanurdara, w. ing aslra). 

K>rsY:)nonj^, 8., W. Z. 58, 8 (angabakti, 
laha bakti; vgl. onder kutjup). 

^isfEOisu^, s., eigenn., aanb. onder dhé- 

oakft. 

>^rSini|^ I., kumaritif v. geweren, ook 

k o m a i l i g en dit ook v. 't geluid v. d. 

kalkul. 

• II., kritig z. onder mëSItjur. 



3QI 



^ tsi n| ^ , atlné djëdjëb knmratag, z. on- 
der krëtëg. 

9SII t^ isiR ni| ^ I., makakérétég, R. 7 Z. 12, 
24 (pagalëdëg); kamarëtèg, «kumëtëg, 
«këtë'gën; dé békang tangkè^Jat pisan, 
kali wat atiiié rlmrlm, kumrëtèg atlné gaOk, 
Bt. 340; djëdjéké tan aipi*, pakarëtëg ba- 
Jaué, fr. 

II.« jav., naast tratag, «durgaQtjftra, 
een brug (vgl. djëugkuüng en titi); wol 
kérétëg, «durga safitjara, Kr. 48, krë- 
tëg kosa, z. krëtëgosa. 

yi^rsnnj^, tèg kërëtog gëdog, B. Z. 
87, 27 (makalëtèg pagarëbwag). 

?atsini|^ I., paknkratag, p. adji. 

11., z. onder mëütjur. 

"I^oiininll^, mamëdtl kamarètag, Bgd., 
vgl. kumaritig. 

orjrsi|n|^, angdak angnmtng, Tjt. 222, 
atakat kinarntog, B. Z. 88, 13 (dj rib ja 

katutug). 

g^tsiK^^, s., ondankbaar, T. Z. 3, 46 en 

87 en 60, Z. 4, 87, Z. 5, 97, R. 6 Z. 8, 
12 (tanpatutur): tut. 42 (bis); de tijger, 
uit wiens klauwen de apin hem gered bad, 
den jager weder aantreflende, wilde hem niet 
eens opvreten en zeide , ge denkt dat ik u wil 
opeten, nor&rép kami kita mitradro- 
haka milu pftpa saugsèra jan kami 
amaugana ri kita, daarop druipt de jager 
beschaamd af, en bhagaw&n Bhasubbaga, 
dit ziende, maakte daarop 't volgende zeggen, 
Ikai^: wwang krëtaghna winawns tanana wong 



w^ 



86 



961^ 



saldlii irija taiiana djog^a saddlii amangran 

dag^ingfnya mani^kana pApanikaog: nisada, T. 

b. Z. 4, 186; z. *tan wruh ing hu tangen 

krëtadjnja. 

gsitnnnowi^, niii. v. e. hooge balé v. d. 

Dèwa AgUDg; volgens anderen krëtég kosa. 

o \sii ni| ^ , volgens 8 jav. hds. v. vaandels, 
W. Z. 38, 1; V. strijders, ald. 5 (grëdëgan, 
krédëkan); z. krëbët. 

9SII 71 Tsn UI ^ , kleedingstuk op feestelijke 
gelegenheden om den hals gedragen, aanh. on- 
der wiku (waar bet origin. anggada beeft), 
«singhëlan, «sii^ël; « bftbubhüsana, 
• bftburaksa, «këjüra; vgl. kilat- 
bahu. 



IL, olIUngr makras baqja nibiyaop sa^ 
kèng: asta, «wèlnii]^ baogéting lopas 
nyèng taogan, L. Z. ^B, 6; mèkras ngélo- 
dang:, niAkras lyaiUuaiig; kèmérasy z. onder 
dëras. 

9Ska!^^ I.^ mèkrës më4ialan v. velen tege- 
lijk, vgl. krus. 

II., z. onder krësa. 

Qsi^^y jav., h. V. kadutan; VV. Z. 25, 

6 (duüng), «anféris v. iemand, die in den 

strijd van 't paard stijgt, Was. Z. 2, 28 (vgl. 

onder bahud); pakrlsan, eigenn. v. e. rivier 

in 6j. 

9sa^^, krasknis v. e. hoop visschen, loo- 

pen de varkens (vgl. mërondanan); djalan 
djani barëng: iqfalih, kadnknh baTéng onja- 
n^n, laflt madjalan makérns, Ls., vgl. krês 






«SKnrr>\sii\, ananakti ring: tfungrknb ing 
karotini:, ana pwa ^abda bhatftri karéngé\ 
Pam. 32 (Kid. Z. 4, 295). en grus 

900^^ I., krosan, '/ schuwend geluid, 
• pater (ning bahitra); vgl koösan. 



c o^ 



»| ^ ^ , Bjw. , i ng g ë 1 (batav. id.) ; ook 
brintik, dat ook jav. is. 



QSiiyiw!]^ I., B. Z. 18, 3 (pustaka, së- 
sëran; vgl. jav.), Sut. Z. 46, 2: karasrénik, 
• pudak mrik, z. onder tjarik; ri dènyan 
alpa pangraraska g:lta kakawin, Br. Z. 37, 
8 (olibnya katunan pamarna ika ki- 
dui^ kakawin, antuk kalunané pauga- 
win tityangé k. palambang). 

II., sas., vrn. = lompaq (mak. karasaq). 

isinsn^^, sas., këtat v. d. grond. 

«aS]^ L, V. woorden, B. Z. 77. 1 (ma- 
pëdës rasanya): R. 21 Z. 8, 5 (vgl. jav. 
R. 448), «gabhira en «gambhira; ma- 



il., sas., kubal, ook talin bëtuk. 

^^^^ I., aUris, mager, Hadji D. b 62 
(z. kèris en vgl. mal. kurus); kirls téka 
kë^ndj «luru tëkftmënësi. 

IL, «ga tra, W. Z. 17, 4 (pamulu), 
akiris V. e. natar, Sm. Z. 1, 21 (nja&k), 
• arata, Anj. Z. 10, 4; Bh. bl., v. 't haar; 
W. Z. 5, 14 (njëlëp), R. 4 Z. 1, 3; 6 Z. 1, 
25, aanh. onder lëi^is en aftda wësi; 
lëmwa hakiris, T. Z. 4, 32 (mok oh njaak), 
Z. 4, 47 (mokoh njëlëp); maUris alému, 
glad en vel. Kam., T. b. Z. 4, 49, grèlnn; 
kras V. d. bast V. e. boom, 21 Z. 8, 8 (kabkah). akiris, L. Z. 3, 14 (roma wilis; z. ngë- 



> 



87 



«i\ 






lép), gamilap, Kr., akiris ttls v. boomen, 
die welig staan, R. 16 Z. l* 14 (njaftk 
wilis, mokoh ngëtisin); makirls tikam: 
taken ank lawan lata» B. Z. 39, 29 (paga- 
lidir, malurns), maklria hUinyAhénlog, 
R. 2 Z. 1« 36 (makëdèp, magëros, mali- 
laqg), aanh. onder rëmrém en mrëtju- 
k o D d a. 
8|7iiu|^, knraaan, aauh. onder wurag. 

y\9j\\ I. «jav., maknris, zich scheren 

magotra); ngnris; scheren 't gelaat (alf. 
kumuris, vgl. gundul, tbës); kèknrisan 
(erwijl lélèntèk grof zou zijn), als vrn. v. 
tijaput; vgl, onder paras. 

• IL, de pokken?» aanh. onder ft dh y ft t m i k a 
en tniu (kmb., tjatjar, mal. v. Kul. schurft^ 
waarmee vgl. mal. kudis; lamp. en sund. 
ie kinderpokken, die in 't bat. uris heelen, 
<oodat zij uit 't zuiden moeten gekomen zijn, 
daar 't de Mandailingsche uitspraak is; vgl. 
korès); kasarlking knris, War., nrèm (b.: 
orém) aivfirik, ngèlwapnjëng warangknrls, 
Brb. 1 b. 

wj^inAj]^, sèh (^iyi) knrès, eigenn. veder 
T. Rëngganis. 

nrair) w]^, z. iras II. 

ndTiA^xj^, jav., vrn. ss brag; of kiris, 
Sebnk lyden tegenov. èbuh v. e. land, waar 
koR^ersoood enz. heerscht, Us. B. ; kakirlsaBi 
vgl. onder kiris. 

'}i&r>nr]MÏ\, kërèk, aanb. onder ojog 
^l onder koris O., sas. abong II, terwijl 
te Ampëoan 't bug. tjolaq in zwang is. 



djangankën sëntara putëri sadrang 
aku bërikën anak andjic^ku jang 
korès tijada aku bërikën kapadamn, 
mal. w. 22). 

^u\, z. «bar6a, vrn. a budi, wa- 
Img karsa naast w. a t i, Dpt ; ngarsain vrn. a±s 
m b u d i n i n ; ngarsèni met iets genoegen nemen, 
in iels, een voorstel b. v., treden (vaak in brie- 
ven zonder dat 't juist v. voorn. lieden gebe- 
zigd wordt); ngarsajang vrn. «= mudijai^; 
kaharsèn, «kftnumata. 

'mM\ of kurasi, mal. of jav., zekere 
roode kleedingstof met gebloemde witte vier- 
kantjes, vooral door vrouwen gedragen; geillu- 
mineerde süs, rood met geele bloempjes, ook 
voor sabuk, udëng en kambën in gebruik. 

9Q|i^^, s.. «krëpa, gebrek /ijien aan geld 
enz., T. Z. 1, 55, 56, krësangësah v. bloemen, 
Z. 5, 88 (ibuk ujang); roksa krësikom, Z. 
5, 60 (gësit brag mangrëngkëk, gësut 
b. bwin atjam); ook krësyah; vgl. aanb. 
onder krëpa en gabëng en z. rësa. 

S^ eigenn. v. e. rësi, die (^rënggi spot- 
tend onder 't oog bracbt, dat Pariksit zijn 
vader, (] a m i t i , een doode slang om den bals 
had gedaan, Adip. 

gqi ^^ , V. e. kat ijverig muizend, v. e. hond, 
V. lieden ijverig den kost zoeken, vgl. imput 
en ingsa?, z. onder grcmi. 

^u^, s., ri Uas sang kaatrija midjil 
saqgkèqg bfthn, midJil ta sang wè$ya sang- 
ké pnpü sang hjanpr, kinoniran unnlahakë- 
sang krësikarjja, mwang rnmaksang Kmba, 



^> 



88 



^\ 



pinakas&dhaDanyan pasawah*, pinakopadjt- 

waningr (rëstl dopya, fr., nirkftnA tèwèknya 

irlkaflg: mag^ag^A masAwab, lAwan töwèknya 

krëèikarmma Ja tolahanya, Brh. Z. S. 14. 

9SiiM^, ogrisa, sas., oguniogin, mbë- 

nahin. 

'lïQptN»^, s. (vgl. «roh I); Adip. 92; sa- 

krofia, Br. Z. 29, 1, Sut. Z. 120, 7, 122, 15, 
Z. 109, 5 (waar kof a) kro^a*, allen zoovelen 
als er zijn? v. naar den strijd verlangenden, 
Z. 126, 4 (rodra matëlasan), Brhmd, 56. 

n9eno«j^^, jav., vuilnismand v. papah, 
ook ter omwikkeling v. nangka's of rijpende 
bananen enz. aan den boom om te beletten, 
dat de vleermuizen enz. ze opeten, 'tgeen 
ook geschied met een kisa batu (v. gfibang- 
bladeren; van dj a ka-bladeren, wajut); soms 
om boutskolen in te bergen; ook krofidjo; 
mangundit sroso ibus v. e. bedelaar, Bgd., 
vgl. sëngkutlb en sfingkuür. 

2*, kooi V. papab, grooter dan de kisa, 
om klophanen in te vervoeren ; vgl. pëngaduan. 

QOjTi^jo^, s. (zekere plant), Lamb. Z. 28, 

2 (kalimantëk). 

9si7i^^, sas., zekere roode zeevisch; nog 

klein is de naam bling^. 

9sion^^ of kurèsin, eigenn. v. e. vorstin 

V. geesten op Djabal-kap, Meg.; in de Moham, 
verbalen, als de Djubil en Wilobang, ku- 
rahèsin; de Djubil en de Adjar wali 
noemen hare verblijfplaats Asrak, 't geen dus 
't perz. jijj) moet zijn, daar Amd. a dj rak 
naast asrak en 't jav. ifgadjrak heeft (jav. 
kurahisin dochter v. Ambjah, z. onder 



amsyah, blJ Ismaja, dochter v. Tamima- 

sar (Men. II 167), den vorst v. Ngadjrak, 

't rijk der geloovige djin*s. Men. II bl. 200, 

Anb. 209; h. H. 45, noemt haar v^y (J^/'* 

Med. Zendl. XIII 393 noemt baar Kuraèsin 

en baar verblijf 't eiland M a dj é r a k ; vgl. ook 

Anbljabl. 209 en onder kamadi; een exempl. 

V. d. Meg. 415, bala adjrah mamapag 

djurit, in pi. v. baja adjrih mamapag 

kai, waaruit men ziet, hoe de afschrijver met 

vreemde woorden omspringt); ènèiig;akéna sak- 

sana, kawamaha ing: adjrak kangr nagrara, 

patranira (sangr) ^t^^ng satra (a)nania tja- 

krakusama, aja lawib tanana sasamauipan, 

sasamané kangr wanodya, prakosa tanana 

tanding: „katamnan déné swara, èh sang: 

dèwi san awarab sirèki, nmanlra(nta) sang; 

djajèng satm, mangké kasor ajada, lintang: 

kalaron ramanira^nta) puuika, kabanda déné 
wong: kupar, mang^ké ing: nag:arèng: bèsi 

,,llnëbok ing: pëti sira sgang: wéng:! kaObor 

dèniug: géDi, g:radjita slra wong: ajn, (ma) 

patib salasil paman, paman radasatlr maja 

alnmako, maring: (mring:) nag:ri abësi ika, 

bapa amir kasor djarit „dan angratag: édjim 

adjrak, sapraptanè nalja pada Inmaris, ring: 
abësi dèpun djudjug:, sgang: wèng:! ang:g:ag:ona 

(sic), prabu é^Jim satiDgg:il maiig:ké kawuwus 

aiig:adaiig:adang: nèng: (anèng:) g:ag:ona (sic), 

sing: prapta mbantonl amir iig:alang:Iaiig: ing: 

dadalan, dèwa adjrak katjnndak ring: wijati, 

sama èdjimé kapétnk, djabalkap (ka)lawan 

adjrak, sri sating:g:il waTang:Dya (?) akatèmn, 

Aw. Z. 6 (b.: kawamaha putranira 



> 



89 



«61^ 



Mramir, ni dèwi kurèsin iku, tinu- 
rooan iqg swara, èb sang ratna isun 
awarah sirèku, ramanira kaaor aprang, 
imrtpiiy radja abësi linëbok ivg 
tabla wésya, ing oboran iiifg gni sijai^ 
wëqgi, gardjita nala saiifg aju, raden 
lalasil paman, mwab ki patib rada- 
siilir kaqg lumaku, maripg nagarèi^ 
abésya, rama amir kasor djurit „dan 
bala ëdjim ing asrak, kang kotjapa 
sampan sira lumaris, iiig abësi kaï^ 
ièn djugdjug» dijang dalu lamampah, 
kawarnaha sira djini satiuggil waQ, 
ai^adai^ anèpg dadalan, jën ana 
mbanioDi amir „iku karanii^; anga- 
daqg, dan sai^ dèwi asrak katëma 
iO([ margi dadya djangkëp (taogkëpf) 
ilalëmu, asrak lan dyabalkap* djim 
'StiiVgil asrah wirai^ djronii^ 
UIba) TgL onder sodja. 

KiAJ^^ or krësaP krëpa. 

n«^M9\, iLrèsèliaD, «kisik. 

77iM9s!|^, z, onder kurèsi. 

^v*^^ I., s., B. Z. S4, 10 (pangak- 
sama, paifgrumrnm, rumruni); tèlasnya 
klkarMBa« Sro. Z. 6, 12 (di puput paogas- 
lawané); Adip. 63, 43; UkarsaAa, verleid 
door bartstocbt, aanb. onder ruku (op al deze 
3 pbatsen ka en ftkarsana bedoeld); krA- 
rbuwA wiMDya (ooya tékapiiy mantrft- 
wMftkarsaia, Nis. Z. 1, S, Br. Z. 46, 9 
egar, ma h jan); kakarèana, overgehaald, 
enrimgd door aanrorende woorden v. weder 






moed vattende aanvallers» T. Z. S, 8, Z. 3, 16; 
wènaog pang&karsana (b., paiyftrftdhana) 
dèwatA Iwirning dApamaotra pawèhnlra, v. 'I 
geen Durwftsa Kunti scbonk, om een god* 
beid tot zicb te trekken, Ud. 92 (vert v. 
ftbwftna; 't origin. 4904); pinarlkaaiiiQg 
knlan ikang mantrakarsana « tamoD dwa 
slnifgih bhagawAn dnnrwafa, ald.; karèana 
Ikaiv roma, aanb. onder pupgu. 

II., 8., (sangkarÈana, saug weggelaten 
zijnde door aan saqg te denken), Baladèwa 
(z. kakarsana); karèaAatanaJa, v. Nif otba, 
B. Z. 43, 9 (bala dèwa putra). 

9aYN)09^^, s., «agni, apnj mnnggwfog 

kamasan, kiranyarèta, krè$ADn, dJAtawèdA 
ngaranya. 

nsonUDQ^en krësani, z. onder purasani. 

361^^, kasna?, sotya Jajah kraana ogra- 

wit V. d. oogen v. Jusup» Jpa. p. j. Z. 6; 
dyan klnaijakëna slgra, nnli dados antyanta 
wamaning djnngaty opatjaranfpnn sarja maa 
pinatik ratna adl, niJaiig kadi ta ngrawlt 
Dingkang pagnlingan émaa mangké saijadi, 
awarna aosotya nmmb, tinatrapan aosotya 
mantën mirak matyara lan aosotya goog, 
piB&qgka tarib mas abang pinatikiiv ratna 
adi, tékèng Inbnr tinatrapan krasna mnmb 
mnntjar sènënirèki, dèniqg nawa ratoa mn- 
mb, sinirap ing mas abang, bioatarlQg gëiab 
padooing babatnr, ingajèngan Ing mrak mas, 
anètra mirah lar rnkmi, kang papadjangan 
asinang, enz., «ald. Z. 10 ('t bal. bds.: krë- 
lasl); bds. bt.: kréana. 



«1^ 



90 



^> 



pada mac^utjap lapa brata, Idwan 
latwa mabbèda (ftstra ri pasanggraha 
(jumatjad i paköaning para, ndftn wruh 
jan kita kirananya kiia sangkani 
kapara(riP) nahanya tan wanèh, pang- 
linggan hana sarwwapakéa humidëp 
kita sakala djagat jajan lëpas (lof v. 
KrëéAa), Hw. Z. 42, vgl. onder tëpak en 
B. Z. 107, 7, c. en vlgd., üd. 90. 

3«, in pi. V. krëëftapakëa, R. 10 Z. 6, 
2 (paqglong); krésAapakèa, de donkere helft 
V. d. maan; krèsiiatila, s, zwarte sesamum, 
R. Inl. 24, 27; faila krèsAanya v. d. Mèru, 
Ar. Z. 8, 10; majanir krësAa v. d. lafitjingan, 
R. L. Z. 8, 37 (maid slem); krèèAawartmft, 
s., apuj, tut. 56; kresAadwtpa , nm. y. 't 
eiland, waarop Bjftsa geboren werd, tut. 1 
twasnini: pidapa krësna, U hardste ebhenhmt 
de kern v. e. ebbenhoutboom, Kk. Z. 4, 1 
matanya kadi mas slnépahafl andéran kadi 
kréèna (zoo zwart als ebbenhout), Tjt. 229. 

II., onder de nawaratna, z. aanb. onder 
sëngkér, kasna?; samambarat Iwir hudaii 
ika, ja ta matémaban krèsna, T(. 25 en 
een weinig verder s. Iwih undaka (Iwir 
u d a k a f ) , z. beneden verdere samenstel- 
lingen. 

QSiuo^, s., B. Z. 66, 2 (bini). Adip. 92; 

dèwt krësna, «sang patibrata, «sang 
dropadi, z. drupadbfttmadjft. 

«vo«*]3n«ii^ , s., (krëf ftnnrèt&li), 

Ciwa. 



9^ UI ^ , s., zwarty l#ir saiy ttjan; liari 
krësAawarAna, Sut. Z. 133, 3 (mapamulu 
slem); benaming v. e. edelgesteente, aanb. 
onder paujëlëk. 

2«, eigenn. v. e. incarnatie v. Wii^ftu 
(vgl. djëlitëng en onder sum bar, wadha 
en tjamani), B. en Br., waar bij als l>ond- 
genoot der Paftdawa's een groote rol speelt, 
Z. 9, 16 (Wisnwang^a); de pop hem voor- 
stellende beeft , evenals die v. R ft m a, een 
groene huidskleur; p indab ta bhatftra 

pètba madhusAdana lihalana sëra- 
babingbulun, sang bjangniqg hjang 
anindya sftrining atjintya kita para- 
matatwa durlabha, nist&nt&n atisuk- 
sma mogha tëka ring djënëk amabaju 
joga sasmrëti^ Iwir mèjè kita tan ka- 
ton ri hënënging bënëng anêwasakën 
war&dbika, andëlning tjadu ^akti lën 
hanani ai^tagufta ja karaAaota durgga- 
ma, èwëh wastwana sarwwa mürtti 
kita sarwwa gata humibëk ing djagat- 

traja, hrahmft wiëAu mahèfwarft ndin 
apalènana kita iuwin èkapArwwaka, 

kwèbning gina lawan krijft pwa mawi- 

bbèdjya ta kita dadi saptas&gara, jan 

ing srë6li kiié sëdëugta magawé djagat 
irika kitan pit&mabé, tatkftlanta miwë' 

triloka pinakftfraja karaAa kitan dja* 

nftrddana, sangbftra pwa tëkang mahft- 

pralaja rudra kita gumësëngirikaug 

sarftt^ itjtjbftntftn pa^arira bbëda para- 

mftrtba kita sasiki jan sadftfiwa, kwèh- oavooQ^iV »•» titel v. e. këkawin, ge- 

ning bbiksukapakda fèwa rë&i sogata| trokken uit de Mosalaparwwa, Adip. 7, 



> 



91 



«1^ 



htMtaide den dood ▼• Krësfta eii de zijnen; 
de Tier laatste parwwa's zijn daarin mede 
verwerkt; Tgl, krëift4jana. 

3^7^«\. s.. «lutui^g, T. Z. 4, 53 
lltttQifr); ook kre&ftaroDia; krèsnaroma, 
Was. Z. 4. 19. 

« v^ïonan^, zwari er uitzien, Rm. Z. 45, 



3. aanh. onder tanu en aftdawësi; Tgi. 
BÜikira en (wètftkftra. 

ia^»iQ\. een edelgesteente v, bizondere 



waarde, zwart met witten weerschijn f 
«^«^71^, z. onder nyangku. 

J^j^^^^ï^J^, z. onder tjftmara. 



P^'^\» *•' 2- 8*g2i til*k, krë&nalam, 

\J ■ 

aanh. onden likift; hërsuntii^ k., F. x., 
119, sabaifg k., 110. 

» w^fueJjv z. onder krfièöaia. 

ia ko n x^ ^ , V. iemand , die hoete doet , 
mo T. Para^urJima, Ud., 132, v. Wèda- 
wati, lat. 31. • 

avouiiQ^, akris atraptrap krèsi&ajanai 

Ww. Z. 3, 26; nm« v. e. kak a win (de 
krè&Aintaka?), z. triguna en onder 
griqgsiiy. 

^.V2£}^^• s*f araaok krttAambar&kai- 
tjifa T. e. jaKer op jacht gaande, L. Z. 2, 3 
(anandaiiy dodot iréng makakalambi). 

aCio]^, piragin tityam: makrèsélLaB, 
(A kêofde iets riiselen ?. dieven, vgl. onder 
kiipat; vgl. «kurasak; laman sampan i 
kitit saréog ianpos sapgsarané akrésAkaa. 
bèsak tttyang aiidjaMna malili (met i k ë t u t 
i* Séwagati, op wie hij verliefd was, he- 



doeld), Swg. Z. 1, 54 (akëdjëp); tiba rinf 
ffCni né mornb, akrësèkan raris pëdjah v. d. 
2 aapjes, die de jager wilde opeten, T. hg. 
Z. 6, 6. 

^^«1^ I., vgl. klisik; mëkrisikan, 
zich bewegen, veizoenen; kalantig maplësëk 
tong makri^&ikan, djaran gadjab pada ëbah 
djaol twara dadi ngnrlsik to njlrlai^; pada 
gëmpo^g kalab di pasQatan, Br. K. (Z. 13, 12). 

II., jav., knmrisik v. e. kleed door den 
wind. Mal. 120, vgl. krésèk II. 

W]^sji|^, sas., lutjut. 

(^^'n^' ngrosnk, iels over de heeie asch 
of kolen heen en weer wrijven^ zooals b. v. 
gedroogde visch, planten voor geneesniiildelen 
gebezigd (Bjw. id. ; sund. kurusuk, mad. 
krusok, poffen): ook rusuk, b. v. rusukaf 

^ï6i*^Wï^^ L, zekere ficus-soort met 
vruchten als die v. d. SS, maar kleiner; op 
tempelerven of binnenhoven geplant ( fi c u s 
altimeralos Roxb.), (afb. Ruinpb. Dl. III 
pi.); groeit op de hu nut; kan echter geplant 
worden voor heggen. 

II. , ngrèsèky een dof krakend geluid geven 
als een houten staander door witte mieren van 
binnen doorvreten; pakrèsèk, posik; z. kro- 
sok en krisik 11. 

^«ep'i^^wil^, vgl. krèaèk; lyrosak, v. 
regen een mm of meer ritselend geluid geven; 
V. iemand b. v. die opstaat, ondeugend v. kin- 
deren, die alles nemen (mrèsët); v. d. roof 
V. e. wonde tegenov. bënjég; v. drooggekookte 
rijst of de sënggaQk, v. e. beeat in de hia- 



9S|\ 



92 



96ll\ 



deren, korstig en droog en korstiq afschilveren 
V. pokken, puisten enz.; kaja tan èsga tan 
kalit ntpaput walang; mèh afts mang^arosok, 
Durma; krosok^ rammelen v. iets in een 
groote ruimte; mèkrosokan, ritselen v. bla- 
deren of 't geluid daarop, v. iemand, die overal 
zijne handen aan slaat. 

2s mëkrasapan; kumarosok en paka^ 
rosok, «makakarasak; këmrosok, kraken 
(z. krèsèk en vgl. jav.; sund. korosok); 
krosokan, geraas v. iets in een kist b. v., 
die geschud wordt. 

gQ|^9Qi^, verb. v. ko^ika; san; kursika, 
sang garga sai^ mètri, sang kurnsya, sang 
prétandjala , Us. (* jav. k u s i k a , huüt, z. 
onder garga). 

«ntji^, eigenn. v. e. aap?, R. 18 Z. 7, 5 
(pagëh!). 

o^^, s., z. onder pandita. 

9Qk^9qK, mèkrèswan, v. iemand, die alles 

kent; z. mêkënjabnjaban. 

9QI1 t^lJ^u ^ , jav. (r ë s u I a) , a m b u 1 u ng, 
Nw. (jav. rëmbulung). 

QSi PJ) u] \ , z. onder r a s a p ; mëkrasapan, 

Ui 

V kinderen de handen niet thuis kunneti houden, 
Bjw. kënjab; z. mrunjuh. 

gsn u u '^ ^ , s. , ikang nëmbëlas mas ring 
mas, dharana nga., ikang nëmblas pirak, 
parAiia ngaranya, knnang ikang saga pamrat 
pirak, ja ta pamrat ta ring gang$a ikang 
gangfa sasaga wratnya ja sakftrsapana nga- 
ranya, mapa jan tamra sasaga wratuya sa- 
pana ngaranya, ikang sapulah takil knnang, 






mA, $n, 2, mfts 8, wratnya pirak sadharana 
ngaranya, knnang ikang pirak, sapnlnh pana, 
mft, Sdj. vgl. aanh. onder kut ik. 

36»rjUin. Wrt. 44. 

5SflPj||Q^, z. krësa. 

«stiaJin^^^ (?), akrësyanté, aanh. onder 

guwug. 

\, mal. (kur sunüngat), lis. 

ïsiiyiu^ (1.: karawang), bagor. 

^7iu^, sundël (karawang te lezen?). 

9Si|a^, Bjw., soort urab, zijnde eetbare 
bladeren, vermengd met geraspte cocosnoot 
(vgl. jav. se ga rawu en kraön). 

noQonu^, s., afstammelingen v. Kuru, 
zoodat ook de P&ftdawa's zoo heeten; meestal 
verstaat men er de 100 (vgl. onder s a l u s 
dêlapan) zoons v. Dhrëlar&ëira onder (z. 
jujutsu en duQ^alft), Br. Z. 13, 22 (ès- 
tina, astina), hunne namen maar verhaspelrl, 
z. Tjk., 74, waar ook hunne vrouwen genoemd 
worden, en 47 ; korawftdhipa, aanh. onder p I a- 
wa; korawftfraroa, titel v. e. prozawerk, 
waarin de Korawa's boete doen, om zich op 
de PftAdawa's te kunnen wreken (z. onder 
p la wa) ; zij worden allen daarin weer in 't leven 
gebracht; Gatiè^a en Brahma geven elkaar 
daarin raadsels op (z. b. v. onder tjèngkok, 
nja en rèhu); hel zit vol namon v. goden en 
heiligen, maar meestal tot onkenbaarheid ver- 
haspeld (z. wrësikèfa, suramahi en 
daksajini); hoe 't handschr. er uitziet, 
kan men zien uit de aanh. onder saraswèn. 



tt> 



dS 



*^\ 



kila, d|ataka, ladjar» bubai^ en gu- 
q i ifp : de c I o k a 's zijn allen op Bali gemaakt ; 
zoo wordt b. v. v. d. Pftftdawa's door de 
lOQ aan Kar Aa gezegd, pètrftdhipam ju- 
dhióthiraiii, samirftnam wrëkodharam, 
^atjipatam mahardjunam, asno (t) sa- 
kulam sadèwam; de taal v. dit geschrift 
xeer TerbasUerd, zoodat zelfs 't jav. ora en 
Jarana, 't mabomedaansche kubur (dit in 
èt'u hds. slechls) en 't moderne purasani 
er in Toorkomen; de spelling vreemd,, steeds 
ka (wan en dwamèb in pi. v. ka ton en 
domèh; pwakulun in pi. v. pukulun; 
'outeo bij de rleet als die onder nftdiftdha- 
ma en woorden, die in klank en beteekenis 

«rwijken (z. onder pajodhara 3<» en triio- 
.jaoa); de 3 hands, door mij geraadpleegd, 

.^Ten de bewijzen v. e. slordigheid, die tot 
wanhoop drijft (z. aanh. onder taja, sèngap, 
^ puhuifp» aaraswftn, karnnawèi^iana, 
^èifpkér, trètft, giri^a, maAdalika, 
paljaU tiga, taja, djahiuang en pongga); 
dat het op Java is opgesteld, blijkt uit de vele 
woorden daarin, die door de bal. afschrijvers 
lijQ verbrabbeld (z. b. v. ouder puhuug); de 

mvlheo ook verschillen zeer v. d. oud-indische, 

« 

i onder trikftladjnja en lurëyukunda; 
I. walidja, surabbi, abhipraja, iingga, 
pranala, sumantu, wrégu, walantaga» 
:<adjraoibha, mahèdèwa, tambrapèta, 
^amèni, padmftsana, en asno; korawa- 
prisaidliai aanh. onder prasada; korawa* 
jadjsja (?), «widjajakrama, R. L. Z. 7, 
\$l; k^rawAtyantaditJa, «widjaja molama. 



^u^, z. onder mangkarun. 

KiTj^. karo, nangrarwani, B. Z. 105, 6 
(m a d w a i n) ; mangrarwani ratha sam^ danaii- 
^aja, een wagen met A., W. Z. 28, 4 (ma- 
karonan, matunggalan). 

99j7iun, 8. (kairawa?), R. 7 Z. 16, 3 

(tafidjuc^ baqg, kuranta). 

9Qi7iuui;u^, zekere boom, R. 7 Z. 14, 3. 

9Qinu9Q|^ ofkrawan, versnelde uitspr. 

V. karaühan (z. onder raüb). 

3SIOiq|^, (kanten en djantën), jav. (in 

pi. V. kawruhan), êtellig bekend geworden, 

zeker, bepaald, met idSp v. iets zekerheid 

hebben; b. v. karwan idép tjfti» bailiv bapa 

tolis pamalés (of palésin bapa tul is), 

zoodra gij lol zekerheid gekomen zijl, antwoord 

mij per brief (kanten pakajunan i gusti 

itjèn tityang surat p.); ng:arwaDaQ|f 

(ngantënang), te komen geven dat, openbaren, 

aanh. onder kumuda. 

9^71 u^, akarawiran, z. kulawir. 

9^7iU7i^, s., z. onder kanjèri; eigenn. 
residentie van Djariisandha; ndah prftpta 
sira (de bondgenooten tegen Krëdiia) rikara- 
wlrar&djya hana dAta ramnhiin awarah, 
DgkAn fardjita narapati t{attadjaniiia lèwn 
harsanlra kapalaja, Hw. Z. 32, 2; mam^kiD sa- 
baddha Diapa;èh pang^dèg: Darèadra (namenth 
Kresna). ngkft tarièkas mamédjaU karawt- 
rauAtha, sang bhtma sihasa winidhjaiii- 
rAntakanya, dosanya nirgkrénan aman^lara 
rAdjasanggha , Kw. Z. 52, 6, d. en vlgd., Z. 
15, 6, 29 en 30, vgL tjutta. 



tdl\ 



94 



tÈi\ 



gsiyuï^^, zekere watervogel?; titikusan 
anuDot karèwak anjaririiui^ analosor malaja, 
M- Abh. Z. Ï7, 6. 

om QsJ] ^ , kmwak* v. 't geluid v. scheu- 
rend hout (vgl. uwèk); krawakau. 

n onünau^, z. onder krowèk. 

nQsnnuïsit|^ (Bjw. krèwèk, tjrowèt; 
këmrèwèk v. vele weenenden of sch reienden), 
pakrowèk swarana , «dalupak oni; vgl. 
mbëwèk. 

3SI yj u! gsüj ^ (?), atlë'8 anrnrawék v. e. 

fistel, tut. 12 a (vgl. jav.). 

KinuQsii^, in pi. v. kurawaka? Sm. Z. 

15, 6 (putjuk). 

gsiTiUïSiV s , R. 15 Z. 2, 10 (asana, 
Ijamplung, kuranta), z. «karawaka. 

n onu^^, krèwèdan, bringbingan. 



o 



otiu^stI]^, s., kurawit, z. onder rawit. 

gsinuoQ]^, spelling v. krawan. 

!iaiu^5Ti|^ (lees, kawwat?); ari karwwat 
in; tjfttnmajopija, T. Z. 1, il (^atru 
mamasangin daja upaja); karwwat in; 
kahjnn, tracht door middel v. verhalen de 
aandacht v. d. vorst te trekken, Z. l, 50 
(bijang); tan karwwat injf pftpa, niet be- 
zwaard?, dus in pi. V. ka wrat, T. Z. 5, 127 
(tan maugdé na ra ka) Z. 1, 56; djoh 
tasniat karbwa(l) karmmaknanya , kadi 
bwatning: ftk&$a lawan prëthiwi mangkana 
bwatana papanya» 0. Tijds. Balay. Gen. 
XXVm 482. 

wi7iüi^\, z. onder ra wis. 



qshtium^, bij pleehtige gelegenheden, zoo- 
als onder 't mompelen der wèda's, een om 't 
hoofd gelegde band of snoertje v. la lang; 
aanh. onder bhatèra k&la; tala kinarawista. 
Mal. 5S9 b. (bis) en m. 

oyjurul^, *tjataka, kitiwi (?), pa- 
gina ra (f). 

gsunuru^, s. (kftrawèlla), B. Z. 40, 3 

(paparé; z. paja), Z. 11, 4 (kakara, k a- 
kara urang), z. parjja^; wwang; manag^ih, 
mftlap ta Ja tanèm*anin; kataf ih, kadyansr- 
g^anin; katabajan^ lambajun;, karawila, salah 
tung^ffal inalapuya ngkana, n^uniwèh panga- 
iapa manak, hajam, walsan (?) hawas péf at 
ing hutang; Jan mangkana, ling san; bjang: 
igama, apan larang^ •dréwjaning: kanista, 
tatkftlauyan tina{:ih, apan dinwalnya pa- 
uahnranya linfangf, paknanya tinanèm ni- 
mittanya hiuanakén dèning; kanièta, liana 
ta prèdhaua tntar i samang^kana, Jèkasta- 
dnrètjftra ng:aranya> Kutr., akaranila ra- 

mambat 'ing: snra*, Mal. 120, bis; hrawila, 

■. «< 

aanh. onder andodja. 



oTiuru^, munt pada« ali^ning dja- 
ridjining suku, TjL, B. Z. 8, 5 (udëng, 
tjawat), R. 20 Z. 18, 2; 24 Z. 36, 3 (alit^ 
Iwir patitis); dirgflia ngaranya tolalé, ika 
tang^an, astra lèn g^ala madawi, kiriwili (b.: 
kiriwila) kniitja Ja sarwanèh, aidng ada- 
w& dirglia rakwèka, Tji. 55. 

gsanunji^ 1., eigenn. v, e. waschman, die 
't hoofdgeld, door Kai^(a op de hoofden v. 
KrësAa en Baladèwa gezet, wilde verdie- 



•«»> 



dB 



w> 



MDt maar zelf door ben gedood werd, TjL 
39 (vgl. WiMiupurftAa, bl. 549). 

IK, (?) teh BinI paran palahira (b.: ta) 
ctBpai«vawal«rlflgsiiD (b.: lèi^suii), zegt 
fene moeder tot hare dochter, die zich door- 
stoken beeft. Mal. Z. S, 82. 



«yiu'^fu^, aanb. onder prakji^a, üs. 
IS6. 

«J^nurutsij^, jaf., nra. v. e. wuku, 

Bieeslal karulot. 

«oiT^ury^, z, by karawila. 

^«nnuu, s., Adtp. 48. 

a^ntc^, 8. {goblin), Wir. B8, r&ki^asa. 

«on!]^, T. Z. 5, 107, Sul. Z, 84, 4 
kbo), aanb. onder gawaja en tangkil ung, 
rrdf.; ook krnwag, aanb. onder wipali. 
ïQinu^, W. Z. 15, 16. 

BiOi^ I-. gescheurd muziekbekken om te 
versmelten TQor een trompong of gëndèr 
b. ▼. (jar. kréwéqg}; v. &. hni gebrek lijden^ 
•mtfnÊcktbaar (kt at); krawaqran bédèg» z. 
onder bédèg. 

• IL, scbeldwoordf, Kid. sand. Z. l,63;ka- 
f%wmagf kattla, bangkung en sundël, 
Tjt; karawuv, gèodob, tjèlèngumab 
wadon en wé'kagra; karawang, tjèlëng 
aias wadon; Tgl. karawi, z. aanb. onder 
béad^it en Tgl. karawa. 



o> 



ï^ r) u ^ , saiv hjaog knrawingan, 0. II, 9 a. 

«iruj^, sterkte, Adip. 87; angadn kral, 
B. Z. 37, 26 (kosa, kakowatan); akral, 
onkwetsbaar f. Sul. Z. 101. 8} akral*, R. 7 Z. 
4, 3 (kijëng», kowat^ sitëpg»); makra!, 
• a k a s ; wwaiqr P^^ih fint; dbarmmAkralnli^: 
a^jl» Br. Z. 56, 17 (pangkubniii|[ (astra, 
ma gehang (.); akral 1 pasaJatlrArJja paA- 
dita, Sul. Z. 29, 13 (mapëngkuh ring 
pan^lèmèk sac^ rësiné), vgl. klar. 

Kironj^, s., V. slagtanden, R. 1 Z. 1, 33; 
kar&Iawadana, Aw. 71. 

2«, eigenn. v. e. rjik&asa, 6h. Z. 31, 3 
en 5 : karftlawaktra, eigenn. v. e. m a n t r i 
V. Niwalak., W. Z. 21, 2; eigenn. v. e aap, 
R. 18 Z. 7, 3. 

9611 yoru^, z. onder widyutkarjili en 
vgl. karèla. 

'IQSiTiru^, 8. (z. 'i Wdb.), yajfer /, z. aanb. 

onder lodak&a. 

«i3nru\STi|^, z. kuruwëlut. 

ïSiTiuJ^, L, kftrap* (sic), aanb. onder 
tjamah, ?gl. kararap. 
II., z. onder kul. 
96iyu|^, z. onder karëm II. 

^u|^, jav. (z. «rap); maograp, R. 1 Z. 
2 c, 11 Z. 4, IK (ngidjik); ai«rapakén, 
aanzetten een paard, Br. Z, 16, K (mbëda- 
saci^, krawangkrawiig , grmen v. jonge lac^, ndrumpakang): Mal. 90, 116, 112, 
bonden wegens honger, ook kruwèng^ b v. 174, 384 (mad. kërabaii, wedloop ▼. stieren 



▼. e. klaiD kind ; pékmidQg, vgK k u w a ng. of ossen) ; tnnoigfa baogét kérapiqra, ald. 

qja\Ji\^ mëkrèwaagai, een verward geluid ^^h* j^^*' ^*<^A^ V elkaar b. v. v. d. 
gevoi ais 't Gbineesch; ook mëkrèwakan. buku's v. d. bërgu tegenov. langgab v. d. 



)di^ 



96 



»i> 



tandeD v. e. suwah (mal. kërap; vgl. rën- 
tët). V. bloemen tegenov. lamba, v. vlechtwerk 
in tegenst. v. lang ah (vgl. onder s è s è r) ; 
üfhaDaiii krep Ja, Svir., akrëp, L. Z. 35, 3 
(nora of tarpasëla), Br. Z. 50, 4 (ugëp); 
mftkrép v. wonden, B. Z. 9, 15 (ng., makwèh); 
makrép tan pëg:at, «matilipalap; mftkrép 
V. vruchtboomen, B. Z. 4, 2 (ma pi pit, mas- 
pid), V. wonden Z. 9, 15 (ngësngep); samftr 
makrëp, W.Z. 25, 1 (ibèk djëdjël); masasab 
makrép, «magëlar atap; linaksa kinrëpan. 
door pijlen v. al de lichaamsdeelen, Br. Z. 13, 
28 (lioiba uibék, kapanah sami ibëk). 
«Il 71 UI ^ , Bj w. , drooggebakken (m ë nj a uj a h) 
katjang of këdëlé fijn gewreven (mënjëg), 

bij djadja kuskus of puli (jav.) gebezigd. 
30 uj^, soort V. 'schurft bij de kippen, ten- 
gevolge waarvan de kam en de kiniel verbleekt 
is, zoodat een haan b. v. er uitziet als een 
kapoen, die door den Balinees, onbekend met 
H lubben v. hanen , voor een aan k u r a p 
lijdend dier wordt aangezien (mal. id., bat. 
gurap, mak. puraq, ringworm ^ lamp. 
kuraq, melaatschheid) ; z. kcbèri, djagiran, 

kusta en onder këskès en guwam. 
9^nu^, klapa; karapa aivtlis naast du- 

wëgan, Ww. Z, 5, 132, 't vocht er van als 

middel tegen de bedwelming ten gevolge v. d. 

adjyum. 

g^Tiou^, «angarapé tëké, bereiken, over- 

stroomen tot, Sum. Z. 75, 8 (vgl. mal. kë- 

rapèj); himpér kali haliwat i lambangriiig: 

wukir adjarnya titir ani^arapé, B. Z. 38, 7 

(Iwir banju ngëntasin par^waning adri 



1 



mangka rounjiD qanë tan raari pati- 

dulamé, 1. wé angëntasi enz., masa- 

waug toja mauglintang madyaning giri 

muiginya milihan papak usud). 

^M^, een groote k o k a k-viscb, die op 

Nu sa verondersteld wordt grooler te worden 
dan elders en er als 't ware een spookvisch 
is, die alles verslindt (vandaar de spreekwijze 
buka krapu sing tpuk amaha), die v. 
Bbg. vertellen, dat sommige zoo groot als een 
buiïel worden, aanh. onder k ë n u I (Bjw. id. ; 
vgl. mal.); mprapa, geen keus hebben bij spijs 
of vrouwen; z. Ijidra en njrèmuh. 

'^u\ I., eigenn. v. d. broeder v. Krëpi 

en leermeester der Pandawa's en Korawa's, 

Adip. 80, Br. en vgl. aanh. onder walëd en 

soplika. 

«II., s. (krëpè), sih, Kr., tiwas, B. Z. 

75, 4 (krësa); krèpa krësa kara, T. Z. 4, 

53 (sakit brag), vgl. krëpaAa. 

UI., z. onder karpa. 

QSiiu^, s., eigenn. gemalin v. DroAa en 

moeder v. Afwathama, Adip. 80 (jav. 
krëpini). 

9SII Uj ^ , z. onder kasna; samawnr tèkanif 

krépa kanaka; makakëmban; ora ikakérpn 
kanakftraiiya ; 2 andere hds.: mrèbuk arni» 
(gandhani) kang: dtaapa panpgril, mawanti* 
samawar tèkanip (anawurakënakaug) krèpa 
kanaka, warüauim: këmbanip (ura), mas 
glnuntinii^ (rinok; t.: ginotra) lawan ml- 
rah, mwang: salaka sarwa(8awarha)ning^ 
luiig:sir kabèh, sakalwlrin; Ifiltoés kabèh, 
g:inii]itiiis winar kabèh kiiiarJJakëB (sèin i. 



^\ 



97 



^\ 



lees bèh sami, tinut ii^ kabèb rinok 
a r a n i i^) ; kömbamr ara , krëpa kanaka, 
.* Nw., TgL onder surakusuma. 



r 



/ 



-jM^, V. ripo of ripuhf, v. 'l gemoed 
niet monter wegens pijn enz. 

»i^u\, V. ibus gevlochten mandje, om 

kalk in te versjouwen, met een draagband. 

o 

anv»\, nm. v. e. moeilijk te genezen 

kust a-soort en zeer jeuk verwekkend ; zij komt 
iclkeDs op, boe ook bcgeneesmiddeld (sas. ni- 
rapa); airinvA v. d. voetzool met brung, 
als de kusta, maar aan de beenen, ook aan 
Je lippen, die gebarsten zijn, t. ; awak nadyan 
Mika ivirapa, Us. ta, kosta kirapu, $a, 
^ambé wrèdata, trikatoka sémbar laranya. 
■wwiS waufsuh (langs uh in?) laranya^ 
lanpél dènliv rwan papèron, Us. ; t., kirapo, 
bintsr, misawang bèngah, mésawang kwam- 
bit, méaawaag grii^ agaiv, ald. 
ïojyiu^, s. , aanh. onder rawa. 

isiu^ of krépa; pada (zijn onderdanen 
oamentlijk) din&nan dèniiy daityarftdja, kadi 
kirpa, Tjt, 222 ; krftrAkrak manduk inn^ to- 
marat kadi karpa, ald. 225, adftna kadi karpa 
Irëpa, hu dan); aanh. onder s ad ik ara, 
Tsl. onder war&a. 

iSDTj^^, «djrib kumè'rpuh (kumë'r en 

pub?) liiiiiidih, B. Z. 8, 3 (lakut ja ma- 

tatn ibak katitibin, wdi sinésër ibu- 

katëtéhan, wëdi ngadob djrih kalin- 

Jihan). 

aui^^^^, 8., z. kumëd, R. Inl., aanh. 

««cder awalè (kasyasih; «jav. krëpana. 



djëdjël, waarbij aan krep gedacht is; kru- 
pana, vrekkig, R. v. Eys.); vgl. krëpa IL 

QSiLO*^^, 8., kadga. 

ï6iu«^, sang krëpanu v. mpu Bara- 
dah, Tj. A. b. 

«nu^j^, s., kasapntan dèDim> tjitta 

kftrpanya patik hadji, Bh. 27 ('t origin. kir- 
paftya do&opahata swabhèwa). 

9s«u7i^, s., Kid. sund. (z. onder «kapur); 
giri karpnra, Ww. Z. 3, 89; adri karpara, 
Z. 4, 15. 

^uTi^, s., siku. 

9^ t^ u ol ^ , krèpëking wataiy dadap asim- 
bar lawan krétjiking watang tikèl» Mal. 175; 
vgl. këdëpSk; makakérèpèk v. halzen, B. 
Z. 9, 2 (patjapolpol, pakarëpwak), v. 
ribben, R. 7 Z. 12, 17; knmérèpèkapédëky 
Br. Z. 30, 2 (kumarëpët kadjëkdjëk). 

II., de verste overgrooloudery die te noemen 
is, of *t verste achterkleinkind^ Dpt., de volg- 
orde is boven pëkak of dadong en beneden 
tjutju: kumpi> boven en beneden kumpi: 
klab, boven en beneden klab: bujat; boven 
en beneden bujut: tjanggah; boven en be- 
neden tjanggah: klampjui^; boven en 
beneden klampjung: kërëpëk; al deze 
woorden kunnen naar inlandsche gewoonte als 
voornaamwoorden gebezigd worden, tnQ tjai 
tjanggah, werkelijk zijl gij mijn tjanggah; 
tityai^ klampjui^, ik ben uw klamp- 
jung, Djp. . z. aanh. onder k I a m p j u ng 
en anggas. 

7 



v 

f 



^\ 



9é 



9éÉ\ 



III., Dfirëpëky dof klinken als een valsch 
stuk zilvergeld. 

^U9siï|^ I., makakèrèpak tik^l V. dadap, 
B. Z. 85, 7 (makarëpwak ëlung); pakre- 
paklng: papan, Tj. A. 52; W. L. 25, 5 
(krëpwakauy kumrëpwak); makftkrëpnk 
B. Z. .42, 9 (pakarëpwak), z. kftkrëpuh. 

IL, sas., bak. 

OU 9^^, kripèk* y. *i hoofd v. e. kind, 
dat niet stil kan zijn (vgl. kipëk). 

9SI u ga] ^ , jav. L, varkenshuid meestal, 

«kurupuk; kèkrapnkan, van jonge afge- 
vallen vruchten ( jav. kumropokan); kë- 
krnpokan, jonge mangga-vrucht , pas als een 
tipgkih groot, wanneer het nog de tijd der 
mangga's niet is (Bjw. këmrupukan), 
mëkëkrupakau, «arupukan. 

II. of rupuk? (z. ald.); ngfrapuk, leven 
maken op de kulkulan, de rijstblokken enz. 
vóór 't mëbuü^ of bij eclipsen; vgl. ngofi- 
tjai^- 

nonugsiil^ I., pakrèpèk, «kumupak 

als viscb gevangen in een sugsug. 

II., z. onder kritik. 

noopu 9Sii|^, jav. (anders); kropakan, lontar- 
hoekkistje, (vgl. rong, tjakëpan, ëmbat^au, 
lëmpiran, enz.); zelden van de kisi, waarin 
de w.-poppen bewaard worden (te Bbg. steeds 
in pL V. gëdogan). 

n9Qnnu:)gsii|^, kakropokan, këkëpwa- 
kanf; kakropokan srang: afranti, Dd. 11 a. 

9e»yjugeii|^, v. ruwur*, B. Z. 80, 56 
(krupuk), R. 25 Z. 8f, aanh. onder dada ng. 



9au&o]\, i^ëpëd, «patiplëtjut; krö- 
pëda itlang: ban ndjané, ik hen door den regen 
doornat geworden (overgoten geworden), vgl. 
onder krëpët. 

n96iinu£o]\ of kaèpèd (vgl. kropod), 
kumaèpèd v. geweerschoten ; nfj^rèpèd , 
V. geweerschoten, dichten regen, voetzoekers 
enz., een druk bezochte speelparlij; mèkxèpè- 
dan van voetzoekers v. regen. 

"1 9sn n Lo &o| \ (vgl. krèpëd); kamëropod, 
kraken v. op 't vallen staande, gevelde, boo- 
men ; ng;aropod v. geweerschoten, v. brandende 
glagah (ver hoorbaar geluid); dëkdék ébah, 
pakaropod kajoné %i\xg kaëntasin, Bngk. s. 
119; z. bruwak. 

geiu^siw^ V. e. knagende rat (vgl. ba tav. 
mëngkrëpët; z. krët); krëpët*, ftraft^ v. e. 
touw, balé, die beklommen wordt; pakrëpët 
V. verbrijzelde beenderen; kumarëpët kadjëk- 
4jëk, «kumërëpëkapë'dëk; i^rëpët, iets 
doorbijten^ doorknagen, aanvreten de bladeren 
van de sëmaiigka v. d. bukur b. v., ook 
V. witte mieren; sng^ta n^^ëpët of ngrëpëd, 
ngnrëpët sakité; krëpëtaui krakend geluid v. 
hout b. v., waaraan een rat knaagt; makrëpëtan, 
door 't een of ander belemmerd in zijn besluit, 
v. vele goederen nauwelijks te bergen. 

9si|u\sii|^ I., npripit v. d. vingers eener 
wenkende hand « a i^ u tj a p i t ; pakripit ; më« 
këpripitan v. d. handen v. iemand, die moeielijk 
knutselwerk, zooals de onggar b. v., ver- 
vaardigt; mëkëkripitan nnlis, zeer langzaam, 
omdat de letters niet te onderscheiden zijn. 






9§ 



«l\ 



II.. k rit lp; knng kripit, aekere koraal- 

a^^Tiijtsij^, qpirèpat, aanh. onder awë 
eo Tgl. klëpai. 

7g7««j\, Bgrèpèt, knetteren v. brand- 
bout, T. brandende lalai^; mèkrèpètan ; ka- 
krèpètaa; nm. v. e. bun, cissus repensT, 
Tgl. Rompk V bl. 469, waar eene geheel andere 
plant dien naam zou dragen, doch zie onder 
(alaqg en Rumph. V. pi. 78 fig % alwaar 
krëpitaan, Us. 



A 



«ue^^. s., krèplfaJODl, s., gni apuj. 

»nu«^, 8. z. onder ragadji. 

«uwj^, kripis' V. regen bij kleine en 
>chaarscbe druppels vallen; warsa agripls, 
• rirls, B. Z, 1, 12, vgl. gripis. 

aTiuASj^, aivlnli knrapas v. iemand, die 
in de bosschen ronddoolt^ T. Z. 5, 58 (mëng- 

auo^^, 8., z. onder ka pas. 

ïsiu«|^ (vgl. krèbwak en képwak), 
krepwaUiv tainèiv ram^n, Spt. L. 5, 36; 
■akarepwak, «makakërëpuk, «makasa- 
rapat; knmrèpwak, «pakrëpuk, «kapa- 
rapal; nékrèpwakan, «mak asërësë t, 
pakrépwak, «kumupak, «makakërëpëk. 

«unJl^, nprëpëfanj (djagi nandur), 
kaati nmkem mei iets; krépëfaq; apam: èm^- 
$al pnfat, dl krëpëfan grëgaèné, di itëh 
karjané. 

^C>\f mëkripam:*, v. e. paardelul heen en 
n-eer bengelen; vgl. ngglèbag. 



7g7^\, (buka bëboso ban lèmpèiï 
djagutné) schijnt dezelfde vischnaam te zijn 
als srèmpèng. 

«i3nn\, s,, i. kukü. 

«q n sfl \ z. ónder J ü j u. 
«in ï6i\, z. radjaksi. 

oq n \^K, pakrëdjër v. d. beenen v. e. spar- 
telende; ngarëdjët^ «makudyat: vgl. këdjët. 

«^'IDontsQ^ of korèdjat (vgl kulèdjat); 
ngrarèdjat; «akidat; ngrorèdjat, aanh. onder 
sëngal (sund. korèdjat); ngnrè^at ina«» 
krana kangr^ëk, «pangdjingdjai^ adjangël 

«jnuj^, nirrëdjëp, fonkelen v. d. slerren; 
krèdèpan trangiraiia qgr^iUëp, «kënjaring 
wintang lumë*ng. 

gnnj^ (?), gridjag. 

«Il n \ , krëdjëm: , eenigszins huiverig zooals 
b. V. V. iemand, die niet recht wel is; vgl. 
grëiidjat'grëndjit, «makidat^an. 

ïsit/5|^, z. onder kré. 

gsintAji^, z. aanh. onder piso. 

»i o ro tM \ , een b a i ng i n in 't wond, 
«karomaja; «wandira, Anj. Z. 21, 11, 
pèktabradja (^Kr., te lezen wrëkiar&djaP; 
sund. id., jav. een andere ben. v. d. prih of 
prèh); nëkroja, mëuwëd, van die veel fami- 
lie heeft; vgl. roëkrambèan; (f ) aniptfoJaDi, 
vergezellen f v. K a 1 i k a en de andere monsters 
Durga, Sudm. (onder krojanf). 

«niAjn, s., h. V. gaé (mal kërdja, bat. 
kardja), «Sm. Z. 28, 10; B. Z. 1, 20; tan 
alawas kaïja rëko, binnen korly moet ge wef^, 



fell^ 



ioó 



^> 



üal 't huwelijksfeest plaats hebben, Was. L. 1, 
6; wwam: aniaii|:én«ii|:ëD saUrJjanya, tul. 
14^ (yert. v. arthafitjintajan; vgl. swa- 
karja); rioftdjakaijja, gevraagd tot vrouw F 
y. e. prlnces, ald.; blnajanif kaïja naast ki- 
naré^ Tjt. L. 1; oUh karja en labdbakaijja, 
2. onder olib en labdha; sam^ kinAijJa, de 
gehuwden, Dpt. Z. 1 (vgl. ka ré); pakarja, 
«patingkah. 

2% zelden s= k arm ma, aanh. onder angluh. 

9SitM^y s.y z. onder fawa en kraja- 

wiliraja. 

II. in pi. V. karjaf; sara widl, krama- 

ningf mangada ajam pan; aroh tar ulès mèlah, 

knmaiidèlang kraja (krajan ie lezen?) tadji, 

kanggo dl tëkanla réko, Bt. 149, waar hel 

in den mond gelegd wordt v. iemand, die iels 

gevaarlijks gaat ondernemen: 

9QptM^, m. e. in pi. v. kèrjafaanh. 

onder putjang. 

QSitAJi^^ z. onder grémi. 

»j(AJi\, s. (krijft), Sut. Z. m,9f, aanh. 
onder swikara; pnnapa krtjanirèka, T. Z. 
2, 44; akrija durtta, z. onder d.; sakr^a- 
ning^ sani^ sènAdbipati, T. b. Z. 4, 12 (z, 
swakrija); krQa haja T. Z. 4, 46 (dar- 
m a) ; nora krQ aDèngr mami tar taD si drèwja 
sani^ wika, *t is voor mij van geen waarde 
enz. zegt een heilige v. sieraden hem aange- 
boden, T. Z. 3, 5 (T. b. Z. 4, 119, apaniki 
tanana pakënanya ri kami); krtja- 
nim: rakan i dèwa, «ulihi kakanta; krQa 
aambjawabftra , aanh. onder wè(ya; rana- 
Jitya naast raAakarjja Bh. 



2% z. krijftdwèii. 

^QSiitAj^, z. kédèja. 

"^ 961 (Aj ^ , patikrèjapatikrèjo, z. aanb. onder 

salambjung. 

oïSiTitAj^, z. onder kèra. 

9Qiy(AXQ^, z. onder krëjah II. 

9Si(AJi<j^ I. or krojab, ever, Kr. 9, b; 3. 
b; y. Wi&Au, sai^kan ing^ran srèngkabha 
(of srëngga naar een ander bds.» dukarA- 
dbika, potft, ghrëÈtirftdja) dakarApakro- 
Jab anob bangkabim; ranoiig: manik (z. ouder 
man ik); adairam^ krojah, brëkèk; kadi 
krojata, rinëbuting: srégrala, Tji. 223, 66; 
vgl. onder bëndjit; djambé krojab, «prana 
wëk of pradja (?), vgl. onder kudung. 

IL, naast praguöa, T. Z. 3, 68, karèjah, 

«wftnara, Z. 3, 12 (bodjog), Z. 4, 48 

(kapi), z. ook v. prawaga. 

OQoptAJiQ^, z. onder krëjah en tjèlèng. 

n9Qon(AX<j^, pakorijah of pakurèjah, 
schreeuwen van apen, R. sas., telkens, kurjah ^, 
aanb. onder tjimprak en damu. 

9S1I (AJi goj ^ , jav. (klajan), batik batawi 
këkalib, lalima krajan iDgr dastar, B. U.; 
kraJanlD, «tëkèn, Tjt. Z. 3, 2, aanh. onder 
sanga. 

(J^|9q|^, vgl. rakrjan, W. Z. 3, 3 (sang 
aha ju, i aju); akrjan, Sum. Z. 42, 6, 
strt krjan*, Sut. Z. 103, 14 (wini lëwih^); 
kakijanan, Gh. Z. 40, 4, Wrt. 31, kagu- 
ngan, Lamb. Z. 20, 3; pakrjanninii Z. Af. 
*s tombe f, 0. (zoo te lezen in pL v. pakwya- 
nira? of is 't pakuwwaniraf). 



^ 



101 



«1^ 



'^Knuiisil^, Bjw., mei elkadr een gastmaal 
aanleggen: ^nkin kafitjanira krojan; ook 
kaüman; i^grojani, een menigte te gast hebben, 
fgl. onder karoja, 

a^iyi^^tAnw]^, krijuk (vgl. balav. en 

L kèjok); makarèjok v. e. hongerigen buik 

aanh. onder kadjuldjut en vgl. rèjokf); 

kaaanidiiknmarèjok y. d. buik v. e. draak, 

ApkL; ook krèjakkrèjok (jav. k ra wak 

k r u w u k). 
j^jn)^, pakijakimr pota, Dd. 10; pa- 

krjak als werkw., ald. U; vgl. kurèjak. 
vatAin)^, sbr., Irèjak. 

IQ tAj »] ^ krijék*, ah U ware knarsen in den 
mond van iets, dal niet gaar heeft willen 
worden:!, ngëëd en vgl. krij8t en krijSs. 

);a 71 tAi toi] ^ , maklkirijik, aanh. onder tj o n- 
don;, Tj., b, Z. 1, lï. 

icin tAJiQ^^ , gekraai v. e. haan (batav., 
TfrI. jav. kuluruk); mökèkurajak, kraaien 
T. e. haan, «makukujA (mad. karonoq, 
siind. kukurojuk en kongkorongok). 

)Ean7i t0 9ai|^ or korèjak; maknrèJakaD, 
B. U. 588 (sund. korèjak, nadj. kariak, 
Tgl. mak. rijaq; z. barèjak, jav. patii^- 
garijak of galijak, bndjm. bSrkuriak, 
manangis v. pijn; mal. tére jak), patinij^ 
kerèjak, Bs. bl. 29; pakorèjak pa^aniwit, 
z. onder «kürtjyat; pakorèjak naast pako- 
rêkak vgl. karèjat, gijak en z. onder 
krèbak. 

"IKDui^l^, kémrojak, Bjw., ujul vgl. 

korèjak. 



o 



(Fi 



^(A^Oftotji^y 8., iemand die afkeerig is 
van 't geen bij een rechtzaak krijft (getuigen, 
documenten, godsoordeel enz.) geheeten wordt, 
Wib. (tanpatut Iftwan sftk&t, b.: tan- 
patut udjarnya lawan udjaring sftkfti); 
z. onder anyawftdi. 

gs««^Dn(AXt5ii|^, pakarèjat, «kakürtjyat; 
z. kurèjak. 

9SI (AX ^siij ^ krijét* v. d. tanden of kniefin ; 
Jan Ja krgatkrijèt antnnya, pak knmaiv- 
mang, ng^a., ta., mnntjak dapdap 3 mun^nl^f 
tasok oUb lidin ron, 3, katib, tinalènan, 
lawè irèng 8 il6b, ampataiv inij^ awak woog 
apii^piiig, 3, wnsè ngampatan; , i^Ddhani: 
luhur Ing wong agrim: ataro, tlas, S. s. 39; 
vgl. krët en krijët. 

9SiintAntsii|^ , makrèjot, kraken v. e. zich 
openenden steen, v. e. deur (vgl. mal.: kéri- 
jut en batav. garèjot en mëi^krèjot, 
mad. kèrnjat), B. U., 343, 347, z. pèjot. 

gojuxotsu^, s., ginawé; z. «karoti. 

QSiitA^^^ of grajasf 

^ uu Pj| ^ , krijés* y. 't geluid bij H eten 
V. iets, dat als manisan bligo meer of min, 
als ware H zanderig, knarst; vgl. krijëk. 

^tAj|Aji|^, mékrijus paAn balaDé v. H 
geluid v. verbrande haren. 

9Siu]tU9^(AJi^, s, handeldrijving , tut. 36 

b; krajawikrajakarmma, Wrt. 9, W., 7, z. 

onder nirutsftha. 

9SintAjiu|^, z. onder lukut, ramé II en 

pirak (krajap). 



QSH^ 



102 



««^ 



osijtMul^, Smbr., tëtani (jav. rajap, 
mad. raprap]; opas krajap, een kwaal, 
uit 't lichaam voortkomende en verwerkende 
huidzwelling (sund. k arajap); ng^rajap, z. 
ngrajap. 

oniAnuiCi^ , z. onder krijop&ja. 

QSiotAOunacit\ïi^ , aanh. onder gurusu- 

f r A 8 a. 

««'^uoLOUJi^, s., T. Z. 4, 45 (upaja); 

R. L. Z. 2, 5, krijopadi; vgl. saptopadip 

otonj^, k rij uk; krgagrkrijag:, krèjak- 
krèjok. 

IJB\\> ff^wftc/ V. e. bel, T. Z. 4. 85 
(krëmpjangan), Br., Z. 5, 8; Snw. Z. 11, 
1; pakijang: v. e. bel, T. Z. 4, 68 (kliningan), 
Rm. Z. 29, 8; pakfJaDg^niiijf tjariiqf, Rm., Z. 
34, 1; paDtckijang; (onduidelijk) nliig boring; 
ardjdja aèr tali haiiumbér ing; watu rldang:, 
Hari(. Z. 8, 4. 

^tA^^, krtjang^* v. d. brooze graten v. 
gebraden bëtok. 

nosiintAO^, pékrèjong;, schijnt 't meerv. Ie 
zijn V. ngrèjong; vgl. grijung. 

osiinno^, mal. marinju (porl. mari- 
nho), naast wwang ataftda, aanh. onder 
fakuntal&. 

o no ^, krinja*, eenxgszins bedeesd?, bèngël, 

këbilbil. 

QSino^, nijdig j gauw boos, kregelig v. e. 

hond b. V. die, geslasien, begint te bijten; 
beu. V. e. kleine zeer heele tabj a-soort (Smbr.: 
t. këdi, sas. shija këdi; z. onder tjadk; 
te Batav. tjabé rawit, oost-jav. lombok 



n Qopnno'^ 



lëtèqP of 1. ganibir); sakti krinji dadi 
iwasin of lyatin v. d. dalem Bèdaülu; 
ng^rinjl, gauw schreien? v. e. klein kind, aanh. 
onder hëkut en njamut. 

9^no^^,(vgl. kënjah), mëkranjah, schit- 
teren V. d. vederen v. e. paradijsvogel; ngrora- 
njah V. goud, B. U. 387; kamëranjah v. d. 
tampak bèla, Gënding sangjang, kèlali^ 

QSino^^, z. onder kronjoh. 

nosiinno^^, z. kronjoh. 

9^, lu^ronjoh of iig;rinjih, zingen 

V. kookend water (sas. njërènjèh) of gesmol- 
ten sa m pang, v. iets dat brandt, «mrëbés; 
ook ngrènjèh, dat zeer vaak v. 't zieden v. 
water of v. koekende olie gebruikt wordt; aanh. 
onder ëngës, vgl. krodok en krèngsëng. 

2s v. prada ook ng^ronjoh gezegd, als 't 
uit de verte iemand legenblinkt; pasarèiié (b. : 
dj ë r o n é) sampan prag^at (b. : p a r a g a t) 
makédjang: pada (sa mi ma prada) matulis, 
paradané knmaronjoh (kumarèdèp ku- 
mafitjoroiig), mag^ag^ëntèng; g:ëdah marab 
(kasuré matëpi alus), kasur sari (c. : 
këmbi) andagr llma (pëpëdëké sutra 
rat na), madadamping: (tuü rawit), kotak 
tablané tjamadang: (makasulam ban binju- 
mas)« Dj. pr., vgl. kënjor en aanh. onder 
giwang en aildja^ 

Hïsnno^, s. (kraufitja), eigenn. v. e. 
slagorde, Harif. Z. 6, 3 en 4; v. e. berg. z. 
onder kaundja; kroStJarath&, de slagorde v. 
DhrëÈtadyumna, Bh. 51 ('t origin. krauil- 
tj&ruAa; Br. Z. 12, 6, wirakagapati) ; 



«^ 



105 



«6I\ 



kr«it|ft4wlpay wog dyotlm&n rata ring; krofi- 
tjtdwlpa 8lra to mftnak pipitUy pafunnr^ 
lui ^pu^nira, sang kn^a (ku^ala), sang 
maaoDiifa (ma 11a ga), sang waskna (uifta), 
saar andakara (a n dh a k A r a k a), sang mnnty 
sang dandabU, pinapito tikang krolitja- 
iwipa wikasan, mataiignyan bhèdanikang ka- 
datwaaing krontjadwlpa, atëhër ngaranikang 
kiiialwan, llnélah ngarant sang makaflatwan 

sowaag* (de varianten uit WiSnup. , p. 199, 
waarde zeTeDde, alhier ontbrekende, Piwara 
hee\\ Brhm. 18; krontjadbwadja, B. Z. 81, 
Hl (I unggul sinuratan këdis); krontja- 
padA, nm. v. e. versm. v. 25 lellergr«, Tjt. 



\^ SU 



W VJ 



\J w . w w w 



.WW, wv.w.^^ww,-), R. 21 Z. 2, Wrs., 
97, wikasitakusuma. 

*^ '®^^^ 9 ^' (k r a u ft tj a, aldus in 't 
Wdb., vgl. onder uttari), aanh. onder t4in- 
ri (Wi&nup., ed. Wils., kraufttji, Muir, V* 
^it.. 1 117, kraufttji), knnang anak sang 
rara^ i sang krontji, nyang kalilingan, 
lampipU waiiwis, niban tinak sang g. 1. 
'"^^^g k., Ag.; anak lawan sang nlyaki, 
m^to bhurak (lees burwak^?), kali- 
lingan, lanipipiy sarasah, Tjt. 72. 

r^i^^^rn^y^S, s. (kraufltjèrih), ku- 

'U ^ / 
uièra. 

'^^^' ^*™^^0^''V V- d. zon op U punt 

'au op ie gaan (b.: waü ëndag), B. U. 387; 

M. 48; vgl. kranjan^. 

nrrp^, krën^èngan, «syok? 



o/ 



kirintjiivtng 



14; kaautfü^l^g, T. Z. 4, 37 (ngrëtjëk; 



vgl. jav.), «akërëtjëkan; tistisning toja tiba 
küuiTin^lng angasapta tnmiba rikang parang 
sumong, Djpr.; knnëng ikang hutang pipis, 
sarwa kumarln^ing, këwala (a)dwignnftkéuai 
Jèn sëwn mnlih rong iwn, Sdj.; aanh. onder 
prak&f a, lëmës en wani; ngrint|ing v. 
waler; pakrin^ing, kArëtjik; këkrintflngan, 
klokje bestaande uit de schil v. e. paogi, in 
navolging v. de k r o fl tj o ng, een kind bij *t 
mësampi^an om den hals gedaan. 

QQiiryp^, kapëpësan sang annman kina- 
rniit|nng (tjinarufttjung), dènikang Jaksa 
akatah, rinëbat ing arsa nrt, R., sas., Z. 13; 
ladjn sang annman anèng tëngah ajnda, 
kinamntjnng (tj i n a r u ft tj u ng) dëning Jaksl, 
datan kaëtang(r a s a)^ ald. Z. 12. 

^ n rvpo ^ , ngrëntjongin, een koopman beet- 
nemenf hem iets onifulselen; mëkrën^ongan, 
met vlugheid iels uitvoerend; aanh. onder ku- 
lang, vgl. pèftljong. 

oosoorrp'^^, kront|ongan, een klokje v. 
hout, zooals die men aan den hals v. rund- 
beesten of lastpaarden hangt en met 3 klepels 
(sagala pëdang hulubalang pon èy^Cjj4Ï 
lab s u wa rauj a, w. b., 88, vgl. jav., mal. 
kërunliug, Bjw. klui.uk, v. hout, vgl. sund. 

ft 

kolotok, die V. kuningan echter kroigoog 
heetende^ lamp. kalintungan, men. kalèn- 
tong, jav. kloftiiaog; z. kek rift tj ingan, 
gongsèng, okokan, grumbuogan en vgl. 
aanh. onder k u 1 k u I; ngront|ongan bèlah 
V. e. dof geluid. 

asunno^, z. onder krifttjing. 



'm\ 



104 



9S«^ 



9qnnQsï|^, pakrënjuk alëdé v. d. kreng 
V. e. slang, aanh. onder lad; kan; titing:g:l 
patingr krénjak anaritip ana ring dallkané, 
E. Z. 2; vgl. onder krunjuk, klënjuk en 
gridip. 

i^^ \ ^ • pëkninjttk v. 't tandvleesch 
jeuken, ook pakrëiyët; toen de baka voor 
een heilige doorging, alamé paék pakranjok, 
sangr baka twara n^ran^ftn;, T. bg., Z. 3, 
109 y vgl. k u nj u k ; mdkranjakan , verward 
V. 't geluid V. e. groote menigte. 

onoioj^, mèkrénjédan v. iemand, die 

telkens in de war is bij 't afschrijven v. e. 
moeielijk stuk; IQu pjanaké makakrënjëdan, 
V. die vele kinderen gebaard heef l, aan b. onder 
juju. 

ono^s^^, g;énit pakrënjët pa([:ëdoh ma- 

tjëk* makadi këna mëdang tling:, Us. 

QSjrnu]^, kanirënjëp mamb, Dp. Z. 2,6; 

kumrënjëb domilah, Smw. Z. 16, 13; vgl. 

kranjab. 

ono^, z. onder kwafidji. 

n 9Qp n no':) ^ , korf v. p a p a h voor gras, 
waaruit 't laslpaard al loopende eet (sund. , 
mad. ga r u fi tj u), z. tj a mok, srobong en 

k r o s o. 

gsj^noEÜj^, Lm. Z.'7,4 (bangsah; «jav. 

asem), «kindjëng; aiplaiijf: këkëndon ka- 
rindjëm mëkar, Was. Z. 7, 82; z. dungu, 

vgl. aanh. onder dangdangan. 

<\ 
ono^, een korf v. bamboe voor gras of 

die mei papier of lijnwaad overtrokken als ge- 



djanif V. vele wonden, zoodat *t lichaam er 
als een k. uitziet; jwadin ijanip patjang: pë- 
djah, ngrarandjang: tatnné mati, Swg. Z. 1, 81 ; 
tatané dëkdëk ng^afidjangr, Bgd., n^randjai^ 
arang^, z. onder këmpis. 

2«, djadja krandjangf, in een blad omwik- 
keld, door een k. gesteunde, gek usk usd gebak ; 
men droogt '13^4 dagen lang, om 't hard 
te doen worden; 't gebak kan 15 a 25 dagen 
lang bewaard worden wordt vooral door de 
Cbin., die 't tin kwé (zoel gebak) noemen, 
gemaakt en is meer aan de kustplaatsen be- 
kend. 

QQi|nooj^,kranjaban, »kirab; ofranjab, 
♦ rumarab, «lumarap (vgl. patingkërënjép, 
6. W., 7); vgl. kanjabnjab en krënjëp. 

asino^, baü (suba); tatujf gralang: ranali, 
kumaranjang manadarin (l j u m a r a ng tj a ng 
m a n d a d a r i n) , surjané katon mandèlok 
(ngaötjorong, maiiglorok) dé (pan)burajat 
soba (ng a g ë n) molih , saba sufld (u s a n) 
niabrësih, sukan atlné katëpok, djani mang- 
rasa sadya (ngarasaP), bnka di bandjaran 
sari, iantas pësu (m a n t u k) madjalan 
adèngr^an, Pan Br. 63; vgl. kraötjang. 

Oïsij'^no^, ng^rènjèng; v. iemands sprek 

schaterend; pakrènjèng; v. geluid. 

^ 9en'|no'D^, z. onder krofitjong. 

gsnyeij^ L, niet duidelijk v. bleek schrift, 
onduidelijk, niet verstaanbaar door onvolmaakte 
uitspraak, verdoofd v. 't geluid v. muziek b. v. ; 



en 



raamte v. d. tëtombol dienst doen; knpinjf v. e. heesche stem onduidelijk v. e. kleur 
en basangr krandjang:, z. godngan; ngran- (vgl. saru); luag^awé karëmnin; tamon, 



«Sl^ 



105 



9^\ 



«ai^dé holapning tumipghal (vgl. 

Qrëm); karéni aDtak tityang:, niei door mij ie 

tmtiencheiden v. gelijke letters. 

U., V. vaarluigeo, Br. Z. 44,11 (kalëbu), 

R. 4 Z. 1, 89, (k., këlëin), «kasilëm, 

Sut. Z. ISO. 4 (kadjahat), Z. 114,11, aanh. 

onder pipggël (këlëm; mad. id., mal. 

karam, lamp. karom, ja?, kèrëm, sas. 

karep, Kbj., sund. kalëm, i^dj. kahëm), 

R. SI Z. 2, 17, in een beeldspraak, z. onder 

b a n a w a ; kadjaQin:anlii|r 4|o V anabrani^ inr 

saaBdrm, papnumrira Drëpati, norina kaïno- 

dra lajar» d^Jonir was tlani: tanana hinatt, 

awasaaanja karèm madbjaniiig: pasir, Kid. 

<und. Z. 2» 20; kadi djong: karangr kamu- 

dyaBBloa karé» wasananya R. L. Z. 2, 1 1 ; 

kadyasKfaalog paraha tanpakamndf , nyata 

karen rt madhjaiiikang: 1ftwana»amndra, Kam. 

h.; aqpirèmaiii^ , «djumahatakën, z. onder 

Jjahal en Tgl. rëm II. 

» ci| ^ , SuL Z. 34, 4 ; tan kram v. e. schoon 

Cflaal door droef beid, Sut. Z. 59, 1 (tan 

sutèdja); akrain, Br. Z. 8, 11 (d umi lab, 

masarënganl , malingkab!, z. krama); 

atiiisrkah akram, B. Z. 1,5 (makanda akèh, 

makanda paglarnya); kumram, v. d maan. 

Wrs. 68, V. d. zon, str. 75, van zijde, B. Z. 

57. 4 (autèdja, dumilab), Z. 81, 21 (s.). 

aanh. onder laódëng. 

a£i|^, kréin*9 vrocbtenr, Str. 3; krürft- 

kirikrte* makrép, R. 20 Z. 14, 5 (ka- 
rësrës tingkabnjané tka dëdët ban djë- 
djëlé, k. damilah Iwir guiëm mapupul); 
akrën taiif (ukridl, Sm. Z. 27, 9 (m a p o p u 1) ; 



w % 



T. vele krtjgsknecbten, R. 20 Z. 14, 3 

(Iwir gulëm). 

I. , mëkrëm , mëmëman en roëkum 

vgl. jav. ngrëm; pantjinf kërëm, van die men 

in 'I water laat om den volgenden dag op te 

balen, aanb. onder kodong, vgl. onder këëm 

en kum. 

n«<E^^, z. onder tëngkëèm. 

9^^'EJ)|^, aktrim, B. Z. 3, :^9 (mangla- 

w a d) ; saksat sfrftkikirim Ing: $awa sani^sara 
jegens iemand , van wien men een weldaad 

ontvangt, R. L. Z. 1, 149; nyang sanjr klri- 
man, hana Ja hininnm sang: pandtta, mang^dé 

panas amnhara ngln, tan lara iki pih (wih), 

mangrhilangakën Ja^ftpuhara pipa tapwa Ja, 

tan fninnm Ikl dëoing samaoyadjana sang: 

nttamapurnsa d|ng:a slra wënang minnm, 
slra tnhan (aktinya kal!ng:anya, krodha tk& 

mangkana kramanya, ja tik& iunmanta, kn- 

wa^dkènanta (aktinya, rapwat tmnng kopa- 

saman, tut. 12 (vert. v. a w j a dh i dj a m 

katukam (irsarogi, jayomusam pA- 
pa pb alod aj a fi tj a, sat&mpèjam jan 
napiwantyasanto, manyum makArAdja, 
piwa pra^amja); mëkirlm, de asch v. een 
lijk in zee werpen (K. A. : m a i r i m) ; de 
ascb in een klungab wordt met een sam* 
pan zeewaarts vervoerd door de lieden, die de 
duiten, daarbij gevoegd, tot zich nemen (de 
raden arja përgi mambakar mata, in 
pi. V. mait, para ratu l(aduwa itu dëngan 
sapërtinja tëlab sudab dibakar mandjadi 
abu maka abuiija pon ditarub dalam 
tjumbul ëmas di bungkus dëngan kain 



1Gti\ 



106 



9SI^ 



tjindej lalu di bawangkan këdalam 
la ui, M. k., vgl. onder ijandi); kambang:- 
iiiiigha((§:jt)san&nëdëng: mangrlrlm in; bbra- 
mara pèdjah i tangrgraling: kapftt, Anj. Z. 1, 4 
(angrarasi, angulaogunj; ngrirtniy de asch 
in zee werpen; ngirimi, «anglawadi; *pa- 
ktiim, B. Z. 1, 8 (pawèwèii, dadali, z. 
onder pamidara), W. Z. 17, 2 (pasung, 
paül pawèwèh), 7 (paitja, pasungsung, 
p a w è b) ; pakirim, * p a w ë h ; pakf rimaiqfka, 
B. Z. 41, 6 (aturan ira« paiiiaüginiDg- 
sun, patitip tilyaog); pakikirim, Z. 32. 
4, Ar. Z. 30. iO, 13, vgl. 1 (bis); pakiriman 
of péng^riman, het in zee werpen v. d. asch 
(pënjupitan); vgl. onder sambuka. 

ot^'EÜj^, urëm; kürèm sada tanpatèdja, 

Buda ktjapi 19; vgl onder umbah. 

o o o 11.. 

OTTP^, z. onder krimi. 

ifSk^\ I., R. 6 Z. 4, 2, W. Z. 12, 14 

(dadyaqa); akrama, Br. Z. 21, 2, Z. 39, 1, 

alvtraar ook akrama pénab kan gelezen worden 

(matiugkah, agëlar), W. Z. 24, 2 (ma- 

« 
gëlar, madabdab), Z. 29, 3; krama li&la, 

R. 7 Z. 1, 25, W. Z. 30, 14; sakrama en 

kramanén z. aanh. onder lëmbana. 

II., wijze of toedracht v. e. gebeurtenis; W. 

Z. 28, 2 (tingkah), B. Z. 15, 1; vgl. Adip. 

97 (bis), gang v. d. zon of maan; Iwambèk- 

tèkl wëkasmo rakwa lamiliat ring tjaiidra- 

sürjjakrama, wees er verzekerd van^ dal het 

na de laatste keer is, dat ge zon en maan zult 

» 
zien, Ar., Z. 47, 5. 

2«, gebruik, vasgestetde of overgeleverde ge- 



woonte, iemand's wijze van doen en naast 
brata (z. b. v. onder majura en fata II); 
tanpanAt krama, Br. Z. 49, 1 (tan ma nut 
tingkah, nora mamargiSng t, vgl. apa- 
tjara eenige regels te voren); sakfamaiiing^ 
damadl, al 't geen pleegt met de schepselen te 
geschieden, de loop der wereldscbe zaken, Smw. 
Z. 1, 28; kramaning; dumadii v. 't geen een 
schepsel niet ontgaan kan, T. Z. 5, 21 (ting- 
kahning lumitis); nyan kramanlng^ alaki 
arabi, wnangr tan wnang, pang^mètnya, Iwir- 
nya „Jan ana wwang:, salwirinp wang^a won; 
ika, ang^amèt tstrl makarabinya, rwa tin mèt 
sadina aplsan nëhèr sinang^amakën maka- 
rwa makatri, rlng^ dina ika, bala tmén ka- 
djarin; sastra salah krama wwang^ ika, tjom- 
banakrya ng^aran, ang^létuliin djafat wanir 
ika^ Tèh dndn krama manusa atama mwang: 
istrlnya, tütën olaliing: krama pa$Q, tnlja 
$règ:alakrida, wwang^ mang^kanft, kna sapané 

bhatara ^aturranka, sinapa wwang^ ika ka- 
SQSupan bhütlia (sic) hiladarwwa, wang^ 

mang;kan&, ang^lëtnhi buminira sang: rata, 

ng^awé sang^ar djag^at kabèh, ang^lnng^sur ka- 
saktyan sang; rata, ang^langsar gaüaning won; 

kag;nahan wang; ika, dèwa malalis tan saka 

malijang; ring; g;ami ika, salwiring wèda 

djapa mantra pnpog;, kaliawakin antak wong; 

ika, anjampnri bami, ang;lnng;sarakëo ka- 

$üran kadiran, katg;ataan ilang;, sarwa g;lar- 

ing; ma(pa)Jadan mantrft prag;olan tala tan 

mandinya, watèking; prangt mawta lilnag;ana 

dadi watëk djërih ika tan sajogja wang; 

ika winèli parëk ring; sang; rata, tjontaka- 



«^ 



107 



9S«^ 



i|a4iDt wam; ika „Jan majan sampnranën 
waar iliftf wnan; sira njèwa ring bhatara 
KÉrJJadilja, mwah angfèlarakéD san; hjangr 
bkisma tlga, ika njapuh salwlrinp régrëd, 
tiwg sariranya, mwah raalnkat luadadus 
■apamahja af ungr, manfkana krama wan; 
■a a g k a a A, malili masürlJasèwana ri kala pür- 
aaaa tilém, Jan nora saman^kana, sakala 
aiskala amangfnli hala, fr. bpl.; akrama, 
roorzien van f. Sut. L. 136, 6; sakrania, aaiib. 
onder püdj&; tan wnih in; krama, aanh. 
onder pa ka; satata makrama tjorah, (• 
oityalakwatataji; krama desa, de bewo- 
ners, die aan de verplichtingen als b. v. aan de 
heeredienslen enz. voldoen ^ wong krama 
SU bak tegenov. de klijan subak, die lic- 
ileo Damenllijk, die onder bem staan en niet 
opampël; rowanf sapakraman, Adig. 61 
bis), 62; ngramain, meedoen fatsoensbalve, b. 
T. aiechts kleine sommen op 't spel zetten; 
een weinig eten, om maar meè te eten; ook 
in de beteekenis v. om *i spel niet te breken, 
meedoen om maar meé te doen; wa1idjat|anda- 
lakrasia (b.: karmma), Krws., 64. 

IIL, verb. v. karma (evenals prawa in 
pi. V. parwa en prana in pi. v. parna 
in anggarap); snn timbali dadya karama- 
■in T. d. man, v. wien zlJ gedroomd had, 
J^p., b. 1, 97 (ingsun nndang suntëmokën 
lawan sira); mëkrama, fats. in pi. v. më- 
kaïnkan (mëkrasmin); makarama, «alaki, 
•akrmna een man huwen, T. Z. 6, 70 (vgl. 
jaT. krama, krami en palakrama); 
sakrmaa lawan, iemand trouwen, tot vrouw 



nemen, Djpur. ; pluakraroakën, uitgehuwelijkt, 
wirsonita; salah krama, eene verbindfenis 
legen de kaste b. v. 't huwelijk v. e. satrya 
met eene brabm. vrouw, bloedschande (vgl. 
onder pusuh); salit krama, aanh. ouder 
kërë; tanpakrama, (h.: tan sa krama), 
T. Z. 5, 96 (pëlih laköana); sapa Jogja 
kramahanlra {husband), Mal. 160. 

.ïOJ'E^^, z. onder karma II 2«. 

oeJ^, jav. (z. krimi), T. Z. 5, 66 (z. 
gadgad); tëtëk lintah tètëk linggis, 4a- 
tling:, wdit, wawajang (h.: warajang), iris 
poh, knritjak kërëmi, sampèka, sakwèh ki- 
nèliking rflt, Ag. 

'^^^\ , 8., made v. e. lijk, Tj. A. d,, naast 
tunia, T. Z. 3, 20, Lamb. Z. 28, 2, alwaar 
krimika denkelijk bedoeld is (z. aanh. onder 
halé); karimf, T. Z. 5, 88 (ulëd; vgl. 
krëmi en krimibut in pi. v. krimibbuk, 
denkelijk slang, volgens R. v. Ëijs., maar 
sanak batih volgens Wnt.); krimida (of 
da ba), aanh. onder antyadja; krimi, aanh. 
onder pi^ita. 

^€j ^ L, s., daad, vooral, die in een vroeger 
bestaan verricht is en in dit leven beloond of 
gestraft, B. Z. 1,20 (purakrëta; vgl. k&rjja 
in de aanb. onder angluh), Adip. 20, de som 
v. goede en kwade werken, die de aanleiding 
zijn van bet in 't leven blij ven of onderworpen 
zijn aan de wedergeboorte (vgl. Kern's Buddh. 
340); k. tënmnyn in eene vervloeking, Adip. 
101; Kam. 17, Brb., Z. 16,16, tasmftt kbwat 
karmma kënanyu, aanb. onder parigraha 



> 



108 



9SI^ 



(vgl. mal. z. aanb. onder rangkang); lëpas 
mawédimo ri wwangr lèn, sab sakèrjjaba 
djah tasmat kabèb karnimakénamwa mnltha 
Tijng nftraka pwa ko, Kam. 63 (T. Z. 4« 20U 
lëwih wëdimo (mo)lat bjaiig jama 
lawaD kami, dj. t. mali n^ko doma- 
wub ing jamaloka): tan kawa^ajauwwani^ 
lèn panjforipakëna rl san;^ rftdjapatra, ssnng 
hi%jsg triporosa towi, hjangr brahmA wisno 
ifwara, tar wénang^ mang^aripakëna ri sangf 
liiyapotra, Jan fan sang: brihmana sinangkala 
manpharipakèna, walaja hnrip mnwab pwa 
san; i4d{apotra, dyah wirasèna, ndah ka- 
bwat karmmakëna dènta kabèb, zoo sprak de 
slang, die den onrechtvaardig geslraflen brah- 
maan helpen wilde. Kam. 53; bwat knanya 
karmma, Kam. 10 6.; vgl. O.; harmmastotra, 
z. onder stotra; karnimaplnda, R. 2 L. 
7,2 (daaran, pangunakara); karmma- 
patha, hana karmapatha ng^aranya, kahrë- 
taoinp indrija, sapolab kwèhnya, ulahakëna, 
kramanya, prawëttyaufnp manab sakarëng;, tla 
kwèbnya, nlahaning wik püt, prawrëttya- 
ntng: UJa, tèlu, pinda sapnlnh, prawrëttyaning: 
kija wAk, manah hènj^ta, tut. 10 (verl. v. 
manasft triwidham tjaiwa» wfttj4 tjai- 
wa tjaturwidham, kèjèna Iriwidham 
tjftpi, da^a karmmapath&ngf tjarèt); 
prawrëttyaninp manah mmnhnn adjarakëna, 
tin kwèhnya, pratyèkanya, si tan ing^in adëng- 
kja (b.: adënggja) ri drawjaninp lèu, si tan 
krodha ring^ sarwwa satwa, si mamitnhwa 
ri hananing: karmmaphala, nihan tang^ tlfa 
ulahanlQgr manah, kahrëtantng: indrija ikA, 



ald. (Ind. Spr. 347, waar sanbrëdam in 

pi. V. tjftrüsam); nyan^p tan prawrëtyaning^ 

wftk, p&t kwèhnya, pratyèkanya, ndjftr ahala, 

nd|ar aprëfas^ ndjar mithja, ndjar plsnna, 

nihan tan; pftt, sifig^fahana, ring^ wftk, tan 

ndjarakëna, tan ang^ën* ndjaranya, ald. (Ind. 

Spr. 749); nikanyangf tan nlahakëna, sya- 

mati^ mangahalahal , si paradAra nfthan 

tang: ttn tan nlahakëna ring: asing: rinf pa- 

rihftsa, ringr ftpatk&la ring: panfipjan tnwi 

sing:g:ahana dJag:èkA, ald. (Ind. Spr. 4311); 

kannmaJog:a, aanb« onder joga; krdrakar- 

mma v. r&liÈasa's, R. Inl. 39 (galak lak- 

sana); akarmma, klaar tnaken spijzen voor 

een gast, T. Z. 3, 66. 

II., bestemde vrouw ran, Hw.» L. 15, 8 (vgl. 

krama III); ënto pakarmahanira, die zal 
mijn man zijn, Tjp. , L., l, 53. 

2^ echlgenooi^ Kid. Adip , c, Z. 3, 14 en 

16; * karmma, Sm., L. 15. 19; krëma naast 

*i jav. dj o do, Am. (vgl. jav. krami en z. 

grëmi); akarma, Mal., Z. 3, 77 (marabi); 
akanna maring:, verloofd aan, 16, 22, B. Z. 

55» 4 (m a p a ü m a h a n) ; makakarma, iemand 

lot man hebben, Ud., 125; plnakarma lan, 

vereenigd met iemannd, aan wien zij verloofd 

was, Mid. ; mëkarmaing:, uithuwen (z. krama 

III). 

5«, tra ngrlah karma tkèn anak Inh. 

9^^^,s., pënju, naast ëmpas, T. 6. Z. 

4, 42; kArmmAwatftra, WisAn als schildpad 
(•jav. kurmawatara, warni balus); 
wnangr pinising:fih sawnwngnlra, tan wnanf 
Imbah lwang:auai koranf Iwihana, apan sira 



'^\ 



109 



«l^ 



prit W8i| suf mah&paiiiita ni^aranlrai apan 
kidi JMtinlng liman wnaof lamar (1 u m u u^ ?) 
tu wiuuig miindiir mawab manahing^ wong 
iista kviUana, kadjaagTfaBlngr f alA kArmma, 
wwÊg (1. wénaDg) adawa wénanf a^éndëk, 
nuig tan katon manakta alahta, Wlb.; 
nif kArmmawtiaureay aanh. onder kiriti; 

■èfakarBina, aanb. onder f wèta. 

oicncji^, mal. (perz.), de dadel niet alge- 
meen bij de bal. bekend, Mw.» mrëgakè(a 
^), pafumürdi (?), enkele, ecbter geene 
michlen dragende, boonien worden alhier aan- 
felroBen; ay aijn niet geplant, maar uit weg- 
geworpen pitten opgeschoten; vgl. rutap. 

^^ao^^^» krèmèhan (Ie lezen krësè- 

han), W., uitg., Z. 31, 9. 

nnciso]^, mang^araman v. vuur, Sum. 

Z. 161, 1, B. L. 87, 46, Z. 38. 20 (mang- 

zéitua), Adip. 115 ro., Wir. 16 o, Sm. L. 

148, 1 (jav. mraman); damarmangaraman, 

R. 43 Z. 4, 14 (pafldjut né urëm); pa- 

■faramanikangr banju, Sum. Z. 144, 3. 
9S^€Ji»]^, alunnrwlng: pantl kraman (b.: 

k u m a n), den prins werd verzocht op de p. 
K. plaais ie nemen, R. L. Z. 1, 107. vgl. 

pantikrama. 

ia^36l|^, la man, eedr. (bis). 

n«r>€Jiwi|\, onder de vaartuigen, Krts. 48, 
M; Hww., Z. 8, 41 (mad. kleiner dan de pa- 
da wai«, T. balav. Gen.. XXXVI, 365; Bljw.: 
floort vaartuig door zeeroovers bestegen; z. 

gëndong V). 

Cl 71 €1»)^, sas., de wachiengel, die rechts 

r. dm biddende zieh bevindt (Katibin zijnde. 



die links 't zelfde doet; jav. kiraman en 
katiban; para malékat djuru kutub kan^ 
ran kiraman katibin, kinon ambuka 
punang buq, waarin de daden der sterve- 
lingen opgeteekend zijn, khj. b.; mal. ^^jAaïIS JS, 
aruman; kiraman katibin datanglab 
pula, mëmhawa Grmftn hak ta'ala, 
méquratkan dosa dëngan pabala, sa- 
kalian pabala disoeratkan dahoeloe, 
kapada dosa sangat lab malu, K. K. 
marah tërlaloe, diangkat tjokmAr 
lalu dipalu mërasai palu tërlalu sa- 
ngat rasanja badan tërlalu rëngat, 
ija mënjurat tërlalu bangat, sakalijan 

dosa barang jang ingat, tëlah tërsurat 

« 

dosa dan pabala, di lèhèr maitdi 
gantungkan pula, mënanlikan datang 
tijup sang ka ka la, Sjair qljamat, Singapore- 
steendruk-uitgave, hl. 6 en vlgd.; de Kit4b 
masalah saribu (steendruk uitg., S.), bl. 47, 
geeft de namen niet op, maar zegt, a da- 
pon malaikal jang mënunggui pada 
saörang manusija duwa malaikat 
jang saörang dari kanan dan saörang 
dari kiri jang dari kanan itn mënju- 
ratkan pada perboeatan jang baik 
dan jang dari kiri itoe mënjuratkan 
përbuwatan djahat). 

QSiOQQN, tatit? Kr. 

Q o 

9Si7]€«9Q^, z. onder tjurumanik. 

9Sit o r->a ^ ^düj ^ , sang karomanlki eigenn. 

V. 't wonderpaard v. R&ma door niemand 
anders dan door hem en zijn zoons bestegen; 



^\ 



IIÖ 



isk\ 






2t|n drek was dodol, zijn pis arak en 
brem, R., sas. Z. 15^ R. bl. heeft 't zelfde, 
maar noemt het ontjésrawa (R. K. slechts 
eenmaal sarijuda; in de mal. R., die onvol- 
ledig is, niet te vinden). 

o<E^^jtAX^, s.y wftk, pani, pada, 
p a j u, u p a t a (u p a s th A) ; z. onder d a- 
f è n d r i j a. 

gsn^jin^, s., eigenn., Br. Z. 18. 9. 

9Si|<EJi ot ^ , Dg^aramaky sas , krabben uit boos- 
heid, in 't gevecht (vgi. kraëk), v. e. slang, 
Kbj. ; takaramak isiq manak tatjotjok mata. 

9S«0 9dii|^, krémèk* v. onduidelijk spreken; 
Dg^Tëmëk V. woorden; ngrëmëkanip, een woord 
verbrabbelen , onverstaanbaar maken. . 

o<P9sii|^ (vgl. këmik); kramakkrimik 
V. die ipit; ng^rlmik, bij zich zelf spreken 
als halfgekken enz., pakrimik, onder elkaftr 
fluisterende spreken b. v. over een verboden 
liefdehandel ; krimfkan, pruttelen, 

g^o 9^1 ^ , ng^ramnk verward, onbegrijpelijk 
v. iemands mededeeling b. v. 

gsioa QSii^, s., boog, H. Z. 38, 10. 

gsi<EJio|^, jav. (k rang kam), B. Z. 3, 38 
(buluiJ^, kapiting, kreng en krang; a\L, 
tombuUi, duizefidpoot, misschien polyp) ; akram- 
kam, R. 6Z. 10, 2 (marèrod, makakarang). 

QQii<EJi^^, sallng kriniët, elkaar bijten; 
pada ng^rimët v. d. lëlasan en de lëlipan. 

9SII n /) «EO ;ui| \ , mada&ran pakarèmos (dja n i 
kaaljang da&ran), Pan Br.; né dl tëbènan 
mag^abu;, madaftr pakarèmos, ald., aanh. 
onder dadah en randah; méméqla peso 



maiijing^aly ada iiiag:andoiv masannlf mangra- 
mali barëiqf pakrèmos, twara Ja im^ët ma- 
wadjik, llmannanjé mlsi tai, kambënnjané 
marodrodan, oyënali panpsëdé ng^lojongr, fr. 

osiiaAJu^, jav. («karamas)], vrn. :^ am- 

bub, W. Z. 50, 9 (kadjamas); karamasanira, 
Br. Z. 9, 8 (ambuhang dané, makakara- 
mas dané, au^gèn danè kuramas), vgl. 
onder godèbag. 

Qqi<EJi^^, z. onder grimes, 

ooAJil^, zekere mosselsoort; kram^ krë- 
mis, z. remis en harëmis (vgl. aanm. onder 
b u r ë ng). 

gsna M\, s., aanh. onder k&amft. 

on'EJitu^, s., z. onder u&tra. 

gon^olx^, pakarëmpwanif, «makëm- 

pong». 

oa^n, «tjèn^, Sm. Z. 22, 13 (grëm- 

bjang en jav. krëmpjan^, krumpjang, 
krompjaug, krompjong en krampjang, 
lir tarëbang kinërampjang, Wg., II, 
sund. gromjang, z. krëngsyang); maka- 
lëpok mëkrëmpjangr, «pok rëgghong; ma- 
klétjèk makrëmpjang , z. onder klëtjèk, vgl. 
këmpjang en grëmbjaog; wèdané titir 
pakrëmjangr ^b.: pagrijëng), Kid. Adip. c. 
Z. % 90; krëmpjangran «tjèk, «kftkrëtjik, 
* k r j a ng. 

9Sfl o Ji ^ , krampangkrëmpëof, * m a ng u- 
mëkumëk; pëkërëmpënif, razen t. muziek. 

^a Jj^ , mëkrëmpung^i een gorgelend geluid 
maken v. vocht in een nog niet volle flesch, 



«^^ 



111 



<^^ 



/ 



ook krompang; kmmpnpg» t. 't Tocht in 
eeo Besch ; og r a m p u pg, dat gelaid maken. 

• il^ "*^ ' Bjw., ben. t. e. zeer dunne d èn- 
ilèqg ▼. rundvleesch. 

aa^^^, z. onder krémpuog. 

'^ w '^ Cl J ^ , krampangkrèmpèog, roerig zijn, 
ab 'I ware onrustig zich ergens gedragen als 
b. V. een kat, die aan borden zit te krabbelen 
om naar eten te zoeken. 

?iQP'^€i^n\, trompoog. 

• «7i€Jiui^, lëlipanf, Tgl. kalimaja, 
ofer de r z. rasuna en krajan. 

• K$qTr>^vJi\, T. Z. 4, 61 (karoja). 

qTr>^^n^\, kamoromjok (b.: gi- 
ooromjok) ing tatar, R. L. Z. 8, 36. 

3Si7io€i^ h, karambé en krambé; 
sngih akrambèjaiiy schatrijk, Us.; makaram- 
bian, rijk zijn in kinderen, verwanten enz. 
(Tgl. rëndah en rëmbé); akarambèan, R. 
L Z. 11, 160; makarambèan ikang parana- 
■ak, «pénnh makwèh tang f i&ya, aanb. 
ooder barëbëd; makrainbèJaD v. d. pooten 
f. d. këtëpi b. T. (vgL kambé). 

II., uuny&karambèjan, Kid. Pam., Z. 4, 
t44 (de prozabewerking ëmbud). 

nci^^nj^, z. onder krimi. 

'^sn^^conj^, krombokan, soort y.mand 
T. grof Tlechtwerk, zooals die om hoatskool in 
(e bei^[en; ook Toor tamarinde en suiker (f) 
en kleiner dan de kalèsanf, als een kleine 
bodag (aas.: kalèsan). 

isi€iisii]\ en rambit, Bjw., kwambit^ 



K. A. ku wam bit op de borst f, krambltan, 
nm. V. e. dèaa in 't Tabanansche. 

^^^^\. • tugnrambat v. varens, Sm. 
Z. 16,2 (pasrawé), v. fan^ka's op 't zand, 
Sum. Z. 1, SK, aanb. krëtaUsa; mai^^nram- 
bat, V. e. wolk, W. Z. 35, 14 (sumabab, 
masrambjahan); mangorambat ing mata 
V. vliegen. Sul. Z. 185, 10 (maqlëbatin 
aksi); vgl. rambat. 

^3n£^nj|^. jav., «nijur, «lukmapro, 
djnëngringipun (?). Tjl. 64; karambil 
awangèn, • k a t i 1 a r (?) ; karambil gagada, 
*narandaka (?), z. Tjl. 64, waar verschil. 

osiTi^TU"^, akarambalang tëtèl binang 
wills, 251; karambalangan naast ba ba dong, 
Kid. Pam.; karambalangan, pending, Kr.; 
singel karambalangan. Mal. 86; akarambala- 
ngan manik, R. L. Z. 10, 22 (mabapang 
masotja roirah). 

oein^n^, z. onder tarambudja. 

^3n^n\ (mal. c/Uu/, tag. kalum- 
pagi), z. aanb. onder karantiga. 
9Si7jo^, V. e. rivier?, Hw. Z. 38, 1. 

^S{\> z- kurambang. 
QQI^^^, z. kaümbau^. 

80171 €«^, V. kamban^ (vgl. jav, en guri- 
lap V. gilap); makaknrambang v. vaartuigen. 
Ar. Z. 31, 4; pattqg karambang, R. L. Z. 11, 
62, V. vaartuigen, Z. 2. 22 (vgl. ogramban^ 
onder gètèk en 't bat. urn bang). 

9Si£4M^, s., z. onder lampëni. 

9sin|^, akrègan, adjak lijn; mal ad|ak 



m\ 



112 



7Sll\ 



akrègan; pasémëngan maniarg:! akrég:a]i, 

«èfidjing maogkat arampak. 

9SRn|^, jav., sakrigan, «nora kantun 
(z. krid); lu&kri^n, B. Z. 50, 3, Z. g7, 1 
(llasan); akrig^an kadi g^untar, Mal. 392, 
252; akrifan kan; wonflng; djèro nglrin^; 
T. Z. 4, 22 (llasan wong dalémé 
maogdulur). 

QQ|n| ^ I., «gërëh, R. 17 Z. 6, 4 «gëlap, 

donder (tag. kolög); krog: pasih, z. onder 
pasib; makérag:, aanh. onder sadak; iig;ë- 
rag^n, op iets slagen laten regenen (k rug in 
bungutné); krug^an ombaké; «gërëbniog 
ampuhan, Sut. Z. 85, 8; pakrnjfan onibak. 
ll.y adjak akrag^, mei zijn velen, vgl. aanb. 
onder djamdjam. 

o o n| ^ (vgl. krek); ngrèg^ang:, de 1 ë- 
langsé open of dicht schuiven (vgl. rèrèg, 
jav. lèrèg, sund. rèrègan). 

IL, z. onder ringgit. 

asunnj^ I., aklrlg:*, rillmi, ijzen (vgl. jav., 
batav. kirik), bij 't zien v, iemand, die een 
afgebouwen boofd als een bal in de boogte 
werpt, Was. Z. 2, 33; mrakny&nawwang: 
ag:aiiti mang:g:wl lalajanya makirl; anisik* 
hëlar, Kk. Z. 4, 7; manjalnyan mésat wwata- 
nikolih sihangnlng^ watèk rftksasan hlnëlë' 
dadyakirlgr Ja (t & r a g J a) kandég: mahldwarë- 
hak, Sut. Z. 137, 1, b (batun buluhnjané 
ngSnanin tjaling dètyané raris ka- 
ülub dadya glis ja marèrèn). 

IL, kirig adang; ; makaklrig^, rijken, achter- 
uit deinzen; iig;iriiraiig^, achterhouden b. v. 



mantra's; iig;dkfarlf aiigf, achteruitgaan, tegenov. 
ngaëpang. 

^V^\ (orëg?), «gumurub, Sut. 
Z. 129, 1. 

g^TjOJ^, kulambi saluburing susu, 
Sm. Z. 25,9 (antëng), Sum. Z.60,5; harnas?, 
Wir, 35, Adip. 15, *lapib, W. Z. 3, 12 
(antëng, djamang), Lamb. Z. 30; lil&njpi- 
rwani song korugr slnlriring: pawana me- 
dar i rosnikangr pnpü, Km. Z. 28, 6, kamlab 
Iwir padap& kurng^ya sinlrlTslrlrning: anlla, 
Z. 29, 6 (vgL k u r u b ; «jav. : k a I u ng) ; 
Ikang akarugr, vgl. onder kalambi, v. e. 
ambtenaar, die den vloek moet uitspreken, O., 
kurogrniiig anapathani; kakarugraii, Wit. 51, 
0., paiigamg:a]i, Wrt. 55. 

^g^Tinj^, mëkèragraii barak Ipané. 

*! «n ^ ro n| ^ , karag^korog:, heen en weer 
dobberen als buizen op een vlot door de golven, 
saragsorog; ng:orog:angr, verschuiven: më- 
korogan, schuiven, schuim slaan, wippelen v. e. 
tafel, waarop aan een kant gedrukt wordt, 
z. sorog. 

^siin^, z. onder ima en vgl, grigiq. 

oyjoo^ of urugëra, rAmJAmidJah 
niang:arng:ëm sufëmanya niatri, Rm. Z. 8, 
6 ; majfong:;on j^an tang: kftdawa maugarug ëm 
somja Ja madèng:^ Z. 9, 4. 

^o^n^, kuras krèg:ènf (b.: règèk), 
sas., brag tègrèg. 

9SR oj ^ I., Ddan prftpta sang: brahmarft^la 
Ing^oman sira kang: grëAding: mnnyatrl sam- 
pan ing:oman sira tar Ingfëmban, mara ring 



«^ 



115 



»^ 



nrtaaa wastra hinéngrakëna polahirèki wa- 

wtraBfao sapasar sir&krab krambja v. e. 

pas gehuwd paar» Smw. Z. 16, 40; fénép 

sapëkëii akrab kalasa, v. e. pas gehuwd paar^ 

TjL 84; krab kambl, «kr&ban kalasa (vgl. 

ja?.); Hèkrab kambé, e^n huwelijksplechtigheid 

neren, die heden niet meer algemeen in gebruik 

», volgens de weinigen» die er van weten, 

moet 'l getrouwde paar eerst een draad over 

de schouders laten gaan (njaluk bënang 

atakël) en dan op een sangku met de 

i^ookkels tikken (mëgëtok sangku of ma- 

këtok s., z. aanh. onder sontëng), terwijl 

tevens aan de huisgoden geofferd wordt; dit 

geschiedt na 't hè bas; volgens anderen is 

■ékrab kambé, vrn. = mësakapan; akrab*, 

Sm. Z. 10. 4 (ngulèpat), Hw. Z. 13, 4; 
kaairab aoaradjan;, K. sas. Z. 5; kumrab 

kalanira gègër» Z. 9, nolja kumrab bala këra, 
Z. 10; maniri'Ah rèma, «manguré; angèrab 
roaa, Kid. sund. Z. % 103, Z. 4, 243, aanh. 
onder w i r u n (jav. k i r a h P) ; ngrabang 

ranaiié t. e. heks, Tj. A. ad. (vgK onder 

robrob). 

IL, een tijdgenoot^ die een weinig jonger iV, 

X. onder k a ft b en vgl. i j a b a n ; mëkrab , 

««MH^ in ouderdom verschillen (z. i j a b a n) ; 
allen ie zomen dansen b. y. y. d. sutri. 

UI., tan maaot krab v. e. weerspannige, 

Rkd. ; ^grabiii , aanh. onder kaluwangan 
'vgL jay. kumërab); z. onder tëdun; ng^a- 

bav^t ^^ ▼• d. bafidjar of sëkSS oproepen 

voor een werk. 

IIBUIBOBB filCl IL 



9Sini|^ I., këkrëb, vrn. = rurub, raftb, 
fjëtjapil en safth en zelfs toegepast op de 
pisangbladeren over een paogkonan, Lamh. 
Z. 13, 3, «rurub (vgl. këëb); Iwlr ai^^é- 
ngérëbiy «angrurubi; sampun papot ngakë- 
rëbin, «sampun purftna rinuruban; 
kërëban, doodskleed ^ Kid. sund. b. Z. 6, 8; 
kèkèrëbin, «rurubana (vgl. kuflb III, 
kurub, sëngkuüb, «kukub en jav. 
krukuh). 

II., knmërëb in pi. v. kumurëb, K.; 

kumrëb dëné agolloy, z. onder kumurëb; 

ana kawah aqjar kallb kumèrèb anèoy Ja- 

mani paffadai^; dé bbatftra Jama, Djpur. 
9si7io|^, jav., Vr pauwen op een gaduh^ 

Hw. Z. 2, 11, V. d. tanden, W. Z. 3, 11 

(kraqaban, krèdèpan, kdèpan; vgl. 

sund., jav. en mal. ki rap, z. jav. R., hl. 187 m.); 

aklrab en makirab, »abhir&ma; aUrab 

buwan, B. Z. 90, 13 (ngëbèraoig uban, 

ngababang u.); ani^rab wèni, Was. Z. 7, 

47; angirab romay «anguré wèni of gë- 
lung; ang^irab roma, na 't bad; Md. Z. 2; 

slratni banju rinir filong: klnlrab ai^^hirlbi 

kokos i s&riniQ( podak, Sum. Z. 2, 1; 
mangrirabang (hds., mangirang) roma, 

« m a ng u r é ; nglrabaag, spreiden de staart als 

een pauw; konaoy angako kadanongan tan- 
pangako Ja wrota ing dosta ring maling 
konang, tibanana kiklrab, Jan awrat sapa- 
nanggok kasodataaning doèa, nga., anai^^gap 

pwa Ja pakikirab, nirdosa tanpananggap Ja 
pakikirab dnèta rasa, nga«, danda Ja kadi 
ngonl, volgt op de aanh. onder kidang, Wtb.; 



8 



^\ 



HA 



0^^ 



liana wwaoy adol ataka kbo, sapia, kad&, 
salwirlng: pa^u, rlag panëmbin;, amisisi ring: 
fAnya, tan wrak kangr atuka, Jèn oliking 
duèta, tjorana pakikirab Ting kang: atnku, 
takonya mnlika sakawit, wroka kanjr atuka 
Jèn oUbing: dusta, danda Ja sa&djining: tina- 
konja mwang: tutukonya (b.: piiukon) bi- 
lang^, pbalaningr sakarahita, ng^a., ald., aanh. 
onder lahup en lirana. 

oeiynij^, jav. (vgl. rungkëb); aturu 
knmartb, Ar. (R. L. Z. 118, kumrëb dènèng 
agaling); knmurèbknréb kamëdal asring: 
anlTu* patranlng^ pënjn, Sum. Z. 10, 8; kina- 
Tëbakën, z. onder lumah; kiunrëbakën v. d. 
kawab, K. (waar verkeerdelijk kinurubakën?, 
batav. k ë m u r u p en l ë ng u r u p) ; z. onder 
krëb en aanh. onder këpug. 

QSjyjrJ)^, vrn. = tëngkalung (K. A., 
verbast. v. «kurug?) «këmul; vgl. kuQb 
en sëngkuüb. 

ngQoyini|^ I., v. kleeding (bungab), 
sierlijk, oprichtelijk ; laidé manfl^nlidig:, djani 
dadi korab, fr.; mëkorab, zich oefenen in 't 
schieten zonder lading, maar met percussions, 
om 't schrikken af te leeren? (kl.). 

II. « «jav. (ook go rap), aanh. onder ga- 
g a n a, verb. v. ar. l-^Kc, onder de vaartuigen, 
Krts. 19, 20, Sraw. Z. 6, 21 (jav., Ad. 127, 160). 

QSHTi^^, s. (karabha), kameel, Aw. 

«s»rin|«j^, z. onder garubuh. 
9Qoni9Q]\, rin; kraban kalasa, Sum. Z. 

u r 

127, 1 (Kid. Z. 2, 137); rinf kraban kalasèkl 
rakwa, Sul. Z. 85, 1 (ring krab kambé). 



n^opnuoj^, z. onder lëharan. 
Qsiin|n^, g., z. onder mas. 

Qgi!mïs!|^ I, (z. krëbët); krëbëk* v. ' 
kriewelig gevoel door de k ë 1 a ^ in 't ooi 
veroorzaakt; ng^rëbëk, 

*II., Bjw. (vgl. jav.), brëkbëk; djakung:^ 
ng^rëbëk, dj. mrëkbëk; krëbëkna ng^konc 
djané, brëkbëkang dttu djuné (vgl. kbëk) 

gq n| gdüj ^ , krabakkrabnk, verward rond- 
vliegen V. e. vogel in een kooi, een nog ntel 
gedresseerde p ë tj ë ng (j ë ng ; pëkrabnk v. 
bëtok's in een gëbêh, aanh. onder sam- 
pan a. 

«1 9SII o o| ^ , n^èbak uit vrees ; tangrkèdjul 

pada ng^orèbak (b.: t. raaku rèja k an). 

Bt. 296. 

Oïsnomooll^, geklater v. d. kilap (vgl. 

slëdèt en klëpèg), «kupak, «glap, R. 16 Z 
8, 7 ; krèbèk*, flitsen v. d. bliksem ; makrèbèt 
en pakarèbèk ngalinas; kilat makrèbèk 
«kumupak balisyus; makrèbèk Iwii 
panjandër kilat, «mapang kadi panam 
bering glap; vgl. glèbèg; ng^arèbèk Iwi) 
kadi kilat, Tjp. Z. 1, 41 ; krèbèkan, «kupak 
'igon^o-DosJj^, jav. (ook krobjok, jai 

V. Bantën, korobok); g;ëtihè sëdëng: krobok 
ng^robok, doorwaden^ in iets, water, waden (v^ 
ngiëbak), «matjatjaban; padingrarobill 
ing^ rodhira, Tjt. 223; pëkrobok v. slanga 
op den weg zonder dat er van water gespri 
ken wordt; pakarobok, «makakuruiag, oo 
ngobok, b. v. ngobok pasih; kroboka 
vgl. onder duk IV. 



J 



«^ 



118 



téi^ 



lointsij^ I., jav., y. vaandels, W. Z. 25,] ^|.n\' i^nibangr, iemand omringen hem 
! krilëb, krëtëban, krubatan), B. Z. 
94, 2 e. (krubulan), H. Z. 58, 21; vgl. 
kStëb» krëbëk; Tj. A. 25. 

II., kribèt*, këbëlM nsrébët v. e. wonde 
Jes nachts; nfrébét baka basai nfadjang: 
MMh, V. kippen klapurèk (bbj. ogrubul). 

• IlLy Bjw., mëkikën. 
a n ^^» (vgl. krëbët); paknibot, «hu- 
mabet; krabatan toDreolnJané, «krëbët. 

va >1 ril tsij ^ , jav. (krubut); klnanibiit, 

B. Z. 85, 4 (rinëoggut) en 13 (karënggut); 

■M Umarabat, Z. 45, 6 (pëdjah i nam uk, 

mati karuBtjuD^), ald. 16 (kabrijukan, 

iarèbat). 

ni^\, (Tgl. krëbët); krébëtan, 



-^37 

• krëbët. 

'^Knnni'5«]^, z. onder kaóbot. 

sin|«l\, (vgl. krëpwak); makarëbwak 
T. iemand, die naar beneden valt, B. U. 71. 

ani«|\, mëkrébjak v. d. bliksem; pa* 
fèapafciija komarëbjak v. lansen; ramé pi- 
saa pasyaté komarëbjak, fr. 

a r^i ^\» mèkrèbjnk v. vallende boomen. 

mTinnj^, komambiig:, aanh. onder ga- 
resyak en sijnt. 
an^, kribëi^. 

iginf3|-D\, pgrëbong (vgl. kribëng); 

dJ«U kiëb^sgr, «piasagi. 

SI n \ , wai aU scherm of schui dient b. v. 

een mat (vgl. tribëng, krëbon^ en kru- 

bai^): Hiikrlbëaf v. e. badplaats me/ matlen 

cmyrm\ vgl. aëruqg. 



met vragen bestormende, B. U. 152, 2*; map 
kmbniig, «asaput; mëkrabongr kampah, 
«akftlihan hulës (vgl. jav. kroboi^ en 
z. kribèog); met een kleed, zoodat hij be- 
dekt is, met een mat om hem te doen zweeten, 
(vgl. onder kadut); ngrubimi^ii (maogdé 
sampan babar panës) v. e. soort v. gor- 
dijn op een draagbaar, waarop een zieke. 
ari^L, «pa rang; kékaraof, Bbg., kraog. 

2«, karanf of kakaranfan, figuren v. snij- 
werk, z. haati, rupa, breng, boma, tju- 
riog, bintulu, sumoi^, bodjioig, brèdji, 

4 

daré, manah, singa en saé (vgl. onder 
8 è r a n) ; karangan, schelpjes waarmee s a ft b ' s 
versierd worden (vgl. mal.); aanh. onder pa- 
sagi; makakaranfan ban manik, «a ka- 
ra ng^ T. Z. 5, 116; karang*, Sut. Z. 104, 
11; n&ntën ratna karang* ri tëpining bai||a 
Iwir angilo, Iwlr molak talalènja dèni sahab- 
Ing banjn Iwlr amidjah, mon^ar wwainya 
nirantara pwa ri gadingnya {addba mahë- 
ning, talj& pastika ntrmmal& métn sabè- 
manindra kamatjor» Kw. Z. 2, 9; manfon- 
tuT karangy z. onder batu. 

IL, pakarangan, jav., «r/, grand v. e. wo- 
niqg (vgl. onder ëmbang); karang asem 
(amla nagantun), eigenn. v. e. slaat in 't 
O. . twara bisa nawang kalah kadi djangkrik 
taras karang, Tjp.; aikattng pakaraqgan, 
aanh. onder muhArtta; puflb kakarangan, 
aanh. onder kopok'an; karang inté, z. on- 
der al as sloka; anaké agnng bagos karang, 
z. onder tjanai^ en bafitjii^ah. 



^\ 



116 



^\ 



III., akaranfy 5 verschillende vleeschspijzen 
als gëgStjok^ lawar, djëdjëruk, urah 
barak en u. putih; iwak bawi akarang 
(atanding); pënfarangan, een tétèmbong of 
wel klatkat, waarop de spijzen gezet worden 
(vgl. jav. këmarang); 2<* z. pënarangan; 
balu mèkarangy die een zoon heefU en gelijk 
in waarde is aan eene maagd, tegenov. balu 
b u n t u t, die geene kinderen beeft; kakarangan, 
aanb. onder pëngaa^ z. gëéng mënjingët 
en onder smi; akarang*, aanh. onder tarë- 
tëpan. 

rv.9 jav. ook in pi. v. karang ulu, T. Z. 
3, 5; karang bnlni Sm. Z. 2, 9 (suraga, 
vgl. karanuru en karanulu v. d. Am- 
bonscbe landtaal), T. Z. 5, 64, «upadhftna, 
• upawarha (bat. halang ulu); kinarang 
nlon Inngajan, Mal. 106 ; samimikang ka- 
rang {kussensloop f), T. Z. 3. 3; vgl. onder 
ka<)s. 

y., z. këmarang. 

VI., nirwwAkAng kadi kënibanglng ka- 
rang* (karangang?) taja Hnawadaning ma- 
dhnbrata, Rm. Z. 28, 7. 

VIL, karang mënantii (vermoedelijk ons 

karbonaadje) , Bjw.; soort gerecht, beslaande 

uit allerlei kruiderijen (peper, djëruk nipis, 
kètjap, notemuskaat, kruidnagelen en knoflook), 

fijn gewreven en op vleescb gesmeerd, dat 
vervolgens wordt geroosterd, soms op varkens- 
ribben (mad. karang.binatji uit 't brabbel- 
mal., z. Handb. Ilr.; mënjuruhkan sëgala 
dajang^ dan biti^ prawara itu bërbu- 

wat makanan akan përbëkëlan itu 



sapërti sëmor ajam dan kërbo da 
kambin^ dan sampi babi dan bagoi] 
bëdul dan tjèlèng dan opor bèbèk da 
kërmanatji danlagi pèpèsan ika 
pëda jang ditjampur këmaqgi itu dj£ 
D^an tijada dibikin karëna kasukaa 
tuwan pandita dorna dan sama sano 
bël këmiri itu lagi dija djuga punj 
kasukaftn, b. w. B5). 

VIII., karang bali, nm. v. e. bloem?, i 
aanh. onder bali. 

IX., jav., angdé rës makarang* hall 
alaAdëp arlngi* kèsisan pnpar, Kk. Z. 6, 3 
bhramaranya mèdran akarai^;* Ing asani 
kombak ing hënt, Rt. Z. 2, 4; 6ë*h tang sad 
(t)pada mèdran anghréng akarang* angisè) 
1 s&rining mënnr, Z. IS, 9; angarai^i^, Sm 
Z. 1, 2 (kabrangtèn), Z. 24, 1 en 4, v. c 
verliefde (kaülaogunan en ulau^un), R. * 
Z. 1, 16 (sungsut), W. Z. Zi, 2; sangangi| 
rang v. d. liefdegod, Sm. Z. 1, B (vgl. ond^ 
ra pub); angarangi v. muziek, T. Z. S, l(l| 
(angulangunin); lambang pangarang en M 
sa pnrnsa ngarang, «bba&arudita (vgl. o^ 
der gurit); pangarang v. e. bukur^ waari 
zij zat te zuchten f, Sum. Z. 2, 4; angarad 
samnn, T. Z. 3, 92 (ngling kasëdihaJ 
karang kl4|ang, z. onder kidjaij^; rare k 
rangen, Us. 190. 

QQi^^, sakarèng, «eit poo« («jav., san 

lika, sakëdap; sigëgën sakarëng m 
rutasuta^ R. K.; vgl. Dair. en mal sak 
rang, sund. sakeudeung), Adip. 880; Wr 
18, 6 (adjaan, sanimësa), Br. Z. 18, 



> 



il7 



«1^ 



(sadjaln, samaira). R. 7 Z. 2, 4 (akësëp, 

asak&aoa). 

TBkr\\ 1., z. kuriog, 

IL, sikarfni^ Idëpipan, sa ra (saka riiig). 

•DL, sas., aanb. onder oogkoh, karlng^ 
.^aMBdaq, bin akèdjép; Karinip piran, bin 
pidan; karlof tèla djèlo, bin tëlu, vgl. 
Wer soléq. 

IV., aariil kakariDK, aanb. onder dalft&ta. 

^^\ I-» tjèlèng umah lanapg (vgl. 
onder kaflQg), 0.; Wrt. 40, vgl. onder tëgël; 
kariBf*! leker gerecbi, bestaande uil eersl 
rrkookle varkens- of buffelhuid, dat vervolgens 
^rblakerd wordt om met de noodige specerijen 
fenulUgd te worden; karanf kalab) z. onder 
nai^okuhan. 

11., saii^kèp bk&wani karangrkaninfan 
mat tBMkg mangadwA walan; (uitg. dwi 
w. . B. Z. 96, 3 (sarën^^anga). 

•III., Bjw., kaping, jav. bagor (mal.); 

kaaarui^, de vruchten v. d. këmbili (vgl. 

jav.). 

^nro^ I., sas., buwang, djalir, vgl. 

gaQdjat, ganal en bëbirasan. 

II., z. onder bëngkaron^. 

^\ I., Sttt. Z. 86, (kreng), schelp (mal., 

tj. eetbare scbelpsoorl) ; ook kreng, maar dit 

io Bbg. een grootere scbelpsoorl, die voor 

lampoliehakje gebezigd wordt, « karamkam; 

ktebaaf krang^» Stn. Z. 5, uil zes bloem- 

Uaden ver van elkaftr staande en rood met geele 

Mippels; de bloem sluit zich tegen den avond 

zoo te Soerab. bawang brobos, te Batav. 

radja lintaqg, heeten); andere bal. namen 



zouden zijn këmbang kirai^ en tampak 
mrang, (z. dèwangga), verkL v. sarisara, 
Kr,; krang bèbëdèf, z. onder bëdëg. 

IL, krangan, vgl. «karabai^y onvruehu 
baar v. e. koe, Wir. 5, Adip. 35, aanb. onder 
sarajA en bij trimaladjanma; kraqgan 
tanpawl^fa, Ud. 83« ari wadwan krangany 
kinderloog, tut. 30 (vert. v. bbagini en a na- 
pa ty ft), vgl. aanb. onder tumpu.r en bhiga, 
waar bet krfti^an gespeld wordt; mawak 
wwang atawawa wwang aplhataqg, wwaqg 
apaslangan, ring wwaqg krangan, fing wwaqg 
bis&nélah, ring wwaqg dnèta, matl saqg 
apthntang, l&wan sang atawawa, l&wan saqg 
apasilih ika tan palaknnin, patawawaï piha- 
tang, saslangan, tamampak Ivg pmg aklng, 
nga., i Wtb. 

'm\, sterk, «këlar (vgl. kijèn^, akas), 

Icoppig (sas., kënjang; vgl. jav.); sakrènigéf 

«bëugkungën; sang dira krèqgi *»• wi- 

rapuruëa; maslh krëqg twara milèga&iVi 

kreng tékèn nasi, veel Imnnen eten ; kakrëqgaVf 
«kasinghan; kakrèngan limanè, «kasnii^- 

basta; kreng riqg pajndan, «(Arèng raAa. 

«2^ Bjw., kuwal, këdangkan (vgl. jav.). 
o^ I.^ mëkriiq^i •krijg Jantje** spelen, 

één zoekende en de overigen zich verbergende 

(z. pris, vgl. onder kuük); ngring, hun 

snerpend geluid geven v. krekels (jav. ërik, 

ngèrik; mad. tjëring, krekel, vgl. onder 

sijap); «pakring, «panghrik, v. d. ba- 

langkalja; kiug, z. këtjik. 

IL, K. A., (djadja) opak; kring*, een 

plant, die aan den bodem v. 't water groeit, de 



> 



118 



«^ 



bladeren als die v. d. këmbang kraog» 
maar breeder; de bloem wit-zwartgespikkeld 
(mètrik^ sëlöm). 

III., nasi krin|^9 voor sangu en gekookt 
met slechts besproeiing of benatling, wordl niet 
ras pasil, (vgL sënggaQk); adang^ kring^, 
mal.y (aan de stranden beier bekend), gedroogde 
garnalen, die men op Java gemeenlljkt èbi (cbin.) 
noemt en bier door Chineezen slechts verkocht 
wordt (0,45 de kati), èbi hier nauwelijks 
bekend. 

9Si^, jav., aanh. onder dandang; më- 

kriiBg^» diepbuigend inloopen als b. v. een lepel, 

V. e. urangka door de pënglëb (vgl. sund., 

waaruit këwung en tjëkëdung), mëkëdo- 

D^au; nffongln. 

n«^ I., z. krang, «krang. 

IL, hard en droog v. suiker (Bjw. id.; vgl 
jav. krin^), z. garas. 

«III.i kèkrèDgan, sas., oliebakje, soms v. 
kima. 

IV., kafid komërèng^, Bbg. ; k 1 u ng a h of 
kuüd smambuh? 

o 71^, jav., h. V. kuwang, tegenov. 1 in- 
tang, aanh. onder uüdjuk. 

9SI 71 ^ , jav. kalapa kiring:, nj u h t u h , 

Us. 202, 161. 

'mr\\, naast kirang; «korang^ tarwftpa 
tan Iftlanai B. Z. 13, 11 (katuman pëdëm 
dènipg tan rèrènan, katunan nidra ma- 

pan tanparèrènan). 

9Si7i^ of karing, erg^ zeer in ontkennin- 
gen; b. V. nèntèn karing: djëgègr, nèniën ka- 



wèntën karing^ dok, ten wèntèn kuring; 

tampék. 

9Q|m, knta knninf, een forlje, aanh. onder 

gabëng; bakal kornng: v. e. haan; djam 

knrnng^, iemand, die Mophanen verzorgt, die 't 

oog houdt op klophanen, een werk, bij anderen, 

als in dienst v. d. vorst verricht, alleen door 

minderen (v. Gusti Wajahan in 't gedicht van 

dien naam leest men, dat hij algemeen werd 

beklaagd, omdat de vorst, die een begeerig oog 

op des gust i's vrouw had geslagen, hem 

vernederde, door hem op klophanen te laten 

passen); mamrëdjaka djam knrnng^ (vgl. in 't 

mal. wajang-verhaal 't oppassen van kapoenen, 

waartoe S a d è w a werd genoodzaakt, T. Batav. 

Gen. XXV bl. 5, 18); ing^snn tamat kawnla, 

g^inawaja djnra knranif, jadyan amradjaka 

ing^son annte, zegt iemand, om zijn leven 

smeekende. Kun lij. Str. 198 (W. Ast. heeft 

hier turu kusuk in beide bh. te lezen 

djuru kusuk); damar knranif, jav., soort 
V. hanglaniaam voor 't erf v. e. doode (r, 

lobakan); «pandam karnng^, Dpt. Z. 2, 6; 

dijan kamng^» sas. Jsp., Z. 1 (Jsp. b. d< 

murub); skah knrnng^, jan abnlan pitung 

dina sëkah knrnng^; grlnng^ knmng:, de 

bizondere haarwrong, die In dra in de waj< 

draagt ; pala knrnng^ , sas. , pala mëdon; 

mëknrnng^ v. e. haan voor *i gevecht bestemd^ 

V. iemand in de gevangenis, aanh. ondei 

djëngkung; mëknrnng, zeker spel met duiten 

in den vuist om naar 't getal te raden ; aiidoi 

mëknrnng^, arak bij de midër^an; mëka< 



ringr bodo karing: san nong: q|ak ma&nf, tan | rang v. e. lijk op de balé in een punjan 



«> 



119 



9S|^ 



iijaka mëpoi^poiig en met een deksel, om 
daarna te verbranden (K. A.); vgl. onder ba- 
laog; npurang^, banen houden, banen of kre- 
kek kooien ze voor 'l gevecbt bestemmende 
jaT. en mal., tag. k o loog; jav. kurungan 
T. hengsten die lang op slal gcslaan heb- 
bende, op merries belust zijn, Anb. 105); 
apvrvag*, klophanen houden: karanpan, «pa- 
la ^an; dop V. e. ei, 0.; in de Us., gu- 
üogan, waarin iemand zilten moei om ver- 
«ulgens besproeid te worden, *t geen onder 
iiideren bij de m é s u ü k geschiedt, b. v. 
i^msakëDa Unamng^an; 2% lichaam door de 
ziel verlaten , Stn. (w a t a ng a n, vgl. jav., 
w , ed. te M., 116, de jav. tekst v. d. Kabar klja- 
mal. jata sakwèh njawané iku, angulati 
iDg rongané, jata samja maüdjing 
aclis, ing djasadé sowapg^; Bjw. uru- 
ogan, njawa wis mëtu tBka urungané; 
niad. orong; vgl. ambangau); 3«, v. man- 
nelijke individu's, die van de andere sekse 
afifescheiden worden ; syap kannHpm, klophaan 
balav. bug. djangang maqarung; jav. 
lurangan v. paarden, die lang op stal, niet 
bij de merrie geweest zijn, maar R. v. Eijs. 
heeft ook sawung sëngkéran); kanyft 
karaflir'aiiiiir sanf krëta, Pg. (sasangkrë- 
ban); ukaranfan , als kooien in groote v. 
rotsen, B. Z. 101, 11 (kadi guflngan); më- 

karaapui, klophanen houden. 
'^ 35171^, z. onder iraug. 



a> 



o> 



'^«iriN , z. onder nn\ 

19 m , kèkèniiig^, zekere gratige zeevisch 



met slekeligen rug (Bjw. kèrong, mal. en 
mak. kèrong^ bat. hèrong, lamp. kaki- 
rung, bug. gèrong^); sandër këkènuigr y. 
iets, dat twee, die er om twisten, door den 
dood of anderzins wordt ontrukt. 

<^g^<^7i^ , sas., kambën (tampéq; 
Smbw. krèq); ook kaing; vgl. lèwët en 
sëlèwo. 



2^ këkèrènp, lappen voor ëmpèr^ gebe- 
zigd; ook in toorn gezegd; tra ng^lah këkèrèng^, 
heb je geen kleêren aan je bast f 

nosunro^, z. onder kèrung. 

n gon O yi ^ , schurft (batav. ; vgl. jav.) ; ko- 

rèng^an, aan de schurft lijden; masa korènf, 

grofTer dan de masa gudis; z. krek, 

ganggu. 

n75nnrr>\, z. onder gorong; koroqg^ ba- 

tani;, z. onder ba tang. 
onniQK, z. arangin. 

96nn)Q|\, z. onder krang li. 

OTiri^, zekere plant met rood en geel 
gestippelde bloempjes, de bladeren als die v. 

d. komak; de boonijes oneetbaar. 

êincsS^, sas., katjing, vgl. garigiq. 

gsioronosn^, z. onder krongkong. 

9Siinn^, jav., hok voor dieren, als tijgers, 
voor gevangenen, gevangenis; (sampun won- 
ten wana talun, nahar tawan dèn 
karjaha, akarjaha lumbung nèki krang- 
kèng wadahing bras Bnggoning atando 
mangko, bras pari dèn akaiah, Jsp. j. 
(Jsp., b.; s. w. w. kantun, amba kinèn 



9SI^ 



120 



9S|^ 



ai^rabasa^ a. 1. dSpit, k. gëdongiog 

b., përnahira lando katoog, b. p. dipun 

kaiah; a.Z. 12: amba kènkèn asawaba), 

jata akèogkènan anëmpur ing desa 

Ijan aken anëmpur (b.: anaiido) bras 

pari kinën dënira dèning (sira) sang 

nata (tèng) Mësir, akarjaha lumbung 

krangkèng dën katab ing pinggir 

desa aglis pitung atus ika kalahèku, 

wawadab gèné asimpën bras pari 

ta(të)kanèng damëka ija sinimpën 

samiy pinSngkl» panganë këbo sapi 

unta kaiab antuk prapli nëmpur 

bumi kang Ijan ing bumi nusanlara 

tan sinungsinu ngan tèki santuké 

ika sasawah wong ing mësir, ald., vgl. 

Anb. 90 en mal. rëngkijang; lamp. ka- 

rangking, langwerpige pakmand, ngadj. om 

rijst op te schuren); krangfkèngin «pail- 

djaran; makarang^kèng^ , «pinafidjara; 

ng^rangkènipin, «amaüdjara. 

^ ^ V nprëng^këng;, ontevreden over onvol- 
doende betaling « pruttelen uit landerigheid 
ongeveer als ngopak; vgl. këëng, grëug- 
gëng; pékërènpkëng^, meerv., vgl. kringking. 

ó9sii^, ngringking^, pruttelen, ngingking. 

'S 'S 

non^, z. onder gurènggang. 
o^bo^^, z. onder klëngkëng. 

o èn Tsn \ , mëkronffkani^an, vooral v. honden ; 
ëndëb, ujut; saiu baljan mékrongkanipan. 

OQQpOQon^, sas.» goök (karongkong 
V. e. verblijfplaats v. e. vogel, Tjk. bis, dus 



o ^ 



kooi?). 



9SJ 71 n ^ , patinKkarlng^kang^ ang^iindori ba- 
ugawaii, karëmèniF toja pipis, Kid. Para. 116. 

osijn^STu^, jav., (z. «haringët); vrn. := 
pluh (K., h. v. mal. kuwow = bat. uwo» 
ëmbar: këmbar, z. pringèt), «(rama- 
wftrih; kamaringët in pi. v. (njuh) sumam- 
bub, Us. 201, 202> vgl. onder swèdadja. 

Qsn^n^K (?), ani^ërëngfès, aanh. onder 

lësës. 

gqirj J|^, z. onder krëngsjang. 

gqir|Jn, plpis krëngfsjang;, geld dai zoo 

versleten is, dat 't niet meer gangbaar is; më- 
krëngsjang, rinkelen v. veel zilver in een kist 
b. v., ook mëkrëngswang (vgl. krëm- 
pjang); kamarëng^swang v. gongsëng's, Lr. 
o)snnr|^n^, kambën sapat pada bnjar 

adjak llja marëbatin, plpis sambëh knnia- 
rongrsyoDi; , pëgat satakan mabisbis, pada 
slèngr rëbatin, sëlèn; nmad, Rm. 

o oorpij, krèni^sèiig;*, rammeleti als met 
een keten; ni^rèiigsèiig;, rinkelen v. gongsèng's, 
v. kookende olie niet zoo goed als ngrènjèh 
(jav. krangsang, vgl. onder ambat, mad. 
ngërsëng, zingen v. kookend water, vgl. sund. 
sabëng); vgl. grèngsëng. 

oïsnru^, mal. (kërsang en këron- 
s a ng), soort gouden knoopen, ook v. Singapoersch 
maaksel, zijn rond met een pen midden in 
(wanneer zij niet v. zuiver goud zijn, voor 5 
sp.), waarmee de vrouwen de ka ba ja vast- 
pennen, bij de pranakan tjina ati^, een 
paar vordert 5 sovereign's, dus 15 sp. m.; 
bij de Mahom. grun^san^. 



«^ 



121 



9SI^ 



«'^nwioj^, jav., «warotma (?). 
s|3nri^, z. onder kidan^. 

a»|^, T. Z. 3, 32, aanh. onder krAra- 
paksi (vgl. bat.« jav. ëngkak, sund. kaftk); 
ri kakf eigeun. v. e. raaf, Kam. 20. 

isi»]^^ aklky kermen v. vertrapte apen« 

R. 20 Z. 15, 4 (pakwit), 21 Z. 7, 4 (mak- 

wil)» Z. 4, 3; 18 Z. 8, 18, 19 Z 18, 1; 

■«Uk, 22 Z. 5. 7 (niatjrSveit, pakwit); 

TgL éivkik. 

nisisS^, z. onder sèkéq. 

nanj^ L, nabootsing v. 't geluid v. d. 

katak (vgl. kokèk) en de kandik^ (sas. 

f. d. brëngkèk); vgl. kèëk. 

II., Pdavra, tjëning. 

n)sr)€ul^, sapa koq ora, Bjw., njèn ko 

twara; Ika koq ija, nto ko ija; isnn koq 
di wëmhl, itjaDg ko tav^anga; koq ot g^oq 
kédikv tamta Jané kanir id<>Ioii|: , j è n k è l o 
ija djané maling. 

"^ ion »| ^ , z. onder tjing; kok* til i sèng- 
kak vgaba bëdll, een zeker kinderdeuntje 
'Tariant kok këlil, i sèngkok tline bdil). 

a9Si\, z. «aka en onder r&ka; «sang^ 
kaka, R. 12, Z. 1, 16 (sang g radja); karana- 
■iraa aaolili dèning synng» mangaka kaka, 
B. Z. 10, 9. 

2% oudere broeder of zusier (raka, lag. 
kaka, mal. kakaq, bat. baba; z, kakang); 
ook V. e. boogere pbase v. ontwikkeling ge- 
legd; b. V. kakaD knmadjafim» kuraapaët; 
kakaa kvmapaèt, kebab; kakan dané 
l^i^pudD, V. e. vorige reis, vgl. 't gebruik 



V. kakapg, in H jav.; z. bëli en ëmbok; 
gom kakai nm. v. e. wetboek?, 0.; angaka 
kaka, aanb. onder i ng i n ; angaka v. d. si j u ng, 
Wrs. 70; vgl. onder kftka II. 

i\ door een prinses jegens baren gemaal, 
Sum. Z. 84, 2 (z. jaji). 

4', Sut. Z. 86. 4 (tjètika), Sm. Z. 25, 
1; Z. 24, 12; W. Z 14, 3 (pawèstri), Z. 
50, 4 (tjèti), Z. 32, 6; Z. 34, 2, Br. Z. 44; 
kaka*, Sut. Z. 70, 1 (parëpat). 

SSS «(ambali, «kuiiini, Sm. Z. 25, 
15 (kadèban); kaka*Jan, «karaAdan. 

6<, kakatawa, mal.^ naam gegeven aan de 
van elders aangevoerde papegaai-soorten; te Bjw. 
bij de Mab. kakaq towa (jav. djaka tuwa); 
z. atat; amak kaka en inaq kaka, sas., oom 
en (ante , zoo zij ouder zijn; vgl. rari, tuwaq 
en sAiq. 

«nosn^ (?) I., Sm. Z. 50, 11 (ika). 

IL, s., aanh. onder bipgsa?, lalër en 
tutjtjba (gagak); ngakft, z. aanb. onder iri 
(hier te zetten ?, als een raaf f, maar men kan 
bier ook aan angaka denken). 

ïsinsi^ ï. (wajab), jav. (in pi. v. «aki*), 
«pitftmaba, «pitrëpita, Sut. Z. 21, 1 
(prapita), grootvader (kakjan^ en pëkak), 
• R. 13 Z. 1, 1 (pramapita); sang kaki, 2 
Z. 1, 7 (sang wawajah, wajab dané); 
kakinlra ta sangkèng lbo, Ud. 129 ('t origin. 
mfttus tasyab pit ft); bhagaw&n kaki, 
Wjftsa, aanb. onder parinaba; 2^ «Bhi^- 
roa (vert. v. pi t Am a ba, z. M. Wil!., Ind. 
Wsd. 400 n. 2); «para kaki, Sut. Z. 103, 15 



9SI^ 



122 



7Sli\ 



(para tapa), kaki hadjar, Wit. 19, kakiihem den dood der koningin mededeelende, Ai\ 



mpu, z. onder inpu; sèkar kaki, Br. Z. 23, 
9 (s6kar ara, bhakti); gum kaki v. 
Bh is ma in den mond v. Ar dj una, aarzelende 
hem te bestrijden, Bh. 82; kalit kaki, z. 
onder kulit; z. kumpi. 

*S^ als in 't jav. aanspreekwoord lot zeer 
jonge lieden , evenals n i n i , v. een schoonzoon 
sprekende in den 3<i° persoon, zijn eigen 



Z. 64, 3; palnni^ füs amèta da wegman awë- 
tah pang^ari kuko, aanb. onder p a ng u r ; 
slem knka, de bovenrand die zwart is v. vuil, 
V. e. zeer kleinen afstand; ook akoka slem; 
kinèrik sakako kirëng, aanb. onder samen i 
(saribu kabaikanku dan sakuku hitam 
kasalabanku, W. b. 119, vgl. gesch. der 
Pandawa's, T. Batav. Gen. XVI; bl. 35; vgl. 



29 en 3S, aanb. onder da ma, v. e. oomzegger 
(nephew), Kid. sund. Z. 1, 15; kaki arja v. 
en tot een vorst in den mond v. e. priester, 
Kid. Pam.. 

3% in verwensebingen veel gebruikt door 
des verwenscbten grootvader slecht te noemen 
b. V. kakin djèlmané, dat gelijk staat met ons 
„de verwenschte kereV\ 



dochter nini noemende, Kid. sand. Z. 1, 25, |nakbanilamatra en onder wulung); num- 

bahanf^ kaka, slechte dingen in den zin hebben; 
prang: knku, z. onder paugkur; kémbanj^- 
ninf kokn, z. onder këtkèt; mangnka, krab- 
ben, H. Z. 38, 20, Sm. Z. 22, 8, kaknkn v. 
borsten, Sut. Z. 86, z. karagët, aanlu 
onder rupit en ringi; kaknka Sm. Z. 22, 
8 (kagasgas, ban nggaQk); kakon*, z. 
onder djènggotan. 

IL, drëkoka ang^oka atri (vgl. kukur). 
Mal. 307 m. 

9Sio^, z. aanb. onder gading. 

ngsno^, s., z. onder mrak. 

ngsfinosA^, sas., remis, z, onder këkèh. 

o QSA 900^, sas., 't geluid v.d. tuké, z ald. 

noonosn^, s., eigenn. riv., Bh. 14. 

09000900^, sas., gaük en kudkud; ook 
kaün en kokot. 



II., z. onder ëkèki. 
9sn9sn^, z. onder t&mrd. 

961 9SI ^ , jav., «akikuk; akaka rasaning 
hati, R. L. Z. 10, 4 (ibuk di manah), 
kinakwakën awaknya gumëtër tëké sakanya 
amadëg ta ting^alnya ambëkanya angangsar- 
angsnr v. e. stier, die zich ziek houdt, T. b. 
Z. 2, 14, vgl. onder këdal en rèmpujuk. 

9Si9Si^ I., jav., nagels (na ka; mal. id., alf., 

mangind., mak. en bug. kanuku, sas. kung- 
kuq; mad. kok 6, nagel, kokot, hoef), 
p&niruba, karadja, punarnawa; nimit- 
tanira Jarpamë*k kaka lawau gèlangira ja 
winë'r Qinapwanan, tibftkëna ri cyë'ngta 
rakwa, ri lawarning asara pamëkasnirèng 
kalan, zegt een bode tot A r dj una Sabasrab. 



9sn9Sii^^, kabkab, aanb. onder siraug (z. 
onder «bukët); tfarmanya kakah, « k u- 
litnja makras. 

QSfiQsn^^, Mal. 87 m. 

9SII 95119^, «makas, ziijf, hard v. blideren. 



> 



125 



9S|^ 



die daarom bros zijn, in tegenst. v. ogalës 

>gl. rëojah); v. ledematen door ziele te; koppig 

T. d. knëh (suod. keukeab; vgl. kakuh); 

kunëkëh manfkjasma kèpon (b.; apèiig 

twas asmu k.), Ar. Pr. Z. 20. 49, «ndft 

krépaoAkëkëh, B. Z. 20, 28 (pagëb ja ka- 

dajuhan^ nai^ipg titib manggëgër); 

■ikëkéhin of mlkëkëhin, pëkëkëhin, At; iets, 

fene bewering, blijven^ iels wederrechtelijk blij- 

tm koudem, niet willen teruggeven, aanh. onder 

kiét; walaksaaa ^orah lyambil tar nggra- 

■él Hlkëkëhln Qarik pimika miwah abjané; 

«irl. këkëi^ en z. ouder sëpëkën. 
)3 aa ^ ^ I. , mamcikih, Br. Z. 55, 6. 

II., kikihan, ben. v. e. gedorende soort 

T. bajèm; vgl. «tjikron. 
IIL, z. onder kibkib. 
iQinQ^, «makas, «anasah twasakaknh, 

?. iemand, die een meisje verliefd beeft doen 
worden. Mal. Z. 5, 76 (ngrusak man ah 
pagëb); kaknh tingfali, z. onder tëtëp; 
arakahiu, wordt pasëk; Us. bal. nakubin 
dus ndukuhin eigentl.); kakahang;, zei door 
aw plan, 't bevel, vert. R. 6 Z. 9, 2, 7 ; pangakah, 
Sm. Z. 21, 10; kakukahan, «page h a n; 
■ékukahan, zich ergens ophouden b. v. om 

een amokmaker te kunnen vangen. 

'^isinn^^ (?), kèkèan, Meg. 5, z. kéké. 

IL, z. onder kèhkèh. 

nisn&n of kakib; mëkokih ^of më- 
k o h k i b , herhaaldelijk zeer veel moeite doen 
b. T. om iets op te tellen , iels (e krijgen, 
zich inspannen om iels b. v. uit te trekken, 
Tgl. nkihf 



"Iten^^ten^^ I., kobkob (vgl. kèbkèb 
ofkorkor^ bat. burhur); sëfa kokoh, met 
een sinduk afgekrabde nasi tëpëng (bal. 
bu'rbur), P. b.; ni^koh, uilgraven met de 
banden (z. tj o ng tj o ng) ; krabben uit den grond, 
R. Z. 7, 5; Dgobkob met de banden uit' 
krabben uit den modder b. v. I i n d u pg (vgl. 
kèbkèb en ka fik), de nagels in iemands ge* 
laat zeilen als een onwillige vrouw (vgl. rëkèh) ; 
ng^okoh bang^bang v. plunderaars in den oorlog ; 
sëkal klnokoh, aanb. onder sijungan; ma- 
kokoh, Kam. 19, o. 

II., brahmana kokoh, nfa«, balalak lambè- 
nya ingsor anërns tèkèng djafut, ala laksana- 
nya, aparèk kang kala dènya v. e. paard, Tjr. 2. 

III., Bjw. (vgl. jav.), k ar wab (uit een vroe- 
ger kwabwab dus.). 

IV., z. aanb. onder gas ir. 

V., z. onder kokoq. 

gsnosiaoj^y in aanh. onder kamësa met 
de pan a sa vermeld wordende, zou de oud- 
jav. benam, kunnen zijn v. tjampëdak (vgl. 
lamp., waar ook akan> in zwang is\ vgl. 
(ükara. 

gsigsfioo]^, ngakën, sas., ngamab (sumën. 
id.), vgl. klor. 

^no^gsïl^, mëkikèn, (mëkiré), zich uil- 
rusten of gereed maken om te gaan b. v. (nga- 
jatang, batav. id.); mëkikèa sëgër, evenals 
ngantyang sëgër; mëkikèn matl. mëklkèn 
manakan (djagi m.), v. e. boud b. v.; ngikè- 
iiang mamaigl, aanh. onder iri; vgl. kiré 
en kinkin. 



^ 



124 



9S|^ 



"igoogsKgoj^, z. okokan; qjahwan kokan, 
Smbr», njawan spihan (mëtèmpol di ka- 
juné); vgl. onder bik&a. 

96)0901^^^, W. Z. 25,9 (mahanda^ 
masoroh^ niiigkahtiiigkah) z. kaüda. 

gsnob^ I., mai^hrih aiig:akar, R. 22 Z. 
5,4 (mandjriU pagrak, manghrak, mauga- 
kak); kabinawa ng^akar, «krurapgamaba* 
mah; vgl. karkar. 

«IL, sas., këmbaug (bat. barbar, open- 
gaan V. e. kleedingsluk, lag. bu karkar, mal. 
këkar, open ook v. e. bloem, ngadj. këkah, 
hloem^ vgl. de beleekenissen v. këmbang en 
z. mëkar); z. kombol. 

o 9Sfi^, mëkëkër, verboden y. tëgaTs of 
sawab's en daarom mësawën; nfëkër 
anak pani^a mal; Unëkër, ingesloten, Br. 
Z. 14, 10 (kinëkëp; jav. vert. kinëpung); 
V. lieden, die niet mogen gezien worden, daar 
Pafidji anders bekend zou raken. Mal. 529 m; 
manpëkëri, Br. Z. 15, 26 (mangalingi, jav. 
verl. ambrukuli); këkëran, iels verbodens 
(pëpii^itan), Adig. 5 m (bis) ; private 
visscherij, waar geen andere mag visscben; 
verbloemd in pi. v. tëli, evenals ons propertje 
en 't eng. privity; kèwala to né abësik, 
tonden kamsak këkërëné né pioi^it, fr. ; tan 
këna rii^ drëwja hadji dé sang: makèkëran, 
O. ; pnpwana Ja drëwja hadji dé saiy niakë- 
këran Ja, ald. 

2", këkëran, sas., këkër, vrn. = susu. 

9S1I 9SI ^ , mal., een vijl, meestal v. vreemd 
maaksel (z. tatai^ga); wnrjja kikir mhng 



pada da^i anyanini, te oordeelen naar de Ut' 
teekens op den voel heeft een stang hem gewend, 
T. Z. 4,5; amidjilakën wnijjaning (0. K.: 
wuriniug) kikir, ben. v, e. privilegie, de 
ketens v. e. op zijn erf gevlucbten misdadiger 
doorvljlen , aanh. onder r ft dj a w a 1 i , 0. (o. 
Minto,tarahning kikir); tan tumama satë- 
dèng, satampaking (R. K.: lan sisaning) 
gurinda, satilasing ëmpu v. e, onkwets- 
bare, Rm.; t. t. Jèn satampakning^ palwing: 
pandé, sèsa grnrinda sasnsnr,panpiniii|[r kikir 
sipita (sëpita), nëdasana, ald.; makikir 
V. kopergruis b. v. gevijlde; kinwanira kiki- 
rën; kiklraulng' tanali, Hw. Z. 24, 4, vgl. 
Sm. Z. 1, 1; kiki*ranya liinanjnt, Aw. 70. 

2«, z. onder asaq; mas klniktr, aanli. 
onder kung. 

9Q| QQ| ^ I. , een tortel , Bjw., d ë 1 u k (alf. 
kukur, wuku, lërkuku, tokuha en wu- 
kur, waarmee vgl. 't mak. bukurüq en 'i 
bat. anduhur, mal. tëk ukur, jav. d r ë- 
kuku; vgl. ook jav. bëkur); knknr gfadau|:, 
bid., wegens kunaan, tunadn daja; vgl. 
«kuku II en ëngkuk. 

IL, jav. npaknknr gëlniy, W. Z. 51, 2 
(mahaju pusung); rftmjftngdjrah makatap* 
marakatftmiralii papnpalin; saliinip*, tanpèn- 
dali mani kn^yarftga snmawnr lianan asimu 
knkftr gelang* lukar, Hr. Z. 14, 5. 

gsiorjugdii|^^ makaknrnpak , R. 24, Z. 
56, d. (makapaga&k, pakatèpèk). 

n9Si0 9Sii^, de boschhaan, te Sbr. 't geluid 
of 't gekraai er van b. v. v. e. kijub suma- 



«> 



128 



^\ 



laian; «gondèB blm mëkèkèr, vgl. bij deze 
verschumng tan beteekenis, onder sijap; 
Tgl. ^ii^gigèr en tjëkèr en z. kijoh; 
igèkèrin, sijn haan koning laten kraaien, v. 
iemand, die bij iedere gelegenbeid zijn kennis 
uilTent; maiket kèkèr, z. onder djagung. 

t; ben. ▼. d. versra. paiigkur, Amd. b. 
Z. 19 (Tgl. pai^undai^ ajam). 

^«n'^w^, z. onder tjëkèr. 

7«n^^^, mowah ana rAma angokor 

rlBt, itlk katnt kilaran dpatanya, aqgalpa 

agaraayat Adig. 62 6., hana rAma* aogokor 

knxilêiermf) iqg pahé'man, amahaiv ik&, 

ald. 61 m. 

nnTi^» s. (korkura); skal sakokara, 

gekookte rijst met hondevleesch. 

ismTiig^, aanh onder darppana. 

1SI » 71 M ^ {t), kakara^anya alongid, Kid. 

sand. Z. 2, 61. 

m»iyMi9Si|^, z. kërétjëk. 

95i»i7iMi9di|^, tèngranya komèlab awi- 
lil 4vikoya lomarap kaklri^lk apagat, 
saks4t kè^api lidahing antak&ndag alap&- 
bjm uiaqgana mnsnh, Hw. Z. 32, 7. 

39 96171991^^, B. Z. 81, 27 (pakadëpdëp). 

9sia8i7i\sii9^^ , aanh. onder darppaüa 

en kikisik. 

Ki«i7)inn|\, makakirltik, kneileren v. 
iets brandends, aanh. onder pu&kara, vgl 

prikitik. 

iQi9ei7i;ün|^, aanh. onder tjowut; ma- 

kakanuak v. rftk&ada's uit een bosch,B. Z. 

8, 9 (komarosok), v. bloemen, R. 18 Z. 9, 



16 (kamarosok; pagarasah), v. in strui- 
ken kruipende, Z. 9, 13 (pakarosoh kuma- 
rosok), 6 Z. 4, 4 (pakar., pagarasah), 
R. 14 Z. 7, 4; vgl. krèsèk. 

96i9Q|7)Siru|^, makaknratil v. lijken, B. 

Z. 9, 23 (pagalèntèn^, paglantipg). 

9Sifisitsini|^, makakrétQg v. die een feest 
voorbereiden; Sum. Z. 19, 4; laksa pwèkang 
makantar lamaka kakèrètuf bhima rAp&ng- 
gak&ra, Hari(. Z. 12, 3: s&ksat gontnr sa- 
khng parwwata makakèrëtag lampahing wwil 
marampak, ald. 8; kakèrètof atngar atlB- 
dih*, V. e. menigte toeschouwers, T. Z. 5, 118 
(magrëdëg matindihan matimbaP); 
kakèrëtaf v. 't uitspansel door vele vliegenden, 
Sum.? Z. 13, 1; vgl. këlug. 

«aiQSi>itsTjn!|^, R. 6, Z. 5, 1 (pagrëdëg). 
aanh. onder agap; makakaratoir, 24, Z. 36, 
6 (pakarobok, magagrëdëgan); 6 Z. 4, 
9 (magarëgëd, pagarëdab). 

9si9sit^«^^, aanh. onder wuhaja, fa- 
kun talft, wadha en sëftda (mal. en jav. 
kakarsana), z. onder kar&aiia. 

gsi9Si7iMgsi|^, s. onder karasak. 

isifisiu^^^ vgl. rftg bkrastaog kaparaf 
babah robak asinif^ kambah rëbak kikkrëpnk, 
Hw. Z. 34, 8. 

9Si9Sir|U9a|^, R. 24 Z. 12, 4 (pakaru* 

buk, pakarëpwak). 

«i»t€Jt|^, z. onder kaka 3*, adlgkakaq, 

s, onder ari^ 

961 oa 9dii| ^ , jav. (of sund.) ; ong of óong 

kakak zou een andere naam zijn v. d. opg 



^\ 



m 



^\ 



kilap, «djamur amandi; nfpikak, scha- 
teren, luidkeels lachen v. e. nftga (balav.); 
këdèk mans^^l^f luidkeels lachen, f r. ; ngakak* 
V. e. gagak, T. Z. B, 89 (masabda); pé- 
kakak, luid lachen v. velen; munl maka- 
kakan, v. draken, Hw. Z, 40, 5 ; mangrakak, 
♦ angikikan, «angakar, mak rak (z. 

grikgik). 

IL, z. onder tjëngak en kijak. 

9ai9Sis5|^ of kakoq, sas., gulgut. tëka- 
koq isiq alah. 

ê«ê«gsï|^ I., jav., z. mrëgajuh en 

kingkik. 

2«, nmnni; angikik v. e. opengespalklen 
mond, R. 22 Z. 1, 6 (njëbak. mangakak, jav. 
R. bl. 457, mangap ngingkik*; *jav. ma- 
Dgikihan en makikikan ngakak; Bjw. 
ngikik, grinnekend /ooAe»); makrak angiki- 
kan, Adip. 88; angikikan, R. 7 Z. 3, 13 
(ngrègèh, mangakak), 18 Z. 6, 3. 

IL, z. kaïkik. 

IIL, jav., onder de visschen, «ampaga. 

êiio9Sil|\, oost-jav. (vgl. balav. en jav. 
kékuk), Sm. Z. 40, 1, MaL Z. 4, 27, Man. 
A. Z. 7,6; linksch (vgl. mal.), Wrs. slr. 112; 
akikak, T. Z. 4. 40 (kaku); akikak oing 
ing rasa, Br. Z. 52, 13 (bangkèkok katu- 
nan ring pangrasa); wong sabrang kapo 
akikak, MaL 121 (Bjw. kèkok: kèras; 
singkèk anu ika omongé koq kèkok 
tëmënan, vgL bëkèkok); vgL siging. 

asiogsX]^, VgL kokok; ngnkak v. e. hen 
aan 't broeien bij 'l zoeken naar hare eieren 



of als iemand er bij komt; makakak bajan, 
z. onder bajan. 

osiogsnodü]^, knkak kakèk, z. ukëk. 

n9sii0 9siigsi!|^, kèkèkan of kèhkèhan, 
benaming v. e. groote soort sprinkhmn, die, den 
geheelen nacht door. een piepend geluid geeft 
(balav. balang gadung of b. danjuf; z. 
kèkèt); kêkèk*, *t geluid v. d. bidjal?; 
Dgèkèk, z. onder kokok en aanh. onder sadak. 

9Siin«n96ii|^, z. onder «kik uk. 

n ggn QSii QsJ] \ L, nm. v. d.jbitlersle luüng- 
soort, klein ; de nog geen knikker groote vruchten 
zijn hel rood; këpjak* tuOng kokak kë^a- 
pang pait mlëkèk (sund. lakokak en bij 
Hasskarl e. andere soort bij name t a ng k o k a k). 

L, békokak (evenals bëdjubël, bëkutis 
en bëdjulit, denkelijk uit een vroeger bè k.), 
de pop v. d. bëdjubël en këtjutjutan, 
waaruit de klipës batang en de klipës 
tjambra ontstaan; bèkokak, zekere visch, 
die zich gaarne in gaten v. koraalriffen op- 
houdt, *tjalabang (z. krapu), song bé 
kokak. 



III., Sbr., krëkwak. 

n«no9S«9Sii|^ L, K. A., kapopongan. 

IL, ngokèk en pakokèk v. kikkerls; pénah 
(b.: pinëh) ja das lëmah mangkin, ma- 
njin panalikan rëko, ping lima (b.: ënëm) 
katakè among. mangoiigkèk mèpëdang lëmab, 

Bl. 256, waar v. vele dames gesproken wordt, 
die één voor één een palanting moesten af- 
gaan, zoodat H laat werd en de dag liegon 
aan te breken, vgl. kèk. 



«> 



127 



«\ 



^«o'^iontsfl^ L, 2. onder kokéf; nn- 
4|aq kokoq (b.: padi). 

IIm of kokok, sas., t ok ad ; bèwèh kokoq, 
loloan; vgL onder bërang. 

'^ieo^«n9ai|^ L, vgl. kukak; iq;okok 

V. sirijdiostigen, masurjak, «maoghruk, 

• akikat, aanh. onder kasyapa, «ngak- 
i^ak» V. e. hen, die eieren gaat leggen of wel 
buwaï^ 18?, ook ngèkèk; kumakokok v. e. 
hen, die nog geen eieren legt; kokokan, 

• k u n t u i, zekere witte v. kikvorschen levende 
rfigenoarf, de rug zwart, in legenst. v. go- 
wak wegens de kleur, z. onder kuntul en 
aanh, onder tul is (balav. ardea cinnamomea); 
z. baiekok; kokokkakak (b.: sëg.ak^ jav. 
sënggak^) V. e. garuda, Lb. Z. 14 o. 

II., kokok blak, jav., aanb. onder tëk- 

tëk n. 

»»^^, 8., z. kurkuta. 

»»£c|^, akakad (vgi. jav.), terugtrekken 

V. strijdenden bij 't vallen v, den avond ; pa- 
dftkakad mara ring kata, Bh. 46, aanb on- 
der ëbah, MaK 164 (masasirig), W. Z. 22, 
2 (masindutan, rurad, larod), Br. Z. 
13, 17 (makaftd; jav. vert. bibar); awya- 
kikad, U(t. 29; aafokad papasin|^ djala, 
z. onder pupus awdya? 

II., en vgl. onder kukui; vgl. kudkud, 
mad. kotkot; ngotkot en ngokot opruimen^ 
Tgl. jav. rangkud; aiif^kod basahan, Was. 
15, 26, V. iemand, die een vrouw op een olifant 
doet stijgen, Dp. Z. 7, 2S, toen Tjalon A. 
mpa Bradab door hare tooverkracbt wilde 



vernietigen, zeide bij, tan piiyah dènta ta- 
mëlah kami, kakakad haripta dèninghalan, 
asta kita pë^ah sakingr pangadëgranya, Tj.; 
a. (ad.: sampun kaftmbil; d.: kakukub 
ingulun; z. onder parab of babab), 
kanan; ikanir wwang tan anglampah in|: ba- 
batan, sapisan 4000, kaping; kalih, danda 
kinnkad, Sdj. , kinnknd sadrëwènya v. iemand, 
die de straf des doods beeft ondergaan, R. m. 
(R. k., kin uk ut); kinnkad anak rabiné, 
aanh. onder taskara en wadha. 

'^«n'jgenfioyi^, s., z. onder uU. 

o o o o , ^, 

gsigsnaciu^, s., belang, en z. onder bu- 

lung III. 

9Sfi ^ (^ u 9a| \ , makakëilëpëk, B. Z. 9, 2 
(pakadupuk); makakèdëpëk snkanya ka^ 
parah pwa wëtisnja tlkël, Rm. Z. 38, 28, 
aanb. onder kajang. 

«lïQj fco iq| ^ , s., lëmbu, lanaug. 

gsi96i\nK, Bjw., njanggël (vgl. Jav.j. 

Qsi 9sii tsii| ^ , aklkat v. pauwen, Lamb. Z. 
36, 2 (mai^okok); akikat ramampajak v. 
dansenden, Sum. Z. 130, 2. 

9sii^\sil|^, IQa kikit, de koeveelheid (er 
van); akikit, «makdik, vgl. jav. v. Ban- 
tën didik, jav. titik, mal. sadikit en 
z. kidik. 

QSi 901 i5iï| ^ , ngnkotanir, een net campakt 
maken om 't gemakkelijk uit te werpen of in 
te halen (vgl. v. k u k o d) ; pan bèkaqg ii|;a- 
katang (njukupang) pëiiQar, pën^aré kaden 
maisi (sutampigf), mangnsndin bidn lima, 



^\ 



i^ 



^\ 



bakat djèmak watanjp li^o (kagèt wata- 
ogaD katëpuk), Tjp. Z. S, 17; pan bèkimgr 
nipüLataii; (njukupang) penvar, èbèk pèïï- 
t|arè maisi (njané mangkin), sawatara 
pituns kraSdJanf, balapan mangida blonp- 
bani; (né liju pësu), pan bèkniq^ mang;asi- 
siang:, sada ffati (gipih), ald. 21. 

n 9SI 961 T?ii| ^ , moeielijk schrijven op papier, 

als iemand, die voor 't eerst met onze pennen 

schrijft (vgl. «kikat?); mëkèkat v. te lange 

lanseuy die niet onder de tëtaring kunnen 

worden opgericht. 

"^oa^ositsiil^, balanjr kèkèt geeft in den 

nacht dat geluid en wordt genuttigd; z. kè- 

k è k a n. 

nosioosDTStll^ , z. sèkol. 

n9sno«ntsTi|^ I., tëngët, vooral v. iemands 
voorkomen gezegd, ontzagwekkend v. d. woor- 
den V. e. held b. v. atjakar* akokotan arëp 
anahata v. d. tjèlèng si damalung, P. 

IL, z. onder kok o. 

ngsn96i^, schijnt een eigenn. te zijn, B. 
Z. 40, 8, maar kan ook opgevat worden als 
beroemd te beteekenen, vgl. ukta en koktah. 

96n9sii^^ , 6j. (v. uktah?), kaloktah. 

9SI 9SI ;ui] ^ , Adip. 28, (vgh bat.), B. 4 Z. 1, 
33; akëkès wila^a, W. Z. 17, 1 (ugubda 
ring solah, ngpolah); akèkës mata maliIl|[r^ 
Sum. Z. 3B, 8 ; jatn& ta kltikëkesa kayan mas 
manik, tut. 50 b.; drëwja hilang; kasapatan 
Imah, wadwan knmëkéS) ja, War.; angèkës, 
Hw. Z. 2, 12, 2 (z. onder kik is); ang^ëkès, 
aanh. onder bëlëdog; hlmpër madya kinëkës 



lug fëdak lamimbak, B. Z. 28, 14 (s a w a ug 
sadjëug wadahin g. mai^lèiitjok^ 
Iwir t u wak u m u nggwing da r pan a 
D^alèfitjok); lawas ktnëkës v. e. boog, R. 
4 Z. 1, 33 (maklo masëpël); kinëkes 
ing* at! tan wlnahj&kën, Hw., Z. 10, 2; 
këkësën ing gelang, bewaar h9t in den haar- 
wrong, Anj. Z. 4, 3 (makaisining patah); 

san këkësé ring snraga, aanh. onder ranté; 
angëkësi, aanh. onder uwuh; kinëkësan, B. 
Z. 10,3 (sinimpën, sinimpënan); këké- 
san, W. Z. 25, 9 (sinimpënan, inënaha- 
kën ; vgl. jav. R., 283); këkësakënta ring hati, 
B. Z. 2, 30 (simpënang dëwa ring knèb); 
pakékës v. e. woning (mal. pëkakasf), Sm, 
Z. 1, 23. Z. 21, 10 (paugukuh); W. Z. 54, 
6 V. e. slagorde, Br. Z. 12, 9, de bouw v. e. 
lichaam, Adip. 87, aanh. onder waf itwa, v 
e. wagen. Bh. 77, «sasak, «suki; was 

katjidra pikèkësning sindjaqgf Mal. Z. 3; 
terwijl een regel vroeger angukih padaning 
sifidjang gebezigd wordt; pikëkës, z. variant 
bij p i t ë k ë t ; pikëkëslng tapa kabèh tan kè- 
tang V. d. dochter eens kluizenaars, die een 
manspersoon 's nachts op komt zoeken, Djpur. 
(verplichtingen?); sah ingpakèkèsan v. hoofd- 
haar uit den band geraakt, R. L. Z. 13, 3; 
pakëkësan, bewaarplaats, Adip., 55; verbloemd 
't bed waarop eene vrouw wordt beslapen?, 
aanh. onder rupit, Wir. 44; jan hnmènéng 
mararjjan sang paAdé, hamënëng ikang 

prabot stiti ring pakëkëaav, fr. 

^^^^ I., jav., Br. Z. 36, 5 (bëdèg, 

klikis), pada tamakul hakëlni pakising 



«> 



1^ 



^\ 



Ukis arddha saman, Rm. Z. K2, 5; 8ad|ronii^ 
Ukia, Adig. (vgl. gund.); sahasa angrabah 
kiUa lawan lalajan, Kid. sund. Z. 3, 70, 
nakikls bhrëtyft^dëii, aanh. onder lawu 
▼gl. jav. angikis); angikis, R. 7 Z. 18, 1 
vodalekëp, njalisih); mangikis, 7 Z. 5, 1 
njalëbsëb. njalisih), aanh. onder ma- 
rula; angikis angëkës anëngnya, 23 Z. 12, 
> (njalisik njilibai^ dëmënya, meng- 
këb): dadl kadaniuig katon sang amaliog 
taridanpangikis, Rm., Z. 6, 19; sala kiljan 
Uaiklsan, Was. Z. 4, 85, 

2«, grenêf, Us. dj. 

II., zelden in pi. v. kiskis. 

3^ « w) ^ , Bjw. (Holl. koekjesf), soort brood- 
deeg met santen vermengd (vgl. jav. kok is), 
'^^^\»jav. {rook, mad, o k os, dus uit 



i ê 
tvn vroeger ukus^), Br. Z. 6, 2 (andus, i 

k ë I u n) ; '/ opHuifsel v. bloerameel, aanb. onder 
l i r a b ; QawëU knkas, z. onder tj.; Iwir knkas 
tan këaèivnlésan, Was. Z. 3, 110; bintang 
knkns of (maar zelden en meer uit onbekendheid 
van 't jav.)kusktts, eencomeei (jav. lintai^ 
kumukas), onder de prawèsa; in een 
vergelijking, z. onder s i p t a ; aknkns apanas, 
W. Z. 6, 9 (maindus këbus, makëdus 
i.ji knmnkns. B. Z. 2, 11 (1 w i r dh ö m a, 
nglinus), Z. 81, 26 (makëdus), R. 2 
Z. 1, 8 (makëdus, malëpuk, masëpuk), 
19 Z. 4, 2 (makudus): v. wierook, 23 
Z. 5. 2 (mlëgpëg); knmnkns, z. onder 
témbukns; 2* eigenn. v. e. berg, Tt. 
IL, z. onder putjni^. 



KAVI-IAL 



MU II. 



«shqsiiaD^ of kéksi?, z. onder akst. 

^ o 

«s»9Siia;i^, s., z. onder wëtëng, B. Z. 98, 

12 (pasabukan, vgl. pakènan), 
2^ z. aanh. onder gom è da. 

*^9Sii9Siit>i^, 8. (kaikasï), eigenn. dochter 
V. Sumali en moeder v. RftwaAa, Ar. Z. 
1, 10 (jav. Ar. en R. sukèsi, R. m. ook 
sukèsih, z. onder bèsawarna); vgl. ütl. 10. 

9en96ïo;iuac\^, z. onder kftkSiwftda. 

«n gsi Al) u t^\ , s., eigenn. ; Adip. 69 (waar 
kftk&awana). 

^sn'i^<jiKJi\si\ (f), eigenn. moeder v. K&k- 
öiwada. Adip. 69. 

ïsiosi^n^, s., z. onder këbdit. 

OQsit^ïQ^, aanb. onder wadjai^. 

9^ gsn vu| ^ , makakal, g ë d ë g ; mandjëi^:!- 

sang i botoh rara makakal, pëdih laüt 
mnmnnll, Tj. b., aanh. onder udjur. 

9S1I 99j rul ^ , soort v. zwarte rivierslak op 
de sawah's zich ophoudende en genuttigd; 
jav. kijoiig, bereikt de grootte v.e. sotoiig, 
»kul, verkl. v. warura, Nw., Gb. Z. 7, 3, 
z. tëmisi, takëp batu, pitji^, buwit^, 
gondang en onder «susuh; mëtalnh kaknl, 
z. onder djagung; adii da ngënning, sninh* 
idëpang maqlnlnli kakul, den vijand minachten- 
de, Meg. 348, vgl. ook onder blijëp; kaknl 
wordt op een onnoozele toegepast; mara Qlèk 
mlontod isina. basé né (m u ng) pamorln kaknl 
(b. nog puün), dok pisan pa^ang barak 
(ang), daar de kalk, uit kakul gemaakt, niet 
deugt, R. bl. Z. 1, 2, waar hel v. iemand 

9 



Kl\ 



13Ö 



^\ 



gezegd wordt, die te dom is, om een goedlaanh. onder pi lang; kokila ri swaranya 



gedicht te maken (vgl. onder susub, in Br. 
Z. 1, 7); tfarman awi kakal, Us. 247; Jèh 
kakal, aanh. onder kowëk. 

gsfi 9Si)ruK I., jav. (aanhoudetid lachen), R. 16 
Z. 9, 16 (k ë 1 k ë I) ; ffomnja kèkél, 6 Z. 10, 2 
(këdèk ëngkël, k. pakëlkël, jav. R., 157); 
akëkèl, 24 Z. 12, 4 (ëngkël); irnmajn 
Jftkékël*, Man. Abh. Z. 7, 1 (vgl. ook jav. 
këpingkël, bat. mèkkël). 

II.« sas. en jav. (mal. këkal), mapan sira 
kapir tubo këkèl anèn; djro naraka, Amd. 
s.Z. 16 (Amd. b. kupar en tëtëp); Jèning^siin 
awor djiwa, la wan rawana ing^nni, ftmba 
këkëla rlog; Jamaniloka, R. sas., Z. 14. 

gsinsïiruj^, jav., pool v. dieren, paard of 
kip, L V. (grof v. e. menscb); kikil djaran, 
ben. V. e. lange w al u h-soort; z. ban tut. 

oojoruj^ I., kukalan, B. Z. 7, K (kukulé, 
pangarah); mafabda laniknpnkalan, Sm. Z. 
26, 9 (maklëtok); mamanah kakalan, 
aanh. onder wa dj a n a; walatak ramJikkakalaD 
ana ring pang kadyawarak Jan ana wwan; 
amrëgl, Md.; vgl. kulkulan. 

II., ingekrompen v. d. vingers bij de sa kit 
gëdé, V. lieden, die de vrees om 't hart slaat 
(z. duugkul); aanh. onder pënju en grita; 
ngnknlang, de beenen intrekken bij 'l slapen 
(vgl. jav, 8 a d u k u 1 en z. dj o dj o s) ; vgl. 
b u ng k ü s. 

noo^mu)^, z. onder kèlkèl. 

ngen«iiru^,s., Br. Z. 44, 9 (anyabhrëta, 
lua\>, «kuwong. «sijiing («jav., mèfltjo), T. v.N. 1. 1870II (hl. 230); vgl. onder kulur): 



makarApa kinalëwihakén, strl makartkpadibja 
kapatibrata linèwihakën, ring $rati dharmina- 
fikstra ipirawaktra kinalëwihakén, ringksama- 
rApa sang paramapandita linëwihakën, (één 
jav. hds. schijnt te lezen ring (rjalihidharmma 
rüpa guruwaktra), Nts. Z. 2, 6 (vgl. Ind. 
Spr. 1919); sakokila, z. onder somah en 
gnsi; vgl. tubu en z. «pik I en «tutuhu. 

9si96nnj|9sii^, z. karkolaka en onder 

kapur. 

Qsn 9Sii u| ^ , jav. , zekere bekende zeeviscb, 

*karav?it, «pra^uddha, Ar. Z. 39, 15; 
jan pangërja (of ngirja) wwat rëbahanang:- 
hatpi patani pakakapan 4 siki ja lomakwa 
(afgebroken), 0. b. fr. 

9Sfi9SiiuK I., tan wëdar naast kubda 
en sukèma; mati makèkëp, «këndit (ol 
kapëkan); ngékëp, een overwonnen plaats 
bezeilen, bij iets blijven; kinëkëp, «kinëkêr; 
kakëkëp, «kawënang; angëkëpl, Tj. 3. 

II., jav., kinëkëpkékëp pinëknl; klnèkëp- 
këkëp tinangisan, R. sas., 174 bis. (vgl. 
batav.), Amd. 

QSiQQiuj^, sas., piit, v. iemand, die iets 
zorgvuldig geheim houdt, Dt. d. Z.; nyan 
kadjëni: kikipan (b.: kipkipan), qg^a, bn, 
ning wata g^nnang, tang, 7, gawè sok, War. 

o^nuj^, W., Z. 2, 1, Z. 30, 15 (tëëp), 
R. 15 Z. 6, i. Ar. Z. 10, 16; Lamb. Z. 37: 
R. 21 Z. 4 c, Hw. Z. 16, 2 (mad. kokap, 
broodboom, alf. koka, artocarpus incisa, 



^\ 



151 



^\ 



mmdfft^;. I^at mguTé knKapoyan asan^ir Ja 
ta kahanan I kalwangr aivdjahit, bangan 
Midjava tanpakAla winalian gélèh ai«ëinéhl 
fabdaniBK tjémèr, Hm. Z. 55, 8; dalawan; 
kukap, Sm. Z. 57, 8; satah kakap, z. onder 



satuh. 



« 



i 



^ '^^A. synh mariDf ati tanpakakupan, 
Mal. 6. 56 (vgl. jav.): kinakop, v. de asch 
V. e. verbrand lijk; Tt. 21. 

«o'^ïenul^, kada ngokop anèpak bala 
panlkv, Am. 

^«nwn^, eigenn., B. Z. 69, 6. 

»»U^, een haai, Bjw., mui^sii^. 'igeen 
wellicht oosi-jav. is, wanl in de Calal. v. d. 
Amsterd. Tenioonsl. {1883} wordt, onder de 
visrhiuigen uil Pasuruhan pailtjipg mung- 
«iiig vermeld, terwijl de Soer. Cour. 1893, 19 
iuni, V. e. niunsing (sic) spreekl, die ver- 
ciftig is (uil een vroeger kija» zooals uit 't 

ff 

jav. en maL woord blijkt, vgl. dadwa; jav. 
kèké, '1 jong V. e. %waardmsch, mal. kija»); 
soorten, z. kédjèn, pusuh en sa ra pan. 

'^asaui^, 8., eigenn. v. d. residentie v. 
Jadba«yit, Utt., 64, 127. 

i*, hu« kratrQt ri kèki^a lima slaak, 
•ie 5 zoons v. Dhréèlakètu, i)oudgenooten 
der PAAdawa's, üd. 34, aanh. onder saha- 
liiri (waar kaikèja onder de Korawa's 
liedoeM is, vgl. aanb. onder na ia). 

«^ » w w \ , 8. , eigenn. v. e. vroaw ▼. 
Oa^aratba, inoeder v. Bharata (R. m. 
kêkaji), die daarom kekajfpatra heet, R,, 
«I. 17, J. Z. 2, 1. 



^«'^9S«u»^, 2. onder kaikaja. 

7 JS. « wjsij^ , Bjw. (mad.). M zonder kop, 
V. d. spijker af te winden, in tegenst. v. 
gangsii^an. 

«sg^, kaki en bjai^g, grotvader v. d. 
!• en 2« kaste; kan v. zijn eigen grootvader 
gezegd worden (i kakjai^, mt> grootvader), 
als 1« pers. door Nftrada tot eene prinses, 
ven. B. Z. 32, 8, 10. #ra sai^hulun; 
kakjanir Idané, zijn (des brahmaans) groot- 
vader; amighnani kal^ang, aanh. onder pi- 
ffltja. z. pëkak. 

«eiOKi'eoM^, 8., jav. balu. 
l"^"!^' *^'*'»P'"» kugkugan. 

-«^4 '■' '^'' »"-• - pa-en. 
Sum. Z. 1 36, 2 ; mraknyigantl rikai^ go- 
ponten akakab manairang asèma masyaiy 
inr kolém, Rm.. Z. 28, 12 vgl. kk. Z. 6. 3; 
mërak angnwob kakab, R. L. Z. l, 128. 

II. , jav., strook v. 'tgeen ter bedaking dient ; 
dak akakab, Dd. 3 b.; hèdnk sakakab, Nw. 
(om 't rijm kukub). 

JSiusirjj^, mékakèb, voorover op den buik 
liggen, tegenov. nuugkajak (vgl. mëlingéb); 
ngakèbiB, op iels voorover liggen ; nai^kébin, 
•sumangkëm ring, nangakébin masadya, 
•lumitihiiiih mahft; ngakébia tlokor, 

• anungkëmi suku; aogakëbin swami, 
■ umaAdëm ing prija; kakébia batls kaiaé, 

• haAdemi pftdukai^ka. 
«assinj^, jav., deksel op de nasi in de 

kuskusan (z. tutup); ngikéb, zich opsluiten 



0^\ 



132 



)^\ 



gedurende 3 dagen^ v. e. meisje meestal v. 
hoogere kaste, dat voor de eerste maal de ston- 
den krijgt, gedurende dien tijd verondersteld 
met Sm ara te slapen, of wel voor de plech- 
tigheid V. 't tanden slijpen; ook v. pas ge- 
trouvirden ; djalam kè djani mampig^n, koko- 
sok saba wwa ng^ulig^, ambuhin boké bas 
kèto bnka twara la&d lèng^s, mang^ëkèb dèwa 
djani, apan; ada ang^g^on djatn, g^amanja 
twah kèto, di Inwanan ditn nëng^il, mëdëm 
bang:iuida pësa tjai tong; mënangfda ngitnng^ 
basangfé lajah, npawasain awak, laman snba 
banja kèto, nitikramanang: abëdik, palimnndn 
labahin, kaning:ang: nasi apalnng^, nali djalan 
makakosok, tot haren moei-zegger, den toe- 
komstigen bruidegom, Tj. b. Z. 2, 34 vgl. 

këbkëb. 

^Siooj^, akikab innsi, B. Z. 87, 49 

(tan mari inungsëb). 

oBioono]^, mèngrg:ëp kadi djrih akikib 

malaja tan ftdrës, Sum. Z. 149, 11; rüg: 

bëntar tikanan; mnsnli mababaran kombak 

mamd jw&kikik, Rm., Z. 99, 8, aanh. onder 

triwikrama. 

o^o]^, jav., dekkleed op bed; «ang^a- 

lapi kaknb v. e. man, die zijne vrouwe in 't 

bed bezoekt, Dpi., Z. 3, 16; U. Pngr. 90; 

ang^alapi kakabira sang: pëdjah, v. die op 't 

slagveld gesneuveld is, Kid. sund. Z. 5, 20, 

z. ald. 28; angalapi knknb v. vrouwen, die 

't lijk V. baren gemaal op 't slagveld ontbloo- 

ten, R. L., Z. 13, 2; samawëdi agrnlinjp akn- 

kab, U. Pngr. 32; tnrwaknknb matangrhi sira 

kagjat, atëhër ai^nwahi hnlës marjjaknknby 



Adip. 112; makukab, Lamb. Z. 8, 1 (maka- 
kudung), k., 21 (ter), R. L. 115; akaknb 
djalada, Krsn. Z. 9, 4; vgl. 't jav. woord 
onder kërëb; kaknkabin, «rinubung. 

2s soort V, plafond v. bëdëg. 

II., z. onder kakab II. 

III., z. on^er kukud. 

IV., eigenn. pi. onder Mar ga; 2« eigenn. 
V. e. heilige pi. op Java, Tl. 16 vlgd.; 3« v. 
e. staat, waarvan koning was Sake, bij wien 
Nursiwan hulp tegen Amsyah liet vragen; 
Sake had 4 vogels in dienst, die 't verstand 
V. menschen hadden, sato sambawa (satu 
sambawa v. den gevaarlijken witten olifant, die 
Asmara supi moest bestrijden, Asmp., telkens) , 
bestaande uit ga gak of go wak radja sa, 
bibido gri (of gring?), kuntul pinëia- 
kan of winalantën en gagak minangsi; 
Nursiwan beloofde hem Munigarim te 
zullen geven, zoo hij A. versloeg; 6. R. weet 
M. uit Hëkah te ontvoeren en bij S. te K. te 
brengen; naderhand weet hij ook met A. weg 
te vliegen en hem bij dien vorst te brengen; 
A. wordt in een Ijzeren kist gedaan en in 't 
water geworpen; Umar maja verlost einde- 
lijk beiden en wreekt zicht op G. R., Am. fr. 

gQiQQ|)Q^, z. onder «kul. 

^ 9^ ^ I., jav., gebruikelijk alleen in mëka- 

kangr ari v. brahmanen b. v. (Bjw. ook uil 
beleefdheid v. d. inlandsche vrouw van een 
Chinees; tag. kakang, mal. kakaq); kakan; 
ri pamang;8a ouder dan de pamungsu en 
jonger dan de panëngah, bl. 3 b, z. kaka. 



9S»^ 



135 



7^\ 



II., lahro kakang^t z* kaïigkang. 

III., wanèh haaa wlnèh lamèha makakang: 
R. 18 Z. 11, 9 (ojrapapang, njrëkukub; 
TgL maL kangkaiig). 

^^ ^\ > j^^- (^® gewenschte schijnt de oorspr. 

Iieteekenis te zijn, vandaar in tegenst. v. këlik, 
aanh. onder në'b, z. verder onder kuug en 
apii), «kèoii; mannel. geslacht aanduidend, 
b. V. dasih kaknngr (z. djalu), T. Z. 1, 24 
>omah); aam; kaknng:, «sang kftpti, T. 
Z. 4, 36 (sang abagus), istri kakang, 
ahki bi; galih ron kakang, aanh. onder 
tj o d a. 

ki 3Si^ , verstijfd als een vinger door zekere 
kwalen, niei te buigen b. v. v. d. 18s (jav. 
këngkëpg), sterk v. e. man; brapa téka 
kékéiiiirf °i*9 Ygl* kékëh en z. onder sëpëkën. 

»«.\..«d«,uk.„I. 

3^^^ I., méUJa kakang v. d. pusung 
T. e. meisje, dat groot wordt; aanduiding van 
haren onderdom na 't mëpusung tlëkos en 
fóór 't mëlupggab suwaban. 

S«, K. A., ngusaba. 

II., alLwèh pédjah makakang mmangkang, 
Harif . Z. 1 7, 4 ; akwèh manglak mmangkang 
kasidèknng aknknng kondjém Ing wangkaj 
tkrèp, Rt, Z. 11, 3; lèn tang mftti bèlah 
4aianya hlnarng mangiah lawanyftknkung, 
waBfrklBg* ikfttikèl mnlft, R. Z. 39, S. 

73^^, jav. (vraar ook kados, vgl. sa- 
ma di), h. V. buka, «W. Z. 28, 1 (masawaï^, 
ïuairib, Iwir), Z. 3, 3 (sftksftt), «hatur; 
ook sakadly en nog deftiger makadl (*kaja; 



jav. mangkadi, ingkang kados, W. Zam. 
I. 94), dat ook b. v. beteekent; *kadikn 
(lees kadiku). T. Z. 1, 21 (buka këto), 
Z. 4, 44 (këto); këdé* slra kadikyamindèr 
athawft kadi pwa sapn, R. 23, Z. 4, 7 (m i- 
sërëng dané kadi pinëkan, lees pindë- 
kan, minjëngan ratha, sring ika dané 
mangké mailëhan); Ika tinëmpa olihsang 
korawèndra makadènin, «ja ta tiniru të- 
kap sang (ri durjodbana pinadan; 
kadi pnnëndl, z. onder punëndi. 

IL, tan kadi, tan mari. 

9Qi&C|^, sas., ai^go, djari takadn, ba- 
kal anggon; takadn mën^aq v. e. houten 
zwaard; Inwéq gawèna tadn (b.: laloq pa- 
ngadu), Zoll. padu, mal. paké; dus stamw. 
aduf; kadn na dJari saminaq, anggona 
kurënan; vgl. kawih. 

IL, z. onder adu. 

asi'^to^ L, tan mangkèUnadé (scheiding 

alhier onzeker, de vertalers denken aan adé) 

manampëtana kaïjja pangntnsira sang narè- 

(wara, B. Z. 3,7 (sapunika né mangkin 

iwang jan sangkaön gawé pangandi- 

kan ida sang prabu, sampun këné 

mangkin mamijalang karjjan tityang 

pakon dané sang p., sampun sapunika 

(g)iwang jan mamiambëng gawèné 

pangandikan^ idané sang narftdhipa, 

sampunaug maoigkin kadi né suba 

antuk njrëkëtapg). 

IL, vaak in pi. v. made bij 't roepen. 
'm n isr> \ , jav. , nutteloos^ vemalatigd v. werk 

door afwezigheid, nuchter van iets blijven zoo 



)SI^ 



154 



«• 



^ 



b. V. V. iemand, die niet, wat voor hem klaar 
gemaakt is, te eten krijgt, «kogaogan (z, 
tjëdok, pégok); iij[ado&ii;, iemand ieleur- 
stellen^ een vergeefscbe reis laten maken b. v.; 
da njpidoiliiii; nbiya, hmd uw woord, aanh. 
onder wawar; ng^dwang: miiqii, zijn belofte 
niel gestatid doen; anak maling^h dèwa, tan 
dadi n^adwaiig: mnnji, R. bi. Z. 4; ampnra 
bli sag:riwa, dèning; bil èméng; pl8an, war- 
nané patah kakalih, boja sakèng mang:a- 
dwangf, tau pag:ëh tékèn manli, zegt R ft m a tot 
S., die bem verweel, niet op Bali geschoten 
te hebben, daar bij geen onderscheid zag 
tusscben de beide broeders. 

««e?^^, W. Z. 4, ï ftlëb, kadurus), 
Br. Z. 44, 17 (srépg, kajun); volhouden mei 
een bevel, Adip. 67; steeds iets zijn of doen, 
aldus was te zeggen v. Bhiöma» nda tan Ja 
mang:hilangakén prihatin rl slra, këdé' ko- 
lojan, Bh. 94 ; ndè tarwawarèng^è* bhaipiwftn 
dèwabrata, pldjér kédé* manlrnn&kén ikang; 
rata samanta, ald. 84 (vgl. këdéb, jav. k8- 
dah en kudu; de A aan 't einde in H jav., 
waar vroeger een e' stond, is misschien te 
verklaren uit een verkeerde lezii^; in jav. hh. 
toch vindt men vaak een h in pi. v. e. t8- 
dung, vandaar rahwana in pi. v. r&wafta); 
Jadi kita kédwa mahjan alaf&takèrang: pra- 
tapa, volstrekt willen, Hari^. Z. 18, 5; ma- 
këdé', B. Z. 1, 3 (njërfing, sinëréng, 
manglagasang); akëdO*, Krsn. Z. 11, 13, 
W. Z. 30, 14 (alon^an, malonlonan, an- 
dëg^), W. Z. 2, K (malën^an, mapadu- 
dwan, makudwan^; vgl. onder swi); 



kamèdé'y volstrekt willen. Kam. 4 m ; kinédè' 
Br. Z. 36, 18 (pinisërëng); klnédé7, Sm. 
Z. 26, 2 (sinërëng); anpédwakin, trachten 
over te halen f , Sum. Z. 74, 6; këdwan*, 
volhouden, blijven beweren, dat bij geen schuld 

heeft, Wtb. (vgl. jav. kudon). 

^ o 

9^u\^, jav., «warsadbara, «kliwa, 

«napungsaka, *saAdha, wajidu, «sa- 

hapurasan (?), aanh. onder djaloddha, 

onder de bedienden aan 't bof, Was. Z. 2, 9, 

Wtb. II., 48, 49; kedinira raden dèwi, 

Mal. 99, 266; z. bant ut en baiitjih; pa- 

siliiinini^ kédi, aanh. onder wadjana, z. 
ook onder këma'ngi II. 

2^ een vrouw, die haar geheele leven door 
(z. baki) de maandstonden niet krijgt; mag 
geen ' offeranden bereiden en aan geen enkele 
godsdienstplechtigbeid deel nemen en ook niet 
als getuige optreden (z. aanh. onder kun ing 
en i^akasftki^i); tabjakédi, z. bij krinji, Us. 

3«, V. e. pangi, die geen vrucht draagt en 
waarvan de bast ter bedwelming dient v. 
tab wan 's of wel ter dooding der vrucht 
ecner vrouw. 

«jaci^, jav., h. v. djaran, «W. Z. 26. 2 

(djaran, ajah) Bw. Z. 13, 14 (a.); sosnn 
knda v. boven elkaftr slaande letters; pakada, 
aanh. onder r&djawidhi (djuru ingëtang 
djaran); •2^ renbode, courier, B. Z. 95, 3; 
pakndan, B. Z. 60, 11 (pakatik, utusan), 
2«, eigenn. v. e. pi.. Was. Z. 2, 84 (sas., re- 
sidentie V. d. prins v. Kling); sipat bot pa« 
kndan, z. onder w ft dj i ; Ikang: pakndan, B. Z. 
83, K (ika madjadjaranan); pakndan i 



^ 



138 



7Sli\ 



btpa hadjl, B. Z. 69. 11 (utusan guru 
adji); aliada*n, Sm. Z. 30, 7 (nu Dg gang i 
arwa). 

II.. (ugi) in een dringend verzoek; l^ènlD 
<|a kada tityaag, darns it|èn knda tityaog, 
iih saba kada ménéogaiig, B. U. 276, Kid. 
Ailip. n«. 2, bl. 5, dinl ndèn kada i mirah, 
hlijf hier vooreerst, als je blieft, mijn lieve 
jongen l, Tjp. Z. % 20; pandjakang dja kada 
titranirt «liR^B ^^^^ tityang djaro iringi 
djtsto I dèwa kaléson, dépang tityang dj ara 
piknl apang da manampak tauah, laman 
MMÜ bmréng matanggalan bangbang, tot een 
minnareSy Lr. (hier volgt de aanli. onder lébak). 

III.. Smbr., kura, hoevele, met een ngf voor 
't sabst., kadang dina (mak. kura; malag. 
akori, hoef); akada, hoevele f (mak. si-kura); 
■ékada, hoe^^eel kost hel per ^tukf (Sbr. 
luëkura); pang kada, hoevele malen f; jan 
kadmqg iüwan, «pira^ng iwu; ngada, 
vaaromF; kadajang, T. 6. 1 o.; vgl. uda; 
kada ipan Jèn darttajang, aanb. onder dang- 
sil. elders liju jèn kari dartajang, vgl. 
liju jèn djani tuturang« onder sontèng. 

73Ui\, jav., pinrangnlra ing kadi (bds., 
J 
kanti). v. e. draak^ Tt. 

73 & ^ , ngadyang of mèngndyang, wat doen f 
Tgl. udjang); kadyang mangUdin tawah, 
Kid. Adip. n*. 2, bl. 8; djara ngadyang, een 
djaru voor wat f, om wat te doen?, wat voert 
hij uii als vaste bezigheide; kndijang tra, hoe 
zou {hij) niei {rijk) worden; kadijang tan 
aaaké pada kasmanm, hoe zouden zij allen 
•ler verliefd zijnt, B. U. 



« ?sj ta^, p u s u1i (lamp. gesloten v. e. bloem, 
vgl. de analogie v. d. 2 bet. v. këmbang 
en z. kudip), bloemknop (vgl. mal. ensund.); 
kadaning malati of kadan. ménar, z. onder 
salaga en aanh. onder këla; kamada v. e. 
lotus, Sum. Z. 65, 4; kamada, Sut. Z. 67, 5, 
aanb. onder kumuda. 

«jao^, inhalig, geldgierig (gumugut, vgl. 
jav. en z. loba), *zeer begeerig, T. Z. 5, 136 
(bas tlëb), Z. 4, 63 (mélëd mabudi nga- 
mab); kada tkèn pipls; kamada, Ar. Z. 3^ 
1, V. bloed, Z. 6. 17; qgada&ng, iets begeo' 
ren te bezitten; kokadon, eigenn., Ws. 18. 

II., jav., Was. Z. 2, 9; mapèki donya 
kada tang gagak tamampi patawawanlag ko- 
kila, T. b. Z. 4, 77; makadwan*, «akëdS^ 

n9sn&ci^, mal. (Tamil kodi), dwang 
da sa gëbog; in K. A. ook v. 20 rundbeesten, 

akodi. 

n9snntc^^, sakodo*na, zooals U valt v. 

werk niet met zorg afgewerkt, waaraan wei- 
nig zorg is besteed; z. onder mom os. 

oatcj^^, V. adttb, pati karadah, aanh. 
onder «kësah. 

^\t • këdë', aandringend b. v. v. die 
magènggèng, «maswi; plnarlkèdéh, 
gedrongen, Hadji D. 18 b.; parikédéh, «ma- 
swi; marèkëdëh en mrikëdëh, «maswi, 
met geweld iets doorzetten, niettegenstaande 't 
een of ander zijn gang gaan, Meg. 15; vgl. 
lëdjëh. 

0Q6i&ci^^, jav., wijze waarop iets uitgevoerd 
moet worden; paran kédah mëdlaU ngwaiig, 






9SII^ 



136 



\ 



pan inpsmi wisèsa saktl, ft. sas. Z. 13, Aw., 
aanh. onder këmat. 

g^tnun^ of kadfthaf, B. Z. 2, 4 en 5 
(kasor, alah, masih bëtènan ring, 
waarbij aan adhah gedacht is), «tiwas, Sm. 
Z. 8, 10 (kasoran)» aanti. onder bari^. 

QQiin£dUTHQ|^ , z. onder »dyah. 

Q6i2C|9&c|q\, ng^amfsnr* njpidahdah, Dd. 
18 b ond., V. aduh, vgL katulung^. 
9QI20U1I AJij^ , z. onder diis. 

9Qi20Uiiu]\, ng^da&p, anthutgl opstaan f om 
weg te loopen, uit den slaap; iig;ada&p bang^nn 
V. e. slapenden op 't booren v. geluid, v. iemand, 
die valt; Tjp. Z. 1, 73, ontsnappen f; kada&p- 
daHp, schrikachlig (vgl. këdapan). 

gsüiCjUTi^, jav., (këduwung; sund. ka- 
dub ung); «laln kadahang: mauahnya, B. Z. 
86, 13 (daftt ngaduüng pakèdëpanya); 
laln kadnhangr ring dJaraiiK, B. Z. 9, 23P 
(daat kadurus ring pangkung, li- 
wat kadjorog, labuh kapangbungé, 
daat kadaluru(ng) nibèng pang- 
kung, d. kadaluru n. parung, laüt 
kalantasan ring p.); vgl. onder d u- 
wung; kasyü was wlnèhan tukon, malakl 
ring: IJan, kadnhangr bapanya tan arèp amau- 
taha, amangsalakèna tnkon andwig:nna, 
sakalwiranin; papalampahan andwignna, 
mwah danda dwig:auottama 40000, pramada 
bapanlngr strl Jas majigkana; kuaang; kmar 
(?)nya mangkana, wnang patyaua karo, 
Jan arèp ahuripa, dwigiuiott;ama 40000, 
angladi wiranr ivaranyai Wtb.; iig:adafl]igr 



tltyang:, *kasulat&ku; masëlsélan ma* 
ng^daflng:, Drm. 27; ngadafiiig:, «kalu&a; 
sampiné né kamalan (namentlijk A., door 
wien de arme brabmaan rijk geworden was), 
sang andaka wastauèkl, ng;adaflng manjëlsél 
awak, kèné plnèh pajah arig, maiig:ajah 
mbuwakalD,! krana ada sampl Hja, pan- 
djak tëkaning djaran, sangkan ada ka- 
lingglhiii, paradèné awaké paling saratnja 
„karawos paling gédènja, né lènan kabwa- 
tin kiklt, sangët tandrnh tèkèn awak, pëtfah 
tiwas dadl sngih, masih twara da mèlinir, 
nJampoUh anaké tnjoh, T. bg., Z. 1, 11 vigd.; 
ngëdafing , ontevreden « s a 1 a ng s a ng ; ng^- 
dnflngang raga, aanli. onder pitrë. 

9Sii&cigQ|^, z. onder kadal. 

qsh&ciqqK, mëkadin, dicht bij elkadr zijn? 

V. d. 2 personen in een dj uk ung, Meg. 509, 
fig. één van zin f; pëngadln, soort dj uk ung 
met ga n dok 's geroeid; Mw.; alwaar later 
dj uk ung patjalang; zulke vaartuigjes bren- 
gen V. B a 1 i vruchten op Lombok aan ; 
mawah tingkahing wwang asasawahan, am- 
rëtènl galëngan klnadin, wënangané pingjo 
sapanjarang anampadl, kawënangané sari*, 
jan angUnggisi kandël rong anggnla, pawos 
pëtang dëpa di gaiëng kadin Ika, danda 
gang artha, 6000, jan pawos Ing galënipan 
mangkana, d. 10000, praslddha amldik, nga., 
d. kator Ing sang amawa bhftml, Wtb. 

oo:c)9si|^, om ons zou uit te drukken, in 
een vraag, waarop men geen stellig antwoord 
verwacht, daar de aangesprokene bet misschien 



«61^ 



157 



m\ 



ook niet weel; akada kadèii, hoevelen zouden 
er xiJH?; apa kaden, wai zou hei zijn?; 
■fadèn (mitaënapg), meenen dat, in de mee' 
nimg verkeeren dat; kadèna ménang; awaknjané 
ban sapa kadi akoné liwat momo, « dj a j & t a h 
lii^ny&pan guragada makftmürkka 
•a t a t a ; Jan djroné ni^dèuang Unjok ntjapan 
tttjasfé saml linjokan bwin, Bngk. fr. 

II., eigenn. v. e. rat in de fabel, waar een 
rat en een slang in één d y u n gevangen zitten, 
T. b. Z. 4. 2S0. 

ki &oi«i^, kédana kédinl, Bjw. (en Bjinas., 
Ix>c. 1881 N^ 504) , twee kinderen, zoon en 
doekier slechts over hebben (Men. III 110) of 
wel mei meer dan twee kinderen, zoon en dochter 
krijgen; hetgeen omineus zou zijn en gel uk at 
of geruwat moet worden (Pustaka-Radja bl. 
195, kadana kadiniassadërèk kakalih 
sami èstri; «jav. kadana en gadana^ 
(tjalér; kadini en gadini, verb. v. gharini 
denkelijk, èstri; vgl. g a n a g i n i) ; z. 
ondalandil. 

aui*^^, daAda kadanda, aank. onder 
rèdjawali; O. 

^«080 '^^^ s., laras. 

S'^scgirsil^, ngèdèndat v. d. kulkul, 
z. dèndut. 

39^9St)Si|^, krama-vorm v. kadiri, Tj. 
A. b.; sima kadintën, «dabapradè^a. 

isitr>iSt5TÏ|^, s., üd. 7, ütt. 42, 

351 U)\, ar. (^t)i), kadar pira bosèt alas, 
nwe aaiba mldjét rantl, K. sas., Z. 10 ; Jèn sira 
aBfr«Bfa pètak, pada npunnka sir^lUy inpmn 



ni^amokana Ing djro, pira kadaré wong: mësif) 

pada susumbar tèki, Jsp. Z. 16(lamon sira 

mjarsa p., p. ng. dèn aglis, i. ngamuka 

ing djro pura, p. k. w. m., asumbar' sami, 

Jsp. j.); kadar manik, eigenn. v. e. gemalin v. 

Ban dj a ra n sari, Aw. Z. 9, dochter v. d. 

vorst V. Mukadam; zij was verloofd aan 

Irman, Nursèwan's zoon, maar ontliep hem, 

Rng. (vgl. Catal. 65). 

9^20^ , kadaran, eigenn. v. e. desa, Oost-BlI. 

onder Tédja kula, ten W. v. Gëntuh. 

9SII &CI ^ , këkëdër, een groote vlindersoort, 
die de bijen zou verdrijven, z. këdjër. 

^ O ^ V AO?®^ bèbèk en naast d é d é ; 

rémbnb kèdèr in de opsomming v. gemeen 

volk, dat in de kalijuga 't hoogste woord 

heeft. 

9Q| zin ^ , hjang: kadar, 0. ; sasaknlng; kadar, 

ald.; sang hawns angéll(h) prathamanlng 
kndnr anamalaja, Sm. Z. 32, 2 (nundën 
ja malipëtan); wwadjinl (f), slma kataA- 
dan, mfttsyanitkft (?), slm&ngatarakén Iwak, 
nèdani (?), stma kadar, tjatjawardjdjlta (?). 
stmaswatantra, rftdjafasana, sima lakajau, 
paradjahadji kanang, Uma kwèhing stma 
kawnihakëua, Sdj.; watëk makador, 0. 
(vgl. jav. en onder samëgët, 0. 6 o); sang 
makadar, 0. XXIX, houdt, bij 't uitspreken v. d. 
eedformule, 't hoen, waarvan de kop afgehou- 
wen wordt, O. Minto; slmapati, nga., wadahadji, 
makadar, warahan, palaja, tangar, guraug, 
R. j.; at kadar ikang korawawtrftpranga, 
zegt Bh is ma een wapenstilstand voorslaande, 
Bh. 59 (vert., zoo 't schijnt^ v. judjyat&m 



961^ 



138 



9S»^ 



awahftro'dya); kinadaran, verzamelde, op- 
geroepen? v. krijgsknechleu, Sul. Z. 112, 14 
(katëdunaiig). 

-^«laci^, z. onder kèwuskèdar. 

^^osizo ^, jav., loensch; datékéa wnta wila- 
lan pitjék kèdër pèlèrèn; dadi awas mulat 
bij de zegenrijke geboorte v. Sulasoma. Tjt. 81. 

«j acn, s., eigenn v. d. moeder der n&ga's, 
Adip.« Tjt. 70; sang; kadrüsnta *nèga; z. 

winatfl. 

o o , _ , 

9SI &3) n ^ , eigenn. v. e. staat op Java (z. 

kadintën), v. e. pi. in Tabanan en op 

Lombok; meestal kédëri; Wtb. III. ^>; 

arjjèn; kadiri, zoon v. Djajasabiia en vader 

V. Arjja Kapakisan; rérègkédèri, nm. V. e. 

klein bal. gedicht, bezingende de verv^oesting 

V, genoemde pi. op Lombok, uit de aanb. 

onder kiré kan men zien, hoe de afschrijvers 

een text naar hun eigen tongval wijzigen; hoe 

groot 't verschil soms is, zie men v. grëjot. 

2«, of rara (kany&) kadiri, nm. v. e. 
versm., z. Bw. 60 m., in 't begin Mal., rjjang- 
kat fri narapati enz.). Ar. Pr, 47 o., B9fc. 

Qsnscjyi^, rara kadnra, aanb. onder lungid. 

«unacin^, z. onder kadiri. 

"1 gsn&Cjn , awa kèdrah, w. Bjw., een bljnm. 
V. S ë m a r. 

9Si20&ci^, (vgl kadordor), ng:édérdér 
V. d. staart v. e. kapëtjit, v. e. veram. 

mntr:^ntn\ (vgL kadërdër), pakadordor 
V. vele wormen; ngadordor, kruipen v. rupsen 
of wormen, v. verschietende pijn (vgl. ngg ra- 
ja ng); kédardarkadorAor, ver^cAtelen v. tudju. 



«snion^^, z. onder kodrat en sëgërat. 
nien&CjTSTij^, sas., nodja(ook jav. këdërat). 

n«nosc|yij^, zou een andere naam zijn 

V. d tjurida. 

gsiiSfiyifU'Eii|^ . eigenn. v. e. vorst, die wei- 
gerde schatting te betalen aan Sadar alara; 
hij en zijn drie broeders werden door Badijul- 
saman genoodzaakt zicht te onderwerpen; de 
andere broeders worden genoemd Rawi alam 
(f), Tadju alam en Sëpul alam (h. H. 106: 
AcjójSf (l^^jpf JU!) v—AJUi en JU .^ il^). 

QSii a^ ïsiil ^ , jav., Wtb. III. 6 fw., 7B; Ar. 

Pr. 16, 19, te ver, 26, B7; kaduk manis rasanya 

di pan|[^pyan, B. U. 67; kadnk mmrum, 

R. L. Z. 10, 1 (liwating aju, dahating 

bëtjik); kadnk bapas, Mal. 123, 124, 104; 

akadak (b.: akatuk), B. Z. 10, 4; kadnk 

ing: rëbab tnwl tlba, ald. Z. 16,8 (bannjané 

ëmbad wjattinja patita, manunggiug ëbah 

satuük iidjëmpang). 

Q^2Ci(3u]^, z. onder kidik. 

gsn^oi^diil^ L, «apra^asta (z. onder kidik); 
makédik, W. Z. 14, 8 (kintjit, akikit). 

IL, kédakkèdik, z. onder tjaktjik. 

9611 ta ^diM ^ L, jav., ng^édnk uitdiepen een 
tlaga b. V.; la&d nbi kotjèng: klnédnk, ver- 
keerde vertaling, evenals ook wurjjaning u.k. 
V. patjakingkukio^ bakikuk, B. Z. 6, 1, 
wwang: tnmama hing: (sic.) sawahing: IJan 
angfèdaka wint, amèta banja, ang^alihakèn 
dalaning: banjo pArwwasAhasa danda, 5000, 
Wtb.; kallh atmané né Inh mandèstl, rawnh 
kidnl kapapag: ban gCnya» dèning: sang tjikra 



^ 



139 



961^ 



balftné, kaborbor saml paaiaii, èmpnk atmaiié 
karolinf, masi Ja toni^ada pédjah, kabakta 
riar tambra ika klna(në)la Ja stfa témwangi 
kèiflB ëntip, kakédnk katëkték mallh, ta- 
■üba rinr madyapada „dadl lintab andjalatl 
UmiBflT. vléd alid salwiring lamampah, ta- 
■a(h) naat awané (?). mandadl badnda ika, 
$al^ aianfajak baljlo, Djp. Z. 5. 15 vlgd.; 
■fédaUii (ilaga) uitdiepen; z. kuQk 111.^ 
waaruit blijkt dat er in *t jav. vroeger een 
kérak bestaan moet hebben, dat in overeen- 
komst is met 't bat. hor uk en këruk. 

♦n., Bjw., naast H jav. èftioi^, = sijut 
vgl. 't mal. gSlnk). 

III. këdak timbal, z. onder timbiil en 

aanh. onder widi en prak&^a; z. këdot. 
ica'^K^osaj^, «guju, lachen (itja); n^^dè- 

kia, uiilaehen, z. kénjipg. 

• 2*, bakédèk, sas., zich vermaken , mëlali 

^Smbw.), aanb. onder mfilak; pakèdèkan, 

speelgoed, hijprouw, oorspr. slavin. 

ki "^ 6r> )siij ^ I., sas., bongol; aiq kédok, 

V vuil op *i waier. 

II., kèdokaa, plaatsen, waar het water sints 

lang reeds staat, moeraskuilen , oude plassen 

'sand. id.; jav. Ijëkèdokan, Kbj. b., z. tjë- 

lékodokan); de bloedzuigers, aldaar verblijf 

hoodende, zijo feller dan in rivieren enz., van 

daar kaka lëllatah di kédokanné, ngëtitëm, 

om aan te duiden bel niet willen weggaan v. 

p. plaats, waar men hel goed beeft. 

a 20 3^1^, vaker dan këdik (vgl. onder 

idih); aUdik, b. v. agëtul (sas* sakëdiq); 
Ygl. bédik en kikit. 



«ifiOQsiij^ (?), #ngduiluk. 

'j«n'^£d(SJij^,8a8., tjënik (Smbw. odéq); 

ook kotjëq. 

^jwo^w^gsüj^, jav. T. Z. 5,34 (katak), 

«kungkaug; wrapin kodok silité, Us. 

"1 9Qn n e.c^ 3Sii| ^ I., akodokan liraa, zooveel 
als in U holle v, d. palm der hand kan liggen; 
vgl. «slowok. 

II., z. onder boi^an. 

9Si&cigsi^, z. onder kadi. 

^ 2|j^ so] ^ , uil k afld 2? ; n|^kad, teruggaan, 
langzaam terugtrekken v. vluchtenden, terug 
deinzen in den strijd; z. mëkëkirig. 

^2Ci2ci]^, «umëndëk, ineengefrommeld, 
krimpen v. lijnwaad, een kleedingstuk door de 
wasch (mad. kërkër; vgl. ëo^këd, këlkël 
en kis ut); ng^ëdkëdaoirf kort maken de hals 
b. V. V. d. tjangak, die zich vooreen kèkèr 
uitgaf; mangëdkëdang: batls, Kid. Adip. b. 

Z. 5, SI. 

^^2o]^, sambuk lapis enz. ter afve- 

ging van zQn gat na de ontlasting; in een 
verwensching; gntgut bakal bakal kidkld, ik 
ben gebeten door een b., de vervloekte b., Tj. 
b. Z. 1, 90; makidkld, zich de posteriores na 
den afgang met iets droogs als b. v. sambuk^ 
een lap enz., afvegen (te Sbr.« mëkilad, dit 
ald, niet bekend zijnde); z. kofltjèng. 

9Si20&o|^, vgl. kukud; mrndkadin, van 
iets de overgebleven brokken bij elkadr scharrelen; 
aanh. onder kodag; Vfü&küAtaig, geheel opma- 
ken, nëlabang, ngëdasang; pan|:adkadaB, 
U laatste kind, de moeder niet meer Ier wereld 



9S»^ 



140 



75li\ 



brengende; de laatste vruchten als de tijd over 
is, zijnde deze kleiner (vgl. uüd); kadkndan, 
restant v. d. rijst op een bord of sok as i. 

^gQn*^^so|^,pongkod (te Bbg. dit, niet 
p. gebruikelijk; vgl. angkod); ng^odkod v. e. 
eekhoren een cocosnoot beknagen? 

«« acj gi osüj y , »luruluruk, B. Z. 10, 1; 
melastome polyanthum, de sund. harëndong, 
jav. V. 't Tënggër-gebergte sénggani (mal. 
men. si kaduduk, lamp. duruk!^ daduruk^ 
en naduruk, lamp. k.: kaduruk, mal. v. 
Kut. s é n d u r u en mal. en bat. s a n d u- 
duk). 

QSi^to^gjQsi!|^, tëlëngis (0. BH. en sas.); 

taln këdèkdèky de ampas v. d. opium. 

j^^^ftCogRodüj^, ng^èdokdak; pruttelend of 
klapperend zieden v. kokend water. 

^^tcr>^^7^\, mèn këdokdok; z. onder 
klèntëng sari. 

Q^MjO^^, jav. (kidëkës, vgl. dukus); 
akidnkus v. boomen, Z. 26, 6 (lukus, Iwir 
masidakëp)^ Sm. Z. 18, 4; Wir. 26 {zich 
inkrimpen? op eene slaapplaats), Kam. 11; 
V. e. slapende, Tj. 3; makidukas, W. Z. 5, 3 
(masidakëp); Br. Z. 7, 2; katisan gnmlg^il 
akldnkns v. e. verkleumde, T. b. Z. 4, 176^ 
Kam. 55 (Pafltjatantra wëpam&na)^ aanb. 
onder gêgës; anf^dnkas, Br. Z.44, 1 (njaru, 
umënëng). 

TsatCinTsnrvih, iq^dékol v. rupsen op de 

boomen; susa bonter njangrkih ijalang:, katon 
njah g:ading^é këmbar, di pa&ng^ané ja ng^- 
dékol, Lr.; vgl. këtèkol. 



«it '^ «^ '^ «n 9eil| ^ , ojfëdoUok of ngë lo p 1 o k 
en ngëdoplok, zich bol voordoen als de cun- 
nus; vgl. këdodong en këmomok. 

?si) ici ioj ^ , Bjw., stijf v. d. beenen. 

Kjsoioj^, Bjw., niet kunnen staan v. *t 
membrum virile ten gevolge v. e. ongeval, door- 
disit er b. v. aan getrokken is, of wel door 

een val. 

gsiintr5^ico^, ngëdodo v. iemand, die da- 

mang is, driestf^ ngëlësanin of ngambul-. 

g^&ci&o^ of kudiding; ng^diding:, hard 
wegloopen^ aanb. onder rëfitjang; ook mëdi- 
ding?; mang^adiding^, «mangididi; ng^uda 
iba manjndidlng: patiképng^, Iba mnla tnras 
gfëtap, Bngk. s. 251; pan wajapak malaja 
angndiding:, U. Pngr. 92. 

g^snan^, pada makidadiiiig: awn, Dd. 19 
b.; mëkëdadang:an, mundung. 

9Sïio^c:>^tc:)^, mededong:, v, e. tingkih; 

ng:ëdodong; v. 't schaamdeel v. e. vrouw als 

een ^knobbel uitpuilen (vgl. dodong en kë- 

doklok. 

^u\T5iï|^, akadat, Sm. Z. 22, 3 (komëd 

pupudjif); makadat, Sut. Z. 41, 5 (alal), 
talmen, langzaam?, B. Z. 45, 22, Z. 44, 2 (k o- 
dël); 6h. Z. 12, 1; Br. Z. 19, 9; tan akadat, 
zonder verwijl, Z. 29, 4 (nora kalib), B. Z. 
43, 32 (nora saranta, n. kodët, mangga- 
tiang), R. 14 Z. 43, 32 (n. k„ vgl. jav. raA- 
dat); rasarasanan Anakmami hajwa makadat 
manawi tèiëbning: wing:hit rftma rakrjan 
makapnpntan ag^ring;, T. b. Z. 1, 28 (rasa- 
rasani ta m&sku, hajwa palëh^ manawja 



^\ 



Ui 



7Sk\ 



wijoganira tëlëb mftwasftna wjftdhi,KaiD. 
7: wruhanta nini jan awujung sira 
rSmaoirèku, prapafitjaDing twas tibrft^a 
hingalaran mawjandadyagring lab rasa- 
nana mftsingsun tan lamlama, T. a. Z. 1, 
24): wnih atjom aplkadat, B. Z. 80, 47, (taO 
ja mapi njrantajang, wiwëka sëmu 
sênda bané saranla). 

ssa2C|isii|^ L, lamun kèto adjak ké kai 

iliékJÊg, kadat kai batiting:, da tani vgiAè- 

paaf sanmujimiinjlii kola, paQang; nondèn 

■a^fètohin, i botoh rara njpidat Jatnamba- 

ritii^, namentl. de kumangmao^, die be* 

liKkfde hem bij 't wedden op klopbanen te zullen 

dcten winnen, Tj. b.; makadat, «kinandut; 

dajaaé adjaipit kadat (b.: gaok), hij kent 

■jlle mogelijke listen; ng^dnt, in zijn gordelkleed 

iels steken (z. grondot); ngadat manlk, 

aanh. onder manik; aknda bnlan këkadnt 

Uifli^iié T. e. zwangere vrouw ander 't hart 

dragen 't kind, waarvan zij zwanger gaat; 

kaiota, «dinadutan; kadutan (kris), een 

kris (z. luk en bij badjra); ponjan kadutan, 

z. onder tjuriga. 

II. « jav., mabasaiian kadnt lëwas awftk, 

V. bijen, B. Z. IS, 6 (méilidan di tapisé 

soba bërëk, mangrubung maduühan 

majang daAI, maülës tapis m. buük). 
msotsiu^, open v. d. oogen b. v. v. jonge 

honden (lamp. sëdat, tid. akadat, wakker 
wordem), v. e* besneden penis, «deling; ngl- 
dën kadat pèng^aknné; këdat l^Jah, de daün 
uratf ; ^gMati «dumëlii^ (Sbr., ódundun; 
YgL onder këdap), op zijn hoede zijn ('i 



Engeische wide awake, vgl. ng leng ing), 

ngëdatang^y open doen de oogen (njingakang). 

Q^so^K, ngëdëtiUi een paard inhouden 

met de teugels; ngëdëtangr manah, zich inhou^ 
den b. v. iemand^ die een ander wil dooden; 
vgl. ngrëtang; pakédët, Us. x. 36. 

9QI :c) TSiN ^ , sas., rijstdiefje als de ptingan 

en andere kleinere vogels, in tegenst. v. k a m a- 
nukan (mad. këdiq en z. onder këbawi); 
sljoang: këditna, ngulah këdis. 

^2^\ni|^, kumëdat, aanh. onder aftdut 

(udutnjané; lillen als een moeras?) en dus te 

lezen kumëdut. 

9^&c|TSii|^, jav., akëdnt v. d. penis, Sm. Z. 

24, 4 (makëdutan); cUnrn këdat (b.: këduk) 
B. Z. 80, 32 (djuru amuk, dj. kosa); këdat 
këdat, V. 't gemoed weifelen; kamëdat, «ku me- 
ter, «akëtër, v. d. lippen, z. onder padu; 
knmëdat sakanya kamëdal, R. 18 Z. 12, 2 (ma- 
këdjëngan batisé këdjo^g^ makëdjutan 
batisnya mangëdjat); kamëdat i tënirënan 
m&rbftiia, v. R&ma optrekkende, 't geen eene 
overwinning op zijne vijanden voorspelde, R. 
ini. Z. 2, 2 (makëdjutan né kanan tjëtjëh 
tangan, molah bahuniré tëngën, Sum. Z. 
109, 5 een teeken, dat hij bij H swajambara 
gelukkig zal zijn); kamëdat, R. 20 Z. 1, 4 
(ngadjutdjut), v. d. knevels, R. 13 Z. 2, 29 
(makëdjutan, ngabirbir), v. d. grond. Ar. 
Z. 6, 11; këdatan, «molah, R. 16 Z. 6, 14; 
këkëdaiën v. d. oogen; «kampita (vgl. (a- 
rirakampa); kakëdatan tar^i^jan tityaqgé 
ring kanan, als een omen, W. Z. 18, 10 (ku- 
mëtër, kumëdut, ngëdjër). 



^\ 



14^ 



7Sli\ 



^^tsr>^si\\, jav. , tor want akédot kawat 
ten gevolge v. 't eten v. e. wondervrucht, R. 
m. (R. K.: kuwal tëguli timbul wani); 
tar tégah këdot sirèki, ald., kèdot timbal, 
badjana kalit enz., War. b. 43, vgl. këduk III. 

g§i20^\, Br. Z. 29, 14, akidat, spartelen, 
Sm. Z. 34, 2 (Dgurèdjat), v. d. staart, R. 31 
Z. 4, 1 reg. 5 (ngulëdjat); akidat aknnda 
amrih adndüt, 22 Z. 5, 8 (ngurèdjat ma- 
gujang ngulahang ngëdéng); makin aki- 
dat (t)inaljaii (b.: makidatika), B. Z. 10,4 
(samiDgkin ngarëfidjit kadandan); ma- 
lüdat*an, v. paarden (krëdjëDg^ grèdjah- 
grèdjoh). 

900 20 rsii|^ , «makadal; Jan kodët sang; 
prabbft nalanjin, «jan masuwé tulung 
nrëpati; iiora kodët, tan akadal; sam- 
pan akodét pakalan, want de vijand slaat 
voor de deur, Ai. Pr. Z. 12, 7; sampan ng^o- 
détan;, •hajwftkalib. 

goi &o ^ tsijj ^ , mamanji ng;adatdat v. e. 
dief, Tjrk., djëdjëh. 

9SiiCiAji|^ , ngadas, een stuk vee hoeden, 
den eigenaar 't eerste jong gevende, zoo het 
dier reeds zwanger is, anders neemt hij bet, 
de jongen verdeelende (z. dj a I a) ; mekadasang;, 
een stuk vee bij een ander Ier hoeding' geven^ 
bedingende, dat 't eerste jong voor den eigenaar 
is; zoo bet stuk vee verloren raakt bij dag, 
moet de hoeder het vergoeden, maar gebeurt 
het des nachts dan deelen beiden de schade; 
zulk een contract (ubaja) wordt echter alleen 
onder elkaftr vreemd zijnde gesloten. 



gsnoftco^^, Pam. 18.. nang^kén ida njrra- 
wahang ataran, mwan; wèwèban; tankados 
ida manjépël djiuah, jan tanana makakarjja- 
nya, Pam. b. 52; dalem tan kados, Z. M. 
wilde of kon haar niet bekennen, aanh. onder 
bëgëh; tau kados iba manira marnaha, 
lëwihira sang kèpi, nadyan satangkéb rat, 
djèng: iba ngalatana, masa mang|:lja ramadji, 
Jsp. b Z. 7 (j. Jsp., j., tan kawasa i. ka- 
wula nutura, ing warnané kang k., 
n. s. r., ibu angulatana, m&ngs& amang- 
gija malih; sas. J.,t. kowasa imutakëna 
mama, rupanira s. k., jadyan s. r. 
ibu a., mingsa antuka kalih); (indejav. 
bet. zeer zelden, z. aanh. onder kakawa). 

^£C\^U, rein, schoon, zindelijk^ licht v. 
kleur (z. u 1 ê m) ; srawab këdas, biin; kèdas, 
S&& këdas, zoo de pooten wit zijn. 

QQie^si^^, këdas?, z. onder api. 

9si20^^, (paksi), vogel , waaronder 't 
pluimvee niel begrepen wordt (vgl. onder ka- 
tj a i^ »së m u t en t i i ng, over de graden v. 
wasdom v. e. vogel z. onder tjèndol, duwi, 
djaüm, paët en kebab); oOng; këdis, «dja- 
mur syung, B. Z. 11, 4; simbar këdis, een 
kleinere soort dan de simbar m a fi dj a ng a n ; 
ng^diSy gelijk een vogel doen^ zoo b. v. ruien, 
de vederen niet op eens, zooals de kippen, 
verwisselen); v. vagebonden, die geen vaste 
woonplaats hebben (sund. dj alma manuk; 
vgl. ngumbang); këdisan, z. onder bintang 
danu en aga; nlanan këdls ^ z. onder 
u 1 a u. 



^\ 



liS 



7Sli\ 



neoAj]^, wasem, stoom (vgl. batav.; vgl. 
ittdas en dusdus); makédos, mëlëtuk; 
•k u iD u k u s; makédas kébns, « a k u k u s 
apanas; baiiKèsmakidiis, naasl b. malékag, 
Kid. Adip. b. Z. 1, 42 en 43; lampahnya 
■akidoa, «lakunyfl kumukus, B. Z. 81, 
15; kawa^fan bin akèdusaD dépin pangalal 
%. gekookte rijst; kédasan, Bngk. s. 

«i£CiaS|^, nèkadas*, v. uitbrekend zweet; 

fgl. Diëkèdusdasan. 

«toiAJu^, jav.y aanh. onder puftdung. 

»&aAji|^y Bjw., een kip of eendonldarmd 






en gevuld mei kruiderijen en gestampte tjrëmé; 
>f nolgens dicht genaaid en met santen 
i^ekookt als opor; vgl. oiak^ 

&o;ui]\ I. (vgl. këdus), mékadas, war- 
relem yr. rook, «kumukus (ook mësëpuk); 
uTb. of boertend in pi. v. mëmadat; kndn- 
ban adjané, door den regen stroomend 
nai gemaakt. 

!!•, ar., toen 'l graf v. Jusup gevonden 
^as, jata tamè^an sirèki lan sahbatira 
siadaja, dlnadok kapannll^ mangko, tabèla- 
Bii^ Junp ika» Jata pinikul sira blnakta 
nrf^: kadus tèka, tan kawamaka ing marg:a 
,,alala]iipahan sirèki, pitang pnlnh dinèng 
narga rawab ing kndus tan alon, pinéndèm 
wiibqg riiig rama, mwangé (?) bnjatira, 
paoiaii iBg bagènda j. (Ismail bedoeld f), 
sanpui pinèndéfli irika „andikaning Jang 



djaratirèka, paranabl anèngrika, Jsp. 't slot 
(Jsp. j.: tumurun nabi m. gëlis lawan 
Ixs^ sadaja kapanggih dinudukaké 
katon tabëla dyan pinikul maring 
^yM^ji tan kawarnaha ing marga, lam- 
pahè {^^ói lan mësir patang pulub 
dina marga wus prapta ^j*»^ó5 lampabé 
pinëftdëm saiiding ing rama mjang 
bujut pamanira bagiAda j. pan sam- 
pun kinubur ^^iXLtJfc:^ „andikanira 
jang widi mangké, kotjapa dënii^ japg 
maripg m. andikané ëh ta m. v^ruhanta 
ng bumi ^/«ji3i ika goné pakuburani- 



pun kang para nabi sadaja), aaiib. 

onder hèh. 

9aMi^9^ L, z. dasih. 

II., z. onder tadahasib; sènggakira anga* 
dasih, R. sas.« telkens. 

3611 2^ ^ ^ ^ , mèkèdusdasan, gudsen v. zweet 
(z. mëkudas^); v. e. land, waar alles in de 
war is; mékédnsdasan mnlih, in verwarden 
toestand?, tegen verwachting f 

goj^CjU^, Sm. Z. 26, 6 (tjorab). 

gsioici^oj^, pakadèsém, «kapatjirit; 
ngadèsèm, beschaamd zijn als vrouwen bij H 
hooren van obscoeniteiten (vgl. jav. liugsëm), 
• m i d ë m ; ngadèsèmin, iemand minachtend 
aanzien, zoodat hij er door gesmaad wordt; 
kékadèsémang, met meer of min wrevel aan" 
gezienf (klènin sëma), van iemand b. v. 



sirèki, koQapa mangko dèning Jang (1.1 die zeer arm is, nergens gezien is of wel 



!^ w a i^} , praptèng nabi musa mangko, è m. 
vrahanta ya, ing bami kudns ika, akatah 



waarover men Iiescbaamd is. 

3Sii^A;iE;|^, ngëdisamang, nuanang; toen 



061^ 



iU 



»l^ 



zij haar keukengereedschap in stukken zag 

liggen, zeide zij, nah né kndyang djani apa 

kadisamang:, mbnbnh twah atjang^kilik, Tj. 

b. Z. 1, 65. 

OOR Ml u^, Bjw., sugëm, Stn. («jav. Men. 

10), zekere vogel (vgl. hadawa), Wtb. III 

18 m., 19 b., enz. Wt. 7 b., R. 23 Z. 12, 4 

(«harawa), aanh. onder bh&radw&dja en 

kurugëm; Mis. Gag. 12 o. (sas. këdawa of 

dawa=ssugëm, mëngar. rawa, mal. prak- 

gan in pi. v. përgam, sund. kadailtja, 

z. Tob. spr. bl. 15 in de aant., Bawéjan ku- 

dawa, witte boschduif, Tijds. N. I. VIII bl. 

299), verkl. v. ^abdagung, Nw. 

QsiiMjnuo^ of dëluksëpang, Bjw., een 

kleinere soort dan de kadawa. 

^g«^^ (bal. hudon?). .p.kndwanan, 
B. Z. 6, 6 (sokasi, don pakul). 

gsAMiuoj^, B. Z. 45, 2 (duwak, bla- 
kas), Z. 80, 32 (roaduwak?), Z. 85, 17, 

Z. 82, 4. 

961 Ml u^^, zekere zeevisch, R. 10 Z. 9, 

7 (badëugan suwat), 14 Z. 1, 13 (mal., 
soort ba wal, j^v. R. 292 diwas, mak. en 
bug. manriwasSq?), 0. 

9Qi2C|UYuK, iig;èdawël) onwillig te betalen, 
werken enz., z. nglëngkëng, bingkëng. 

9SII &CI u ruj ^ , asgidé wal , spartelen f v. e. 
visch, T. b. Z. 4, 248 (vgl. jav. këduwël). 

OMiruj^, jav. aanh. onder tjamah; sang; 
kakadal, inde satwa, nm. aan den lèlasan 
gegeven (K. A. k ë k a d a 1, zou kleiner dan, en 
eigentlijk het mannetje v. d. lëlësan zijn, 



sas. kadal en kadan ssiëlasan); fowa (go- 
dh&?), bonglot, kadal kang; 4Js^lQf sarampon 
kangr wadon, Tjt.; vgl. tjëkadal. 

9Sii ao rul ^ , vgl. jav., gespartel» Sut Z. 87, 
2 (korèdjatan); këdal (jav. hds.: këdël) 
nlngr astra (b.: kdap), de menigte? Br. Z. 
13, 29 (kakënan, Br. K. këdëlan; jav. 
vert. tafitjëb); akédal (b. akëdap) v. e. 
door een pijl getroffene, B. Z. 43, 16 (ugurè- 
dj a 1) ; ronlnf mimbüikédal mannma ri lémës 
i tikèlning halis Jan kmnin^angr, Hw. Z. 6, 
6; akédal*an v. e. vrouw, die beslapen wordt 
tegenspartelen f Sm. Z. 26, 2 (m a ng u r è dj a t), 
Z. 9, 2 (pamulisah), Gh. Z. 4, 12,. Hw. Z. 
23, 2; knmëdal v. suku v. e. stier, die zich 
ziek houdt, T. Z. 1, 56 (vgl. onder kaku) v. 
e. kind spartelen?, Sum. Z. 10, 8; lidahmn 
tan kamëdal (m); snkanya kamëdal, R. 18 
Z. 12, 2 (mangëdjat, këdjoug'); ang^ëdal 
V. e. stervende, B. Z. 29, 14 (këdjëng^); 
i nngsil kadya g:iralijasèn lémés slnwamnyft- 
ngfëdal kftnginan, Z. 13, 4, angrèdali suku, 
T. Z. 1, 4, z. onder dj a wil; pakédallng: 
wëtis, Sum. Z. 122, 1. 

gsisoruj^, z. onder këdal. 

QSiiwruj^, jav., linksch (vgl. mal. en z. 
kèdèl); ang^idal dilahning: apaj ring: palio- 
man, onder de ongunstige omina. Bh. 4 (later 
onder de gunstige anëngën dilahning 
apuj ring kuAda); ng^ldal, zuidwaarts gaan, 
R. L. Z. 7, 1, aanh. onder samplangan; 
kakidali tegenov. katëngan v. e. landstreek, 
Wir. 8. 



»l^ 



m 



^\ 



Ki2^fu|^, Jav., W. Z. 1, 3 (dakSifta), 
T. Z. K, 117 (këlod); saka lor kidnl, B. Z. 
29, 8 (ali kadja klod, si kadja mwab 
si klod); riüUdalini: smnèra, W. Z. 22, 6 
^sakèlod ikang mahamèru, sadlod su- 
meru, sadak&inanipg kèlasa lod s., 
sadakèinaning kèlasa): sang: atalag^a 
kidBl, War. b. 127; saq: kasafin kidal, aanh. 
ooder rupëk; maim^dal halan tau kapam^- 
iilan, fr. s.» vgl. ook lor en onder as la- 
ma na. 

»&airui|^, kadllén snkanya, aanh. onder 

^aplaw&ra, z. gudil, 

O9si02ovu|^, Bratan, kéé; vgl. kidal. 
'^«nsoruj^, jav., v. aan den overwinnaar 

^iegeiegde prinsessen, R. L. Z. 1, 124 en 126 

raOh, katur), naast mëdal v. e. vorst uit 

*i paleis komende; 2« een der namen v. d. 

^ersm. mi dj il, Amd. Z., z. o dal en sodal. 

?6a ca ru ^ , vgl. jav., kadali waranjpin, zekere 

bloem, Mal. 148, 55. 

a2oru\ I., s., punti; kadalipiièpa, 

kukolupgan ing hati, z. onder «tud. 

1!., kadalimada, eigenn. v. e. berg, R. m. 
[K. K.: kudalèsada, jav. dadalisada, 
W. Dr, 240). 

iauioru^, jav. (tamil kSd&lèj). zekere 

bekende penlvrucbt, gekookt vaak uit de hand 
regelen, soya hispida (Bjw. gadël; vgl. laia 
banaspati, Iwirnya, wanglu, (a)tai^. 
kiL karé huwak, gadël karamajan^ 
pépé katatungkul, kètan sadaugan, 



«MmBBIIBOBK UtMU II. 



katëng mfts, punikftngol tan karakët, 
Tjt. 23, vgl. onder (ftkhi; volgens sommi- 
gen zou dit gewas uit Japan ingevoerd zijn, 
maar dit blijkt niet waar te zijn). 

oasciru^^, z. dalakar. 

Q^&auj^ I., jav., «larap (z. klap en 
krëdap), B. Z. 93, 4, Z. 32, 1 (tan kumë- 
dëp, kidjap»), aanb. onder ingël; amaréi«l 
këdap, plotseling, Sut. Z. 20, 5; Z. 27, 2; 
kèdap*, anghttlap^ ald.; Lamb. Z. 15, 7; 
akëdap*, nu en dan f ; kmnidap v. d. sterren, 
Br. Z. 5, 7 (masuwaran, makëdèp^ ka- 
mëdyut); knmédap, B. Z. 84, 27 (kumëdèp), 
tegenov. d u m ë 1 i ng (vgl. k ë d a t) ; maiig;èdap9 
B. Z. 89, 6; ansédapédap , Sm. Z. 50, 3 
(këdèp); iiiaiig:èdapédap , W. Z. 35, 2 (kë- 
dèpS klap^ kumëdëpkëdëp); klnëdapan 
V. e. boom, Br. Z. 20, 25 (jan rasajang, 
sanimèsa; jav. vert. tërag en katëragan); 
Iwir mnksa kédapakëna, Ar. Pr. 49, 10, B. 
(J. 75 (de Babad bl. 465 b., Dw., v. D., 279, 
kaja murtja kinëdèpna, Anb. 90, kadi 
musna kinëdèpëna, en 92, waar murlja 
= lali; vgl. onder mukëa; mal. 227 tijada 
dapat ditëntao^ njata sapërti lënjap 
akan rasanja, of tijada boleh of dapat 
di pandang njata sapërti 1. di pandang 
orang dari tëmpatnja duduk, P. x., 133, 
vgl. aanh. onder dak&iftftlaja. 

II., z. onder këdap III. 

9S1I ici ui ^ I., ngédapln, aan iets proeven (vgl. 

njitjipin). 

II., kédapan, een jfmg blad, maar niet van 

10 



ièii\ 



Uè 



7èt\ 



palmen (z. ambu en vgl. «padapa)* • s i n- j lilètiAmftna p&dapaii|(kadjanl san; prija maki- 



wam» aanh. onder bën. 

Ill.y këdapan, schrikachiig v. e. paarde Bjw. 

këdapan (vgl. kédaap); ngfédap, verbast. 

Dgëdaap. 

9sii20uK, makèdèp, plat = mati, vgK 

b a Dg k a. 

QQiiowiuj^, jav. (vgl. këdèpdèp en klep); 

kèdèp*y «aiighulap^, «ma ngëdapëda p^ 
«mangëlabëlab; knmédèp, «kumëdap; 
kamèdèpkédèp, «maogëdapëdap; kumédèp 
kédèp, Utt. 48 (maka dangjang durna 
dan patih sëngkuni pon mSngëdèpin 
mata, maka sakalijan itu pon lahu 
këdèpan mata itu, mal. W. 266; vgl. 
aanh. onder lor); dèn kèdèpaken, Mal. 99. 

9Sii&3iu|^, z, onder idëp. 

gsicajuj^, jav., pusuh (vgl. kudu), Anj. 
Z. 12» 2 (ander hds. kusup); ng^ttdnpliq; 
bakan;, z. onder bakung (vgl. jav. kuQtjup). 

ogQiiMiu|^, z. idëp en onder pidëp; 
pakèdëpan, «man ah; mapakèdèpan tjorah, 
«makftmbëk anghala. 

9Sii2Ciu^ L, padapa (door këdapan). 

Il.y matten, die de longan onder eene slaafh 
plaats tot aan den grond bedekken, 

o&oun, akidapah, op de knieèti vallen, 
kruipen voor een vorst, T. Z. 5, 70, Z. 6, 2S 
(madjongkok), v. d. kwartel, R. 14 Z. 12, 
S, Z. 2, 4 (matègtèg), 25 Z. 12, 17 (ma- 
qëntud), Z. 13, 14 (malimpuh), matëg 
tog); L. Z. 15, 4 (o^ënlud), neer hurken voor 
een meerdere. Ar. Z. 4, 15 (vgl. onder mungil); 



dapah arddha sfldara v. e. vrouw op 't slag 
veld bij 't IiJk v. baren man, Rm. Z. 60, 9; 
6h. Z. 10, 4: Tj. A. 45 (kidupuh umën- 
dëk anëmbah); tftr akldapah awot sari, 
T. Z. 3, 61 (T. b. Z. 4. 115, nëhër ta ja 
manëmbah i djë'ng sang brfthmafta). 

o&cju gsüj ^ , pakadapaq, makëdëpëk; 

ook ang^adapuk f z. onder kudupung. 

g^ c^ u 9Qi| ^ , jav., makakédèpèk v. hoofden, 

B. Z. 9, 2 (matjalëbug, pakadupuk, pa- 
ga lilik); angfèdépëk v. paarden, Wir. 36; 
lumaka mang^èdëpèk v. iemand, wien de beenen 
zijn afgeschoten, ee» stompend geluid maken, 
R. 22 Z. 1, 4 (nggadëbëg, jav. R. 456, 
ngëdèpëk dènya lumaris; R. K. b., in 
R. m. ontbreekt deze passage, Kumbhakaróa 
door Rftma en Laksmana beschoten, kS- 
ning wënlis tëngën dèn panahi, jata 
pëgat kadëpëk kaug lampah, kang ari 
manah kiwané, rampung dënda tan 
utjul wësi palwa salëkSa kati, mang- 
kana pinabudja, tëngën gigalsampun, 
tiba dëftda mangka kiwa, pinanahan 
wus pisah kang tangan kalih, awakar- 
wa lan murda); vgl. kërëpëk. 

^ tO| u gdii| ^ (z. jav. Wdb.), ngidapnk, T. 

Z. 3, 27, z. kadupuk. 

g^osonuuj^ (vgl. kdèp), pakadèpdèp 

van vaandels, «pakatapkalap, «anglarapS 
• anghulap^. 

gsiinwr>nu:)ïsii|^, z. këdoklok. 



^\ 



UI 



^\ 



a&CjOj^, klDaiapuir, «kinëmbulaD; 
kimbalan; mradapuQg^, «maDgëmbuli 
(rgl. onder gadupuDg); sangf (;rt kambo^ft 
kwmiwB kiBnéupnag inirup dènikanir wwil lu- 
■aorknvirf Itt. Z. 11, 11; abjftran manam^is 
waièb Unndapiiiv strtnya nda tan komba- 
rah, Harif. Z. 12, 12; angudapak paksa 
kurih rimpniii^ kabranan kinadapimKèQg: 
MBtri, R. L. Z. 7, 51 ; Jata ainikëp kina- 
iipuf, TL 24. 

>si8^n, tëngahy kadja, aanh. onder 

k»i«ga- 

gsioecotu^, jav.» z. onder lorna en bóok. 

ioiosotu^, sas., tjapupg; ook kërèja. 

95in&oui9S)|^, z. onder dyab. 



^ 



o 



isi2^iiQ\, z. këdjanti. 



Qsi'^&oryp^, z. onder këdèfitjopg. 

gsK &CI £!i| ^ , mékidëm, gesloten v. d. oogen 

(bn. kiddam; men. kidjam; vgl. tidëm); 
ngidèm, aanb. onder galigas, «mrëm^ 
• lumëjëp; mangidèm, «tan deling; ngi- 
dém këdat, z. onder këdat; lucidèniaiiir, ki- 
dëmanglpon matanipuné, zooals kleine kin- 
deren uit vrees voor spooken; pitatar titjrang 
ring gosti, pagëhang apang sasaijan, apang 
tëkid kasadyané, ngidëm sampan ma^jloga- 
kan, kidèpaog mabarata, Jadin diogèh maq|l 
lijn, sampnnang pisan manimbal ,Jèn tëka 
santin gusti, nto awanan gnsti pëdjah, raad- 
geving der ganzen aan d. scbilpad, dien zlJ 
door de lucht zouden vervoeren, T. bg. Z. 3, 
86; vgl. «idem. 



auSiu^, eigenn. v. e. persoon, ontleend 
un 't begin v. e. der zangen v. *t Wiwftha 
kadi harda), zoo is ook lumaris (vocatif 
maris) uit een kidung; i ukir (wukir) 
uit de *• Z. v. H W., i lingga is uit de 
Amdf; Tgl. sakih. 

jasoi ^\, komidynt, «kumëdap. 

joitn]^, makndyat, spartelen? R. 19, Z. 
17, i (molisah; vgl. mad. takërdjat?); 
■akniyat mahAr^yat, 21 Z. 4, 1 (pgarë- 
«ijët, pakarèjak, kasuwèn patjruwèt). 

aosopm^, s., z. onder kukunang. 
si&crr>\, fout in pi. v. dalafitjang?, 

• dalawaï^. 

a-|«0'^rgp-D\, jav. (gëdèfitjong), ga- 

mëlan slam (te Djembr., këdèfidjapg). 



i=a 



^^^> (0> kakadmarain (?), «tinakis. 
g^^oosüj^, ngadimnk, « apgubatabit* 
gsi &CI tsijj ^ , ar. mal. (JU«v»-) , Am. ep. telkens, 
otoiru^, s., z. kumutjup. 

9^2Ci'PJirJi|^, Sbr., pëdampal, ben. v. e. 
buluh-soort, waarvan sèmprong of suling 
vervaardigd worden (buknné lambasan); 
Bjw., lampar. 

2^ eigenn. desa in fingU z- onder aga. 

9S1I ua Jiru]^ (f), angndampél, opeen boom, 

R. 7 Z. 5, 2 (ndalëpèk); akndampèlan 1 
kftwaroning ratha, v. vrees, Wir. 48; akid&m- 
pëlan V. apen, 23 Z. 4, 9 (ndalëkëp, 
mëngkëb; jav. R. 499, kudampëlan en 
ngudampël); z. dèmpël. 

gsii 2C| 'EJt 2]^ , ngedomplang, snel wegloapen 



^\ 



m 



9é«\ 



als een wild beest, v. vrouwen in een gevecht, 
aanh. onder èmèd, pëkèdamplang^, 

«•^oa^, 8. (kaiamba); sakadambabhi- 

sita, V. d. wind, R. 1 Z. 1, 10. 

96nici€|i^, s., banjak hirëng. 

9Q|&0Oi^, Bgatiti kudumba, mësegëh 

akadang. 

oojiCjej^, 2. kutumbi, Adig. 66 o. (bis), 

vgl. kudumbba. 

3Qi2cin|^ (?), mangèdag:aiig:, «sumurud, 

Br. Z. 12, 12. 

o Qsn t-ci nl ^ , jav. , in staal zijn, b. v. iets 

te verduren; tra kodag: ban niënaug:; kodag: 
kadut pagëmèsin, Tj. b. Z. 1, 14 en 16,; 
kodag: lu^u bangal niang:!!, djani ta&nang:, 
idup pada lan mati, 95; niasih kodag: kod- 
kadin bakat dwang: sopan, ald. 66, aanb. 
onder gondong; ng:odag:, onafhankelijk^ niet 
onder heerschappijn zei f regeering; ng:odag:adag:, 
op eigen gezag handelen; kakodag:, heheerscht, 
• kagraha; ng:odag:ang:, heheerschen (ng o da- 
gang gumi), een man op den kop zitten v. e« 
vrouw, «midajaka; ng:odag:ang: dèivèk, onaf- 
hankelijk zijn; ng:odag:ang: pati urip, Bngk. 
8. ; ng:odag:ang: djag:at) «ba^èng rftt, «ang- 
rakda bhuwaAa, «wasitwa ring bhd- 
wana; nfrwlsèsa ng:odag:ang: djag:até kabèh, 
«makadrëwja ngandabhuwana; kodagang: 
dèwa s&arip tityang:, «ba^ft kité tuwuhku; 
kodag:ang: antak i dèwa, «kawa^akënanla; 
sang mangodagang parttiwané ring Jawa- 
dwlpa, «sang angdiri ratu ri jawa. 

«•20^, s. (khadga), om 't rijm (?) kadgi. 
Ar. Pr. Z. 2, 3 en 6, ook werktuig in 't algem., 



z. aanb. onder kftmopadjiwa; kaja maron 
kadga, aanh. onder tjuriga. 
9^&o^, z. onder kadga. 

asnio^, s. (khadgi), z. onder warak; 2«, 
z. kadga. 

9Qjao^nl|^, ngadagdig of ngëdagdig, 

r(md zwalken uit armoede, zooals een dobbe- 
laar, die zelfs geen kris op zijde heeft, '/ leven 
V, e, vagebond leiden^ uit stelen gaan, schuiven, 
enz., ook v. bladen? 

«^zSnjnj^ of këdaglig; ngëdiglig, zon- 
der sa put of wapen in den gordel. 

3^&otsii^, kadbhuta, R. 6 Z. 9, 4 (ka- 
gagaok)^ aanh. onder rodra. 

QSiiao^, jav., tut. 50 (vert. v. djnjèli), 
B. Z. % 33 (wargi, braja); kadang liadji, 
z. onder kdatrija; masëgëh akadang, B. Z. 80, 
5 (ngatiti kudumbba, manamju wargi), 
atinggal kadang^ aanh. onder sa ba, vgl. aanh. 
onder sakftja; akadang sastra, aanb. onder 
rawèja; mëkëdangan, van elkaar familie zijn. 

lone^^ , z. «kadang. 

90)20^, nu eenmaal, v. wat men niet onge- 
daan wenscht (Bjw. kadung naast tëlaiidjur) 
en daarom vaak gezegd om geen vrucbtelooze 
reis te maken, Meg. 15 (bis), aanh. onder ru- 
b è d a ; toen zijn vader hem verzocht den vloek 
in te trekken, zeide Srënggi, inggih sapa- 
napi antuk tityang kadung sampan ngltiba 
sapan tityangé mtn boja dados pa^Jang wa- 
linin banggajang pisan* kadang sampan labah 
ntlapan tityang manëmah këni pagëh wak- 
badjran tityang sidi sadjroning pitang dina 



> 



149 



961^ 



tju tan Ida sanf praba né mang^kin nipik- 
samaJaBf pilih sida talak sapan tityang 
katiba, Kid Adip. c. Z. 1, 17 en 18; voorts 
wijst 'I op iets, waarvan men gebruik moet 
maken, b. v. bang die kleèren te drogen, ka- 
iaaf ada Uf immers de zon schijnt nu, de 
zon schijnt nu eenmaal, laat ons deze gelegen- 
beid niet venuimen, de kleèren ter droging 
ait Ie hangen; kadangf kètu prahi, H is na een- 
maal zou de gewoonte; kadnng lablaba, deze 
irroeoten heeft de kok nu eenmaal gekookt, mot" 
gen krijgi ge de andere te eten, aanh. onder 
blaif; kadang: ipan mëpapah f lis mafcéng^, 
heeft die palm maar eenmaal papah's dan wordt 
zij ras groot (vgl. batav. kadongan); «grS- 
hita, R. 23 Z. IK, 2; kadong: sèp tyang: 
mriki, kadyaq; djani mannlakang: kadong^ 
labnk mmiliii mémé, Kid. Adip. Z. 1, 70; 
aatnk aadikané kadaog rantnh tong^ dadi 
tilak, ald. 91; kadangr bë^lk, ané kadnng^a 
ièrèsf mèmadat; kadnng: matl pidan bwin 
idip, eens dood, wanneer zal men herleven ; dè- 

■iBf kadang^ kapèsaftnf olih dané waranogra- 
kaaé, •kanëng wëtuni dènir&wara* 

warah (vgl. snnd. kadongdora?); kaduDf 
patawaofan tyanf , ik wi) de plecbtigbeid bij- 
wonen (?), die lieden zijn nu eenmaal Aennmefi 
ra* mijl kadaqg^ mëdjalan, wat eenmaal de 

gewoonte is, wordt toegepast. 
i3kih\, knmédanfakën b&hnnya tëhër ina- 

np ikft V. strijdvaardigen , Ud. 106 ('t origin. 

bihAn parighasangkftf ftA sangsprë- 

caotah fanaih^; vgl. mal.). 

yaio\(vgl. këdang); ng^dënf, trekken als 



een ploegos, naar zich toehalen «angdudut» 
de hand terugtrekken, tegenov. numbukapg; 
aanbijten v. viscb den hengel; këdëaga antak 
latjur, door 't ongeluk als 't ware meegesleept 
(vgl. onder djëkdjëk); këdënfa ban tadnh, 
aanh. onder tjampab; kakëdëng:» «binir, 
aanh. onder djuti; mëqlama kakëdëng^an, 
van kal f skinderen; mëkëdëng^an antuk, door 
iemand verwant zijn aan een ander, aange* 
trouwde familie zijn door; vgl. mèd en dët- 
dët; ng^ëdëngaog» tot zich als bondgenoot roepen, 
van iets profiteeren om iets te vergemakkelijken 
of tot stand te brengen; ngrëdëngrang mosuh, 
den vijand inhalen; pang^dëng;an, «panghrët. 

9^ &0| ^ , jav.. Mal. 382, aanh. onder ba n dëpg, 
(atj. kruog, rivier): aslAdntan kahakst këdnog- 
nyang:adang kadyasakëdnngr sadjl mina, Ww. 
b. Z. 1, 126; rabat këduQg, eigenn. v. d. 
plaats, waar zich de vischetende vogels ophielden, 
T. Z. 3, 29 en 32; z. tuAda 2 o; këdangan, 
Aw. 77; sanfhjang: rabat pakëdanfan, z. 
onder bSsakih. 

'i5iitjt)\ , jav., B. Z. 7, 4 (harifta, i sëpggab), 
èAa, kurangga (mal. kidjang, z. onder 
sëpëkën, bat. hidjé, vgl. onder gëdé), R. 1 
Z. 1, 15 (vgl. onder soda); een kind door een 
kidang gezoogd is een uitdrukking voor ver- 
latenheid , z. aanh. onder ^akuntalft en 
këmul; annsap lawan kidang:, aanh. onder 
t a 1 u w a h ; kidang: atawan kanin, nfa., 
dostakarmma, Iwlmya, ang:ang:g:as wwanf, 
ang:ëntal, ambègral, angratil, amangrpangra, 
ambahak, anampo, ika ta kabèh kolaralaran, 



[ 



^^ 



180 



9SII^ 



saha tjlhna, tlnut dènlnf wwang: makwèh, 

Jèka k« a. k. nga,, Wtb. ; wwang: awèh da- 

nang^ rtnf dusta, rinf maling: kanang:, 

dadi hana wwang^ lèn kadnstan ng^uniwèb 

kamaling^, sama kapramanan, tëhër lung^a 

tèkang: dnsta sakèng: dnniuigrannya, kari ikang: 

kadaniingraii, kapramanan aafakn Jan kadn- 

nnng^, kidanf kari hanèng: alas, ng^, sang: 

kadnnnngran, danda Ja uttama, 20000 (waarop 

volgt de aanh. onder kirab); wwang: ana 

(n i]ng:idakëna wwang: minfgrat, kapang^grib 

dèni sang: adrèwé wong: sakarahita, ng:a, Jan 

maladjëng: kanf ming:g:at, kidang: hanèng: alas, 

ng:a9 daikda, 48000, Jan laki kang: ang:iwat, 

kabandaha, walak&Ja katnmbakana , sang: 

kadanang:an danda 24000 phalaninf sakara- 

Uta, Wtb.; pisang: kidang:, «dwarina (?); 

mas rinèka kidang:, aanh. onder tjëlor II 

en djëpggi. 

2% lüdang: Qëmëng:, kidang: mantJawarAna, 

lüdang: kanQana, ben. v. e. kaputusan om 

snel te kunnen loopen; kidang: kaii^ana, onder 

de regalia, Kid. Pam. Z. 5, 33, aanh. onder 

tjamani; ing:kët kidang:, War. b. 101; ka- 
sëlëkan rawi wahn adan knmidanfkidang: 

▼. e. prinses, Dpt. Z. 1; ang:idang:idang:, z. 

onder klè^ita; paribradjakftng:idang:idang: 

wè(;a bratanira, Ud. 73 ('t origin. mrëga- 

tjarjjft),vgl. aanh. onder pufltja; akidang:*an, 

huppelen f, R. 1 Z. 1, 15 (malali; z. onder 
pëdèt). 

t^\^ een gedicht in inlandsche versmaten, 

• R. 23 Z. 18, 4 (mad. kedjupg, mak. ké- 
long, bug. élong;z. këkawin en gëguritan); 



9SI 



Iwir kidnng^lng: aknng:. Mal. fr. (mi rib sang 

bagus mangëngkal); makidong:, «ataftdak; 

twara bisa makldang:, straf hiernamaals, 

aanh. onder lintah; mani^idung:, R. 15 Z. 1, 10 

(ataftdak); Sut. Z. 147, 15 (ngëngkal); 

ramjftng:idanfakën anëng:njan karakëtan, B. 

Z. 4, 27 (ramé mangëngkal dèning dë- 

mënnjané tan pasah, suka njiptajang 

dëmënnjané kadahatan, sukamagita 

olib ulangunnjané kudabatan); ang:i- 

dang:akën, Z. 4, 27 (njiptajang); Unidiuig:an, 

T. Z. 1, 5 (katandakin); pinang:idang:akën 

pinangig:ëlakën pinarakëtakën, Adip. 109; ka- 

dyang:faning: kidang:an tan kahidip dèning: 

tali, Ud. 47 (vert. v. badbirèÈwiwa g&- 

janfth. 

osio^ (vgl. jav.); kukndang:, naam als 

kroonprin» gedragen, R. L. Z. 1, 3 (vgl. mal. 
timang^an); ang:ndang:, B. Z. 80, 49 (Iwir 
njangkrimang); ang:adang: madha v. bijen, 

T. Z. 4, 34 (ngalih sarkara); ang:iDfring 

swaranya ang:mbnng: lalitang:adang: madhn, 

fr. A. ; anf nng:adang: pajodhara, T. Z. 5, 109 

(manglingling sari). Ar. Z. 35, 1; aDg:ii- 
danf* snsn, W. Z. 32, 1 (malali^ njonjo); 

mang:adang:adang:, B. Z. 1, 22 (mamasibin, 

manjumbupgang), T. b. Z. 2, 46; aanh. 

onder 1 ing ga en godèl; klnadang: v. e. 

manik, R. 10 Z. 5, 2 (kapapasihin), met 

lof vermeldf, 23 Z. 18, 4 (karoron), v. e. 

papegaai door een kluizenaar opgevoed, T. Z. 

2, 42; kndang*ën. ing: liakawin, Sum. Z. 63, 

4, aanh. onder sa rik; kakadang:anira, zijn 

bijnaam, Hadji D. 82; katut lan anak sastra 



N 



151 



> 



rakadèii murddaninrrat kakadan|:«nlni dèwt 
ntui dnwita, Mal. 309. 



o^ 



isi&o\ , kadiiv*; R. 16 Z. 10,3 (palaljan). 

isi ui^ , jav.^ knhadung: of kakadang: • ke- 
rn al (mad. koduug, deksel in 't algemeen)^ 
•songsopg (k. ald. de aanh. envgl. kudupg); 
Midjat akadanf*, B. Z. 68, 7 (iiaadu, 
kalaiiiokan); makakadunf, *masaput^ 

• akmal, «akukub (vgl. onder kubun); 
■akakakadanf ollh tltyang:, «makasongan 
i nghalun; nffakadang^D, «angëmuki; 
kiaaduigu kèn i^alanya, aanh. onder talu- 
wah (binëmukan kupina mwang kèn, 
aanh. ooder pasar). 

f 9 ftkadang^, zich dekken met een schild, 
prajatna aira akadanf parisé, Am., telkens 
(mal. fen. bërkudui^ périsej; vgl. Men., 
Uitg. ▼. V. Dorp, 136, bërtudungkën 
përisejoja, bis. 4K1); djambé kndoog^an, 

• prafta hër (?), vgl. onder krojah. 

asi&o^y sas. (vgl. onder kudung), tëkëp 
V. e. pajak; këkëb; vgL plëkoq en 

t o ng k ë m. 

^isk^tjh\, makèdoDfy «arong; mékè- 

lOBfaa, hol als een kop, een hoed, tegenov. 
lëpèr (vgl. batav.); z. kërung en mëgèrëm. 

n son tjt\ \ y houten kistje ter berging v. allerlei, 
en van daar ook op ouie sigarenkistjes toege- 
past; ook V. blik V. dezelfde gedaante als 
de tëpak maar grooter, lade^ aanh. onder 
8 ë k a 1^. 

n len n &ro ^ I., moOnf mëkodonf , Meer vuil 

V. tandea, v. de penis bekaasdf 



• II., sas., bubo; de baka, de visschen 
met zijn voorgewend heilig leven willende 
verschalken, kranan tttyaof sèdih baka(h) 
djani, wèntën orta nndjn ding^ëh tityanf, 
pnnika djnra pantjing^é, masanfkëp matam- 
ban, ipan patjanf raBh martki, patjang: 
maug:ëdjak i dèwa, akèh prabotipon, rakad 
4|aringr antjo pën^lftr, kodong^ sèsèr danf klné 
tan kosi*, sorok g^ëdé panfadang^ (7) „pafi- 
tjing: akèh f ënëp g^dé tjënik, pantllngr kërëm 
lèn panding: mapolangr, mamèlag^èndah barènii 
lèn ng:aba tnba lijoy pnnika néné manjakitln, 
sampnn matrap*an, dadi ipan këbnsi èjèhé 
tëkëd kadasar, bnka(h) lablab, tong: ada 
tong^s maklid, tan nmng: 1 dèwa brasta 
„dl sasih karoné tëka mai, sagrëhan barëngr 
pjanak somah, tan kètanf babandarané, ëdjnn 

pané miwah pajnk, lëngis basa sampnn 
tjnmawis, arak brem lawan tnwak, Jan 

akndang daln, tpnn pa^anf malnëpan maka- 

snkan, Jèn twara g^nsti barësihi ipnn tan 

wèntën tnlak „ënto krana tityanf baka(h) 

djanip tanpafttma mang:ënanf t dèwa, paQanf 

pnngrfël pasihanéy T. bj. Z. i, 1 en vlgd.; 

ook huwu. 

^ &o n ^ , rood koperklearige rug en ronder 

dan de këpiting, harige pooten, scherpe nagels; 
eetbaar; maakt in de riviermondingen zeer 
diepe gaten en hoopjes op 't strand, loopt zeer 
hard, aanh. onder abapg^ lambé (z. 
afb. Rumpb. Rariteitskamer, 9^, plaat); Bjw. 
pungung, magind. kadungun; (vgl. koii^o 
en tjatjab) gekookt, H water tegen hardnek- 
kige koorts, vindt 't beest water, dan houdt 



«Sl^ 



152 



9SII^ 



't op gaten te maken; 2% nm. v. e. kleine 
zeeplaats onder Tabanan. 

^^7^^ * een pënjand&an zonder 
tj a g a k. 

QSV'^zicisio^ , ngèdèngdanf V. d. kulkulan; 

kulkol bolnsé ngudèng^ianf, Lp. 40 (de uit- 
gave heeft een corrupte lezing), z. dëngdang 

en dangdupg. 

Qoioer^oer^^ , de reeds vruchtdragende 

katjëmtjëm, evia acida (jav. këdongdong 

de boom zelf» z. kludan en klofltjing). 

9SI&0 n ^ ^ , mëkadangasan, schnw, schuch" 

ter, vgl. dëngas. 

9SI n eco n tAJi goj ^ of kadongaftn, eigenn. 

v. e. pi. onder Badung (op onze kaarten 

Kadongan), aanh. onder samplangan en 

sèsèh. 

9Si^\, uitnoodigend, djalanf, kat maring 

amah 1 paman maskn, Djpur. 

^tsiu^, z. onder kut I 2^ 

n., z. onder ëngkët. 

96it5il|^ L, farira, R. 21 Z. 4, 1 c, 3 

(kulit, tjarma), Sm. Z. 8, 21 (gatra), Z. 

IB, 6 (pamulu), 2«, of kët?; wkanira 

wnangangangwa pajnng kut limo, wnang 

pajang apagot sason putih, 0. ; apajang akët 

limo pagut, ald. 

II., vgl. III, rijst in de wetboeken als boete 

(vgl. m.); V. daar kut bang, Adig. 60 o., 61 b. 

en kat irëng (in een krt. onder de namen 

V. d. buffel] ; kat hirëng satëmpnh, bras 100 

na de vermelding v. e. boete in geld, waarop 

dan een andere boete volgt, waarbij komt 

wëdus satëmpuh bras 100, aanh. onder 



bambara, Wt. 49 o. (de beteekenis buffel is 
dus goed, daar de buffel meestal donkerkleurig 
is, z. mahi&a). 

• ni., sas., oot pësak (en dëkdëkP); z. 
unggun en lambuk. 

9Q)\sii|^ I., akèt, aanh. onder bilulu en 
djahëli (mal. kait); siljftkèt lawan gadangr, 
V. d. katirah bij een kapidyah zich 
opslingerende, Ar. Pr. Z. 6 ; akèt lawan kanik, 
z. aanh. onder suda; wwadny&kèt, L. Z. 3, 6 
(sulurnya maakit; vgl. mal. kait); wwad- 
ny&kèt amllet hjang artjtja karirApa aséma* 
nAgabhAsaAa, Ar. Z. 32, 2; lëmësing wélas 
harëp akèt patëmaniralëjëp samftlangë*, Z. 
37, 2, aanh. onder dël; z. ook onder akèt. 

n., z. onder sëkëq. 

^^^, 8., katalotlana, naast katftk^a 
(z. ald. en onder ba tuk). 

II, V. Ardjuna steeds wlriJa katkardjana. 
Ar. Pr. Z. 10, 10 b. v. 

^tSD^ I., mal. (z. kathft), een vreemde 
taal, meestal mal., maar ook wel jav. of iedere 
vreemde taal; mëkata, een vreemde taal voor 
maleisch gehouden spreken; kataftn, vreemder 
klinken b. v. v. d. taal v. Padawa dan die 
V. Tjëmpaga. 

II., vóór ngongen iiigsun, zonder wijziging 
van beteekenis aan te brengen (jav. katèngsun). 

ïsiiiyo^, s., L. Z. 2, 1 (tjarita); katlift- 
bnka, z. onder buka; k&th&u, Sut. Z. 110, 
12 (utjapëo); alaw&n katbftkëna, W. Z. 
14, 8 (bhawah jan tj a r i ta j ang), aanh. 
onder tantra (kasuwèn jan tjaritajang); 



9SII^ 



IBS 



9Sll\ 



tu«èk ktthAUna, tu Jogja kathakëna, 
W/ hekoefl niet terkaald te warden, dal hij 
haar besliep, T. Z. K, 71 ; katakéna, worde 
ffiprokem van, R. m. en k.; tan katakënèog^ 
falaa, ald. (R. k. b.: ta katakënèi^ awan); 
i. kata L 
«o«^, 8. (khftla), z. onder kali. 

^V\* 8-f tëpgah; vgl. kaiiwandha 
en onder waii^kii^; aakati, z. Adig. 41 b. 
9 ^ \ L, kati fambir, z. onder g a ni b i r ; 

kitfrakta, katirah, katiwawal, katidlora, 
katinaS enz. (vgl. mal. b. v. in katiinbabal, 
katilambnqgan enz.). 

n., jav., wési kati, ruw of onbewerkt ijzer, 
V.; iautalUDtalan w«si kat! v. iemand, 
ie gebonden, in zee geworpen wordt, Tt. 24 
eUers inukalnkalan wsi kati); akati, 
^n maat, meer bij vreemde handelaars in 
.ebruik, in goud, baftt sa tak kètèi^; vgl. 
oder gorobob; këkatèn, de gewichten. 

Ss nm. V. e. maziekwijze. Ar. Pr. 26 (jav. 
^ëkatèn); njekati. 

ni., z. onder ui ^st\ ni. 

cn^^ (kotif); aama* masèwn kfttinira, 

B. Z. 116, 2 (pada masiju kti danèné), 
X. këti. 

^tn^, 8. (kaiuf), mjana tjëmëpg, z. 
<»<ler kajo man is (in de kr. naast kaju 
l^ata ook kaja madbura, vgl. jav.), aanh. 
ooder karawila en bubang. 

2% majana irëi^ of m. tjëmëng. 

va "] tn ^ , jav., dwerg, kleiner dan de tj a b o 1 

«n tjrik wajab, ook v, kippen en kort op 
^ poolen staande bonden. 



II., aanh. onder nu6antara. 

>^ 

^^^, I., stotteren (Idmp. gëtuq ma, ge- 

hrekkig spreken, ma, tong beleekenende ; vgl. 
lëklëk, bega en kolok); paktani kèkèr, 

• paptakipg ajam alas; vgl. këtëk. 

IL, Sm. Z. 13, 2, W. Z. 18, 1 ; B. Z. 24, 
5, 203; Adig. 40, 6 m.; Br. Z. 18, 15;Wir. 
8 o.; 9 m. (bis), llo.; 14 m.; Bh. 56 b.; 37 o.; 
tan hana kéta mrétyn ngaranya, Ud. Z. 4 
(vert. V. mrëtyur nftslit i). 

lU., W. Z. 1, 8 (man ik). 

9a tsv^, z. onder tjë. 

^?P^> jav. (z. koii), iOOOOO (mlg. hetsi); 

këtèn 9 z. onder p è o n ; këtian, in menigte 
voorhanden zooals de hu juk, inHDjmbr. «sa- 
koli; madjl pant^ëtijan, mwah pëi||lawan. 

'^^\, jav., priestermuts, meestal rood, 

é 

• daluwang; (tëtapi tuwan mëmakej 
tja ra adjar maka adjar itu pon më- 
nanggalkan këtunja maka dibërikannja 
pada arja prabangsa maka a. p. pon 
mënjëmbah lalu mënjambut këtu itu 
maka lalu ija mëmakej Ijara adjar 
dan bërtjawat dan mënjënakan këtu 
itu, Tj. b. 74), vgl. R. 4 Z. 1, 66 (z. bawa 
en onder walkala); makëtn, «madjalft. 

9ant5D^, sas, (uit de praepos. ka en té, 
en zoo ook këlo uit een ka en to), mii 
(vgl. ilé en tè), ook këtéq, blijkens bakëtéq, 
herwaarts komen. 

osiotsn^, sas. (vgl. onder këté), këma 
(vgl. ito en to); lalo bakëto, luwaa këma; 
men zou bakëtoq verwachten, z. onder këté. 



«A 



154 



K»^ 



^ ^ V overgebleven in 't jav. w a s k i t a 
(was pad a), moet bestaan hebben blijkens 't 
malag. hita, ngadj. gita. 

ssüisii^^ L, (vgl. tjita, een gutturaal in pi. 
V. een palatanl ook in sagi, gidat enz.); 
mëkita, lust hebben om te eten enz.; mëkita 
ng^èntiëb, mëkita mlaib, mëkita këdèk; ma- 
Utamatf, «roatya donikft; kltana, ukana 
(sapunika kitana); kitana kreng:, men 
moei er sterk voor zijn om dat werk te ver- 
richten. 

• IL, vrnw. 2« pers., tot zijne moeder, enz. 
R. 2 Z. 1, 27 (kamupg, mëmè, bijang, 
vgl. *jav.9 mal. en bat.); z. ta III. 

III., jav., z. aanh. onder apen. 

^^^> s.« kady a Dgganing sëmut, 
ulër, rëpgit ityèwamftdi, Wrt. 18 (dit 
bedoeld in de aanh. onder mini nd ra, alwaar 
kita). 

^^\ 1*9 z* onder muring. 

II.» ijë4|alaka ring: ngrwadg, sakiti ewën- 
^ani, saë4|0Qg (b.: gëdoi^) lawan saprahu, 
zegt de vorst, Sri TaQdjupg willende over- 
halen, Stn, Z. 6. 

^^^> s.9 «tarurftköa, Br. Z. 15, 17 
(kuwu, bèntèpg, pondok), W. Z. 23, 11 
(nagara, siwa), Z. IS. 8 (s., desa, djro), 
B. Z. 2, 12, legerplaats, Br. Z. 21, 1, Mal. 
149, Sm. Z. 30, 12, «pagër (vgl. jav. en 
mal., bat. huta, een versterkt dorp, lamp. 
heining; Skk. kota, muur, bic. kuti, muur, 
wand?); dadl tanpakuta smara bij de be- 
slaping V. e. maagd, Sww. Z. 16, 37; wong 



d|aba kata, v. andere staten afkomstig heden 
kntaraga, eigehn. v. e. pi. in Mngw.; kata* 
rlnglD, bekend als de plaats, vanwaar fraaie 
saftbs komen; kata waringin, aanh. ondei 
nuöantara; kntaning rena, aanh. ondei 
paka; knt&jatana v. d. plaats, werwaartf 
men zich na 't gevecht terugtrekt, Bh. 5S 
(H origin. ^ i w i r a z. ook ald. 89, waar '1 
origineel swafiwira heeft); kata mara) 
verschillende lagen bédèg, op elkaftr gehecht 
in oorlogstijd ter beschutting v. ongeveer viei 
mannen, beweegbaar, gedragen wordende ; ook 
bëdèg, boven 't hoofd gedragen in een tuin 
van d u r i j a n , als er vele v. die vruchten 
aanwezig zijn, om van 't vallen geen letsel 
te bekomen (jav., kr. B. Z. 18, agawé kuta 
mara babopgkotan pring kinardi, vgl. mal., 
in den Bndj. oorlog werd door Z. M. stoomschifi 
Gelebes een drijvende batterij v. balken bewa- 
pend met geschut, veroverd, die ook kota 
mara, vgl. n^dj., heette, eigentlijk lanting; 
kota mara volgens Bndjrm. chronijk; vgl 
Atj. sanggamara, jav. kutagara. Men. Z. 49. 
këkata, v. iets ter afwering v. stof. zooals 
eed sluier, bij vijandelijkheden borstwering. 

2^, aanh. onder sampana en puling. 

9SI tsn^ , eigenn. y. d. havenplaats v. Badung. 

mt^\ l.f s. (güdha; vgl. t&taka); küU 

rahasija, Sum. Z. 17, 3, 6h. 23, 3 en 6, Z. 
27, Z. 28, 8; kftta mantra, Z. 9, 3, T 
b. Z. 1, 48; (;U&drl kftta, W. Z. 8, 11 (gu< 
nung rirëgëp). 

II., s., kruin, top (vgl. maL). 



Kl\ 



185 



m\ 



m.» Ufasftkst, 8. (mi valsche getuige of 
gAdhasftksir), Wth. (asftksi mitra); 
TgL Raffl. II App. 41 {mngekochte getutgen); 
ikaar ksatiijt, wèeya, (Adra, irvmftwaJakéDa 
kitmaAlui (kautasAksya), sèdéopiya pi- 
nkasUisi Bi gmwjawali&ra, daAiUnya ta pa- 
radajj^ (t), il hnwnsnya dohakëna Ja, kanang 
brihmaila kAtasftksi tan daAda, dohakëna 
djafa dni| dkArmmika saiifr prakha Jan 
■ai«k«na dèniraiv daAda, Sdj. (Manu VIII, 
123); z. onder dubkrëta. 

^ ^ \ « 8.» hui V. e. buddhistischen monnik^ 

lamb. Z. 37 (djron dèwa), v. e. plaats waar 
lich wik u's bef inden, Sm. Z. 39, 1, Z. 49, 5; 
0., R. 14 Z. 6, 3, Snt. 26, 4, Ar. Z. 31, 1; 
Wn. Str. 72 ; aanb. onder s u bb i k s a en 
waif ja. Wit. 27 b.; katy&g^ mandala katl 
naOap, Ar. Z. 25, 4, katifala, Anj. Z. 
SI» 8 (grëha palapan); tan klunti, 0.; 
kabodihaaika baddka sang:, Baqpina dkarm- 
kah, kati lëpaa kaaadpadan, Ar. Z. 30, 1. 



a tsi \ , een nacbtvogel t aanb. onder I ë k- 

tèk IL 

)5itsi\ I., luis (pèpétan en këpètan; 

jaT. en maL id., sas. en smbw. gutu. Skk. 

ata« ngadj. sampit en katiii^. guti; z. ti- 

tib, tama, tampjas en onder barak); 

katan alaSi allerlei wouddieren als tijgers enz. 

(fgL onder du kut); kntan ka&iig, allerlei 

seegewassem; kajëban kntn, z. onder kajëh; 

katBB pudokan v. iemand, die zeer ijverig 

den veldarbeid behartigt; kntn ngapèt katak, 

Dd. 11; aalIpT ^IMb knta, elkaar de luizen 

efzeekea; de gewoonte der Javanen d« luizen 



tusscben de tanden te nibbelen niet op BaK in 
zwang ; 't eten v. luizen bij de apen in trek ; 
knta*i een boom f, B. Z. 44, 1 (utu, tuk tuk 
kapukub); kakata, zekere vogel P Wrt. 14; 
mëkatn i, luisen zoeken ; ngntnin, iets, \ haar, 
eniluizen. 

IL, pati kntn, L. Z. 8, 3 (m a ng 1 a I u). 
Was. Z. 1, 33, Z. 2, 6, R. L. Z. 8, 41; Ar. 
Pr. 37, nalatig?^ I^ppig^ Mal. 167 m., 171 b.; 
hajwa pat! kntn h&pan(b.: magigu tnhan 
pan) sira bisa, SuL Z. 69, 11 (sampun ké 
sungsut); tan patl katn, 't faalt nie/MJnd. 
Pngr. 

III., jav. z. onder lëmpëni, fnliga aa- 
wwaUng kakntn; Us. 146 en 146. 

IV., sas., herhaald, een wijze om apen te 

roepen; vgL njut^ 

V., katn*?, aanb. onder tjrëngik. 
n9si^^ of kétaf. amaaaog npl^akèta- 

kntfla, B. Z. 76, 5 (pangrasa lëngit, i 
dèwa twah tjorah, zoodat bier aan kita 

is gedacht). 

o«i\n^, 8., «tunggul, (jav. hds.; 'IbaL 

tëngran), Br. Z. 29, 19, Ar. Z. 6, 2; tanf- 

tnnging kèln en tunggul mapataka, 

dhwadja patftka; mangffëh matjé karép* 

ning dkwadja rl tëpt knnang k&rwa pinrik 

ring ftnbëki &pan bjaktang mah&p&taka katè- 

mn Jadin matya ring kètnprësta, Ar. Z. 34, 

3; bkaja këtnnlkaag n&gara wiffnkna bij 

den dood v. e. vorst, Kid. sund. Z. 3, 61, vgl. 

kètawa. 

2«, eigenn. onderboorige v. Porud&da, 

SuL Z. 100, 7, TJL 78; sang prabkn kètn, 



9SI^ 



156 



^\ 



vader ▼. Sutasoma, vert. Sul., Z. 30, 11, 
aanb. onder kèfawa (vgl. mahakëtu); kè- 
tmnatfi eigenn. vrouw v. Sum&li, Uit. 9. 

ooaiotsm^ I., kèté*, een braadpan v. aarde, 
ook wel om groente enz. in te kooken ; kèkèté, 
• granèka (f). 

IL, kèté* awé, zeker vliegend groen insekt 

naar zijn geluid aldus genoemd (de i r u g a 

.: der bataks?), vgl. Bgd. 40. 

n«iintsn^ of kent o, aldus, gelijk dat (ën- 

to); vgl. këné (sund. kitu). 

900^^, s. {40 millioen), sakoti, Sm. Z. 

30, 4 (këtian); artha rong: koti, Smw. Z. 

7, 33 (z. këii); tan koti* braua, verbazend rijk; 

tan koti, Ilju; nadné (bé nasi) tan koti*, 

èbat*ané pasti, (sami^) né lèn*an snba 

(sampun pada) rawah bërèm araké mang:- 

fëloh, (matjawisan) idéraunjané manitir 

dawah pitn kagèt snba madaïran (s u ü d ja 

madaftr), Pan. Br. 103, vgl. aanh. onder 

pëngaft; kasnlahan soija koti, aanh. onder 

pitrë. 

o ^9^, jav. (skr. ka la aan 't einde v. 

samengestelde woorden alleen), naast akèb. 

961 tsn Q ^ , als bulptelw. v. langwerpige din- 
gen als haren, geweerloopen, touwtjes (z. onder 
pijuh), rontal waarop te schrijven, stoelen, 
staven, wapens als lanzen, krissen, sigaren, 
ook V. gevelde boomstammen of bamboes, tak- 
ken, 't jav. lofidjor (z. puün); paët akatih, 
bok akatih, marifëm akatih, v. cigaarljes roko 
akatih; pada makatih, ieder een v. op deze 
wijze getelde voorwerpen ; katian, streepen\.'{ 
schriii?; een gevouwen lontarblad, de steel er 



nog aan, tegenov. lëmpiran of pëpësan; 
een katian heeft 4 zijden, twee waarvan bin- 
nen onbeschreven zijn, terwijl de lëmpiran 
maar twee (beschreven) zijden heeft; wadja 
katian, staal in staven. 



^ 



9^^^^, z. onder tab; praka^ita; sapa 

sira adan danèné këtah, «syapa pangara- 
nira karëngë', R. 6 Z. 4, 16 (z. onder 
guru); këtah ida, «karëngwanira; këtfth 
onder dien naam bekendf; sang^hjang wisna 
këtah kita, R. 23 Z. 18, 2 (tjai kadadèn 
hjang ari); ngëtahang, këtahang:; kany&bha- 
wana ja adana kakëtahang ; «kany&puriki 
panëlahnya wartta, B. Z. 37, 4. 
kiioisy:)^^ (?), z. onder pugër. 

9siitsiii<j^ (f), kitih* V. aanh. onder hingga. 

^^^^ * jav., z. mëlës. 

9Q| tsiR 9^ , de kapokboom, eriodendrum 
anfractuosum (afb. Rumph. I pi. 80), de 
raftdu der Javanen (z. këpuh); bikul me- 
ga ntung, raadsel op de vrucht, die veel v. e. 
rat heeft; subatah kntnh, een vingerlange 
soort, waaruit de kotjèt^an ontstaat (z. su- 
batah pandan); ngralih kntah v. e. geil 
wijf (verbl. in pi. v. butuh); boka katah, 
spits uilloopende van zekere vruchten, de vrucht 
V. d. kutuh spits zijnde. 

2^ nm. V. e. pi. in Bangli bij de grenzen 

V. BH. 

o n^ ^^ , Bjw., bevuild door betel; widadari 

pada kotèh tahi, kapèjah polahè, ana sèm- 

pèr (sampar) ana bntjnr, ana pètjëk, ana 

pëng^ong:, ana dawir kuplngripon, ana kang: 



^\ 



187 



«^ 



katuf tuigué, djédjënirkatè padft koiang:, 
■ilftjB arufka'iifaii, sawönèh agogrodètan, 
SlD. Z. 5 (b. b.: kang dèn idëk wëlëngé 
paniki, sumëmbur tabiné, ana kapè- 
jak puniki, ana s. a. b., a. d. k., wënèh 
apèngsèh djangguté, ana kuinng tanga- 
Dipun ana, kang kaiung dëngkulnya; 
JaT. kuiah); Ygl. kotëb. 

^ïOD'^OT^^, K. A., ampah, slordig bij 't 

gebruik van iets; vgl. kuiéh. 

jE^in tsinui^ , ataté Dfatébé, Lmb. 25, ook 

T. d. silalongan, ald. 

93 tnuiTinn^, z. katawurag. 

)?i *«stuiru^ , dwars in den weg Uggenf v* 
lijken, Br. Z. 25, 1 (dahal manglikadin, 
paijjullrapang); T. Z. 8, 64 (paslèng- 
k a t) en z. onder • h a I a ng ; makatikalanf v. 
réngga'a, B. Z. 51, 2 (padjulèmpang), Z. 
li»l, 11 (kalimpugang), z. 87, 11 (pasu- 
l^ngkat), V. lijken v. olifanten, paarden, 
wapens op 't slagveld, Haris. Z. 10, 2; pa- 
katikaluf, Kid. sund. Z. 2, IKO. 

»iiSTi«|\ V, aten?, B. Z. 2, 28 (kahjun, 
né bod yang, pribang; «jav. katë en 
katën, karda, sadya); sakatën, Br. Z. 
56, 2 (sakajun); 8a(ng) katënin; indrijané, 
• sak&ptining manah, vgl. onder atun. 

janTsm»]^, z. «ton. 

;a«iQ|\. jav. (uit ♦ 1 a k ë t a n), A/ee/W;*/ 
met witte korrels, voor gebak (z. onder gftli); 

m 

z. iüdjin. 

^4i£\\f këtën*, op eens aan iets denken 

b. T. V. iemand, die in langen tyd geen vrouw 



wilde hebben en eerst wanneer hij oud is, er 
een neemt. 

gsiotsnoew^ L, mal., gouden dukaten, tbans 
zeldzaam. 

IL, z. onder ton. 

9Sitsii9S)^, «jav. (of portug. catana), pë- 
dang (mangar. id.; de verkl. in 't jav. Wdb. 
is een gissing). 

gsK tsT) 9Q ^ , sindyomarftdana ri tJakranirèDg 
kat&na van WidAu, bij wien In dra om bulp 
vraagt, hr. Z. 49, 16. 

9Q)i;^9Q^, 8., 't declameerenf v. e. verhaal; 
sabharakathana, L. Z. 56 , o (k a t a t w a- 
ning lubdhaka); akatbana lubdbak&tmaka, 
ald. (njaritajang atman i lubdhakané). 

ootsiiQQ^, s., faf&ng^kadjakètana en te 
voren indudjalafitjana in den eigenn. v. e. 
paar vorstinnen, 0. s. b. 

09QO^«^, z. onder pütanft. 

3Si^9Qn^ , s., aanb. onder ganta. 
gsi^^. tstij^, z. onder katbafitjiU 
oSi^uL^^, z. onder katitjëmii. 
gsiiSiMinL09Siï|^, z. onder katitjëmii. 

9Sit^pjio^, kalitjëpli, katitjëplik en 
katitjëplok, door beestjes opgeworpen aarden 
kleiner dan de katibubwan (vgl. tjëpÜ, 
sëbrëng, sëmbrug); ook katitjëblit 
blijkens ngatitjëblitin v. e. kleine kati- 
bubwan, zooals men elders weder zegt 

gsii^\, «jav. (ulad, kumantar, jav. Ar. 
bl. 548; «jav. knmantarkantar naast 
kumatarkatar, murub kantar*. Men. 



^\ 



i88 



^\ 



Z. 28 maar bij W. m. katar'), z. onder 

kabaranang; kantar apiné mumbul 

angalul (?), R.» sas., 187, (niad. tarkataran); 

katar* v. vuur or licht, munib akatar* pa- 

danf airarawani^ftn (in pi. v. atarawangan?), 

m. V. d. pa pa da ng ati; doka niakatar*an, 

Bngk. Z. 1, 71, a.; falan|r inakatar*an; z. 

kantar O. 

9Sitsii^ I., jav.« de vlerken v. e. djukung 

(tag., pamp. en bis. k a t i g, bug. a t i q uit een 
vroeger atir, zooals blijkt uit de afleidsels, 
maL ka til en katir; Matthes tracht ten on- 
rechte 't weder verschijnen v. d. r als bewijs 
aan te voeren van zijn scherpe klinkers, vgl. 
onder lèmbah); ook, als in 't sas.^ kantir 
en te KI. kantih. 

II., sas., tënggolong; takatir slq ka- 
wida V. e. djSmpana; z. lèmbah. 

III., mèkatiran, Majong, rockatukan. 
gsi ^ ^ , jav. sakètérui kidanipiini: aknng:, 

Br. Z. 6, 1 (kaja tjëluk i gitan wong 
kasmaran, kadi swaraning gitan sapg 
kabrangtèn); akétér, aanh. onder kiwa, 
(kampita, kamëdut); makëtéran, «gumi- 
gil, L. Z. K, 1; Was. Z. 2, 8, v. d. vrouwen 
in 't paleis op 't hooren v. 't strijdrumoer; 
knmtèr, Br. Z. 44> 2 (padjalëdjëh, mapgë- 
tar), V. d. wenkbrauwen, W. Z. 18, 10 (ku- 
mëdut, ngëdjër), R. 16 Z. 8, 5 (mangëdjër; 
jav. gumëtër, vgl. gumëntër); afw&sa 
m&drès kumëtër sirodjar v. e. toornige, B. 
Z. 78, 1 (madoösan mapgëdjër dané 
pgutjap, angkjané mandoös sumawi 
sakagègèpèrën, apgkihané madoösan 



ngëtor dané masatir); kamètèrkëtér, R. 
7 Z. 5, 12 (këdjèr^); angrëtërakën , Sm. Z. 
24, 2; mangètërakën, W. Z. SI, 8 (maugo- 
sahang, mangrësi); kakëtëraii uit vrees» 
B. Z. 40, 17, Z. 43, 4 (niangëtor, mal. 
këtar, tag. katil). 

^ tsn ^ , z. onder s ë n i k. 

m^^\ I., T. Z. K, 105 (pupuh), ald. 106; 
gëndingr; Wr. 21 m.; Wit. 14 b., »tili- 
ran, Mal. 14, H. Z. 24, 5; Ar. Pr. 52 (vgl. 
jav. këturf); këtorinir dyah pinamèni: fatl, 
Was. Z. 4, 18. 

II. (jav. tjaftdana). Ar. Pr. 14, Mal. 33; 
tang:g:iili këtur, «tapgguli gënding, met 
geele bloem (cassia javanica, afb. Rumph. II 
pi. 22; z. onder gënding); nuiüg këtur, 
volledig v. e. geschrift, ook v. leeftijd, zoo b. 
V. v. iemand, wien de tanden reeds geslepen 
zijn, V. e. vrouw, die reeds rijp is voor de 
schaking; mcëturin, iemand iets voorzeggen b. 
V. hem een brief laten schrijven. 

III., V. gasten, die uit 't huis gaan, om in 
de balé hun maal te nuttigen, Swg. Z. 3, 51. 

^^^, jav., muiter, belegeren; mang^tër, 

• mangëmbuli; kakitër, «inambulan, 

• kakasut. 

9Q)^^, kltir*! kwispelen v. d. staart; 
kakitir, T. Z. 5, 117 (i kakitir), /ooi;6r. 
tjes V. dun geslagen zilver of goud als sie- 
raden aan 't «dak v. e. wadah; 2« v. e. 
lalajangan afhangende franjes, ook v. papier 
vervaardigd, de èmpèr^ een groote bos fran- 
jes zijnde, maar sommigen maken geen onder- 



^\ 



1^9 



)éü\ 



tcheid (aas. geknipte stukken pras ba&u om 

>»p den muur Ie plakken of er kunstbloemen 

Tan Ie maken, vgl. jav. en 'l mal. gëlar); 

Iwir kiUür, «kinilir, B. Z. 57, 3; kékltlr 

T. e. lalajaqgan, bevindi zich aan weerszijden 

•*n beslaal uil een bos papieren strookjes meest- 

il T. verschillende kleuren (z. ëmpèr en 

s i n I i 1^) ; m^ipjakampiih sarasah, sabai;! ku- 

■itlFt ^indé enz.« Ipèn>; kamltir, eigenn. 

V. e. plaals. Mis. Gag. 9; kèmitirkittry z. 

«>oder m a g è m b a 1 ; maa kinltir, zekere bloem, 

Mis. gag., t9, (jav. R. IIZ, mas kinikir; 

\fl gamitir); kinitiTkltir. T., b., Z. 1,82; 

kidréBi Pdw., pindëkan (jav. kiliran. 

Men. IV., 23S, mad. intëran); iigitër*ang 

tkat. 

11.^ kitinui, jav., Ud. K (vert. v. tittira), 

Kam. b. (verL v. kapota, z. 9^ sarga v. 'I 

•irigined), aanh. onder wulung, (waar b.: 

liliran leest); z. tiliran en onder këpër, 

Mal. 401, in een droom^ z. onder sar pa en 

vgL War. b. 18; üs. 387. 

SI tsi ^ , qpitèr, rond uitsnijden de schubben 
J 
Tan de ananas; z. utër. 

ia tsi ^ , ëmpn kutoran, een oudere broeder 
T. émpn Bradah, die op Bali leefde, Tj. 
A. a. (Pam. 19 spreekt v. e. parjangan 
pailgastana saiig ropu kuinran inguni 
aanmiü. Ie Padailg, waar de Padanda 
waft raüh er in gelogeerd wordt); tëdim 
4ra Bpn kntaran (b.: puturan), rlQg 
■aifapaUt, magrawè pradèfa ring balt, ka- 
triar atUaf m. tlQgkaking dè^a, magawé 
gagaiikiB rlBir pradèf an, sang rata, b., mng- 



gak ring radjaparana, ring prasastl a^i^aning 
dèfa, odalan dè^a, sma (verk. v. smalihP), 
riog ^atartyanma makanda kna*né, mwaqg 
ada lapatanlQg dè^a, tan ana amigat atjl^nlog 
madèfa makada trak ikang nagara, sma, 
olahira madera sama nitikramaning slab, 
karanlng kakënnané dèfa*, ring radjaparana, 
kramaniQg b., sampan ka^atri riog raaaning 
radjaparana, pagawèn slra ëmpa kataraa 
ring ma^iapablt enz., Us. bal.; doch vgl. onder 
gaduh. 

II., 0. S. b., bis. 

o 9Qi <^ ^ ^ , een sterk uitstekenden elleboog helh 
bent, Dd. 2t b. 

'^«o^wn^, soms in pi. v. tjampnr^ 
vuil (batav.), vooral v. water, onkiesck in zijn 
doen als een aap b. y., K. A.: tja bal; 
• parusya, «mahala; kotormëbanja (mn- 
djah)r, Adig. 17 b.; diat kotor, «durjjafa. 

IL, kotoran, K. A., kS kalen. 

^^n^ (katawis en kawistara), jav., 
katara antak anaké agang, de vorst is 't 
te weten gekomen (z. këlaréng); «katarèng 
rapa smanlng prawtrèng rana, R. L. Z. 10, 21 
(katqgërèng warna sbëpg sang purufta 
paprapgan); ngëtaraftng, aanAoatfi^M dieven 
V. zekere vogels ; verraden v. spijzen een moeder, 
door dal 't kind ziekelijk is. 

«omTi^, «wil, W. Z. 21, 4, B. Z. 98, 
8, W. Z. 25, B (katataknt), Z. 27, 2 
(i rak&asa), «rftk&asa; wawaag Ofarini 
k&tara, W. Z. 12, 2 (aglis mawak raksasa^ 
glis ramawak r.); v. e. lafaard, R. 9 Z. 2, 



TSIi 



\ 



160 



^\ 



29 (rësësën); wawnsira kfttara arak apëdes, 
B.Z. 329 6 (bantër, matakut); k&taratara, 
W.Z.23, 12 (kawëdi\ dahat, katatakut,); 
katara stri, «rftksasi. 

^ï^3n\, eigenn. v. (;iwa?,Ar. Z. 10, 13 

(te lezen bhatftra). 

^^^\ f s. (kuthftra), z. onder rimbas 
en prëkul, awimba kat&ra, Sm. Z. 31» 11 
(mawak satldjata). 

2s adji kut&ramanawa, R. 23 Z. 13» 41 
(a. bwat manu bhrëguné; vgl. onder 
bhrëgu), Sm. Z. 1, 17, T. Z. 1, 3; tan 
wring: kutJira, Z. 1, IK» kat&ram&nawjidi, 
litel V. e. op Bal i V. kracht zijnd wetboek, 
dat eigentlijk de bepalingen bevat v. ten minste 
twee wetboeken, en waarin de boeten meestal 
V* elkaftr verscbillen, al naar mate zij volgens 
de Kuiftra of de Mftnawa zijn; de K. is door 
Bhrëgu, maar de M&nawa door Manu 
geinspireerd , (vgl. Wnt Zam. II, bl. 168. 
n^. 102, bl. 180, n\ 162; een mal. Cbroniek 
V. Bandjermasin zegt« dat de Kutara ma- 
na wa opgesteld werd onder Sur ja Alam, 
vorst V. Dëmak; jav. kuniara of ko&tara, 
z. Babad, ed. Meinsma, bl. 11; Adji S., bl. 
80, alwaar de verschillende namen v. wetboe- 
ken op personen zijn toegepast; Crawfurd, mal. 
dict., de nm. v. d. minister v. Kaüdyawan; 
lamp. kunt ara, de meestal in H jav. opge- 
stelde wetboeken des lands, waarvan men ook 
lamp. vertalingen aantreft, z. brieven over 't 
Lamp.; dat 't wetboek v. dien naam zeer ver- 
spreid was , blykt wel uit mobogoi kontala. 



dat in 't Bol. Mong. de beleekenis heeft v. 
straffen). 

9Q)^5!|^^ z. aanh. onder piso. 

lSfi^st\ I. (vgl. jav. en sund.); sag^ih kitri 

tatandoran, onder 't geen men door een zekere 
wijze V. vasten verkrijgt, Pabratan 10; pada 
tatandor pakitri v. kluizenaars, Djpur. ; ma- 
rakitri? aanh. onder sii%kal. 
II., vaak in pi. v. kirtti. 

OQon^n^, s., gowokning kaju en naast 

niskuba; z. onder kuwung. 

9Q)\5ii7iQ^, z. katarat. 

gsntsuTi^^, kati met rah, «odod swanita 

(mal. ZjxiS ^j^)d k:l>jAm ^a;»ajü, Sadj, Mal., ed. 
Dul., 216; jav. ngëtirah v. d. oogen. Men. 
94, z. bij Jansz.), Anj. 5, 3, 4, Z. 23, 5, Sura. 
Z. 22, 10, Z. 60, 1; Sut. Z. 83, 1; (kati- 
rakta); W. Z. 2, 2 (dingdii^; ai), B. Z. 
IS, 12, Z. 70 b., bun katlrahé marab mirib 
lambé sédah, B. U. («jav. makatirah, 
amjang); ng^atirah v. fraaie lippen, Hadji D. 
78; vgl. Sum. Z. 5, 8, Mal. 272 (sommige 
hds. hebben ngantirah; vgl. aanh. onder 
langs ing en skr. bimba); s&mpun karwa- 
nginangf pintiga aèmbéh aja wadja nranf 
(jrldanta grisl'ny&npatirah Iwlr sëkarDing: 
radjasa, fr., aanh. onder djahëli en urawan. 

gsii^nyoui^^^, s., lahwas en isèn, 
waarmee ook katurohita verklaard wordt. 

gsii\5ii7i9Qi\ , kati-rakta, «katirah, 

Sut. Z. 43, 7, alwaar vergelijking met fraaie 
roode lippen. 



«> 



161 



«^ 



ci«i7)m|^, aluUarat ar^Ja, ruiseken,B.Z. 
107, 5 (dahat bëtjik; ander hds. leest aka- 
larah). 

a«i^'Siiu]\, z. tiriiis; makatarltis t. 

Uoed^B. Z.9,SB (patjarëtjèt, pakaritis); 
T. dauw, R. K Z. 6, 11 (pakatèltèl). 

am7iau]\, loü^lpnliif «ara tikèAa 
sé'h kaatrakat makataratap arok lawan ra- 
wti, Rm. Z. 60, 7. 

aa w^unSj^, jav. (katriwal, vgl. Win- 
ter, Kawi Wtb. bl. 1S9 rechu), R. Z. 92, 6 
pa ga la nies), Z. 164, 3; résisata cU&ma- 
dafBl war%faii|:nlrèka malilanir kabèh kata- 
riwal, Rm. Z. B6, (vgl. ook jav. tri wal). 

aatsiTinruj^ , jav. overhaastig, R. L. Z. 
4. 66, Z. 11, 89, Mal. SI 7. 

lomnTi^, h. V. kalara; Dgitarèiiirang^ 

a « ^ , makttraDf * rinir Mf^l pananpsa- 
y V. lielen. Alp. 

Ki«yn\ (f), z. onder badég. 

Kiisinn\, verkl. door métjawi; klna- 

V. e. kbadga en dubuii^, Adig. 

37. bia (*jav. tinatab kinatnr&ngg& v. 

e dttwuiilg^ Dw. d. 155, i^rasnk ingkapg 

prad^ariian agiia, arasukan lapis të- 

lo, akolo kanigara tinatrapan mas 

abapg, tinon nmailtjur aduhung tina- 

larapgga, kr. B., aqgapggo kang p. ikSt 

piqggapg ^aiana ^èftdi wilis arasu- 

kaa snira idjo akolo m. a. t. u. a. ti- 

aatnrapgga kaiidëlan kafltjana adi, 

aid. Z. l; adnhupg gindja tinatab ka- 
rn »u 11. 



lawan kafitjaua adi; vgl. onder tatnr, 
jav. Wdb. 3« uitg.); vgl. turapgga. 

9sitsii€:S^, sas., matab; vgl. mataq. 

^^^^» katakéHy Bjw., bedekl mei tuil 

op n lijf. 

tsitsutdi]^^ kikvarichf «maAdüka (mal. 

en sand. id., noord men. bipgkataq, n^dj. 
enkatingan. bakatak; lamp. bnkataq, ben. 
V. d. alligatorsoort, die ala een kikvorach 
stompsnuitig is), «kupgkang; mématan ka- 
tak, mikuh sampif; katak wi^aby dopg- 
kang, gebezigd vooral in de bibd. iq;atak 
wajah, noi^kapg; ogatak patlki plègan, 
in de blbd. mlègan om aan te duiden H zich 
ziek bouden v. e. minnaar, om medelijden bij 
't meisje op te wekken; ook qamplèg; 
katak kojan of katak ojas (Tèdjakula, katak 
bojan), zeker nacbtelijk geluid, gelijkende op 
't gekwaak v. kikvorseben, uit de verte, zou 
volgens sommigen kikkerts uit de kawah 
zijn (de Javanen noemen 't met een ar. woord 
ridjal, te Bjw. piOdjal, vgL ook jav. sasra 
tjantuka warsa). 

tsi^99i|^, jav. (vgl. atik), wonf hamlml- 

kul akatlki Hadji D. I. 87 ; kinatlkt B9, v. e. 
bloem, 60, v. e. Ijuriga eener vrouw, die 
zich door een gehaat manspersoon niet vril laten 
benaderen, R.L. Z. 4, K3 (vgl. onder patrëm); 
kloatiknja v. goederen, T. b. Z. 2, 14; iifkiqg 
tlk&nltyaqgklnatlk luamër tan madoh rt kt* 
sapwan, Wrs., 87; klnadk v. e. tëwëk, 
Kid. annd. % 118, Kid. Pam. Z. K, 83, Z. 4, 
143; kinatik inir JoJat laii maratawa, Tjt. 216; 



11 



«> 



162 



«^ 



tansah patrëm dèra katik, Ww. Z. 1, ll3(b. 
1B2); dèn kaük y. e. waliwis, Hadji D. 58. 

2«, aanb. onder wiparita, akatik op 
paarden passen , aanb. onder rftdjawidbi. 
Ar. Z. 29, 13; (prahita, pasanita, k&ra- 
Uta, aipraéa, ngaranimf^ akatik; g^rawantika 
(grantbika bedoeld?), hardibhara, prama- 
waka, qg^araiiliqfr ambëkël ivg akatik, Tjt.; 
ngatik djaran op een paard passen; pëkatik, 
jay., een paardeyongen, groom; makatikin, bij 
iemand als groom in dienst zijn. 

gsi^oQU^, sbr., katèk, steel v. e. vrucbt 

of waaraan de bladen zitten, y. e. tjèdok, 

y. e. bangslot ringyormig (jay. kaièk, scheut j 

loot, enz.), y. e. pen (z. don); de speetjes y. d. 

sësaté; katik bamf^bung:, U., kati bang- 

b u ng ; manik mëkatik, z. onder m. ; këkatikan, 

spit, yiraar de sësaté aan gestoken wordt; 

panustikan, pënjudukan. 

9Sii^@j[|^, këkataq, z. onder sambung, 

tnlang, ygl. katoq. 

9SII ^ 9sii| ^ , af atik akatok y. d. tanden y. 

iemand, die *i koud beeft, B. Z. 10, 4 (ma- 

tëmu mapalu, mat. i sor i rubur, ma- 

tëmpub makrët of makaët). 

gsi t5« 9QU ^ 9 i^gatok in een gat of opening 

zich wringen y. iets langwerpig», zoo b. y. y. 
d. sangsit, y. e. bij naast ngatjël en nji- 
qgët (ygl. tjëlak); bespringen de cunnus; 
katnk bangntnè, in toom gezegd y. iemand, 
die kwaad spreekt ; mëkatnkao, coire; i^fatiikin 
een yronw beslapen (lamp. katjuq, ygl. onder 
a&tjjik); £• kafitjroqg, i^lumbahin en 
mësèsaki. 



9Sii^i5n@jü^, sas., sambui^ tulang, 

ygL katuq. 

osü^^^go))^ , jay., «kupina; mëkatok 

ban sabok, vgl. batok. 

gsi^i^nooil^, ngatok (gftök te lezen?), 
«kèndaban. 

9Si^isii|^, Bjw., y. suiker als in 't jav., 
en ook met de bet. y. oud, als men iemand 
ttitscbeldt. . 

gs» ^ gojj ^ , nfëtak, in kleine stukken hakken, 
cocosnootkern. 

gsii^gsii|^ (f), këtëktëk, Adig. BI, 74; 
këkëtëk, aanb. onder djatuka; knmëtëk, aanb. 
onder nakba; anfëtëk, Sum. Z. 21, 4 m. 
y. 't geluid y. e. taluktak (tan mari; ygl. 
jay.); kapühan an^ëtëk, B. Z. 2, 3, 19, y. 
die tegenwoordig zijn bij den yuurdood eener 
yorstin, Sut. Z. 107, 2 (matlasan), B. Z. 
2,3, 19 (kagaOkan matlasan, kèwëhan 
m., dabat ing g&ök). Ar. Z. 29, 8; ma- 
ngëtëk i kati, Z. 24, 4 (matëlasan); a^gétèk, 
aanh. onder tjorok; an^ëtèk angaogënaogèn, 
Z. B6, 3 ; satu tahan klnëtëkëtëk iag kawata 
dé sanf ^Ui^vabala, Krws. ; pangètëkinif kali, 
ten geyolge waarvan alles in de war was, Kid. 
Pam. Z. 6, 49; makëtëkan iag lëbahé v. 
rayen, Sut. Z. 9, 6 (manggajalok). 

gsii\nigsi|^ L, akëtëk, abdik y. e. xeer 
korte staart, K. A., akëtëmplëiifg; bllaiif 
akétëk, overal aan zijn lijf b. v. pijn geyoelen; 
bnka këtëkan lawar b. y. v. drek y. ieman^ 
die aan dysenterie iQdt (ygL tëktëk). ' 

II., U geluid v. d. kip om de kiekens te roê\ 



^> 



165 



«^ 



pen?; m;Ctèkaqf, de kiekens bijeen roepen v. 
d. hen; s. onder gëték. 

IIL, plnapa wlnawanya, amëng^aa lildép- 
lya, Bdftli tan wrah ri pakènanya, tvha 
m\im* rikpanja, Ja ta Inaranan sang^ lUaqgr 
kték mléivrf fstOÈg hjtaig kamandala dènya, 
▼. Ratmadja en Ratmadyi, die de amrëta 
met sich meenamen (vgl. onder mlëi^)* Ti., 
KakétikaD ing z. onder këmëk. 

aa^ n|^ , jav., akèilk* kaaaka^ Sin. Z. 1. 
aStoj^ I., Qfëtik of ngëtèk, (f), vuur 

slaan: pai^Mlkaii, Sbr. paniktikan = për- 
^èk (bis., men. en bat. saniik, mal. pantik, 
smbw. pantèk* tag. pamanting en pan- 
tii^, bat., tobasch, loting, lamp. panëtik, 
bjw. paniiiky sund. panitik, jav. iiiikan 
en pangntik); z. onder tjolok. 

• IL, ^fètik, sas., ngadjèt (mad. ngëté); 
takidk. 

«ntsi €Ji|^. bakëtèq, z. onder këté. 

fgin^«Qi|^, jav. (naast kifa^ kapi, wft- 
nara), bod^og; z. onder këra IL 

aotfinj^L, (TgL tèk); z. onder kapurf; 
^fétttlBf ieta met kalk bestrooien door kern 
uU ie pètèk ie kloppen; ta., mistnirf f<^ ^sèDi 
a, iris, kètèklB pamor babok, Us. x. 47, tegen- 
9m een titiran of kwartels een knappend 
cdaid geren (öot^) of op de hand te doen 
toeriiegen; lyitèkang, uiikhppen de pamor 
babnk uit de pètèk; geld neerleggen bij 
oantante betaling. 

ILt I. galar (ptèkP), kètèkan, «saqg- 
kja, «sangkiai^ (f),; pamaksan qgitn- 



Qgang pipisi ttn mamiruig, dé kab^}an makè- 
tèkan, Tj. b. Z. 2, S. 

^"^^snsjtl^, z. onder këto. 

^"I^gsüj^, jav., angnr klnétok dinom 
wiAadnng inirls, R. L. Z. 8, 43; kétokan, Zé 
onder panoktokan en rudjuk. 

^otsnoQ)]^, pakétok, soort ▼. ratteval^ 
waarin zlJ door een zwaar stuk hout wordetf 
verpletterd^ (bbg. djëbag; maL ^yUÜT; t: 
katjëpit, pëtanggës voor tijgers) ; makètok 
saogkn, aanb. onder sontèi^; pakètokan, 
z. onder pugër en vgL pëtok, pakakëtok* 
tng paksi, «kuwupgikui^ manuk. 

S ^ 9^ ^ , knmitëk y. H bloed ▼. e. Ter- 
brande, Sm. Z. 8, SI (këntël). 

g8nSi9sii|^, z. onder pëlot, i Qnrik dè- 
pang, mant lampntang kitik, Tj. b. Z. 1, 66. 

2% in pL y. tjlëkitik, itJaqg anken ma- 
nignbnkin, aqgfon palaljan, allhaqg tJ^PuiV 
Utik, Tj. b. Z. 1, 112, om d. tjurik, die 
zij haren yader yerzocht te mogen houden, 
ten yoedael te yerstrekken. 

Sv7)^\* Akitnk ?. e. taluktak, Sm. 
Z. 21, 5 (umolah), z. kituk. 

SitsvQ^^, kitnk*! ontkennend met *t hoofd 
schudden; dl margané kitakkituk, Dj. Pr. 19; 
maUtnk, •amipgël; kitnk* in|a bAan Iknh, 

• i liku^ ripg ikA; roakltnkan, «molah, 

• umii^ël; Iwir makitnkan, «mii^ël; npln 
angin makitnkan; pakitnk, «mii^èK 

« ^ QQ)) ^ , akntakatikan paiftdamar, Snu 
Z. 21, K, aanb. onder rëbing. 
IL, aanb. onder rftdjawidhi. 



«> 



164 



w^ 



«isugsüj^, kataUqg: fata alas, «paptak, 

ygl. Sm. Z. 21, B (ygl. mal.?}. 
QSK^S^^r, sas., tjupëk. 

q6i\51I9q!|^ I., katik*9 heen en wéér in be- 
weging v. e. gezwaaid stuk hout of een utik 
(z. ku|ntiDg en kutil); ngatikang, in bewe* 
ging'^ brengen de hand bij 't schrijven b. v. 
(vgL batav. en z. pai^utik); tnmbaké ngé- 
nak pakatlk, Bngk. s. 228. 

II., Ikani; wwang maBangfah katikén ('t 
origin. kftAa), wuta tlmpang salwiraning 
wikkra, Jadyapi tahu saparanggahnya, Jogja 

iaikia dé sang prabha tigang kkrsApana, ti- 
gang saga mèsi 1£0, tékanya^ Sdj. (Manu VIII 
274) ; katikan, de star in U oog hebben, 't oog 

geheel wit zijnde en zonder zichtvermogen, 
zoo b. V. tengevolge v. ëmpak plègan; 

tamba kattkèn, na, kaQang Idjo, ginras wi- 

nadjlkaoi dahon paparé, 8, baqja susuning 

laré laaangi légak (?) i ^uigkring panggél, 
3| stjatakén; daringo, bawang patik, sijang, 

3| pnbna ring katikën, War. b. B4, z. pu- 

tihan. 

gsjej^^ 1.» akutakatok, zuchten f Sm. Z. 

24, 5 (tatwanya), kinutnk, R. 22 Z. 3,6; 

kagëtok; jav. R. bl. 460 kinutukkutuk 

ngasta). 

• IL, Bjw., kieken^ waarvan de moeder dood 

is (vgl. jav. en sund. kotok); antnsakëna 

wlrApaning aksara dèning sang sadyamaija 

kadi kèkèhaning kakatnké wata, aÜBchrijver 

y. d. Tatwa Sunda, z. utuk. 

«\ngsi)|^ L, of krutuk, nm. v. e. vogel 

naar zijn geluid; zou zijn jongen met mensche- 



drek besmeren om de menschen af te schrik- 
ken (sas. klotok); kotok*, aanh. onder 
tjalëgik. 

IL, sang kotok tingal of i kotok ram- 
bang tingal, bijn. v. d. kat in zeker kinder- 
verhaal, vgl. onder ginada; (sagin (?), 
grëha^alja (?), wtjong kotok kang djala; 
tjotari, domongkA (1.: maftddka)^ wijong 
kotok kang wadon. 

^^witncsiu^, sas., ata. 

ogsi^9Sii|^^ ngètak, naar iels of iemand, 
als U ware scheppenderwijs van onder naar 
boven, slaan (z. gëbug); taknt kakètak ban 
ëlo, Bngk. Z. 15; kètaka ban loné. 

^«i^^9sii|^, z. onder pèyèh; kètèké 

sabëton, W. kap. (ora këtèk ngaku blobok, 
spreekw. Soerab. handelsbl. 1885, 1* April). 
ngsio\sii9Sii|^ , zou in *t Bngl. de nm. zijn 

V. e. bizondere b a r o n g-soort, misschien wel 

« 

't jav. këièk. 

900^ «ij \. jav., pti kotak, B. U. 81 b. 

(vgl. sund.); ngotakin iels in een kotak doen, 

z. onder wad ah; këkotakan, z. onder tèpak. 

1\ nm. V. e. groote mangga-soort , pob 

koiak. Sin., b. b., Z. 8; z. santog. 

09000^90)1^, jav. (vgL k 1 o t è k) ; mëkotèk 

door er op te tikken bespeeld v. d. slobèr 

vgl. onder pëntil; ngotèk, tegen de takken 

slaan met de dj o wan, zoo ook om de eek- 

horens weg te jagen, v. d. boomen met een 

djoan afslaan de slapende katulèba op iets 

tikken met een panëdëhan b. v. op een slang ; 

de salobèr mer den vinger tokkelen, vgl. 

aanh. onder sëpak. 



9SI^ 



16K 



991^ 



'^Kn^^wj^, jay., lyttok, amfioen pre- 
tot yaoda (mad. id., mal. gotok), 
ptBfotokaD, een koperen pot, waarin dat 
geschiedt; Dfaba puigotokui v. e, kaalkop; 

kikotokas kalit apynn, son ongezond zijn. 
O WO *^ tsn w) ^ , a j a m , Tjt. (sond. id., vgl. 

jaT. kaink). 

»e^n^» tJaA^yAfé'Df spkatikAïidUilag 
ri téaraUnff kaf&ka sonièné', Iwlr lisggAii 
UÜ4H sake télèngiqg anbawApratihata, Rm. 

Z. 2, ia 

a \9 99 ^ , 8., saDg kjang (ftatrakatika, 

Swrg. SKy S6. 

isi^96i^, 8., z. lahwaa, Irikatuka en 

sadra&a. 

n9ei\5ii9S«^ of kèlaki, s. (kètaki), • pa* 

(iak, T. Z. 5, 88, ▼. d. voeten («jav. kintaka 

en k int aki ook met de bet. v. geschrift^ ge^ 

dicki, omdat men vroeger, vooral minnebrieven 
en minnedichten, op pudak schreef, vgl. onder 

lawi'); Iwir kètak&nom, Ar. Pr. 37 b.; (baA- 

ii, atgita, doAda, kètaka, nga, padak, 

kètaki. sulasali, pga., tjindaga, Tjt. 
64) : kètakaparwa, z. onder tj a n t a k a en 

palanguL 

"lainn^y z. kètaka. 



ntsotna^, 8. (kaatuka), begemlijk, ver- 
laufemd? v. bQen, W. Z. 33, 4 (nlaugun, 

kanten); sakotnk&nanggaU, R. 17 Z.6, 12. 
99inSi9\, qgatëkik v. die door tuma's 

gebeten wordt, aanb. onder gërëng v. iemand, 

die ontmaagd wordt; pakatëkih van onderdanen, 

wie iets, dat hun zwaar valt, opgelegd wordt; 

katikakkatèklk sieMn, klagm. 



arsig^goil^ , pakatèkèkan, «papëtak; 
vgl. katëkok. 

9sitiiigsiga|\, nm. v. e. kleine djangkrik- 
soort, lichter van kleur dan de gewone en met 
een zeer kleinen kop; i^atjëkik v. d. pitik. 

gsi rsi a go) \ , qgatékok v, tortels minder 
fraaie dan ngatëpgkung (vgl. jav. këtëkur 
en bëkur, mal. yJ^). 

a ^ "^ a «ij ^ , katékèkan, gekakel v. kip- 
pen, vgl. katëkok. 

« ^0 QQo OQU ^ , kakelen v. e. kip, die eieren 
gaat leggen (mal. këtok, jav. pëtok, sas. 
nëi^këtok); stfap sangkor qgatëkok dl 
wang 9 dadong sèagkok mélawaDf ; pakatttak- 
ing kukamjnkl kèkèr, «patjakii^kukiqg 
bakikuk; pakatëkoklqg kèkèr, «papëtak; 
vgl. katëkèk. 

^ ^ ^ ^ ' (mad. vliegenAe hagedüf), kat- 
kat Inklaki R. 23 Z. 12, IB (kawai^an 
pinggan, i kètkët, i karëkwak, i kawa- 
ngan, i sikëp). 

^^Qo]^, z. onder krëkët. 

"^ n^^ ^ \siï| ^ !., zekere struik met fijne bla* 
den en dorens, de vrucht harig en rammelend, 
Smbw., araq (vgl. langgëm en onder aai^- 
kèt) caesalpinia (Bjw. tii^lur,); soort 
benamingen lëngis, de kleinere soort en z. 
got; kambanglqg kttkèt, kam bang iqg 
kuku, Lamb. Z. 20, 1. 

II., «katkat 

QSi tn « 9Si| ^ , qgëtaktak, hard sehreim v. 
e. kind; z. ngaur. 



««^ 



166 



»^ 



n t£p 9Sii^ \, %.^ de sehuinsche blik eens ver- 
liefden ; himpër midëm akat&kèa, Sm. Z. 16, 
1 (malijat njaréré); ygl. onder lirik en 
baiuk (waaronder het ten onrechte in de 
Krib. moet gekomen zijn). 

9siitnQsi^9Si^, z. onder wikatftk&ini. 



9sii^9siivu|^, katèkalan, zekere slinger- 
plant, de vrachten rond en even groot als 
koffieboonen, de kinderen gebruiken ze voor 
de bëbëdilan, jav. kutu. 

9sitsii0 96nvu|^ of katëkol; mf^atëkol, stbA 

va$t haudm als bij 't klimmen, v. e. kind aan 
zijne moeder; ook i^adëkol (vgl. ngëtitëm); 
ilfétèkoliSy tich aan iets hechten v. d. patjël; 
kttëkoluig ibana, houd je vast. 

f3ii§%iSi^\, ni^tikëm, ngëtitëm. 
gsi\sii09Qr)(A]|gQ|^, z. onder katak. 
gsutsDgoj^, mf^atëkung, ngatëngkung, 

wrata?, Lamb. Z. 36, 2. 

9SI o tn oèj ^ , een staaf, waarop draad gewon- 
den wordt en aan de djantra gehecht, heetende 
g a fi tj a n, zoo er nog geen draad om gewonden 
is; aanb. onder bai^kut; een op eene bi- 
zondere wijze gedraaid bamboetouw voor tang* 
lung; eeo dikkere strook omwonden door een 
dunnere v. tiii^ tlantan, de aan de gafitjan 
gewonden draad (akëtèkung i^ëlahai^), 
bënang), in tegenst. v. gilingan (nog ka- 
pas zijnde). 

2«, ben. v. e. tab wan-soort ongeveer als 
de t bui^bui^ met een vlies om H nest. 

9Si^siï|^ of katadi?, aanh. onder djong. 



9si\sii2o|^, vast, niet week of pappeiïg v. 
d. grond in tegenst. v. bëlèk (vgl. kësëd 
en këntël); babuh këtëd, drooge brei; nge- 
tëdai^, vast maken b. v. van spijzen de uit- 
werpselen. 

9SDtsi&o|^, tëlah, aanh. onder umbèh 
IL, padaqg^ këtad, kort af gevreten gras?, vgl. 

tudtud. 

gsi ^ 091 <j ^ , Bjw., nm. v. e. boom waarvan 

de vruchten er uit zien als djuwët, maar 

dunner, licht rood en zoel-zuur; vgl. këmësu. 

«1^ rsti|^ , krfmi katat (f), z. onder pif ita. 

9SII \siA \sii| ^ , jav. (* tut), mede in beslag 
genomen b. v. v. d. goederen v. iemand, die 
mafidjing, vast zitten aan de schil b. v. v. 
d. inhoud v. e. nog niet gesëkëbde pangi- 
vrucht, aanh. onder tarètès; katut balsné, 
met pooten en al; katut puqg^sëd, z. onder 
p u ng s ë d ; ngatut, medegaan als de angel v. e. bij 
in de wonde; nog aan iets vast zitten als flarden 
of lappen ; qg^atatin, vruchten ten gevolge hebben 
V. bloesem aan planten (in tegenst. v. këm- 
bang pajas); kari ngatatin v. vet aan de 
wapens, B, Z. 85, 17 (vert,). 

2«, knmëlab katut pawana, z. onder 
• lub. 

^ rsn tsii| ^ , niel overvloedig v. d. regen, te- 
genov. i^ëtjëk, tegenov. gëmuh v. geld; 
mëkëtat, niet bevochtigd, ook v. vrouwen fig. 
niet beslapen; ngëtat, niet bevot^tigen b. v. de 
tabaksplanten ; niet te eten geven een kostganger; 
këtataiif moeielijk ie verdienen v. geld; vgl. 
këtil. 



^ 



167 



991 



> 



a TSi tsiij^ L, pèkétèt v. e. stekend gevoel 
by ta^a (aBtjak). 

IL, I. ëtet 

ntsimj^ L, z. tüt. 

IL, de jfmgste ▼. 4 broeders (z. alit« qo- 
man); ^ro kètat in pi. v. bik ui» uit Trees 
dat zij nog meer schade zullen aanrichten; 
Tgl. onder gilipg en onder gëdé. 

UI., kèkètat,Bj., djedjengku; vgl.ëntud. 

si^tsi|^, z. djadja uli. 

19 rsi m] ^ y dê laatste hangende kam ▼. e. 

p i s a ng-tros (z. panggëh); cie ^aa/#/e vruchten 

V. d« komkommer of meloen, zijnde kleiner en 

kommerlijk (Bjw. bëkukul); de laatste v. d. 

in een kring dansende rëdjang (vgL batav.). 
i6iTntsi!|^, «arcyunasaki (ardjuna- 

pftki?), ^aranara (f), zekere boom, bar- 
rii^tonia rubra (afb. Rumph. III pi. IIK), 
waarvan de bast als laü v. d. tuwak (wa- 
j a h), dient (vgl. onder b u 1 u b) ; Us. vermeldt 
een kalat banju (vgl. jav. en sund. putat; 
z. onder tabih). 

atsitsij^, wnmkiitnt, z. onder wnru» 
en parokatutf 

an^TSiil^, Bjw., pëdit (jav. konièt 
of kanliii(g, sund. kutèt, vgl. ngady. kuntat). 

nicintsitsii|\ I. (vgl. kèntèt); qgètèt v. 
dorens iets aanhaken (vgl. dèkèt, rèkët); 
■ëkèkèt^ Sbr., m ë k è t è t, ergens aan blijven 
kleeen o/ vast gehaakt zijn; vast zitten v. honden. 

IL, naast poké. 

n ion n \sr> ^ ^ , slem kotot, pik^zwart; ook 
hnétiÊg k^tot, vgl. kèjot. 



gGi'|tn'|tn^, Igiitèté, aanh. onder bidjal. 

atsiéti^^, zou de kakkerlak gelijken en 
moeder v. d. afitjruk zijn; z. kotjët^an. 



& 



9Q|^9Q^, 8.« z. onder kaka? 

OKotsuTi^, s. onder (ai^kottara. 

gstotno^vu]^, ngètètèlf zich ergens aan 
oast haken v. bloedzuigers, slakken, de këmë- 
qjad eni. vgL i^ëtitëm, 

gsiSirsi^!]^, qgétitèm v. e. bloedzuiger; 

vgl. i^ëtëkol, i^ëtètèl, i^ëtikëm en 

ugëtimëL 

ntootsu^^, z. onder uttama. 

«1 Tsn tsnn ^ , z. onder tii^gi. 

«i*^^^^, sas., (jav.), gëdai^, Dd. (k. 

A., gëdang rëntëi^). 

QSiorsn ^ ^ L, «twas, hard, laai v. vleesch, 

V. e. stopflesch, die niet open gaat; mei weirzin 
zijn land verlaten f; katos gdé, moeielijk groot 
worden als een boom b. v.; katosan lëgti 
men is zoo gauw mij niei genegen; katosé ma- 
put V. e. net, dat opgetrokken kan worden, 
Kid. Adip. Z. 1. 

«rsn^^, T. Z. 5, 104 (sutra), R. L. 

98; Pm. 20 b.; kètas wllls v. e. wastra. 

Mal. 

99 rsn mK , a/, uü of voartvUegen v. iets dat 

opeens of met geweld afgerukt of wegge- 
slingerd wordt b. v. v. papier door den wind, 
afgehouwen, «kontal, «tëmpal, «kahaba- 
lang «katimpal; igitisiBy bespatten v.vuur 
een klangsah b. v., die er door in brand 
vliegt; vgl. mlëtjo en glantës. 



9SI\ 



168 



991^ 



nSi^^, makëtis, «sumirat, «atfikfis 
(▼gl. katistis); nt^ëttsangTf «s^nawurakën; 
iLitisaD wadja, vonken van ttaal in 't vuur; 
kflkètisan, «inënë? 

gsitsiA^^, uitgevallen v. e. tand, die wéér 

opkomt bij kinderen, «rurü; ook këtastus; 
këtas panigrgralqlané , rurü babëmnya; 
boka këtns idépé d|anl mirëmraiig, W. k.; 
sllagroi këtas baq|:ajaq|^9 Us. ; makëtns, v. lan- 
den wisselen als kinderen (mak u pak); m^ 
taSi afbreken, plukken een takje, bloem (z. 
alap en këpèk); ng^tas ataman kajané, 
• anghalap maAiking hrëdaja: ii|;ëtas 

di ati, «i^rësi twas. 

^ntnpji|^, Dandjëkaif këpët mam^o, 

këtès tajuni^é këfi^Jir, manlèiiskèr maii|a- 
liplt, babokomiré klntalkintal, njarègsèg ma- 
qjalijof, matandjëk gnlu manollh, Tj., b., Z. 
S; raris q|:antèné mamarf^ adèni:*, mam- 
barëtln dèsak ^Jai^nt, këtès tajaq|:ané asin 
mabmigkiinf mirah dl ka^iiy» &ld. Z. 3, 
aanh. onder rëdjang. 

tsitn^^ L, Bjw. (ygl jav.), bëkutis 
(ygl. onder bëdigal), T., b., 57, aanh. onder 
lëtoqg, waaruit men moet opmaken dat het 
gelijk staat met 't jav. gulang^ tjëlëiong 
(een keversoort ontstaande uit de urèt gen- 
den; gitzwart, voedt zich met drek, Loc. 1886, 
18 Maart; vgL mal.}, Iwir katis hasabèng^ dala, 
Hadji D. 4, waar bet 't jav. wërëng zou 
kannen zijn ; anak in; katis, • m u r i s. 

S^ eigenn. t. e. gebrekkig besje in dienst 
T. e. vrouw der PftAdawa's, W. Kap. 189. 



gGitsijA!^^, akotas, achi, b. v.; akatus lé- 
méng; pakatasaDi 7^ prapatan (z. tjëi^- 
kilik); pélëkatas, 18, z. onder ulo; pipis 
katas, ben. v. e. sampèan-speelkaart; Bjw., 
t&i. 

*|«o'^e^w]\, kotosën, Bjw., dëkil, 

tjuwil. 

^ 96n/^ r^ ^ \ , jav. , karingëtira kokotos, 

Mal. 206; vgl. krotos. 

'^«ntSKj^, 8. (ka ut sa), eigenn. v. d. 
odgfttft bij 't slangoffer, Adip 43 (alwaar 
ko(a). 

«i\s«^pji|^, vgl. këtis; pakatistiSy z. 
onder si rat. 



^V vgl 



. ktus. 



QQj tsjS «n n\, «. kutjitfti^ga. 
9sii\siiu^, in pi. v. atawif; ëntopanang:- 



falé mëlah, sagrawé* ambahin, dfawat ma- 
malaj(sic)malajan katawi mak&ija aja, ja- 
din mapadik to mëlah, Kid. dina. 

gsitnu^, s., z. bij bobotob. 

"1961^51^^,8. (kètawab, meerv. v. kèta), 
dhwadja. 

gsitn9si|^, z. katowan. 

Qsi*|tsr)Ui6!|^ of katuwan, «takwan 

omgezet f; bakatowan, sas., mëtakon, aanh. 
onder rubèda (mad. katowan?, mak. ku- 
tauang, bug. utana); takatawan, kalakonin. 

gsi^f^gsj^y s. (katibandha), heupband 
als gedeelte v. e. wapenrusting?. Bh. 41; de 
middelfs (këndit). Ar. Br. Z, 18, 42, «sabak. 



II., makatis, B. Z* 84, 10 (makadat). Imadhja (vgl. kati; k.); katiwandhaprakara, 



\ 



160 



«> 



iei'^tfiru|^ , jav., «gaoawa (f), anak 
in; brtèl, «benik. 

«tfifuK, jay., aanb. onder wijat; slem 
kètèl koninf ▼. d. këkawa èmbong; akétël, 
een iwart ttipjt b. v. ▼. een adëi^an op de 
wangen. 

96«tfiivu|^ (abot), numelijk te verricbten, 
om te lezen enz., moêielijk lê krijgen, of te 
verdienen b. t. t. geld; vgl. këtat; kétil 
baluig z. onder laar. 

jGnvuj^ , bwat këtnl, R. 11, Z. 4, 7 
(lak&ana ngëntal« kwat kosa); angCtal 
amlDte wtijja, W. Z. 12, B (mai^ëntaW 
anguntuly sakii^ tjorah dènya amèt; 
jav. U. 66; pgeAiu'}. 

^n^stxQ\, druppel: kétalkétèl; meer of 
min druppelen; akétèl (batav.); akètèl sing 
main pales; ngCtèli druppelen; vgl. këlèltèl. 

gQjtsiruj^ I., jav. en sund. (util), lamit 

(de in 't passief optredende vorm kutil is 
denkelijk ontstaan door te gissen en te denken 
aan g u t i 1» H woord is eigentUjk niet balineesch 
en uit de wetboeken alleen bekend); angiitilt 
z. aanb. onder kidaqg, i^lamit, Utt. 17; 
wwang aagatily tjurumbu (f), djananular 
(f), aanb. onder turas. 

II., katllén, 6h. Z. 8, 6; aprAkpr&kan 
apaa kUang sasikl lad kakatil awwakan 
silib dalih, Sum. Z. Ui, 7; vgL onder kaiila. 

ni., katil*9 kwispelen v. d. staart v. e. 
bond; katil* kanalang slng kèoa katika 
apang ènggal gSdé, soort deun door moeders 
iMn, pnmi^ada, padati a<yiiiah katil, Tjt. 31. gezongen, tegelijkertijd met de penis v. 't knaapje 



Wir. 68« Swig. S; vgl. taliwanda eo on- 
der sambara. 

i6it$iuyir5|^, W. Z. 87, 4 (kalilih, 

laQtlilih, rëqgas; jav. W. IKO); kagjat 
katavrwaf ^rlk wédl mabdwasasaraa, T., 
h., Z. 3, 8; Jèa hilaqga katawarag dènliv 
fi^gi^K pnag v. e. depositnm, Wtb. 

i\ verepmd v.e.gemcbt, gëgèr katanrag. 

««uwl^, b.v. katara; nawis (onder 
tawis), uUvinien een slechte daad. 

o r\ 

atsiuuvuK, een zeer jonge nangka 

rmcAl, die niet tot vrncbt wordt, tot groente 
bereid, këtèwèl (jav. en batav. babal, mal. 
këbabal, en timbabal; z. katibalbal, 
ia 't sas. katiwawal zoowel een kleine 
snai^ka als napgka en duren; vgl. tag. 
libabal); in K. A. wordt katiwawal ook 
▼. d. tabu gezegd; vgl. kati balbal, putjil 
enz.; BKatiwawal. aanb. onder tatkn. 

«^Qfuj^, kanuv kCiuwil, eigenn. v. e. 
aap, R. m. (R. k., katuwil, mal. R. bl. 117 
ói^ ^j\it jav. këtuwil. zeker spook). 

«'^«i'^Uful^, jav., een jonge n^nglae 
mÊchi; de lës v. d. napgka boom; vgl. ka- 
tibalbal, katiwawal en i. tombol. 

^e^^^' jav.ftTamil kaitil), slaapbank 

naast panidran, R. m., terwijl panidran 
naast salu gebezigd wordt in Mal. c. 11; 2% 
de hemk, vraarop 't lyk v. e. Mabomedaan 
Baar 't graf gevoerd wordt en vraarover de 
karan^ bataqg als deksel wordt gelegd 
mad. lykbaar; vgl. onder baiang); puspa- 



\ 



170 



«\ 



spdende (vgl. onaqg en abangabaog); 
vgl. k u n t i Dg en k a t i k ; katUén, aanh. 
onder ram bid. 

*^«i*^gnru|^, jav. (kital), krom spreken 
(ngadj. kolal, sas. potal, badil); z. kéras. 

"^ n «^ tfifu) ^ , mal. (HolL), ketel naast y èrèt, 
koCBpot ▼. koper of k ë k a n i ng a n, bij velen in 

pi. V. ma rong 9 dal niet algemeen bekend is. 
*^«r)^nj!|\, Bjw., pajak gëdé of pa- 

i^ëdoi^an. 

^9Qo*|w:>fu|^, BSOtoly pikkm b. v. v, e. 

broeihen^ iemand die er bij komt; vgl. go tol 
en toltol. 

tein\siiru\, z. onder kasèla. 

«^ru^ , s., {emmrlijk enz.), z. onder 
wilut, R. a Z. 67, 11 Z. 4,7 (lëi^it, risëb), 
16, Z. 4. 9 (maling), B. Z. 7, 3 (tjorah), 
11 (né (Qëlé), Z. 7. 11; Kid. sund. Z. 1, 60, 
dusta; kvtilèiif pa{a, z. onder pa^u; malés 
kümtilu, B. Z. 76, 9 (igwalës ha&n djëlé, 
kabajah ban maling, mangwaiësang 
saking tjorah); ring pui^ita ika mening 
molali anbikè, tntnké mënèng atiné kntila, 
Tjt U, sang kntila tnmnnini aanh. onder 
kala gumarapg. War. A. 116; klnnfilan, 
z. onder ja ja. 

«tsururuj^y v. pijn met jeuk vereenigd. 

ssi'^tn'^i^rul^, këtèl; pakètèltèl, ma- 

kataritis. 

«tnvurul^, igntellal, v. d. penis. 

n tn vufu] \ , mut|nk ijonjoné ignlaltlly 
aanh. onder èmèd, ▼. d. palit v. e. gëniu, 
aanh. onder gëlgël. 



9sitsiiunl|^, vgl. jav., makatlèpui: v. vele 
asura's uit de lucht vallende, Sut. Z. 99, 13 
(patjalëbug), Z. 1S3, 3, Z. 100, 8, maka- 
flèpnf Cib& V. lijken, B. Z. 94, 3 d. (labuh 
pada lëpng). 

n\si|runvi|^ , B. Z. 1, 13 (manëgëh), 
V. vaandels, W. Z. S3, 5 (padjalëgdjëg), SoL 
Z. 122, 6; makatoladjig, R.20Z. 18, 7 (pa* 
tjatj o Dogger). 



o 



« 



futAJ^, s. onder kalajan en kalaju 

^njiui^\ , L. Z. 14, 4, Z. 101. 4 (pa 
djulimpang), Sm. Z. 37, 6 (padjulèmpang) 
V. verslagene vijanden, Sut. Z. 101, 4; 6h. Z 
38, 21; katali^ah (sund. patulajah); Z 
40, 3 ; mangül larnt kmtamftk» ▼• d. vrouwei 
uit H leger der Paftdawa's, toen A(wa 
thama aldaar verschillende krijgers doodde 

vgl. kasulajah. 

asiiSYnn^, jav., z. onder handjur; bas 

katélan^l V (zelden) in pi. v. k a 1 a ft dj u r. 

9Si\sifU€iJi\, zekere boom (elacocarpu 
obloDfgus), waarvan de zoete vmchten genui 
tigd worden (te Bjw. onderscheidt met 
soorten oamentiyk talilampah en këmësi 
waarvan de nnicht groenachtig is; vgl. ja^ 
katillmpl). 

aaisuru o \ , vgl. men.?; iwihning djanm 
wwa^r kalapa katUambnng wwang ahurii 
W. Z. 34, 4 (een jav. hds. heeft tilamk 
een ander t i 1 a m b w a i^ ; de 3 bal. vertalingi 
onzin; er moet hier een wangsalan schuilen 

36iTSinfuni\, zeker gevleugeld insekt, d 
uit de ga jas onstaat, en ook genuttigd worc 



^ 



171 



N 



boadt ach op in de bunut en intaran en 
wordt gevangen deer ze met een dj o wan te 
slaan (aond. lëgè); vgL ampal. 
a^ru^, z. onder goiilaog. 

a « u| ^ luttep*! • k a ra, Kr. ; makatap*, R. 
3 Z. 1, 70 (pakadèpdèp); akatap* v. schilden, 
B. Z S8t 8 patii^krëdap, pakalaplap, 
pakadèpdèp), Sum. Z. 82, 3; makatap ▼. 
lykeo, B. Z. 87» 20 (makrëp); pakatap* ▼. 
▼aandels, Z. 84, 11 (pékëdèpdèp); akatap 
adp ▼. lyken, Z. 92, 2 (sa jan spid); apai- 
ijér akatap* hana aasaidjatanika homaianig 
pa^apsl, Kk. Z. 22, K, makatap* sèmini- 
kavf tmhiB aséma patapnikamr lakn, R. m. 
Z. 31, 6. 

96iTSiu|\ L, droog gebakken (vgl. aling), 
▼. d. lippen, die hier en daar gespleten zijn, 
zooate by zekere ziekten, aanh. onder priki- 

tik; BBétipaqgy zoo braden dat de graten b. 
V. T. d. ^ëyotèk bros geworden zijn; vgl. 
këping. 

n., ben. V. e. minder smakeUjke pisang- 
sooft, die gekookt genuttigd wordt, soorten 
lyn, këtip malëm en k. bulub, ygl. onder 
tnlaog. 

a'^tnuj^ . kumètèpy variant V. kumëdèp, 
KrwB. (hidup sëbab matanja rujul^, w. 
k 60, jav. keiip>). 

a «1 u| ^ , kamatapkomitip, allerlei dieren; 
aak gnmatapgumitip en gumatatgu- 
mitit (lamp. mangkitiq en këroitiq); vgl. 
kamai^kai^kamingkii^; m^tipangi 6e- 
mejen b. ▼• de band; makittpaiiy zich bewegen 



b. V. v. e. gebondene; bindt me goed vaat, 
apaqg twara dadi mëklttp^aa. 

^a'^^uj^, s« onder pëtjèh. 

"^ ton rsn u| \ , sas. (ar.?), sisya en naast 

murit iójj^)f veelal anak kotap. 

a^u^, z. klimpit. 

a^u^, jav. (ar. of pers.?, z. Men., ed. 

W. 240, kart i pa, Dwd. K6, 118, maar Dw„ 
h., 19 bis katipa); adjamaiv ktaatlpai, R. 
m. 178, Rng. 9, (katipa bai^, Mén. Z. 37, 
terwijl de uitg. by v. D. tirëb b. heeft); 
médal sakiqg djéroniiig pwa, anitth kada 
binarwaqg, binasanan kèkapa mas, kinatipan 
Ing ratnai kondali ganti lugajan, a&qgfa 
kisma mas rinaiigga, ararab béiadra abrlt, 
tinarètèa Ing mas, komram safang ratna 
ingangfi» pinajoogan ta^gful nagaf Isp., b. 
(Jsp., ].: midjil angajëngt negara, ani- 
tibi k. mai^ko, binasanan kokopèi^ 
mas, pinatik nawaratna, rawab ii^ 
knftdalinipun, s&i^gawëdinii^ mas 
muntjar, mjai^ kadi paqganggènèki, 
sanfg prabu warnèi^ makuia sakèbii^ 
ratna mai^ko kang adi ii^an^ggé aira» 
pinajui^an mas abai^, apatjuk manik 
tubjagupg; sas. Jsp.: midjil, sai^ka 
kadatonèka, anitib tarai^ga kawot, 
b. kakapa ëmas, p. in^ n., r. i. k., saqgga 
w. nawaratna „mwaqg k. p.,8. nata pa- 
pak sadaja, ai^apggé makuia kawot, 
ratna kaï^ adi adya, p. m. a., apuntjak 
m. ratnaguqg; a., Z. 12; pinajangan m. 



991^ 



172 



9SI\ 



i^èlag» a. m. taljagui^; x, 't zelfde), z. aanh. 
onder kilat II. 



96«^U9^, mal. (ar. «AAk»); was blnaba- 
ran katipah, Am. (Men. Z. 37, katipa, maar 

uitg. V. D., tirëb). 

o ^v^ 
ntn u ^I., zekere groffe stof, keper; Gj. 

sèpër; 2<» nro. ▼. e. boom, veel gelijkende op 
de brëgiding; i^gëtipèr, in de roodte draaien 
(vgl. lëngëd en mlindër); z. këtipir. 
II., kètipèr*, 6j., ii«këg>r 

QSi tsv u ^ , vrucht Y. d. b r ë g i d i og als 
draaiend speeltuig: vgl. këtipër II. 

gsirstiugdüj^, qgatipuk gati, onvervaard, 
ngëüpok» zich svhreppen; qgètipak njëmak 
fëgaèn tra nrèrèn; djawat magaé qgatipuk 
mangangatiftiV apaqg linggah pi^u gésit awak 
tqjuh tjëbarfjëbar bad mara Ja nanduraqg 
mandadakanig gCbag gring, Swg. Z. 1, 93. 

^"^tn^uosüj^, pakatèpèk, «makakulja- 
pak, R. t4 Z. 3, 6; ngëtèpèk, zich schudden 
als natie honden, «niakëpëk; «angëpëk; 
qgëtèpèkaqg (jèh, buk enz.), afschudden, van 
zich werpen iets kleins b. v. een stukje tak; 
iets of iemand afschudden als een onwillig 
meisje een manspersoon ; lantas Ja maoggëlnt 
bailjaqg, maqgadJaUn barëng matl, laflt 
tltyang qgatèpèkang, katadjn anakè safing, 
laflt tityang lèbaoglnja, bapa ëmbi, tan oraqg 
manggll^ pakèraqg, Lp. (de uitgave 36, sa- 
hasa manggëlut bangkjang, njonjon 
lityang pinah sakit, bas sai^ët banja 
mai^atat, sakit njané bas kadurus, 
këlès ban tityang nfggibëgang lantas 



mulib, malaib tityang i^èpggalang) 
z. onder këtèpès. 

Q^\si|U9Sii|^. jav. (katupuk, blëgtupuk 
of b. katupuk, bëktupuk), «batupuk, 
B. Z. »0, 7; paksi katapnk, tkèk^ Lamb. 
Z. 16, 3; Adig. 5^; s. onder dok (sund. ku- 
tttkbluk of kutubluk); kutapnkatapak, 
Sm. Z. 30, 3 (tukt uk këtupuk); vgl. kë- 
pukuh en «butupuk. . 

9SitsDutsii|^y (anaman) v. busung (mal. 
këtupat, sas. topat, jav. kupat, dat in de 
P. b. gebezigd wordt, ngadj. takupat, pamp. 
patupat); soorten, këtlpat nasi, katipat si- 
rikan, katipat këpëlan rata, katipat pèngi- 
nitainih, katipat pamamasada, katipat faluk, 
katipat pandawa, enz. (z. pèsor en blajag); 
Jèli këtipat, z. onder bujan en sëndang; 
knmëtipat v. d. ë n t a 1-vrucht niet zoo oud 
als bëëm, maar ouder dan de graad v. eet- 
baarheid ; ngatipat pasil, z. onder p a s i 1 ; 
ngatipat, k. vervaardigen; bnka balangé kti- 
patiUi spreekw., geen uitkomst weten, want bij 
't vangen v. balang's doet men ze in een 
këtipat; bnka balangé këtlpatln lurësëkan. 

ggj'itsDutsiil^, tajaqgané ngntèpat, Tj. b., 

Z. 1, 36. 

QsiiotsnouoTsïl^, z. topot. 

9ain\siinu^^, këtapaskëtèpès, van ziel 
afknippen om b. v. een bloedzuiger kwijt U 
raken; qgëtëpèsang, ngëtèpèkang. 

i^isiinxj 9sl|^, mëkëtëplèky flappen als d< 
ooren b. v. v. d. kuplakaplik ëmbé. 

jojtnuooi]^, zekere këndang v. bizoni 



«> 



lts 



ö> 



dere soort en kkdn, door den stnggua go* 
bruiki; Terbonden aan een ataaf, aan ween- 
xydeo waarYan een pauggul, geeft deie Irom 
een dofUapperend geluid, wanneer men de 
staaf tussehen de palmen der handen rolt. 

noTSiu n|^, h9BgQM ngétkpWLi ap$ehrik' 
kern ait den slaap f mei de armen zwaaiende; 
HiMg pipla pgitèplak sègir v. iemand, die 
üeb ziek hield. 

an^snnto«]v nirètoplok, ugëdoklok. 

nmijni|^, ben. y. e. groote balang-soort; 
word! genuttigd, grooter dan de njandag en 
gespikkeld. Man. Abb. Z. S7, 9. 

a tfi u ^ , zekere plant, af b. Rumpb. I plaat 
68. Hw. Z. 21, 2 (vgl. mal. en jav.); 2«, 
eigesn. ▼. e. pi. en taBdjung onder Bjw 

««lu^, s. bëfitjeng; ngétèpéqg pla- 
Jué, Bjw.. bëBtjëng plaibné, jav. sipat 
knpinig plajnné. 

««u^, zeker stuk uit den hala v. e. 
varken, v. dikke zwoorden f^ B. Z. 56, 6; Z. 
80. 35. Mis. Gag. 16, R. 25 Z. 8 (lampjoQg). 

nntsiou^, jav., de bladen tot genees* 
middel, Us. E. 8. (vgl. këmbai^ kuning 
praQ; kmtèpèig règès, eigenn. v. e. pi. onder 
Hadjapahit en Us. Dj. vermeld als 't ver- 
blijf V. den brahmaan, wiens 3 dochters door 
den vorst, door Arja Këfitjëpg en Ar ja 
S é n t o Dg werden tut vrouw genomen, vgl. 
1 ooda* kombala; don kuitfit don kitèpèng, 
tU géait BSfflh klèqg; katèpèqgan, de bloem 
V. d. ijambu rakta voor de bëbëdilan in 
cebmik (s. këtëkulan). 



2% bkd tegen de nat^ka-Tmeht aangroeien- 
de en dat bij rijping er van geel is, ook by 
de sëmaufgka; néion kètèpèflf t. e. pas 
uitkomend en nog kleine bladeren hebbende 
plan! ; mitèpèqgy jms een paar blaadfes bovm 
den grond verioonm v. këkara, sëman^gka. 

«|^n\, s. (Wright a anti-dysente- 
ria), R. 24 Z. 6. 3 (kaju tè^n) aanh. 
onder y u i^ , Brhm. 77. waar het met t o m 
vermeld wordt. 

Kitsin^, kntadjo twsn sèds, «gawé baju 

tan kasambuta; qgètadjn Irikn, óecKNuf 

zieh daar jxdst terzelfder tijd; qgètn^lliftmf 

ai^astuti (ogalëm), R. 5 l.t, 6 vgl. onder 

tudju. 

96itsiim, s., tuwi. 

gsintsi^^, vigètèt||ar, stijf loepen als ver- 
moeiden. 

9Sit$in>]^, drielmgen v. drie tipgkih's, 

die meestal maar twee pitten hebben (jav. 
tëludjuru. bug. kantjnlu, vgl. snnd. 
gindi); driehoekig v. d. kik ir, driehoekig 
(vgl. onder dj u r u) ; ngatldliini, zoo ook v. drie 
kinderen uit ééne vrouw geboren; v. drie 
këmiri-noolen in één omhulsel. 

«^uiTSnosi^.z. onder kuis en (iwira. 

9si\n|;ui^, eigenn. v. e. desa, onder Ml., 
oiet ver v. Sndadji, waar één wani-boom, 
waarvan de vruchten zeer groot zyn; vgl. 

onder pèlèl. 

9siit^u. «jav. (bizondere spelling v. ka- 
t w a ng ; een der 3 hds. v. d. t u t u r heelt 
steeds yë in pi. v. wa; O.: bjëngakën in 



fy\ 



m 



«Sl^ 



pi. T. bwapgakén, vgl. variant onder slap), 
a^rih (vgl. in 't jav. Wdb. tijSng en z. 
onder rënge'); kinatyéigas, Ap. It (bis), 
kasSnyën, W. Z. 1, 14 (naar een jav. hds. 
in p\. \. k a 8 ë n w a n) ; t ë k j a n in pi. v. 
tëkwan, O. (1020); at rëpgjëkën, in pi. ▼. 
at rëngwakën, ald.; de gelijkstelling van ja 
en wa niet zoo frequent als in 't moderne jav., 
z. humjai^, tyës in pi. v. tviras, W. Z, 
3, 16 (jav. hds. v. Bandung); z. wjël. 

9Si%Aryp9Q^, 8. {ap deze of gene wijs), B. 
Z. 39, 26 (was tjaritajai^), Z. 23, 4 (ka- 
papag, sagètan^ dadyana), T. Z. 3, 65 
{bij toevalf), L. 4, 32 (kagët), T. b. Z. 4, 88; 
kathantjana pwa sanf sAdkn hana kin&rjjaniraf 
Irikang tan s&dtau, samanf kana ta Jan hnnii- 
éép awaknya mahApamèa, jadyapin tlas 
wmh ja ri kotjapanya sinanggah tan sftdhu, 

tot. 45 (Ind. Spr. 766); vgl. kat&titjit. 
QSi^rrptsiu^y toevalligerwijze, Adig. 50, 

T. Z. 4, 43, waar alle bds. katatjit hebben 

(kagèt, kathftoyana) en evenzoo 2 hds. v. 

Krws,, één slechts kafitjit lezende, vgl. aanh. 

onder taja. . 

Qsliow:)ono':)fu|\, z. onder tofidjol. 

noTSnonoo^^ kétèniyoni^ènd|onf v. ie- 
mand, die eenigszins kreupel is, z. dom pa. 
gsi^CJiK, sas. (Ampënan), sërnt (mal. 

këtam). 

gsi^CJi^, z. onder tuma. 

no^ntsu'EJi^, z. onder uttama. 

istiSDCJiui^, jav. (tim&hi; evenals in 't 
bal., jav. B. bl 198, Palemb. katimobo als 



nro. V. e. boom, *t hout waarvan voor geweerla- 
den in gebruik is, zie Ind. bij; mad. mangar, 
mal. katimahar, volgens Rumphius en 
Anderson Mission to the East-coast of Sumatra, 
64; \^ Uc^^ , bk. B., 60, jav. ook timIngS, 
Karimon katimSngSi, Nat. Tydschr. XLVIlIbl. 
91), kleinhovia hospita, 't gevlamde bont, 
pèlèt, zeer op prijs gesteld voor krisscheden, 
komt vooral v. Bjw. (vgl. onder blapgbapgan); 
ook katimaan (afb. Rumph. III pi. 113); 
Bjw. kaju taun, tmnbak katlmalia, «gudo 
(f); z. bërora. 

gsi^snouigsil^, eigenn. desa Klg. 

gsirsucJiool^, z. timan. 

gsi «n €Jj isjj ^ I., jav., «widai^ga (?), kom- 
kommer (sas. timun, skk. dimun, water- 
meloen), «hantimun (vgl. onder guling); 
sajang* katlnmn, eene vrouw liefhebben, alleen 
maar om ze te gebruiken, evenals men v. 
komkommers houdt, alleen maar om ze te 
eten. 

2^ nm. V. e. rood en geel gestreept riv.- 
garnaalsoort; aèlatan katlman, zekere kleini 
roodachtige zeevisch als een k. gestreept. 

II. en tëtimun, sas., këtimus. 

n9Sii^'E09Q|^, s., nm. v. e. bondgenoo 
der Korawa's, Bh. 52; 2% z. onder tjatur 

lokapftla. 

9SII Tsn £Ji QQ ^ of tanimënang, iets af keuring 

waardigst; katimènang mati sijapé sélëoit zeg 
men tot een kind, dat zijn eten niet opeet, maa 
gedeeltelijk wegwerpt; z. onder wënèng. 
^ gsKtsD^, ar. (juSof), de hond v. d. sah 



«> 



m 



^\ 



bul kahfi (patmir, Anb., bl. 170). vgl. 
unb. onder jusop. 

«tsi^wj^ L, zelden timus; gebak lang^ 
w»W in mi blad gewikkeld, ongeveer als de 
sumpiog met pisapg, kladi of kësèla 
als Tabel; Bopgkulan en Bjw. limusr 

*•• ■•kWnms, omwonden bij tussehenruim" 
tm door bladen als zekere gebakken (de tjro- 
rol b. ▼.) en zekere geweerloopen. 

S*, Bjw. wwrst V. randvleescb, rolpems, vgl. 
këkamal. 

IL. zoo de nm. zijn v. d. boom, waarvan 
't narige boot afkomstig is (sas., lëi^gulun). 

wtülïgASj^, (Sbr. katimusmus), een 
-ijgumru veel ?. d. sa babi hebbende, maar 
reoder; rijp zijnde is 2IJ zoef. maar wal wrai^; 
, n tijden ▼. gebrek genutrigd in pi. v. rijst. 

aatnciru]^, ngétèmèl, niet erger, maar 
«^ M6l heler v. e. wonde; ook opgezwollen? 

«tsiCful^. iVétimél, zich aan iets vast- 

imidem, Tgl. pgëtitëm. 

o r> 

laneiruK, mangutlmal sring managili 
rtriM^r, B. ü. of mètlmil, pruttelen, ook v. 
re^en; z. mlid. tjomèi en i^ulimid. 

'^'^^^*^^' z. aanb. onder nftbhi. 



O 



»«^«««^\ of katimumul; katinml- 
■ilaB, eaie verzwering onder de nagels hebben, 
ïjw., kemumuien). 't jav. tjaftiëi^ën 
jav. katimumul. een bruine kever, iets 
erooler dan de brèi^ ioiiié, ontstaande uit 
•fc orèt kopen v. d. kofBboom, Loc. 1886, 
IS Kaart); jèn katimnmulan, tnlis kukiinè 
PMaaa^g da apajng da qglaflt, een smeersel 
i«t fcaeesmiddel, lis. vgl. pëtjii^? 



«^^uv s.. R. ai Z. 4. 1. b. (pradè. 
né); kathamaplnya, Adig. 84, R. 10 Z. 9, 
17 en 27, Adip. 104, en toch. Kam., li, 80; 
er is niemand die mij bestrijden kan, jadyan 
dèwatA tawi, kteatang daltya dAnawa, rAkaasa 
mAniisAdl, plaanlngA ikAiy garlta mAtra san- 
«Uatanya, kaïhamapi tèkt^ng danaidjaja wlk&. 
ra kapaStjaran aka dèuya, Bb. 8B (katamapi 
met de variant jadyapi), vgl. aanb. onder 
wulung. 

«^a^^, V. e. guna ten gevolge v. de 
këwabwab, V. e. klopbaan. Kid. Pani. Z. 5, 
59, këtèmparai^^? 

IL, makatémpar, z. pur. v. H geluid v. d. 
këmpul; vgl. tëropur, maglëadèi^ en 
matjëgur. 

^^^^M^\,ie iubiub, uil opiiim.pyp 
gepeuterd, om gerookt te worden; eigaartje 
in djagung.8chil gerold, tegenov. laOdjaran; 
(U«lma kétéBipiir, v. e. schooier, die lieh aan 
grootspraak schuldig maakt. 

««»€ij«j^, nm. V. e. zeeviaeh. 

sö^^ajtfïl^, eigenn. v. e. knaap, sleehu 
in een kinder^euntje gebeiigd, kMoaipit i««. 
lih ndaag, tètèpnk tinijivg kadèm linduif. 

*''"^rd^' ■ï»t«»Pliing V. d. prorog, 
aanh. onder lèi^kèk. 

'^^^^\' ^ A> hatjimplëi^: i«atlm. 
plënir, M de rondte draaien al> een mier, die 
men den staart afknijpt, v. die, ieU zoekende, 
bet niet vindt. 

^^^i^* këtompo^g, soort mand 
V. ëntal, om er gekookte rijst voor de gas- 



^^ 



176 



)6l^ 



ten op feesten ait te scheppen; 1^ ook om riv. 
visch mede te vangen. 

tsütnocJiful^, s. katimulmul. 

n tn éü ni| ^ , ni^témèg:, opgeloopen » water- 
zuchtig ▼• d. beenen zooals na aan hevige koort- 
sen geleden te hebben , niei spoedig apdreogm 

V. inkt. 

9SII rsn «EA ni| ^ , ngéténify ontevreden zijn^ 

knorren; ngétémlfaqg^y uüjakkeren een on- 
deugende. 

gsitsvo^Eonco^, ngatlmombo, op *t punt 

zich te openen v. e. bloem, vgl. kumombo. 

^^SiN»z- kadamba. 

isitncJiN, zekere boomf. Mal. 119, aanh. 

onder grudja. 

QSi^Q^y s., huisgezin^ aanh. onder lëwas 

en pëtêk, z. kutjumba. 

QSi^S^,8.» Wir. B; Kam. 10., alveaar 

bet op de vrouw van den goudsmid kan slaan 

en een ander bds. k u d u m b i beeft (• jav. 

kutjumbi, huisvrouw). 

isitsi£Ji9^, eoriander (jav. en mal. ka turn- 

bar); pgitombali v. fraaie letters (vgl. • p a fi- 

djëlaqg); mitambar gèpèqg» bid., n ra was. 
S% ben. V. e. poksoort. 

n^n^^, z. kétumbah. 

«tna^ 1.9 zekere boom, R. 7 Z. 12, 13, 
S3 (katimafti); aqgadégakèn kaümang la- 
Qa*, O. VIII 4, S; pakatlmaqg, «s^nh. onder 
radjawidhi (pamëkei). 

Il.y qgètlmaqgy onregelmaiig zich voordoen, 
b. V. V. kleuren op een eend, v. d. oogen scheel, 
V. gaten of openingen, die niet naar bebooren 



op elkaftr sluiten, loodat men er niets door 
sleken kan (vgl. sëntapg), lambiban anèh, 
dus onregelmaiig (vgl. sangsih), v. e. zonne- 
bloem, die niet zooals de andere naar de zod 
gekeerd is. 

QQjtnan^^z. onder uttamftngga en 
aanh. onder salai^gap. 

«intsnniK, katof (b. ka ton) wutah 
v. bloemen in een korf, waarop raven treden, 
R. L. Z. 10, 8 (tèi^kobr). 

«I tsini]^ , kètèstég, W. Z. Z% 1 (ra8ras\ 
polah); vgl. eedf., kétëkëtég, B. Z. 100, 1 
(angkihan, jav. këtëg, sund. këkëtëg en 
kërètëg, bat. taroktok en rintëktëk); 
këkëtè;, R. U. 22 b.; iüTüBg mnkétig (!) 
glnqg, «turui^ auApura, W. Z. 3. 
12; knmétëgy «kumutug v. e. grooti 
menigte volk ; kumëtëf udaa aSn, « k u m 8< 
tug budan bawu; knmètëf tikaqg tviai 
V. e. bevreesde, B. Z. 45, 10 (kumarëtëg 
pakatugtug); knmëtëf Ctkanir bati, B 
Z. 23, 3 (pakatugtug, mangëtor) 
• këtëg*ën rapnli, Sm. Z. 2S, 4 (lum 
pakatugtag; vgl. onder k ë t i g II) ; bajf 
këkëtëgaui de pols, vgl. onder prapina. 

9SI tn nu ^ L, ngétigin, een schrik bezarge 
door opeens voor den dag te komen met d 
uitroeping t i g I • 

IL, kamëtig v. 't geluid v. geweren, aanl 
onder pamu&pa: kawnësan katrésan tékaa 
hati knmëtig tëktëgèn, Wir. 41 m. 

gÉitsinj^ L, R. 13 Z. 2, 20 (klëpug, g^ 
rudug), W. Z. 25, 5 (glëdugan, glëdëgao 



«\ 



177 



\ 



T. wapens, B. Z. 101, 7 (galëdëgan), 
Z. 106, 1, gerammel in de lucht Z. 99, 1 
ilalëpag) V. konta's, Tj. A. 5S; këtnflqg 
■ahotiwta, B. Z. 79, 4 (galèbègan, kalë- 
pag); makëtaf i1, «amagut; kumëtn; , . B. 
Z. 97, 1 (maklëpug). Z. 72, 8, Z. 39, IS 
.paglëdng), Adip. 78 m, v. muziekinstru- 
menten, ▼. aschregen, R. SI Z. 9, 3, v. e. 
aardbeving en v. e. rumoer, Bs. 

U., de dender (vgl. snnd.}; vgl. krag. 

III., jav., makëtaf, stoeten aan iets y. d. 
Toetf ▼. 't hoofd boven. 

IV., afgeknei v. d. vingers of teenen (z. 

trogtug); këtag* pësa bajané bij ontsteltenis. 

961*^ «ni|^, z. sëtèg; mëkëtègan v.*t ge- 
luid V. d. tjagtjog, dat de weefsters maken, 
aanh. onder lëpgkèk (vgl. jav.); vgl. këm- 
pjaif en tjëtèg. 

a^tsr)n!|Y këtog midjil, Meg. 308; ga- 

■éliBé kabèh këtog, Tjp.; lyëtog kori, Bt., 
WèUg dwara, Sm. Z. 14, 9 (tag. katog, 
mL këtok, snnd. këtrok), in een fr. vind 
ik amëtog lawang, amëtog lawapgan en 
amëtog dwara; qgétogaqgi iets tegen iets 
kleppen, b. v. 1 o n t a r^bladen, om te zien of zij 
evea hu|^ zijn, uit een bamboe kloppen de 
visch b. ▼. nit de panimbangan, uit iets, 
h, V. oit de kor na, iets, 't buskruit (vgl. tag.}; 
wfü^gnag branaj nëlasang prabèja; angë- 
tfUÊg atma sami v. Tjikrabala, Lp.; vgl. 
togtog en gëtog; akètogan, a//^^, de gfan^cAe 
boel, de gekeek sckep vijanden b. v. 

« «1 rij ^ , jav., V. vuur, Sut Z. 3S, 2, Br. 

Z. 5S, 4, Z. S8, 4, B. Z. 98, 18; kanmtng, 



T. Z. 4, 6)(, V. d. kadhtran, W. Z. 8, 8 
(kumëtëg, ëmpët; ngëndib), ▼. wierook, 
Stn. b. 7, V. geweerschoten, Sm. W. Z. II, 
10; kakatng, këtugtug, B. U. bL 46; 
katagan, «syak, L. Z. 19, 14. 

gsitsiRnjo|^ , pakatogtag, «kumëtëg; 

tan mar! pakatngtag Ika, R. 18 Z. 8, B 
(aturang tikang ktë^g); Imné pakatngtag, 
këtë^gën rapnh, z. runtag, tagtag en 
rumbang. 

^ ^ o o| \ I., zeker spook, hebbende slechtt 

één been; vgl. vooral onder pnpu. 

IL, nln atinè pakatngtag, B. Z. 50, 4 (kë- 
tëktëgën), »ktëg, W. Z.l,6; Z.50,7 (ra- 
ras); pakatQgtng ikaiv manah, «kumëtëg; 
pakatngtag këndél k^fon daoé, «mnëbnëb 
rarasnyatlnira, Z. 18, 6; tan marl pa- 
katngtng, «atarung tikang këtëkëtëg. 

III., z. onder tëpus, 

«i'^^'^njoj^, mëkëtègtèg v. e. kind, 

dat jeuk aan zijne beenen heeft. 

gsit5iirii|^, akëtab*, v. d. staart, T. Z. S, 

27 ; aivëtab, R. L. Z. 4, 9. 

«i^rii|^ L, V. d. zee, Sut. Z. 90, 6 (pa- 
sisi), bijas parangan, Kr; makétëb» «mAm- 
bëk, Sm. Z. 8, 10; Ar. Pr. 39 b, 53 o; R. 
Z. 92; Ws. 16 m; Br. Z. 18, 15, geH/uid v. 
voetstappen, Hw. Z. 38, 4. 

n., sawètnlqg gè*qg haraa kètib anënia 

lakjftn pangmuhly B. Z. 4, 27 (antuk dahat 

dëmënnjané mëtlasan apang amanggih 

swami kadi sang tamuj, santukan bwat 

dëmëné matëmu ring né ulaqgunin 

makaswami mapgujai]|[i; vgL jav.); wèt- 

11 



9SM\ 



178 



^\ 



Btiy këtëbéy Mal. 199 m, v. hoofdhaar, Bw. 
IK m; kadi lëbaranf tè|^ rl këtèbinir lag^a, 
Kr. Z. 38, 26; akëtëb y. e. gamëlaiii 
Mal. 394 o; pakëtëblig angrësah, Sum. Z. 
122, 1. 

m., këtëb (katëël of katëën) banlatjar; 
qfëtëbin, op iets trappen, op iets den voet zet' 
ten, op den grand stampen om de te veel geraas 
makende djangkrik balang kalja tot zmj- 
gen te brengen; këtëbln, njukupang y. d. 
padang gëtap; ng:ëtëbaq(, met den voet 
op den grond stampen, vgl. aanh. onder rèb 
en gantawang. 

IV., zeker gedeelte v. e. gebouw?, Krws. 94 

m, 9K o. 

99|tsijni|^, ratna katab, z. kostuba, Moh. 

'sieren, 41 m, 40 m. 

o ga tsn XI ^ , 8., eigenn. naast Ha dhu genoemd 

als iemand door KrëóAa gedood (vgl. Ud. 't 
origin. 4414), Kvrr. Z. 44, 7, viraar kitaba, 
z. aanh. onder tëpak. 

«^mtstj^, z. onder kiraman. 

9Siit5iim^, z. onder katjëbër. 

«isiimni|\, ng^tabtab, opschrikken als 

b. V. iemand, die iets verloren heeft, vgl. aanh. 
onder bidjal. 

«iirniruruj^, kativiravi^al (wajang, 

men. timbabal en katimbabal). 

«isunRogsH^, een hoop aarde (tan ah 
ngëmpul) door krekels, mieren enz. opge- 
veorpen (z. katitjëpli, ëmbur, sëmbrug); 
krek* bëiafir ngatibabwan bëtèn, raadsel, 
anak ngihkih quh; vgl. onder krek. 



9Simir)i^, Smbw., kësèll, vgl. ambon. 

Qsn tsD n \ , ngëtibëqf, op diefstal uitgaan f 

V. dobbelaars. 

osnisunirx^, zeker gevleugeld insekt met 

geele en groene streepen, op djarak-bladen en 
V. bloemen levende; ontstaat meestal uit de 
subatak pandan (sund. bangbung, batav., 
jav. këv^angvirang, vgl. onder qungah, in 
't Soerab. Hndbl. 1882 N». 232 këveawung, 
de mannelijke scarabapus hernales; mad. 
tabangbung; Bjw. sambër lilën; schijnt 
ook de sambërilèn der jav. te zijnf; vgl. 
tjibambui^); irl|:iué makëdèp kadi pati- 
bangbung of ngatibangbimf, vgl. de aanh. 
onder hëlar. 

^^\9 «jav. (sukët), B. Z. 6, 6 (tag. 
katang^ convolvulus pescabrae), Br. Z. 
36, 6, Z. 22, 9; askar katang*, aanh. onder 
wadjana; kalorak bang 8nntilar(b: tinilar) 
katang*aii v. e. vrouve, die men opgeeft te 
verleiden, Stn.*Z. 5. 

2s eigenn. f, z. onder titik. 

991 vsD^, katëng maSf z. onder këdëlè. 

991 ^ ^ , kala katim; } eigenn. v. e. vriend v. 
Kala Radjah, Ar. Pr. Z. 11, 9 enz. (vgl. 
jav.), vgl. aanh. onder rëgëk en liprnk; 
sang katuqg malaras, eigenn. v. d. eersten 
t u v^ a k-tapper, Tt. 3, vgl. onder foAdika en 
mapgukuhan; bhatara katiing, z. Wd. 42. 

9Sii\^|^, Sbr., em pot als de theepot; dung- 
ki (bbg.: bèsèk). 

9SiotsD^, eigenn. v. e. binnenl. pi. op Sa- 
sak, V. veaar tadji kateqg, slypaleenen; z. 



\ 



179 



A 



lébonta, belang pandji, kasap tjina en 
srawad. 

icinisrD\, «katwapg^ eminent b. ?. ▼. e. 
goed scbryyer, y. e. rijkaard, apgkot; vgL 
«tong. 

t\ jaT. ÊWÊg katong, de vorst: (ri 4%|a 
katoBf, zooDV. Djajabbaja; sterfl kinderlooa 
Toigens een bal. fragin.}i opm. aanb. onder 
tabagana; dji^a katoug of djaja nfttha, 
onder wien Mai^apahit door Widjaja ge- 
sticbl werd, R. L. en Ar.; cryarl katong, T. 
Z. S, 118; UutOBgaii, R. L. Z. 1, 4. 

5% eigenn. ▼. e. berg. Tl. 

a^^, vgl. katang, aanb. onder pipgkër. 

iai5i\, aanb. onder ^aping. 

ntsi^, jav. (këftiung); kètangan, een 
\ ^root rijstvijgelbhk (z. lësung), waarop ook 
b^ eclipsen en ter aankondiging y. feesten geraas 
iremaakt wordt (z. ngofitjang); dallli pltii 
tan k^tiiVUi (kagèt suba, c: sagèt s.}, 
kagM (ramé) anaké qgitiufiii (ramé k8- 
toigao mamnnji), makalangan djani 
^mambalègbag baftk) kalen, langlté né 
■ilQ (DDafklu) kangln, iivJïk* mamiiqll, 
■agtnti lu tall*y (lèn) gowaké (mang) 
pgalek, ^i^lwfè (s ré ga won) bangon pa^é- 
Uig (maqgipgking), ada ngnliin lèn maga- 
raag of makirah (lènmangulun ada 
oegah, c: lèn manëgab) pagorènggang, 
Pao. Br. 6S; UMah kètnngan, z, onder as ui ah 
balaif; s. klëntangklëntapg, pëntopgan. 

i9^^,jay. (Bjw. jay. kaku); z. onder 
diwir^ verdord, verkrompen y. d. yingers of 



banden (lamp. id., mal. y. aakad. de l^Mra); 
yooral in zelfyenrloekingen ter beyeatiging 
eener bewering» apang tyang Utlngi ik mag 
kromme vingers krijgen, als ik de waarheid niet 
spreek 9 een zdfyerwensching, die men telkena 
hoort (ygl. rimpit en gudug); ngitlnfanfi 
op die wijze iets bevestigen (ygl. adjnr; ki- 
tinga tai]|[anka kiwa jèn mlèljat Lk. 
20; ygl. onder tan ah en z. kèpès en onder 
dèjog en pisyang); ngltingin, m^gebogene 
vingers op iets, een pot b. y. Uoppem zooala 
de koopers doen; barak* dl pëkén aing ttta 
anakè ngltingin^ raadsel op een djnn, ygL 
nrèktèkin. 

«§i^, ngltingi Bjw., qgëtnt uri (binara 
dipun kikitiog, Anb. bl. 16K, terwyi 'thds. 
dèn kakiftiil ing kapir heeft); z. onder 
i n t i 1. 






tC\\t Sum. Z. 113» 11. 



n^^ L, (kaonaqg), 1 kntog, nm. aan 
yerlatene of aangenomene kinderen gegeyen; 
makntangy weggemorpen worden^ ook y. e. lyk 
(z. Iba en ygl. bat mamüaqg, welke ait- 
drakking ook op Madagascar in gebraik is, z« 
Sibree, p. S89); ngntang, wegwerpen; YjotaMgeL^ 
«katinggal; ngntangln, uU iets werpen, nit 
een geschrift een letter b. y.; uil een menigte 
door den dood wegrukken, y. d. goden, die eene 
epidemie zenden; b. y. ngntangin pan^lakè; 
piringang kè atnr tltyang, alng mambaoa 
sastra Ikl, kirang tèngèn klrang pnpnh» 
sampnndang Ijwa 1 bndnk, Jèn klnngan 
kè intngln, Jèn Ja lëbih» IQa dUérenè ngn* 



«1^ 



180 



«\ 



tungrfB, een afschrijver; sasran tltyanf tana 
lébih, tona pasanf, Jèn kiranf i^a lUroné 
ni^bnhiii, Jèn lëbih, i^a 4Jroné nyutanfln 
^P^ff patat, een ander arscbrljver; sasran 
tijanf tnna pasangr, Jèn lëbih këna djroné 
Dfutangli, Jèn klrang këna djroné nirlmba- 
hin apang patat, vgl. aanli. onder ufidjuk; 
Dfntanfanf lall; pang^tang^aa, begravenü{fa- 
lëbon; z. pëtëtiwan). 

n., ben. V. buisjes zander mouwen (jav. 
kotang), Smb. badjn papangan. 

nm^, z. onder tut ing. 

o ^ ^ , jav., z. onder dawir, prutung of 

tukui^r (mal. kudupg), z. onder kipa en 
aanh. onder sèmpèr en mala; kakatong^, 
pijn lijden aan den middel, zoo b. v. v. vrouwen, 
die pas gebaard hebben, een gevoel hebbende 
alsof men daar gebroken is; vgl. djangkël. 

n«^\, z. onder ètang. 

ngoio^^ (bidang), jav., geldstuk, coin, 
zoowel V. pipis als v. e. ringgit (vgl. batav. 
en sund. en verder onder sijn en demi); 
de kor! sakètènf der Javanen in de Tjt. b. 
V. op bl. 27 kori sapisis; atangffa lawany 
sakètènr, «kumbada (?); «grantal sake- 
tènf, aanh. onder wuwu; Dgètèng, in détail 
verkoopen, bij *t stuk verkoopen (vgl. sund. en 
z. trima); pakètèngan, awat panrètèngan, 
de kleine spieren. 

nisnotsr)^ en motong, sas. püün (lamp., 
sund. en bat. tutung, bis. totong, lag. 
totoDg, ëntip, mak. mutung); z. iutang 
en vgl. onder muraq. 



osirin^, z. fata, R. 11 Z. 4, 7 (iri), 
5 Z. 9« 3 (tjëkap); B. Z. 1, 5, Z. 7, 8 3 en 
30 (vgl. jav. * k a i u ng), swastangr rftt makëtër 
tikang kniUana dost&mbëk katanirkèng: dja- 
i^at, Ar. Z. 72, 8; vgl. iungka. 

gsii\?i|nru|^ , z. onder tungkul. 



gsii tsD n \ , 'nratëngkinir v. d. pëtingan. 

gsi tsi) n \ , nratëngkiinK 'v. d. ti tiran; 
ook ngatëknng; vgl. kungkung III. 

9aiowiriJj»|\, z. k&tangong. 

9aio«Tir]j|QsI|\, een borstkleed en daarover 
een gordel vastgemaakt bij een padanda istri 
(z. sabnk); ook v. d. pramadé. 

I 

9SII t§n n N , zeker roodachtig vogeltje v. wor- 

cJ * I 

men levende; ook katjinglar, zou als de 
kapëtjit zijn, maar een rooden bek hebben; 
visa scapularis, jav. tjito (r). 

gSi n w:> rv^ , gohog këtonylanK, een Chin. 

kaart met één oog; z. onder gobog. 

ggii^n^, •wungu, L. Z.2,8 (kanapgga)., 

«siitSTi n-E^ ^ , verrast bij de komst v. iemand, 
B. Z. 5, 2 (kagjal, qambrama), opeens, 
Z. 29, 4 (manglugréin, kagjat), vervaard,] 
ütt. 59, bis; z. tanggama. i 

9ai\si|nu, druAa, ali, mrëtjika ofi 
katunggéng, jav.; soort v. groote zwarte 
blaauwachtige scorpioen , waarvan de angel doo- 
delljk vergiftig is; Sk. tonggèng (scorpio 
muas omatus?, z. mrëtjika, tlëdu); 
anaking katnnggèng, «koöfija; konangrikan; 
wintang kadi katunggjaiig rftpanya, Jèka 
(atabUsft ngaranya, Ag.; ngëtongTgèiif, met 



«> 



181 



«\ 



;t/» tnjvei^ dragen, twee aan weértkantm en 

m aam de slaart, looals b. v. een groote 

icbildpad; anffrèk Imtmifgjftqi^y z. onder 

tringsing en «druna; anrkrèk kataDfgènf, 
uah. onder tadji. 
ntsinn^, s. onder katunggjang, 

dtfinrn^, T. Z. 3, 4 (jav. katèi]|[0if 

en katèngsun). 

siAji|\ I., tan wnanr klnas, W. Z. 28, 4 

Dora dadi pasah of banéha^g; vgL 

•jaT. kinas), Sum. Z. 8, 2 ; tong dadi klnas, 

tkarakëtan; tan wènang klnaa ringtirtha 

f. ganzen, T. Z. 2, KO (T. b. Z. 4, 37, tao 

Jadya madobèng udaka); tan kawënang 

Ubm ▼. 't noodlot, T. b. Z. 4, 265 (T. Z. 5, 

.7, tan këna linèsan), 290; Unaa, inga- 

'wara, «lalis» Anj. Z. 29, 1; Unasan, kaftsa- 

Isèn. 

II., hardheid, kasning hasta, B. Z. 72, 18 
(kakéreB^an limané, k. lengëné); atyanta 
rtBf kas kadi kirabadjra, B. Z. 37, 23 (kukuh, 
kowat); alah mangadn kaa, B. Z. 92, 11 
[sor maiëmuang kakowatan), R. 20 Z. 
19, 23; tnt. 44; akaa, B. Z. 8, 4 (makral, 
kowat, kreng); akaa ahrit ▼. d. borst ▼. e. 
Bdg maagdelijke Trouw, B. Z. 19, 9 (tarlësëb 
rapit, dahat r.); makas, R. 5 Z. 2, 1 
I knkab, këkëb, kowat); manik makas, 
^hirabadjra, aanh. onder këdal; parikas* 

L onder pari. 

2«. UI 9SI AJH ^ , grof v. blad b. v., grooi v. 

etter, ▼. 't baar, Us., y. woorden uit overmoed; 
^pig, siijfhoofdig; akaa tan ahidëp ndjarlng 
laaaaléri Wtb. 37, tegeno?. Inwës; hnjïoti 



akaSi êterk v. gestel, taai (fgl. pënaga); 
pangakas npastha, Us. bl. (f) 27 b. (vgl. 
mal. këras en makas). 

ni., een kast (nieuw woord, meer bij de 
Mahom. bekend); vgL grobag. 

9QjAji|^, z. onder rut. 

mM\ I., zekere plant, uiterlijk gelijkende 
op curcuma (amomum marcimum, Roxb.); 
de bast v. d. stengel voor cigarettes is echter 
te dik, de zoetachtige vruchten genuttigd, sas» 
rènggaq, «asana (jav. wrësah volgens een 
krb. kaju tawab, Bjw. wësab, volgens een 
krb. prijaka). 

IL, jav. (perz. a^U- of portug. cassa), 
ben. V. e. witte ijl gewevene katoenen stof 
(bug. en mak» neteUoek). 

III., jav. (ka -f- sa), ben. v.d. eerste maand; 
de tijd , dat de ratten en eekhorens jongen krij- 
gen, z. kar o. 

IV., këna; kasa ëntet, z. mëdëdopong, 

kasa prada, kasa tal. 

V., z. onder mahisa langit en ftkftfa. 
961 v>n^, z. onder apus. 

9Si^^\, z. onder dakfta. 

)snt\ii^, s., z. onder alalang en galagah. 

)snt^)l\, s», k&Qirftdja, v. d. vader v. Amba 
en hare zusters, Ud. 124; kA^lpatt, Adip. 
66; kA(;ipara, Sut Z. 67, K en 8; sang k&. 
Qtndra, Z. 20, 8 (s. tjandrakètu), Z. 
36, 2 (sang datrëdja), v. Tjandrasi^gha 
en Da^abihu, TjL 19; k&ftndra, Sut. Z. 20, 
10 (sang datrëdja); kftfipori en ka0para 
(te verklaren uit radja II, vgl. onder siqghala). 



«\ 



182 



9SI\ 



Tft. 79; z. onder wapuöiamft, wftrftnasf 
en pratarddhana. 
«^M\, z. kasaj. 

«ffJi\, jav. (pers. a^» beurs, zakje, de 
slot h niet uitgesproken wordende in H pers.}, 
een eenvoudig korfje door ombuiging der bladen 
boven de papah ontstaandOi aanh. onder tu- 
buh (is het van rotan-bladen gemaakt, dan 
is de nm. te Bjw. dékon); ook de van bam- 
boe vervaardigde kooien, waarin klophanen van 
of naar de kampplaats vervoerd worden, wor- 
den zoo genoemd, maar meestal met bijvoeging 

V. bidé (z. pangaddan, kroso, batu en 
sundung); padanga klsa, flg. v. e. paard, 

dat iemand voor 't zijne houdt en waarop hlJ 

beslag legt, aanh. onder salsal; ngisain, tn 

een kisa doen. 

«m^, s., bodjog. 

«^^ L, Qamorik&kistUsi, B. Z. K6, 6 

(makikihan, kabulih^in); magawi^ of 
madamël kisli o., aanh. onder wungkudu 
(manggawé sèsèr). 

n., makisi*, fluisteren, «awisik^ (sas. 
bapésé, bat. husip en kosip, vgl. jav. ka- 
lësik), mangisiqglsinin y • mamisikmi- 
siki; Usl* (f) bangmi, aanh. onder ségëh. 

m., ola Usl, Bjw., nënipi lidi (vgl. jav.), 
Wg. 31, Ad. 87, 186, Dj. Z. 11, vgl. onder 
tampar. 

«eim^, I., 8., alalang (bug. nsaf;z. par- 
kusa en warkusa en darbbha); ku^^a- 
dhwa^Ift en kafApra z. ben.; saqg bapus- 
mftnte (djyoti&mAn), rata ring ka^alwlpa, 



mftnak ta sira pltuqg siki, patong^lani 

ngaranlra, saqg adbhèda (u d bh i d a), saqg wè- 

numftn, saqg sèratta (s w a r a tb a ) , sangr 

lawana, saqg dhrëti, saqg prabhftkara, saqg 

kapila ; pinapltu tang ka^adwtpa wkasau, ma- 

ka^twan irjjanaknira, atëhër tang ka^twan 

makangaran ngaran I sang maka^twan, Brh. 

18 (varianten uit Wiönup. p. 189): vgl. aanh. 

onder adh ik ftra, kn^ap&fa, aanh. onder gi- 

wikaraAa. 

II., fok&kufèng lapwan, T. Z. 4, 19 (sdih 

mulisahin lajon); aku^ft, Br. Z. 1, 12 

(mamuli&ah, magujang, apgaras), v. 

klagende vrouwen, Br. Z. 50, 16 (magujang) 

T. Z. 4, 2 Z. 2, 2; maka(;a, R. 2 Z. 1, 24 

(mapulèngsagan), Br. Z. 38, 9?; aku^a* 

ring pada, Z. 3, K7; nora bosèn anlwl dJSng- 

tèriiq^san nltya akn^ahèng pada, R. L. Z. 
10, 14 (wjakti durung tityapg mëd 

mëmafidjak di tjokor i dëwané tan 

mari pulisahin tityang; «jav. anguswa 

in anguswa pada); akiisA kapati* v. e. 
weduwe op 't lijk v. baren pas verscheiden, 

man, L. Z. 9, 6 (magujapg papëtëgaii^)» 

aknsèqg tilam v. bloed, Dpt. Z. 2, 1 1 ; llmut 

nyan akasèng puQang gading awarnna sapall 

1 snsonii^: sëilëng rarA, Ar. Z. 83, 5; apgusftj 
Br. Z. 32, 3 (njujangin, manjaüp); lëlël 

angnsA sang karahatan, Br. Z. 32, 3; kln»| 

(èngall, T. Z. 1, 8 (inisëp ring bramara)j 

kinasa; «pariwftrita; klBosa wèkoAtJ 

Z. 1, 6 (kaidëran ing talaga); klnosl 

ring liris V. e. klapperboom, Lamb. Z. 15, 7^ 

Br. Z. 12, 2, Z. 13, 31, alwaar klniuA (kaüjab 



^ 



183 



w> 



kagajangio), Z. 44, IS, v. e. varken. Ar. 
Z. 6, 7; UnAaaidi^: ki^ii pwlng» Sm. Z. 22, 
11 (inidëran); UntUa ring èmas v. e. wa« 
gen, R. 22Z. K, 1 (kinalilii]|[an ing hèma^ 
linrapan kafitjana, «jav. kinuswèng 
soBotya. Men. 33 b.); Bakafatvf* (sic.) di- 
niqg bhAmt sakaka^a dining mèra, 0. b. III, 
aanb. onder sarpih (vgl. onder song enaanh. 
onder tawii^). 

m., 8., eigenn. v. e. zoon t. Rftma (mal. 
^y^y^f eigenn. v. e. aangenomen zoon v. 
Silft, door haren aangenomen vader uit een 
bosje lalang gemaakt, z. alhier I., leek spre* 

kend op v/*^» dien bij verloren veaande en 

daarom met hem vnlde vervangen; z. lawa). 
ntji^, kakua, B. 18 Z. 7, 13 (kaftm- 

baqgin). 

«^^ I., mékosa, vuur maken door draaiing 

van een kaatje in een gat (pgadj. pusèh, 
werktnig om vnnr te maken door draaiing); 
anakémakosOf «ngusvean;akn8a, T. Z.4, 36; 
taadwa Ja lomèkas angoswan, hnwnsnya da- 
dyapijf om de aapjes te braden, Kam. 7^ 8, gl- 
nawêkèn «gwwan (sic.), T. b, Z. 4, 179; amèt 
wriksaaknsa (mangnsveani apwi): T. a. Z. 
4, 63; kadi p«lah makiuui, «kadi gatini- 
kaï^ nswan; paqgiisiikni 't veerktnig veaarmeè 
op die wQze vnnr gemaakt virordt in legenst. v. 
papgorotan (z. onder korol en pasut II), 
vgl. pangasapgan onder gasapg, z. onder 
girik. 

• II., agé*qg Ikanang gonang aknswaqgt- 
wètaa, kannya knlwan dadng ring tasik 
kalwaa IkA, Brh. 63 (vert. v. prftgftjat&b 



mabAparwa« dat te verbeteren is); kuianig 

ikang wintai^g paaagi akua Jèkft pArwAak- 

dhk «garanya, Ag. 

III., mèkar alonrakiisA sngaadha v. e. 

bloem, Sum. Z. Kf 8, z. onder ka sub; a^gs- 

({wakën sagik, «odjaramëdar, aqgoswakén 

tangis, T. Z. 3, 11 en 12 (b. Z. 4, 28, umi- 

djëlakën srining veaspa); avgoawakën 

wnwos, influisteren, zacht doen klinken f W. 

Z.3,9 (mangwëtuapg udjar); aatyandèntk- 

qgnswakën wnwos tot een uitdagenden vijand, 

Us. dj.; dahat dènta angnswakën wnwiUy 
masa ngong awédi mon pèmbah ^atm sajnta» 

ald. 19, aügnswakën kkptl, R. L. Z. 4, 68. 

IV., knsQ mnkkanya, aanh. onder sapta- 

v^ftra; kosa pamatanya, ald. 

9SitNii^, 8., hoofdhaar; sèkar ta^jinl kè- 

^aning ari, Br. Z. 1,1 ((ika, sirah, roma, 
gëlung); pannkëring kè^a dkari, Wve. h. Z. 
3, 95, 154; wos tinap tinatap pannkèring 
srinata, tlnnnit tëkèng kè^a dhari, 205; kè- 
{kwati, eigenn. v. e. prinses v. Singasari 
door Makaradbveadja gebnwd, toen blJ uit 
wanhoop over de verdwijning v, d. prinses v. 
Da ha aan 't beoorlogen v. rijken was; kè^a- 
pk^a, Br. Z. 31, 17 (rambut binëbed), 
*rukuh; kakèfagraha, bij U hoofdhaar ge- 
/NiA/, Br, Z. 43, 4 (djinambak, kadjambak), 

aanb. onder pasar. 

nosinj)^, s.> eigenn. v. e. rftk&asa door 

Krë&na gedood, Ag.; qrapa suniangkkra rftk- 

sasa kèftn patëmahan kada, Ud. 80, waar 

aan Afwarftdja tevens gedacht is geworden, 

vgl. onder ari&ia 2«. 



«^ 



184 



n\ 



'^«ntvii^ L, 8., Ww. 8, Br. Z. 4Ï, 6f; 
kako(;a, kègü. Br. Z. 3, 14?^ Wtb. III 9 b. 

n., eigenn. t. e. vorst onder Djajantaka, 
Sut Z. 12K, S; sang: kofa, «magadèndra; 
sang prabha ko^^a, «magadhapati; sang^ 
kofa, «bhüpati magadha, z. onder pri- 
jawati. 

m., sani: sftksit warako^a (b. : k ftla) radra, 
Sut. Z. 111, 3 (kalëwihan hjaii^ R.). 

IV., z. onder kotsa. 

nisntj^, 8., z. onder wasu, drëwé, Br. 
Z. 49, 5 (gagawan); Z. 39, 2 (radjabu- 
sana), B. Z. K4, 9 (drëwé, glah), Sut. Z. 
109, 3, Z. 39, S (d., sangu), bala ko^a, B. 
Z. 39, 11 (*jay. kusya in balakusya, dal 
R. k. in pL v. wadwakosa v. R. m. gebe- 
zigd wordt, z. wasa, witta. laksmi); ring 
raiigda kosa, Hadji D. 37 (eldero kosa 
agmVf Ad. 30, raiidu lawang). 

0900 u^, 8., z. onder pariwftra enaanh 
onder pidita. 

0900 Aj^ I., «sahasa; igosai overmannen, 
overweldigen, eene vrouw verkrachten; saba- 
imila lyosa mlag^andang, «ulibnyamol 
amurugul; kinosa ingalonan, aanh. onder 
bahud; kakosa, «winalatkara; ngosèn, 
iemand dwingen; kosèna v. e. vrouw. 

U., koèa of kasa, ianor, i||:a,, niag ang- 
kii8| Tjt. (vgl. mal. kusa), aanh. onder ga- 
ladara. 

m.r, kosa mbëlëi«kërira, Hadji D. 48. 

09QOAJ|^, tan kosi*, in pi. v. tan koti^ 
aanh. onder kodong. 



9Si^9^, V. 8ab, «kftntun, v. e. dolk uit 
de schede, Br. Z. 45, 2 (klès, këmbus), B. 
Z. 17, 1, scheiden, R. 3 Z. 1, 21 en 35 (adoh); 
Bfkasah, 7 Z. B, 13 (i katinggal, wiraha); 
tan kasah, Br., Z. 13,4 (sa mi), «tan adob; 
kasakaaah, «ajak^ 

IL, kasah*, als 't ware hokkende loopen, 
zwemmen v. iemand in de modder; kasah* 
maivlangi, fr.; kasah* di tanahé stug: dadi 
banipin. 

9S1I PJ9^ , z. onder asih, in vrede met elkadr 
leven als twee staten; verzoend v. vijanden; 
aiin^ara kasih, een anggara, die op een 
klion valt (vgl. jav.); angpira kasih valt 
maandelijks op k 1 i j o n en heet daarom in 
de War. a. k 1 i j o n ; ng^slhin, sussen een 
schreiend kind b. v., van iemand houden v. d. 
goden?; pakasih*in, «siniwisiwi, R. 23, 
Z. 12, 8 (mangasih^); kèkasihan (sawitra), 
vriend; bomng kasyan, z. onder burung; kri- 
sira alandèjan kasihan wanga, Mal. 

9SI1 ^^^ , kasahina, de klijan lekker makeny 
terwijl de onderdanen door hem verdrukt 
worden. 

Q^^<j^, angèsah, R. 25 Z. 15, 13 (ngu- 
langsah), Anj. Z. 3, 3 (osah), B. Z. 10, 9 
(o., ngojag, magiwangan); mangèsah, W. 
Z. 18, 9 (tan djënëk osah; vgl. mal. këloh 
kësah, imt. holso, këlsoh en holos, vgl. 
onder gëmël), Br, Z. 36, 4 (prapafitja, 
osah), R. L. Z. 8, 4 (mëdëkësan), B. Z. 
31, 1 (mangulangsah), v. bamboe, B. Z. 
46, 7 (kak os oh); kosah angésah, Mal. 506; 



\ 



188 



«\ 



mëflgfak mëivsah (mënggahf) k%|a lang- 
fah tng mëraqgi W. Ast., 20, 16 v. iemand, 
die bekommerd is; mëoff^h mëngsah, Ar. 
Pr. Z. 18y 43; paqgësahi gezucht v. e. vrouw, 
Was. Z. 6, 184, v. e. wulub, Krsn. Z. 8, 
S; paagësahy W. Z. 30, 10 (pamulisah, 
08 ab); këaah aqgëaah. Mal. Z. Z, 74, mëhah 
aiq^ësahy B. Z. 31, 8 (madoösan mulisab, 
madëkësan mrapab); a^Jan èmbëh braagta 
saoK nuUapatrl, tan kënèqg pangan lan tarn, 
mëoggah këaab ta slrai Jsp.; ikang manggë- 
gës pApasaqgaara, patikaradah, patlUriDttb, 
pattdjëlërit, pattkërësah, Alp. 

S«, z. onder kësib. 

»ilC^^, «sirir, v. d. wiod, T. Z. 3, 88 

(késirao); kësëhing sadAgatl, fr.; kësëhini 

toja knmiaik» Singabrbm. 7 b. en c. (vgl. 

mad. sërsérf); këndang gong ghikriinlta Iwii* 

knanhi këaëh ikang toja (abdanya ghora, Rm. 

Z. 44, 1; kësëha(na}n prahaaana, «ampëb 

ning mawiaik^ (z. kusab); kësëhan, 

aëbsëb, R. 23 Z. 12, 1. 

M^\^ këaih*, geheel alleen v. iemand, 

dien men verlaten beeft, Dd. 26 b.; mëdëm 

Ja këaah këath gadak qjaqg satuttk rasaiija 

di patnrwan v. e. verliefde, Rarasati; kësab 

kësib magalëng* Jèh mata, Bi. 154; vgl. 

kiësib: makëaihan, «mumik. 

^"I^nn, geschaafd (vgl. klët); dak kë- 

sok, ben. t. e. pisau^-soort, die moeielijk te 
scbilien ia, zoodat men *i vlies op de binnen- 
hoid onder de scbil mede eet; ngësoh, pglum- 
pasin (vgl. pgësot); qgësobin, door schaving 
of schrapping v. d. opperhuid ontdoen de kupas 



^ o 

961 



om er, nadat de basaiii; er van is gedroogd, 
een vlieger van te maken (vgl. pësob). 

9Q|0J9^ , Ar. Pr. 3 m., 29 m. en o., Amvee- 

nenf (vgl. kaf a, z. knso); kinnsah snngkëm* 
i, wal blJ voor zijn verloren geliefde aanzag» 
Dd. 10 fr.; kinnsabknsah v. e. geliefd UJk, 
Ar. Pr. Z. 2, 5; vgl. kulasab. 

« Aj ^ ^ , jav., geruisch als v. d. golven , 

Was. Z. 2, 20, V. H water, B. Z. 4, 14(sri. 

jakan, krèljèkan), v. (akti. Ar. Z. 1, 6 

(z. kësab); knmnsnk, B. Z. 29, 6 (mapgli- 

nus, o^alilus), Z. 93, 21, Z. 90, 10, v. d. 

zee, Z. 37, 4 (malindiban, sulnk), v. d. 

wind, Sul. Z. 33, 16, v. bloemen, Sm. Z, 7, 

10 (malindiban), T. Z. 3, 39, vgl. kësëb 

en kusu. 

9SiiPji<j^. jav., kalundungf, Kid. Adip. 

b. 2, bl. 43; kësab ring; kakèsaban pa^a, 
«linupntan apus. 

o)sno;u:)^\ (vgl. kosot); akosoh, *pa- 
gbftsa; makosob dl k^fnnè, «anëmpu- 
nëmpnbi tabën, kinosob en makosob; 
• agbftsa, kakosoby »angësab; mangosobang; 
*umirasbiras; kakosobaqg» hir; pakosob, 
«patakis; pakosohlng lawn, pos ik ing 
wulub; pakosobi «agbasa. 

99i0jQa|^ (?), «firida, «mrëdupu&pa. 

oKDOMgoj^, sterk spelen (kosèn pësan 
mëmotob); sterk eten (vgl. batav.). 
09QO tji\, z. onder katunggjang. 

«aX^^^, s., saksaAa, B. Z. 91, 3 (né 
djani), W. Z. 8, 12 (a<yaftn, sanimè&a); 



\ 



186 



n\ 



sasAksaiSa, Z. 49, 3 (glis, raris); ksaAa- 

pnbhfti kilat; z. kdaAika en sakdana. 
gsaAJjgsi^, «laf una (z. ald.), knoflook; 

wordt vooral bij de Batur gekweekt en hier 
door de bewoners der daarbij gelegene plaatsen 
aangebracht. 

n 9SiiRii96)^y aanh. onder tjampa. 

'^«DfljiQ^, fout in pi. V. korsani; 2% 

eig. V. e. vorst v. Kuldjum, strijdt tegen 

zekere Tursinah, die een onderhoorige was 

V. Saèsalam, na zekeren Makaub verslagen 

te hebben (R. M. 112, «U ^^^ v. é^^ en 

(v^i)lc) >^^ en verder ^Jlc. 

9sapj^f jav. (z. krasna), soort v. sfiegeU 

glas, waarvan stukken als sieraad aan den top 

V, siab's en tutub galëng, glimmer? in 

de houten beelden om edelgesteenten voor te 

stellen {*i jav. krëpa, Bjw. katja sulam; 

vgl. onder krë&Aa II en pangradjutan), 

Dpt. Z. 7; padang kasna, zekere kooge {lage) 

grassoort met kleine witte bladen, die geur 

afgeven; groeit op de g. Agupg; ook voor 

tjanapg (gnapholeumf). 

S«, sas., mëka (smbw. id., lamp. sakëna 

en kasëna, spiegeltje, een rond doosje met 

een spiegeltje op 't deksel, tabak in *i doosje). 
9Si0jn9Q^, jav., = kasinèn (Horsfield 

kosiné), Sut. Z. 9, K, B. Z. 6, 15 (de uitg. 

V. Friederich fasinya), B. Z. 4, 13; aanh. 

onder kalëwi; kaslné lëwas kapasasani Sut 

Z. 9, 5; kasinèn, ahrëtia bantfolia; de 

bladen tegen bloeddiarrhee. 

gsiO0J9Q^, kasèlaf, dodol kasèna, aanh. 

onder pasung. 



'^«siaO»^^, s., z. onder lëmah. 

qsiaX^^»^, s., W. Z. 23, 2 (sadidik, 
sakëaAa), Br. Z. 13 4 (adjadn), Adip. 16; 

vgl. k&aAa. 

9aiA^»^€rowi3n\, s., rftk&asa. 

«nt^)l^l^, z. onder ka^i. 

9eiv:>«si\, z. onder cftnta. 

QSn^QQun, s., ksantawjAkina, T. Z. 5, 
137 (ampura ugi), Z. 4, 24 (sampura 
ugi), Z. 3, 18; ook k&antabja, B. Z. 1, 23 
(ampura); z. santabja en sangtabé. 

QSiJüQQ^, sas., sëntëng. 

n nsn 0j )Q ru ^ , H geluid, gebulder v. geweren 
of Icanonnen; rëp dyam ko^aaala, kèwalja 
tjangftjiigaii atakis lawan tl^trlk, Spt. Z. 5, 
36, aanh. onder mrjëm. 

9Sin|iSDJ|7]tji^, Brh. 39. 

QSiiui^ L, h. v. roko (laüdjaran); me- 

kasar, h. v. mroko. 

IL, mmigrwing sornya pllih wwangangha- 
njat awaknya makasakasaran tanuig pëiUaliy 

Kk. Z. 27, 14. 

^<^a 

961 jui^ I., kasir*, ra wis, naam, A. 50; 
tëngër^ (vgl. *jav.), Sum. Z. 30, 4(kamba- 
won), Z. 9, 12, Z. 6, 2, Br. Z. 22, 3; sang 
makasfr*, «sang inaranan. 

II., angasir v. knevels, z. onder gasir. 

9611 b^, jav., kadabarha (upawarhaf), 
bultzak (tilam); «tilam, raadsel er op, 
baftng G^amah atjëpok bëtëk sai^; ka- 
kasaran, lastpaardzadel, paksadel, in tegenst. 
V. këkëpub, V. paarden, die ter transportee- 



\ 



187 



«^ 



ring ▼. suikerriet enz. dienen; hebben steelen 

(tjanggah) aan weerskanten (vgl. jav. kasu* 

ran eo s. klana). 

S«, ben. V. e. zeer breede nang ka-soort 

(i. galéng). 

98i<^a)^^, sor, «kabaliwatan, alsstamw. 

in H Bal., blijkens kèkasorang ban, oventHw* 
mm door; ygl. asor. 

flsiAJi^, këstr^lna baa angfné; kèsiran, 

kësëh, pgasirsir, «amirir, ook v. ver 
zich verspreidende geur, als die v. d. gaduiii; 
kasturi, «sumirir; B. Z 6, 7, mirir, R. 
S3 Z IS, 2. 

\, z. onder këtjur. 

n>Ji \, makësër, makalah. 



ï 



n «Ji\ (f), aiyësè'r, z. onder isër. 

n 0j^, I. isër; kiaarklsèr, «mipgsër^; 
User* ; Ier zijde sekuiven ▼. e. vrouve, die zich 
niet wil laten bekennen (vgl. mal. en sund. 

isër en isëd). 

onob^, kasarkèsèr, heen en wéér schui- 
ven ▼. lontar's, die niet geblagbagd zijn; 
kékèaèri jav., z. aanh. onder iwik, irid en 
kon; mékèsèri umingsër (vgl. kisid); 
mikëkèsènui v. d. banden of beenen v. iemand, 
die aan de vallende ziekte lijdt (vgl. ngë- 

sèksèk). 

nov^sn^, 8., z. onder bbftratawar&a. 

n^T)^, Sam. Z. 38, 4. 

i8i«^7i\, s., aanh. onder lawan&rnnawa. 

9Si^n^, f., melky T. Z. 1, 36 (pëhan); 

èauui tikang ai«garA4l7ft bUnnktinliv htna* 
4aBHa, kadi pawitraniqg kstra mwaqg g hrëta 



winèhakén ta Ja rta^r asn, maqgkana ta pa* 
danya, Adip. 84 ('t origin. 54Si{, a^ggarA- 
djyatltja nftrbas twam upabhoktani 
narftdhama, fwfthutftf asami pastham 
purodft^amiwftdhwaré; vgl. onder tjari 
I), aanh. onder rawa en gatarasa. 

9SiAj|n^, s., z. onder gëtih. 

961^71^, 8., ksoradhArft, aanh. onder «ko- 
wa^ en patatri. 

9Sinj)n^, 8. {zekere rietsoort), aptya mok- 
tya kQ^araaëk trënl, T. Z.S, 19; hnmadaaya 
mbnktya kamara lan dnknt, Z. 1. 61; snka 
mnlatèiv trèAa wills awor lan kn^ara lan 
Inngning lattö^rak aainwam, Z. S, K. 

9satNiin^ I., 8., padma (vgl. kèsari), 
R. 10 Z. 6, 3 (lawé (arira); makAgra 
kèfara (^èkhara te lezen) Bh. 24; z. sari. 

•IL, de manen v. e. leeuw, R. 13 Z. 2, 19 

(bulu). 

nosinjin^, s., «sipgha; kèsari (sic.) ning 

manohara, Sm. Z. 1, 23 (dèwaniqg angbjun 
bjuninè, vgl. onder fardüla); kèfariw&kja, 
• singhanAda. 

2«, eigenn. v. d. vertrouwde v. Rukmifti, 
Hw. Z. 6, 4 en vlgd. 

3% eigenn. v. e. berg, warsaniqg kèsari 
iwrwata, ring mahftdnuna ngaranya, ri té> 
ilgahning ^akadwtpa, qgk&na tnwnhaniiig (i- 
kawrékm; mataqgnyan (ikadwtpa ngaranya 
ri dènyan tuwnhanlqg c&kawrèkBa, Brb. 86 
(kèsarfttjalaf). 

0QSi;ui7i^L, kè(ara ^ sari; vandaar An- 
rai]|[kèsari, de naam dien Ratnadubita 



«^ 



188 



9SI\ 



verkreeg, toen zij door den vorst v. Mataün 
als dochter werd aangenomen; sarpa kèsarii 
Ntp. 14; sarpa kèsantim, Kid. Pam. 32. 
II.9 z. onder kè^ara. 



G 



^«wi3n^, 5., Brh. 86. 

qsia;i yo *^ u ^ , s., melkzee^ aanh. onder 
mandara, waar ook sirarnawa (vgl. onder 

siti). 

Qsn^nn^, z. onder suriring. 

96iAjn9QO^, s., z. onder fiwapatra, vgl. 

tjuriga. 

9si;uin9sirsii|\ , aanh. onder kalBwi, z. 



^\ 



sarakat. 

99^0 roso^, s.. R. 1 Z. i, 47; saksM 

hjang @:Ari wisna ngftul hinlringning dèwa- 
sangKhottama, swastang bhAml Ja donirftn 
kapatër ing kstroda tapwan kalen, Rm. Z. 
33, 6 ; kstrodas&gara nahan pinatërta ngAni, 
R. 1 Z. 1, 47 (ida hjang sagaral) aanh. 
onder likët. 

09 M ^\, pakasërsër tjakrandané ma- 
tëma, «makasarapat. 

961 M 9j\, z. onder kdir. 

nQSiv>i|Ui\, naast paramèdii, Tjt. 4K. 
««jnursiu^, z. kasërëpët. 

961 ^T^u^^, makasërëpët v. pijlen, B. 
Z. 8, 6 (makarëpwak); makasarapat v. 
e. tjakra, Z. 9. 19 (makarëpwak, paka- 
sërsër). 

n gsn ^ n \ , r o m a, Kr. ; pawranlng kè^ar- 

d|aolra a^jaiii, Mal. Z. 3, 153 (b. roma awra 
ii]|[adjum); dinirjjan (lees dinrijan) pwa 
({artranlra (irnna (tjürftna te lezen f) dènl 



warajang sang ardjana, dada dènl bhrama- 
rakanlra wëdar kè^ardjawra, dada dènl bhft- 
sananira rasak pada sëblt, kara (lees kar Aa) 
wèètana slngsal saklng kaping, v. Karfta uit 
den dood opgewekt. Krws., aanh. onder dja- 
hinang; amëpëké pakèfardjan, ald., elders 
pararambntan. 

951 won^ (?), gagarangan, Nw. 

9sin;u:)9sï|^« jav., Was. 34, 13; kasok 
manlkning nala, Dpt. Z. 1; kasok mashning 
krëdi^A) Z. 2, 11; rasanl twaslra kasok 
awatah, Z. 3, 29. 

g^pjiodüj^, pakësik, als U ware stom v. 
iemand, die met geen ander praten kan, v. 
dieren; h. v. sljap daranè pakësik, bij een 
ongewoon natuurverschijnsel b. v., vgl. pa- 
siksik. 

^ £i goi] ^ L, kadi kisiking panëmpohing 
djawnh v. krijgsgeschreeuw, Man. Abh. Z. 14, 
10, V. e. kleed; W. Z. 31, 9 (krèljèkan, 
krèsèhan), 66, 88, Wir. 54; kamlslk v. 
muziekinstrumenten, Sm. Z. 29, 8 (umjang), 
W. Z. 23, 2 (masyok, gumërëh). 

IL, kislk*, langzaam opstaan; klslk* mara 
bangan v. e. luiaard ; kadagl rëké saqg blma 
tkës rantah mangallntlk anglng twara ngra- 
ësang sakit mangndèbas raris mafangl kislk* 
njadsadln boké manglipat ragané, Kid. Adip. 
Z. 1, 36; uadja lasya nëmonln tongada dja- 
mah, né tawa kislk*, 4|amah padidiftn, Tjb. 
Z. 1 (de tjurtk vond den zoon niet thuis, 
die hem had geplukt, maar de tante, die stil- 
letjes daar zat). 



\ 



I8d 



«o\ 



Uï., jay. Mondbamk; kiUslk, «pas ir, «pa- 
si si, strand, Mw. (jav. gigisik, vgl. ooder 
bij as); kadi kaktslk {zand f) v. vele lirijgers, 
R, tas, Z. 10 en passim (vgl. sund.; mal. 
k ë r 8 i k, bat. h o r s i k, mak. k a s i q, bug. 
arisiq, zand; vgl. gres ik); klkistk, Kid. 
Sund., Z. 1, 40; kadi kiUsik (èlakasnradan 
ijJaklBg paatr makakaratak v. groot geraas, 
R. L. Z. 11, 60; z. tangkad; lllktftt tépi- 
mwg Tfêalr klslk*, nyan arésik apatth tlnlng- 
halaa, Ar. Z. 30, 5; kisiUsikr, Sut Z. 87, 3. 

S«, panëpi, T. b. Z. S, 42. 

IV., z. onder tampar. 

ia «j »|^, akwakkasikan, z. onder «usak. 

««j«|^, aknstkan èpah ing olaha v. 

iemand, die wegens zorg of aandoening niet 
slapen kan, Hve. Z. 1% 5, aiyësah aknsikan 
èpa riqg gail| Z. 16, 1, v. iemand, die v7eent,B. 
Z. 63, S (basosah mapulisahan, mangu- 
jaqg); aknslkaii ai^gisah v. bamboe, L. Z. 6, 
S (makosab kadi stri osah); paknslkan- 
lag wvlnh kalnkaras ri tapihnya ngèsah, 
Rm* Z» SS, 5. 

««jnj^, jav., aanh. onder «isab; ma- 

nfisakl voeten, handen en 't lijf, T. b. Z. 1, 49 
(Kam. IS, a^gradini); turn (djuruf) kasak, 
z. onder djura kurung. 

OflsinM^^ en tatiq, sas., een veoord, 

waarmee men knaapjes roept, Inq kèsèq van 

nog geen naam hebbende knapen; aanh. onder 

lèkan z. la yëbèq. 

nnnMnj^, pgèaèk» v. e. baan morrelen 

in H sand (makëkèpn); belona kèsèkaqga. 



«^KnAjoaj^, qgfiqgosak, sas., qgipgsabin, 
masëh bafts; péqgosak, pënaraL 

'^9QO<|^j:)»|^ LJav., of kosot; kékosok, 

bizondere soort v. bëborèh vooral bij lijken 
in gebruik en slechts bij enkele gelegenheden 
blJ levenden; aanh. onder këkëb, kakosokf 
» 1 u 1 u r ; makakosok, « d a d a h a, vgl. aanh. 
onder susut. 

IL, qgosoki aan een boom schudden (vgl. 
kotjok); Bs. hl, ▼. e. boom sinosok. 

«niQSi^, Wrt. 44, bis, vgl. kofika. 

^9siini9si^, s., krathakèsikèndra, Sum. Z. 

173» 1, en (rt krathakè^ikè^wara, de vader 
V. Indumati, ald. Z. 10, 1 (Kid. Sum., kr6* 
takèfwarjja); een mantri onder DjarA- 
sandha, Hw. Z. S9, 4. 

n9QOtNiigsi\, s. (kaufika), z. onder ulüka, 

Utt. 1 ; niban wif wkmltra, dèwar&ta, nddhala, 
madhatjhanda, aghamorsana, airtaka, lotitta, 
naka, kkna, ktrnna, wèda^rawa, waraka,pa- 
rana (purftAft^waf), dhanandUi^a» tiga 
wlas kwèknikaqg waték ko^lka (kaa^ika) 
mantrakrëta, Brh. 27 (vgl. Muir I 279); 
pantjakof ika 9 Kr. 20 o.; • piüitjaka(;lka 
(paSitja rësi), z. onder patltja. Z. S, S9, 
vgl. onder garga. 

IL, s. aanh. onder sampër. 

otoomoQ^, 8., aanh. onder mlètja. 

«ug\, s., eigenn. v. e. berg, R.; kis- 
klndkapnrl, residentie v. Bftli, Utt. 42 (jav. 
kiskënda, R. sas. këndawiwara; R. m. 
prabu kiskënda dwara, R. K, praba 



<^\ 



m 



\ 



kiskénda dyara sngriwa); UsUndha- 
wiwara, Kam. b. 

«««S[vnpak«8kMputth.Sm.Z.41.9 

(patlaktak ptak). 

^^^^' «atikël, «muruDgat^Z. 30, 40; 
• rëügüy R. 17 Z. 6y 12, «kamrui kèiig, 
ook V. d. wenkbrauwen zoo aangetrokken (vgl. 
tjikap); këskés mowané, «bhukuti; angëskës 
▼• e. kleine slang in 'i kussen v. e. bed, 
Hadji D. 1; vgl. èngkës. 

961 ^AJi]^, ruw V. H baar v. e. hond (bij 

fel i 

andere grof); ttwas twara nggëlah kiikiSy 

T. bg. Z. 1, 6, z. klikis. 

i; een werktuig om de pa di te bewieden 

(Bjw. k i k i s om de koffielüinen schoon Ie 

schoffelen, n*.), soori v. schoffel om 't onkruid 

weg te schoffelen (bbg. udud); nglskis, mei 

de pai%;iskisan wegschoffeien debijah^, 

gras enz., «amatun; raadsel er op kituk^ 

di duur di bëtèn mëkalibubwan; 

kiskisiiii «watunën (vgl. landalanda); 

kiskisaiigay «winatunya; z. ngaspgas. 
«^AJi|^,jav. (kuskus); kaskos ma- 

pèlpèly (djadja) bëgina; bintang kiikas, 
z. onder kukus; i^^uskaSy in sloom kooken 
rijst (vgl. nëpéng); kaskasan, kegelvor- 
mig en V. bamboe gevlochten, waarin de rijst 
gedaan wordt om 't nguskus te onder- 
gaan (evenzoo 't sund. aseupan of seupan 
V. aseup bijvorm v. baseup rook); ngiis- 
koaaiii ▼. e. gat smal toeloopen, *i tegenov. 

V. mëgèrém. 

o«nM0j!]^ l., ichtyosis (z. gadig), 2% 

Bjw., mal. kurap; kèakèsaB, kapkapanf 



II., vgl. mal. kik is, lamp. këkis; 
kèSf afschrappen 't gebrande haar v. e. ge- 
slacht varken (mak. kèqkèsèq, mal. kais); 
qgèskèslDi een paard roskammen met de p8- 
ngorkoran. 

2^ qèrsèrin. 

9si'^^'^«^gsl|^, Bgfësèksèk, ngëpëtpët» 

zieltogen (z. ngasèn), als 't ware dood neer- 
vallen als b. V. een sijung, zoo iemand, die 
een doode heeft bezocht, hem nadert, v. iemand, 
die aan de vallende ziekte lijdt, v. e. geslachte 
kip; vgl. mëkèkèsèran. 

^fls! 1^' Bjw., kaskaja («jav., Anb. 
146, onder, Ad. 40, 44, vgl. jav. këskil). 
«Mru|\, perzM ingui^^aii toja kolah, 

ikanf mnnggjèngr kaakol, Ba\|a waras dak 
anèng kana wulja sadajai sultan arab, nalja 
sinlram tLgÜAf dèné kaïig: taja biilah» djar 
Jèngrana sampan tm^asapau kariUiiy maraq^ 
toja wasjat, v. gewonden, Djb. (vgl. jav. 
këskul). 

9sa^(AJi^ I., jav., kosiwinnimg (vgl. mad. 

kaskadja en alib^an); kolok* malsl, ptpla 
karo bèlah, kaskajan anak adah, Tj. b. Z. 
1, 14; mèkaskaja, geluk hebben bij 't handel 
drijven of den arbeid, geU verdienen {ygl. sund. 
kakaja, pakaja en makaja). 

IL, V. d. god Bftju als de sterkste ▼• dege- 
nen, die den berg hebben te verplaatsen, Tu 4. 

9SiiAji&o|^, V. e. weg, die droog en hard 
geworden is (vgl. këtëd), vast, niet week b.v. 
van vruchten, vast v. borsten, tegenov. bonjo 
(batav. kësét, mal kësat, bjw. këaëd, 't 



«\ 



191 



\ 



legenoT. t. lanju; vgl. njaiykih en dëkët); 
beo. ▼• €. naqg ka-soort in tegenst. v. nangka 
bobob (vgL aoad.). 

99i^An&ci| ^, geschaafd v. d. huid, v. d. 

borat V. iemand, die een boom heeft beklom- 
men (mad. kolsat); Inlvd biis oija késod 
(b.: këlor), B. U. 472; vgl. aanh. onder 
rënjab. 

aM&oj^, kaaadklald ▼. e. kat, die ba- 
rensweefin heeft, telkens v, d. eene plaats 
naar de amdere gaan om hare jongen te werpen; 
Maklald, verhuizen (mëgingsir), zich ver- 
plaateen, ook v. pijn; ngisidang, iets ver- 

plaaieen, • 

n «n n «jo eoi ^ « jav., makosod, zich schaven 

▼. e. lichaamsdeel, «aghftsa v. e. koe met den 
mg aan een boom zich schuren^ aanh, onder 
kais; ngosod, zich eventjes aan iets schuren 
of mryven als b. v. een vogel, aan H lijmstokje; 
TgL sodsod, kosoh en kosot en z. ipuh. 
niGiv:>&Q^, s., z. onder lëbA. 

isi^so^, s., lalër, z. ook onder füdrama- 

pa(a. 

n9SiAO£C|^ , s., honig; ook sodra; Iwlr 

sein antos g«la, Ww. Z. 1, 63 (mal. ^f); 
aasf Iwlr hyug^iilDg sagara s«dra naast 
b y a üg^n i if m a db u dj a I a dh i, Dfprm., 
patth kMdra, z. onder madhn; vgl. sodra ka. 
n^eoisi^, ksidraka mUawa onder de 

Korawa's, Bh. 5S. 

«amuin^, s. (ka^adhwadja)» eigenn. 
V. d. vader v. Wèdawati, Ar. Z. 1% 8, zoon 
V. Wrëhaspati, ald. 9, Utt. 31. 



«AJisQ^ I., Wir. 54; Bh. 49; mangasat, 
B. Z. 87, 40 (manglapnt, mangrëbut), 
angasat ({UAtala, W. Z. 15, 10 (anglitik 
batu, mai]|[rakut watu né lèmpëh, 
mara<yut watu asab), L. Z. 3, 1 v. 
vliegende insekten, Br. Z. 4S, 4 (a n i b a n i , 
ngidërin), ald. Z. 37, S5, B. Z. 95, 10; 
angasut v. golven, Sut. Z. 20, 11, Ar. Z. 6, 
3; Br. Z. 4S. 4, v. d. wind, Snt. Z. 13, 4; 
angaavt angëmbal, B. Z. 29, 15 (ngabèhi 
mangliput); klnasat, «winarang; kinasat 
dènlng tè^a maAdalai Ud. 94 (vert. v. ^rijft- 
wrëta); klnaant ing paaanggaman, veremigd, 
Sum. Z. 10, 25; kinasating himftidpls, B. 
Z. 107, 5 (liniputing ima arang); kaka- 
snt, W. Z. 25, 10 (kakitër, kaliput); 
kakasnt v. e. spleet door een wortel, B. Z. 
15, 7 (kakapnt, kaliput), Z. 84,30; 
pakasataoy Sm. Z. 1, 3 (paturon), Z. 27,2 
B. Z. 26, 6 en 8 (pamrëman, tilam), Z. 
44, 3, Sut. Z. 51, 6 (vgl. «jav.). 

IL, mal. schoen; z. dëduplak. 

2% Bjw., ben. v. e. mindere t r i p a i%;-soort, 
de pik ui 77, sp. mt slechts kostende. 

gsi;ui^^ L, ngësataag alls; vgl. aanh. 

onder bëngab en boi^og; vgl. këdjit 

II., hana kallt kisat (R. k.: kusat) v. 
apen in 't gevecht tegen Kumbhakarika, 
R. m. 

9SI M TSij ^ , gescheurd lapje v. e. kleedingstuk, 
aanh. onder tjuriga; anang akësit aaaké 
agnng nèntën tien itja, de vorst heeft zelfs 
geen lapje aan zijne onderhoorigen ten geschenke 



•ö\ 



192 



\ 



gegeven; kMtan v. kleederen; aanh. onder 

sëbit; vgl. sitsit, ksèt en kësot. 

9Si^«jit5Ti|^, afraken v. e. pleister v. d. 

wonde (vgl. onder kësot en klèt) «sasat; 
ng^èsèt, tcheuren een kleedingstuk b. v. ^arman 
tininrQi™ makèsèt nllh bëtèn, Us., (vgl. batav. 
kësèt en bësèt); kisèt*aii, «babak; vgl. 
sètsèt, kësit en kësot. 

9ain«j-5t5Ti|^, ngfèsotf villen, afslroopen de 

huid, de bast v. e. boom (vgl. batav. kësèt^ 

jav. bësèt); lu^n mèkësot, Srt., pën^latan; 

z. kësèt. 

«MtsQ^^ katampwan ijjak^nini^ banja 

kaslliarëp Iwlmyan akisat, Rm. Z. 9, 2; 
kinisatalLën (b.: kambisantakën), van zich 
geslingerd y. iemand, die aan een slip v. 't 
kleed hangt, Nw., evenzoo de jav. redactie 
(Dèwarutji een fout in pi. v. kipat?; 
Gatal. 2B0, kinipataké), c., dèra kisatna, 
zij slingerde den haar niet weikomen man van 
zich, Hadji D. 83 ; patr&nfamër, ng^a., kamama, 
dèn kadi rasa mongrirah ronini^ kamama 
dènt&Dflsatakën dahka rnntikta, Krws. 17 
(gaat voor de aanh. onder kunau^}; dinëdël 
asru kan^ kori dènira sri naranata, 
bëlah kaïig babahan man^ko» sang 
prabo mariiig gènira, jata sang putri 
ika satingalira aaiig prabu^asru tumë- 
don malaju, ginamëlan dèn narapati 
kinipatakën ta sira, anuli malaju 
agè tjinaAdak kulambinira sëbit ing 
wuri muwah, nuli kagamëlan tèku, 
dènira sang nata, nabar amuwus nër- 
pati, apuranën in^sun njawa» Jsp.» j. 



(a.: d. a. k. k., d. sang nata» bëdah k. b. 

m.y s« p. m. gjanira, j. 8. p. i., s. s. p.» a. 

tumurun malajwa ^^g. dèn n., a. i. tuwan; 

sas. Jsp.: tinulak a. k. k., d. s. n., dadya 

blab bababané, s.p. mandjin^ g., dad ya 

s. p. èn^gaU s. s. p., tumëdun aglis 

malajwa ,«ginajuh dèra nrëpati, gini- 

satakën dènira, arëp m. a., tj. k., s. i. 

w. nira, n. katjaftdak sang aju, d. nara- 

nata „aris watjana sang adji, ampu- 

ranën i. dèwa). 

9Si^tsii|^, jav., verschrompeld, gerimpeld 

V. d. huid V. e. oud man (mal. id.; bat. 

kis ut, lamp. kisuq), v. e. gezwel kleiner f; 

»manyus, aklsat, B. Z. 5K, 1 (lëmët tur 

k i s u t). 

IL, z. onder 1 i k a s. 

gsi pjj rsi)| ^ , makasat, «mabingar; aknsat 

V. H hoofdhaar (vgl. mal. enz), B. Z. 12, IS 

(sambën, gësit); makasat v. 't boofd 

(hulu, doch wulu te lezen), B. Z. 13, 4 
(s., sutsut); aknsat v. d. gëlun^, Sm. Z. 

27, K (susah), L. Z. 32,3 (mlës); maknsat 

V. H afgespiegelde beeld in 't water, R. 1 Z. 

1, S, (maötjakan). Ar. Z. 67, 1, v. 't 

lichaam, Kam. 1 m., v. haar, R. 18 Z. 8, 1 

(padjut), W. Z. 2, 9 (gësit, ma gësit, 

mai^uré), v. 't baar, Wir. 32; H. Z. 52, 

3; V. d. wenkbrauwen gelijk rook, R. 7 Z. 

14, 7 (aëmput), v. d. mond, 22 Z. 4, 7 

(brëngos); patahnya kasat, «glungnmuré; 

mangnsat, «anamun (jav. iignsut); Jadyan 

tan pangajiggé lèwih manfasatani: masib 

i^a, Swg. Z, 2, 34; pakuknsat, nm. v. zekere 



»é»\ 



19^ 



iö\ 



boeie of som gelds te betalen boven 't teruggeven 
van 't geen verduisterd is b. v. wanneer een 
brahmaan 't goed v. iemand uit de 4* kaste 
beeft Yerdoiaterd, betaalt hij, behalve de terog- 
gave, een pakukusut (bedrag SKO)* Dp. 

t; slecht in de kleêren MÜien als een arme 
drommel, tn tegenst v. bnngah, aanh. onder 
bidjal en bantal; mangnantani:, aanh. onder 
sambraqg. 

'^9Si'^Wtfii|^ (vgl. kosot}» ngèsèty eventjes 

langs iets strijken. 

^^for>^9j:>^\ (vgl. kosoh), kosod en 

kèsèh; ak«8ot, aghft(a; makosot, «kosop; 

pangosot, «patakis. 

ntxiim^, inpLv. prakft^ita, Krsn. Z. 4, 1. 

iQiAXtsi^, in pL V. kftstha?, dlpaksata 

■linjak, R. S v. Z. 18, 3, vgl. gandhak&ata. 
isi^tsi^ I., 8., aarde (jav. siti); ksltitala, 

B. Z. 97. 1; ksltisnta, W. Z. 22, 5 (bhoma), 
kaltipada, Br. Z. 8» 3; aksitigamja, v. krijgs- 
knechten tegenover ngagadjah, Ar. Z. K, 6; 
I. k&itidja. 

ILt {parfum en als ratjanft, 00» schoone 
trauw^ vgl. bida, 't jav. wida, in vrouwelijke 
eigenn. en verder *t men. ganda in namen 
V. vroawen); ksltisimdarti eigenn. v. e. vrouw 

T. Abbimanyu, Br. 

iau\ I., 8., Sm. Z. 8, 22 (kasakitan; 

mad. kasta of kastah, spijt, berouw), Adip. 

44; knatAtUara v. iemand door een slang gebeten, 

T. Z. 4, 1; malara kasta pah mArtf^ita, R. 2 

Z. 1, 22 (kasakitan rahat rëmek ëngsap, 

dahat iqg sëdih ibuk paliiig);npama kasta 

ja, Snl. Z. 122, 18; atikasta, R. 4 Z. I, 32; 



luuita dnsta, 11 Z. 4, 7 (a&ia tjorahl); 
kastarafa, s., R. 16 Z. 1, 2; kastapi(;ita, 
z. onder pifita; kasta Inf karanfkèni^» 
• mok^ah iiig pafidjara, R. L. Z. 7, 142. 

IL, z. kaft ia b. 

in., z. onder aft ia. 



tiiMn DUi 11. 



96nu\, s. onder djftti en k&ata; kuia- 

taty uftdahagi. 

9^ u ^ , s. (z. onder wndng), zekere schurft- 

soort met zwarte vlekken, ringworm, Smb., 
koftta, sakit gëdé (bij RafiS. kosta, zooals 
men ook uitspreekt, verklaard met kurap, 
z. onder dit woord; mal. kusta, men. kutS, 
soort melaatschhei{);\iYN., tëmbènau^, tëm- 
bèn a n^ën; wong knatan, Adig. (Tjt. kaüfttan, 
z. onder wudug en pratiroAa); vgl. tilas 
I.; soorten kusta, z. onder bintan^, babi, 
gringsing, alu, pai, gtih, djan^at, ba- 
njëh, papasangan, vgl. Us. 130. 

nioow^, doloiig. 

2«, nm. V. e. roodgespikkelde kleedingstof 
voor hoofddoeken, meestal door Hal. en Bug. 
gedragen. 

3*, z. bij sarikonta, aanh. onder pandi 
en ajam. 

II., z. onder knftta. 

»U9^, «amibër, «wër, «qglajang, 
• oah,- «më'r, Sw. 9; ook ka&ia, R. S Z, 
2, 2, «aanh. onder pitrë. 

»MUi£i!|^, perz.-mal. ^»fuJ, eigenn. v. e. 
der vijanden v. Amsyah aan 't hof van Na- 
sjirwan; hij bedwelmde Bahram, vorst v. 
Kankan (jav. kangkan), om hem in handen 



9SI^ 



194 



961^ 



te krijgen, Am. en Rng. (vgl. Hen. ed. W., 

bh SBK). 

9QI ^n^ I.^ Dgastarijanif, drie hakkm in een 

Q 

klun^ah qwem^ zoodat de opening driehoekig 
is; drie dingen tegelijk doen v. een persoon^ 
ygl. aanh. onder këpuhP, ng^lasi sorah, djam- 
bé Unasturi, mangké, sinamirao langpsir 
koning^, om den vorst aan te bieden, Stn. Z. 
5; aanh. onder wlandi; wënèh anampa sa- 
roh, wënèh këndi klnastnri, Stn., b. b., 6. 
II. « verb. V. mal. katjapurif, bij de bal. 
Mahom. luban^ landak; z. dingdingari; 
kastari tifpujjan, eigenn. v. e. heilige pi, 

Tt, 25. 

o 
QSiMTi^, s., muskus, «tjantakura (vgl. 

aanh. onder dj a h i n a ng, alviraar ook s a p t a ng- 
kura), mrëgadafani (mrëganabbi?), 
• wrëksadhüpa (mal. id., tag. kastoli, 
muscus; vgl. kasturangga); kastari, B. Z. 
69, 1 (pagandan, gagandan), Br. Z. S2.. 
6 (ratjik, mrëganabi); satwa kastari, 
W. Z. 15, 11 (baron mrëganftbbi); angpas- 
tori, B. Z. 19, 6 (Iwir mrëganabhi, 1. 
gagandan), Sam. Z. 81, 2; kamkamftngas- 
tari, aanh. onder djëbad (sumar mrik); 
mëntas kinastarf longid, Sm. Z. 14, 9;kakas- 
tarèn, Ws. 13, 14. 

2«, i^aianf kastari, een zeer geurige ga- 
d u n^-soort, die zich naar boven slingerend om 
een lx>om werkt en slechts in den regentijd 
bloemen draagt (deze is l)edoeld in Bljdr. K. 
L II 176); gadanf kastari niprawit, aankon- 
diging V. e. volgende asmarandana vers- 
aiaat, Am.; ^j^^obé kastari, «palasti (?). 



gsiA^i^siK^, s., ksatradbarnim&9 s., eigenn., 
Br. Z. 19, 21 en 22, aanh. onder na la (jav. 
sëtradarma, z. aanh. onder kèfawa). 

ngstA^iTSij^, s., karaksètra, z. onder kuru; 
ksètra ngaran sBBg wèhana dibia, anang: 8a- 
laksana sapatra sira, tut. 24; ksètrag^rama, 
Utt. 108. 



3*, z. onder sètra. 
^Oi^tFo^i^^, s., z. onder th&ni. 

Oa^i^uji^, s. (k&attrija), B. Z. 8, 24 
en 25 (awirbhudja, puruöa, satrija), 
ksatrjija, ng^raoya, prabha, rftdjapatra, ka- 
dang; badji, lisatr^ja ika, Rj., mangkana sang: 
ksatrga, niban alahanira, mftsiha ring; rit, 
amaritr&Aang; htnadina, hamilangakëna ka- 
lëng^kaning; bbawana, d&na^Ara ta sira, amin- 
tabwa ri warah sang bjang Agama, bhaktya 
ta sira ri sang br&hmana nahan nlabanira 
sang ksatrga, Ag. 34; z. satrija. 

gsi^^stjiAon^, naast kdatrijakula, Rt. 
Z. 11, 11, aanh. onder dwidj&ti. 

«i^ann^ (a. kasturjangga), dèdès?; 
kinastarangga mrëbak v. e. kleedingstuk. Ar. 

Pr. Z. 8, 10. 

QQDPJio^^, z. onder paiatuk. 

gsiA^itfn^, s., Ud., 't origin. 4885 en 4964, 
vertaald met widura. 

gsi^ru^y eigenn. v. e. desa inK.A. waar- 
van de bev^oners ongeveer als die van Sëmbiran 
spreken, de h duidelijk latende hooren, vgl 

bugbug. 

g6io«Jiru^, z. kësèla en onder gëdang 

en bakatal. 



lei^ 



19» 



«^ 



o 



isi^fumvu^, z. bij taksafiU. 

d^rsin^, 8., bhoma, B. Z. 99, 6 (si- 
t i dj a). 

«^n^y I. onder kastuban. 

"^«en^^Q^, 8. (kau8tabba}; kaastoblw 
nala, B. Z. 24, 13 (manik k., kastubha 
m.). Ar. Z. 3, 11 (vgl. onder ufitjal en aanh. 
onder surabbi); kadyanèmanènia ratnakos- 
tabha hantnklni^ ^9n% qjakra tasik ma- 
Ihn, V. iemand, die een buitengemeene vrouw 
heeft, T. Z. B, 136 (pakuiih dèwané ma- 
mutér aêgara 8arkara); vgl. Adip. onge- 
veer bl. 56; ratna kostabha, Ww. 29, 42, 51; 
naBiDtfra plnakornna kostabha tatap g^ 
lufpiy&o mombt Sut. Z. 47, 2 Z. 67, 1 (z. 
verder kastuban. 

ya^nDolx. «kostubha, nm. v. e. won- 
derboom, omdat men tevens aan tübft {^^) 
dacht, daar de boom niet alleen heerlijke vruchten 
geeft, maar ook een rijdier; midden in zee; 
aanh. onder amad (dyan warnanën hjang 
gora iiig swargi, aningali in^ kadjën^ 
kastuba, sëkar sapëlik kaiahé, anuli 
dipan pandut, pan ginantèn ing tjupu 
manik, sinèlèh madya swarga, pinu- 
dja sëdaln, wus èfidjing nulja binuka, 
sëkar pudja dadi bébaji dyah adi, 
warAané aju ëndah „winartanan dè- 
wt f ri sëkardi, warnanira lir wnlan 
purAama aqgidëp ing swarga kabëh, 
dan lii^ën sai^ hjaiig guru, sëkëlaiig* 
kni^ kasmaran nënggih, saiig dyah 
ar&a iqgaraf, sang hjaiig pahat rawuhjdung dyan amit, samantuknya ani' 



gumuju kang anèn^ aria, sampun jaji 
aftdatëi^akën ii^ kapti, lab jaji dipun 
sabar „dèning wajah ta rnmadjapu- 
tri jèn pisaiiga tan ètja dinahar, pënëd 
titipëna bahé, bèiidjang jan sampun 
usum, jaji dahar tëka marëgi, mën^- 
gah guru tan mudjar, andahar ing 
atur, nulja nimbali hjan^ surja, prap- 
tèng aria hjan^ guru liiigira aris^ 
surja ngoi^ titip iiig dyah „dèn ka- 
rëk&a in^ rina lan ratri, jèn wus 
sëdëng aturna maring ngwang, nuljamit 
lakunya agé, dyan sang hjan^ wi&nu 
muwus, angidëri sapta swargèki, mi- 
wah swarganing pujtpa, bobohaniii^ 
widftu, inguni kastuba pu&pa, dupe 
mangké inguni lagja ngindraf mi, mai^ké 
kang duwé pinda „dan hjan^ wi^nu 
twasnya akumitir, tan wande i^ong 
mangké karëiitjana, dèning hjang gum 
ing mangké, jata hjang guru muwus, 
lab ta wiönu mrènèja agiis, aira 
kari wiladja, djaga kastubèkn, ika 
kaki panguripan, niiig paAdita rata 
këlawan bupati, kaïig duruiig kar&a- 
ning hjang roftdonipun panguripii^ 
won^ tjili, babakané paiignriping 
buta, pan^ alit paiignripé bëdès ojop 
paiiguripipun, sakutuné walangtagèki, 
kang ana artjapada, babahaning wi&Au, 

djinulukan padmanaba, dèning rama 
hjang pramèdti guru nënggih, këdah 
widjaja mulja dan hjang w. tinan« 



^\ 



196 



ify\ 



iigali tèdja, ing kèndran apadang kabèh, 
rawi lijëp lomaku, kasënënan tèdjaaé 
sang (ri> wisAu kampir ing gèuya» 
ing lédjamajèku, sënëning madya 
ngudyana, sang dyah lunggwèng dju- 
ga (djoganf) munggwing bangku rukmi, 
jata hjan^ wi&Au prapta ,Jng ardanya 
dèwi 9ri lingnyaris, sinten baja kang 
darbé atmadja^ dènin^ èndah in^ war- 
laané, jata twan ^ri andulu, datëng 
in^kan^ sang lagi prapti, dèwi asmu 
kèmëiigan, manahé akènjut, tëmbé 
aningali prija, sang dèwi f ri tambët ing- 
kang bagja prapti, sadya san^ fri ngling 
sabda ^^in^gih maniratmadya bjang ra- 
wi, (ri wastèngong dub kita wong paran, 
tëka andjndjug ing kèné, kèndël bjang 
w. muwus, ingong atmadja sangbjang 
pramistiy pëparab bjang padmanaba, 
dèwi fri amuwus, gandaning sëkar 
wus kon^as, w. kagjat, pu&pa kastuba 
kang: ënir mai^ko ana in^ sang dyab 
„lab ta pasti dèwi ^ri puniki, gandjaranë 
bjang ëning maring i^wang, dèwi fri 
pinoAdoiig agé. biuaktèng djinëm arum, 
ing udyana bandjaran sari, wus tjarëm 
amor rasa, bjang guro awërub, rën- 
tjana prapta prabara, lëbo mlëdug 
gëntër pater kilat tatit, in^ swarga 
arobara y^prabarané kang pararënéki^ 
tëiigërané djawata adjinab, n^artjapada 
rusak kabèb, jata bjang guru muwus, 
mrin^ bjang surja dukanya enting, 
bjaiig surja djrib këlintan^, alunggub 



tunun^kal^ lir sinarab baja tawan, 

san^ bjan^ guru lir maiigan djëbadan 

gëni, lir buta ngamabamab „é ta surjja 

sira sun pasrabi, pan an^rëk&a ing 

laran^aningwan^, sira kurang guma- 

tiné, sëdëng sira sun lungsur, ngrëksa 

gusti kurang gnmati^ sun salin nama- 

nira, sumirang namamu^ aturira sang 

bjang s., marma tiwas amba angrëksa 

ing gusti, wabu nudjn nèng arga «,bjang 

narada prapta gumuju angling, kadya 

tu&ta èb jaji bjan^ s&mbS, ^ri wiè&u 

buwangën agé^ mring dunya guru mu- 

wus, lab sumirang butjalën agiis, Wg. 

Z. 2, 1 envlgd.; kastoba urip arané, akèb 
sawabing kaju, datan këna alum aking, 

sëgër sëlaminira, dènë ojotèpun, da- 

dya panguripin^ wong, babakanë pa- 

panguripin^ buta mati, wit pangurip- 

ing ula ,,ëpangèpun dadya pai^urip- 

ing isining buwana sëdaja, ana dèné 

godongé, panguripèn^ ula banju, sëka- 

rèpun panguriping djim, lawan ma- 
nosya, ija sëkar iku, datan wong mati 

këdadak, atanapi won^ amati dèné 

wësi pasti walttja gësapg, Asmp. 25; 

anulja pinundut agé babakan wraksa 

kastoba, tan antara dinabar, wus 

lëmbut sigra sinèmbur, kaïig pëdjab, 

de buta's namenllijk anulja gësapg, ald. 

36), z. ook de aanb. onder krëkëtan, waar 

wéér wat anders er van gezegd wordt en ook 

die onder amad; vgl. RaflB. I, 373, 374, 37S 

en de legende aangaande een plaats op Bawéan, 



^ 



197 



9SI^ 



Tgds. Tan N. I. Vm, bL 301, sund.^een apis 
b o D t u I er uit gemaakt, mad. nm. ▼. e. won- 
derboom, wiens baas dooden doel berleven; 
de knoop v.d. mad. vertelling Rad in Kasim, 
waarin de boom vermeldt wordt, doet denken 
aan Rama's gesebiedenis met Djaiftjo, tot 
een ma nok bëri geworden, en RAwaAa, die 
een vogel, de prinses tracbtende te ontzetten; 
doodt. 

i*. benaming v. e. geneeskracbtig krnid, 
door Hanamftn gebaald, om 't leger v.Rftma 
wéér blJ te brengen ; Hanamftn bad den 
Daam vergeten en brengt den gebeelen berg 
Mènaka, dus in pi. v. sandilata, R., bL 
Z. 10, 2 en S. 

ioimaSi^, z. «ësës. 

^AJA^^, komasosi z. variant onder pu- 
sus. 

sQ^AJM^, z. onder sösi. 

Ki'^WM^ L, 8. (kn^è^aja), z. (ata- 
pa tra en onder lawë'. 

II., verb. V. kawisèsa?; ambol apa kn- 
sèsa (kawisèsa) né rare aogon (wien men 
gelastte een groote kloof over te springen). 

9QiAJ|aj9Q|^, in pi. V. kasuk&kan?, «ma- 

kiqg. 

»^ aji \, pakaaèsër, Us. 213, bis. 



iQiAJM^^ (J), uraqgaring, Kr., laag 

groeiend en voor groente. 

i9;uiijtsiï|^, nfistsit, tëliné i^ënab v. 

die valt, aanb. onder dupgkun* 

sgi'^M'^iui^^, ngasèaèt, «man^ididi. 

nnmmtAi^, i. onder kusèaa. 



9SiMU^, verb. v. eassave, de door de 

Chin. aangekweekte sësawi (z. aawi V.); 

këaèla kësawi, cassave (jav. këtèla kaspé 

of kasëpé), deze is de zoete variëteit, de 

kësèla prau is bitteracbtig. 

9Si«j«j^en kësëwn en kësëbn. 

o«it^ci^,8., R.Z. 127, 6 (bari), «wiftAu; 
bhatftra kè^awa, aanb. onder wrëftana 
(saiigbjan^ triwikrama). 

II., eigenn. v. e. beilige, die Sniasoma 
vergezelt, bem bij S umi tra enz. geleidt, Snt. 
Z. 15, 2, Z. 16, 3; ta^apa cèMniqg k«rawa 
pidjali, kantan kakalih, ngaran saqg wtra- 
bfthn, saqg ^ranftma, mataknt 1 «img pftAdawa, 
mangongsi wnklr wanawatl, magnni ring 
bhagawftn atri, plnaraban bb. smnltra, saqg 
w. asnètan ring (^ramawana, tiasiig karawa, 
sang p. maqgadëg ratn riqg astina, naqgalah 
sama dana ring wadwa paAa lolnt, masata 
kallb pada kakaqg, ngaran saqg n%|a saqg 
kèto, sang maja tan ahjui Iqg kawiijjan, ma- 
gnrn ring bh. snmltrai linlqggan bh. kèsawa, 
saqg kèln marabl atmadjanira mftradja bht- 
mabala, mangaran sang smarawana mapatra 
kakalih, djaln saqg atnha, ngaran aaqgtjan- 
draslqgha aang anam tatri qgaran pradja- 
dari, aaqg 4« naprQft atmail|anlra mftrftdfa 
satradharmma ngaran dèwi rèwatt, d. p. 
inalap dé sang ^andranfttha, sntanlra nftrft- 
d|a mkmaratha antanlra saqg somadatta, 

Tjk. 78. 

n«t>siir)TSi|i^9 nftrftjanftqgfa. 

«^«mmn^, v. Rftma Ar. Z. 19, 12. 



»^ 



198 



9SI^ 



g6«pj|fu|^, songsong upih, Tjt 23. 

gs«oiLoru|\, ergens in vasi zitten, niet er 
uit kunnen komen, aanh. onder blagadaba. 

gsi^ruj^y V. gekookte rijst /e hard, omdat 
de padi, zooals die v. d. ga ga, slecht is, 

drooger v. smaak. 

9SI ajÏ ru] ^ I., «sëk, «sësëk, naast djëdjël, 

Bt., «madëlë'; titlb késël, sësëk ja hibë- 
kan; makësèl, R. 12, Z. 24,2? (bëlbëlan); 
kakësèlan v. d. vijanden, B, Z. 82, 2 (kako- 
bëtan), z. kisël. 

IL, akèsél, Sut. Z. 82, 4 (kënjël); bana 
wwangr parusya ring^ IJan, anganinl pwa Ja 
mètwa rah, jittamadailiila, 20000, tjè^èl kolit, 
madyadanda, 10000, jan aliësèl rasaning: 
plDamsyan, prathamadadda, 5000, Wtb.; 
dèn kèsèl sartranipiui, sësël, Stn. 74. 

gsi^ruj^ I., ftautx;, katëpuk v. pondokan, 
«mosik; kësèl pai;énahai||ané, verkeerde 
vert. V. R. 17 Z. 3, 8 (z. onder «titip), ie 
weinig ruimte bevatten b. v. v. e. pot voor de 
lotussoorten, die breede bladeren hebben; bek 
kisël, «sësëk ja hibëkan (vgl. onder kësël); 
z. tisëk. 

IL, kisël*, «mingsër^; niakisèlan, « uming- 
sër; tan niaklsëlan, «tan polah L. Z. 15, 
6; Z. 16, 1; tan tadi makisëlan, «tan wë- 
nang mingë'r; vgL makipëkan en ma- 
ngingsëlan. 

gsiv>3ivu^, sangr kn^nü v. ëmpuBradah, 

Tj. A. b., bis. 

9s«pj|vu^y z. onder sula. 

961 o M vu \ , zekere aardvrucht, waarvan de 



bladeren ook als groente genuttigd worden, 
batatas edulis, afb. Bumph. y,pL 13 (mad. 
kastèla, jav. katèla, dat Dd. 11 en Tjt. 
gebezigd wordt; men. ubi kastel! of u. pèl§, 
sawusch w o h i w u dj a w a , v. Java inge- 
voerde ubi; 't jav. en bal. woord uit «kastèla, 
zooals blijkt uit de aanh. onder b a k a t a 1, 
ontstaan, vgL baL pastèla,zie onder gëdang, 
VgL ambon, sabrang, sawi V., en onder 
praü); Inng; kasèla, gebroken v. d. pool b. 
V. V. e. kalf door verwonding, ten gevolge v. 
e. worp, in tegensL v. lih; kësèla prafl of 
k. ki^n, de untëng voor plèndo, de bladeren 
tot groente ; otot ngln^ll ng^èbnn kasèla Jan 
malaln tëgnl, Dd. 3 b.; ngalik kësèla v. e. 
hoer; z. onder onturan. 

oY^xru^,s., sarwwftstrakn^ala, wibikan 
Ing sarww&jndha, Adip. 63; mrëgajft kn^ala, 
z. onder mrëgaj&; z. onder juddfaa en 
VgL k 09a la; boddhiknfala, aanh. onder 
tjir&juh. 

9SI woru^, s., L, R. 2 Z. 7, 2, Anj. Z. 22, 1 

(wawangun an), R. 23 Z. 13, 31; aanh. 
onder subhikda; dèwakafftla, 2 Z. 3, 2 
(djron dèwa), «kahjangan («jav. paku- 
salan, pamëlëgan); darmmaknf&la, WrL 
27 b. (is 't soms niet een verb. v. ku^üla, 
z. ald.). 

IL, weldaad (verschuiving v. beteekenis even- 
als bij jafaf), Adip. 

III., saguna, R. 23, Z. 12, 1; Iwihinj^ 
kafiaM, gunawftn 23, Z. 12, 4; bnddU- 
knc&Ia, tegenov. pftpi, SuL Z. 3, B. 



«1^ 



199 



> 



a^jfu^ y %. onder gosali. 

anivu^, z. onder durang. 

'^»of^fU\, 8. (kaufala) «gafta: norana 

kofala, «tarpaguna (vgl. ku(ala); hasta- 
kofala, W. Z. 30, 4; Z. 31, 1 (kagunaning 
taugao kawitjaköanan; in 'tjav. is astako- 
sala, nm. ▼• e. versm. v. 23 lettergr., zoodat 
daarin W. Z. 31 is gedicht, vindende men 
aldaar strophe 1 b (winftrftwaAa hasta- 
kofala maganti hana ta sinamèni ring 
kidung); de Bal. noemen deze maat wirat 
kaléugèijgan; 't Br. Z. 1 is er ook in ge- 
dicht en een jav. hds. geeft v. de versm. v. 
deien zang als naam op as ta kos y ala); 
R. 25 Z. 18, 9, in dezelfde versm., eindigt 
met kof ala; bastako(;ala zou ook een klein 
werk in proza over de handwerken zijn (bij 
Friedericb, Usana bali, totako(ala). 

2*, zoogenaamd kawi inpl. v. paftdé (vgl. 
gosali); op een lontar, bevattende een ver- 
warde geschiedenis v« e. kunstvaardigen goud- 
smid, datum 1885, anrat Ida palanda gèdé 
ktnt dlltutik kairlng oUh Ida bafas gèlgèl, 
sami apQa rlqg séqgf ahau, makaudélln pa* 
U^nrUh bliat&ra ring tamansarl, kadja kaqgln 
ii^ pul agoog rlqg Unngkimg, saUng pa* 
■gaadlku ida i dèwa agnqg ral, sang 
kafl^ap bliatAra djnmènèng pari kalèran, 
saklog piDonas tnsning pandé tJapiiQg, kang 
apanèogru kosala danta, aknwn ring bolèllng. 

36)0 AJiru^, z. onder ma Ai; 2* eigenn. 
T. e. bhagawAn, leermeester v. Mèghanft* 
da, ÏL m. (R. K. kuayalah). 



9Git>iru«)^ (?), woqg madhararftdla (rft- 
dj y a) ka(;alana iiamoqg rokmi v. e. goudsmid, 
T. Z. 3, 61. 

961 Ajj ru 96I4A «ij \ , (tmAang bj Aha makasa- 

liksak {geheel in de war F) osÜL Awrég, Br. Z. 
15, 27 (tlas glar makapakëkëh rusak 
osah malaju. waar sak door rusak ia 
weergegeven en dus sul ik als këkëh is op- 
gevat; een andere vert. tlas glaré maka- 
pangukuhnya tlas bungkah; snlik&a 
door de jav. verklaard met lëladjër). 

96i^n^nï|^, gandl galaii dadap wlphala 
tan kahop kasèsélLan kasèp kasélèwèg aqgliqg 
Ikang dabnqg biiasa siniiQgiditning asikèp 
siliii prép apëlok, Hw. Z. 33, 4. 



* «. 



osMTugst^, s., nit|a. 

n9Qot>sivun, s. (kausaljft), eigenn. v. d. 
moeder V. Rftma, R.Inl. 17,32 (snko^alja, 
jav. R. 3), 

2*, aanh. onder tjampa. 

961 ^niM^, V. lëjë'; kasëlëjè* (jav. hds. 

kasëlësëb), Br. Z. 4, 7, 3 (kowat suwé 

luju; vgl. kapélëjë', jav. këslijo en maU 

sëliju, mad. lëslio, zich verrekken; evenzoo 

bat. tassulandit en tarsilandit v. lan- 

dit, glad). 

96«^ru(Ai^^, V. vluchtenden, B. Z. 86 en 

87, 14 (padjëmpai^), Z. 42, 11, Z. 87, 11 
(padjulimpang), v. lijken, Kid. Sund. Z. 2, 
90, 93, V. vaandels, ald. 108y v. olifantendoor 
een knods, B. of Br.? Z. 16, 17 (padjulèm- 
pang); Sut. Z. 122» 10 (katulajab); ma- 
kasolajah v. lijken, Haris. Z. 18, 2, Sut Z. 



»^ 



200 



»^ 



127, 4 (padjulèmpai^), Br. Z. 12, 9; Z. 
28, 1 (pagolajah); vgL gulajah en su- 
lajah. 

*|«otgifUju^A\, «osadhilaift; vgl. 

wisaljawarini. 

«liUfuiAJ^, R. 18, Z. 10, 10 (manjaru- 

jong); kasalqjuv *^^^ pèdjah tanparasa, 
Tjt. 65. 

96iPjjruo \, makASnlambër v. d. gëlap, 

Sum. Z. 1K2, 10; vgl. sulambër. 

9SIAJJVU niq^, pakasolaiigkrah, v. lijken 

op 't slagveld, Sut. Z. 125, 5 (padjulim- 

pang), vgl. slangkrah. 

9SiMU|^, jav., ruw op 't gevoel als de 

srawad of d. lippen, die lëbuk zijn; erg 

amfioen schuiven; kasap ^ina, een geimporieer- 

de slijpsteensoort, z. katèng. 

goi'l^ul^, jav., N. Z., Br. Z. 2, 10 (kèng- 
gala), kasèpaiii h. v. sèpanan. 

9Sin«j:)u|^ , T. Z. 3, 56; te kort schieten 
in de vereischte kracht, Was. Z. 1, 29, aanh. 
onder duhong, O. K. (vgl. kasob); tan pè- 
djah mftr kasop, Ar. Z. 60, 8; konyangcoka 
rl kAlanlqg laga hllangni manahikl kasop 
sawaqg linad, Hr. Z. 50, 10, a&nh. onder tmu. 

9s«Mu|^ I., akësèp, «samahürtta, 
• sak&aAa, «sakarëng (vgl. akëdjëp, tag. 
kisap, blikoogen); bin kësëpan, bin akëdjëp. 

II., kidjëp, wèlin anak kësêp' (mëndëp 

dogen). 

QSiMuj^, V. d. oogen v, iemand, die pas 

wakker is nog emduidelijk ziende (batav. id., 
kësapkësip matanja, btv. v. p. vgl. jav. 
këtip'), «apëdé; vgL kisap. 



9SiMu|^ I. of kësip, kisap' y. d. oogen 
V. iemand, die pas opgestaan is (Bjw. kajap^), 
vgl. sidap. 

II., sas., tatit; z. tëkèr. 

991 ^u|\, kasap*, in pi. v. kaQsap^ v. 
iemand, die zich na een val afveegt, Dd. 24 o. 

opjjuj^ (z. kudup), knsap (onder hds. 

kusut, z. ald.). 



o 



gstmu^, z. onder hiraAya en ka^yapa. 

nosMu^, k&laksèpa, s., tijdverlies^ Sut. 
7 b, aanh. onder upajoga, Wir. 39, boT. 

9SI ^ u ^ , silihkisapn , z. onder s i 1 i b , 
vgl. kisapum; knmisapa, numpagakën; 
«kamlsapa, W. Z. 3, 7 (mangku); angfi- 
sapa, W. Z. 21,5 (mangabin, mamangku; 
jav. W. 124, anguswapu mangku); maiif^- 
sapnh (f), «mangisapwakën («jav. ki- 
sapu, paugku); manangkal&nglsapa djë'nr, 
SutZ. 115, 7 (man^asor mangawula t\ïi%\ 
vgl. W.) R. 23 Z. 20, 3; mangisapwakën, 
W. Z. 2, 24 (mangisapuh, mangabin); 
kinisapwakën, W. Z. 18, 9 (pinangku), 
kisapwan, Z. 4, 5 (paiigkon), Br. Z. 16, 7, 
waar gesproken wordt v. d. schoot v. d. vader 
van Djajadratha, waarin zijn hoofd kwam te 
vallen (dit woord, door de Javaan niet verstaan, 
heeft aanleiding gegeven tot de namen sap- 
wani, sampjani en sëmpani, z. Kril. 
Aant. op de Br. hl. 114; S. heet ook Widja- 
wastra, w. M. 103, welke naam doet denken 
aan wrëddhakdattra v. Dj.'s vader, z. 
DroAaparwa, 6277; vgl. aanh. onder djaja- 
dratha en vgl. onder sanga en gotra, de 



\ 



aoi 



«\ 



mal. Tert siadupati en een ander hds. 
c»)^jJui#; ook tahajaUy eigenn. ▼. d. palih 
T. (lal ja hebben de jav. gemaakt uil Br. Z. 
44, 1, waar gelezen wordt wwantën bhrë- 
tya kapArtjajAtaha ja tftdjar i sira, 
er wu 08» vertrouwde dienaar, reeds wd, hij 
deelde kaar meé enz.; Gohen Stoart, Krit. Aant. 
op de Br., 302 heeft dit reeds opgemaakt; 
diergelijke dwaasheden kunnen nog verklaard 
worden, maar moeielljker te verklaren is de 
Terschillende toepassing v. Pat ah, z. onder 
PrëthA; dat overigens de da lang namen 
maakt, kan men zien uit de aanh. onder kë- 
kawah); ook kisyapon. Ar. Pr., vert. v. 
Qtsai^ga, tut. 3; makisap wan, op dm «cAoo< 
:UieHp aanh. onder kiwa, Adip. 31, bis., 
naklsapwan ta rakwaqg pinakahalu ri sira, 
Bh. 8S (vert. v. jasyftham adhiruh- 
jingkam). 

iGiaju^^ (t), z. onder kisapu. 

nn4XU'^^, 8., galahnii^ parahu. 

o o 
I6M u ^ , s., (k &i p r a m), d è n è ng g a 1, 

Wd. 30; ksiprèm djanggamah, «wawaqg 
Inngba; ook siprém. 
*|iQomCnji^, s., kapur? 

KiAJiu£ji|^, verb. v. kisapon; qgisa* 
PIIIII9 UbdMVom, pinaiigku, Ar. Pr. 46,68. 
iQiajnn, z. onder a^udji. 

i9;uim|^ of kasé; kunaq; mnsuh kadi 
kasi^ kldèpaya, de vijatid was in zijn oogen 
ab U ware smeersel, hij zou hem onmiddelijk 
kunnen wHjeen, R. 16 Z. 8, 8 (kasèla. 



pranëlat en rai^raiig (vgl. sund. en mal.; 
bis. kasaj, nm. v. e. boom, viraarvan de bast 
als zeep gebezigd wordt, ook ter zuivering v. 
't hoofd; lamp. kasaj, eenpku steentje, waar^ 
meé men ander 'I baden zich bewrijfl; kasé, 
zeep: i^dj. kasaj, bet., behalve rystpoeder 
voor smeersel, ook de meelachtige stof op vruch- 
ten als de bligo; kallDlka sawaï* torahnl 
kasajlng tltif inarèkaii ing pasaonraman, 
B. Z. 41, 9 (limutnya himper kakarèn 
wida karagët srin^ rinaras iug wor 
sarimai^, himanya kadi sifidjang ka- 
klèsang né srin^ kadiman rii^ satjum- 
bwanan, toja punika Iwir tingkah 
otjaké njëptjëpang mangaras riqg pa- 
tëmu smara, in welke S Uatste vertalingen 

kasaj misverstaan is). 

9Sino(Ai^, kaöftja, L. Z. 30, 4 (bat. ha- 

saja); k&saja, rosse kleéren vooral van Bud- 

dbistische geestelijken f; kafiajama (f), saka^a- 

Jama tan (1. taman) lapa, L. Z. 36, 4 

(saduluranya da ëngsapin). 

9Siivt)(Ai^, 8.9 z. onder sadrasa en ka- 

jasa. 

96M(Ai^, s., long, aanh. onder upajoga 

en wi dj il (winft^a), verlies aan strijdenden 

in den oorlog. Bh. 91; tegenov. wrëddhi, 

tut. 47, R. 10 Z. 6, 7 (laju, è^^^^)' ^* 

hjai^r prAAa lawasnlrft (nik ft f) sfttns iwa 

takon 1 kftlanlng krëtta, rlqg trèta pwa Ja 

sangsaja ksi^a datèng sapnlah Iwq tahnn 

sirèrlkfti sering (b.: sèwuiig) dwftpara riiy 

Jogftnta catawarèa tëmakika sahasra tlandra- 



sëré, dagdag), Wt. KO o., z. aanh. onderlma, Jan ring sandkyaDlkaiig Jogftnta tahu, 



7Sli\ 



202 



9SH\ 



iqr Jnsa satali (jav. hds.: tjalita) sahtiisaB 
Iqg harip, Nts. 4, 13 (tuna); balaks^fayaaob. 

onder tjafitjala; z. sangsaja II. 

^ o 

g^pjitu^, z. kësijSSi en késijadn. 

^^n '-' *luru; mowané masawang: 
kasya lawatin damaré lomlnm mëlok bnka 
balan, Tb.; prarai knsya pramang^Un, ma- 
sawaogkadi saslb katawëng^o Jangpbabu, Heg.; 
kDsya tanpatèdja, Br. K. (Z. 15, 40); kéma 
malih awak dasnn bwiii pélèin i^oba knsya, 
Bngk. 16; dapét rakané nial]ng;g:lb, kasya 
masadab, bnka sinomé panasin (sin o ra om 
den volgenden zang aan te duiden), U. Bil. 
Z. 1; aknkasya, aanh. onder rompot; vgl. 
tjoöng. 

II., z. aanb. onder «amas. 

III., jav. kuswa; Djt. 15 en elders; knsya 
wirang^ong^, benaming v. e. versmaat, Smng. 
Z. 11, (8i, 8o. 6a, lOi, 7a, 8a; bij Winter 
Zam. I 329 een weinig anders). 

OQon^u, K. A., sarikontaP?, z. kosta. 

9sii^|q^ , makèsyah v. d. wind, T, b. 29. 

^19^, nirik makësynb, «mar mrik: 
makësynh mang^alnb maèbo akap*an, Kid. 
Adip. Z. 4, 18, aanb. onder salutab (maka- 
nan itu jang di dalem padati bérba- 
ülah fj^i^ mëmukul bidungnja bima 
itu V. de spijs, die Bbima, in de plaats v. een 

ander, naar Ba ka bad te brengen, mal. w.). 

^ o 

o^toiui^, z. onder sija. 

gsn ^|9q|^ , kè^abang; kasyan is donker bij 
't zwarte af en evenzoo de bloemen, die gerookt 
worden tegen aamborstigbeid en raslung. 






obu, mëkésyar, «mürtjtja, v. e. wind, 

C. b. 

«ju||yi\, R. 9Z. 5, 1 (sutra), R. L. 113. 

o^|7ini^, benaming v. e. stof?, Ks. Z. 

(«jav. kuswaraga v. e. apus buntut; 
z. Angl. D. 3 m, aanb. onder kil at II en 
ban tal); kasyaraj:a mwang: djamang^, R. 9 
Z. 6, 1 (vgl. onder kusyaraf), atilam ka- 
syarag^a v. e. zitplaats, Tj. A. 47; vgl. ku- 
djyarakta; wadjftnrang^ knsyarag^a, dus een 
roods stof (vgl. onder gala ga). Mal. 350; 
365; alandèjan kasyaraga maram, T. Z. 5, 
83 (masotja k. bëtjik). 

9SI M ^\ of kësyët^ het zwiepend geluid 

V. vliegende vogels (jav. waar ook mi jut, en 
mal. sijut); makësjat, zwiepend klinken y, e. 
spook b. V. z. koos II; kësgatkësgat, heen 
en weer zich bewegen, maar als 't ware een 
zweem er van, zoo b. v. v. spoken als de 
tangan^ këmangmang. 

g^iRKjju^ 1., 8., eigenn., Adip. 27 (vgl. onder 

daköa); ki gfag^ak toras anga^ap, dèning: bli 
lintang: duson, kènkèn adi djié mlali né 
namitis, jèo (fitjèn7) dadi alahang; aoj^f, né 
mlab djwa kënëbang^ „U djapa trwan sa- 
maflr aris, nik! mangkin tityaqgr niidartajang:, 
mangpdé bli tatas rëké, sang^kan kèto tmana 
ipun, né qjantana tana jan sasada ng^ni, 
dadi Ja anëma ala, santanané dljadtja, kadi 
sang^ samali ika, mang^atarang^ okandanè sang 
kèkasi, ring bagawan wèsrawa «ikdéh nanas 
pntra poda (7) ngani, ring bagawan w. Ika, 
bagawan raris ndjaré, i||ai ëna nama namu, 



«> 



203 



961^ 



nto mèda santanué ngnh9i abit, masfb 
kdih napinuiasy padanda tnr !^a sampan, 
mis ladl sxBg rftwada, mpnrëipida tor Ja 
anpibatablty sasasilané ka^a^ak „apan wa- 
ték i||aDé nnmltis, dad! kèto angkara tor 
loba, alahé né djlé*, bafawan ng^dika alns, 
iné dfanl sasih rahina btfik, qjai twara na- 
gik pjanaky sang^ k. matnr alns, tityam: 
wantah mandawëg^ani^ dnrus swè^a, mandja- 
kaq; tltjani: né mamfkin, mangdé wèntén 
4npat titjang^ ,»bag:awan raris ngpandika arls, 
napolaga (?) njai tor madarma, mangdé mlah 
stBtaaaué, ingglh tityang niang^kin nnfln, 
savatlanan bafawan panika mangrkin, nwos 
nao^ln blnréafhan, tor madarma mantrkin 
sampuiy mtn mang^kin sangr bisana (wibhi- 
saha), bafos darma, snsila tnr sado bndi, 
pradf qfèqr luiwl èbnli sastra „ki g. t. snmaflr 
aris, sadja kèto bli adi bina, adi bag^ns 
pradjnjèni: sastranè, bli bo^ok bwin dnsnn, 
bilih kèto 1 mèmé ng^g^awè né ng^nni, dènfngr 
bli knramr Jasa, sang^kan dadi bo^ok dnsnn, 
arardi (7) adi niabinajan, Jasa b^lk, dèningr 

adi bafos ririh, pradji||èngr kawi èbnh sastra 
.«ada blogr to né djndjntang bli, atma kèn- 
kèn, unmitis niandjadnia, kl dj. t. saflré, 
tityaBgr nntnrang^ pnnikn, éntip kawah pnni- 
ka nnmltiSy kèwala Ja blsa nang^ap, ring^ 
kaUnk nëgfèn qjnfln, ada bin dmën kafl^ap 
sabda nla, laksanané mwat malt, sami Ja 
èatip tBg kawak malib wèntën tntnrai^Ja 
a^nni, watëk rësl kasgapa ika, pat belas ra- 
biné, okané njalab nndnk, ana sato nla lan 
paksl, ana danawa raksa(sa)y lawan pisa^ai 



pnnikn, sami rabiné angkara, momo mnrka, 
makadlnnja n$ag dlti, srnsa baktiné riqg 
lakja „maslb loba ang^karanl tan slnipl, 
witn pntra aijja kaslpnk ika, iranyaksa at- 
madjané, twas loba ai^giiarèkn, kadi dané 
sang^ prawa né maqg^kln, srnsa baktl rlqgr 
laiya, tnr darmandaoé mnpnt, tan plwal riqg: 
tntnr lakJa, mtn pntra watëk dèwatané sami, 
Iwih bag;awan narada „kl g. l. sabdané 
aris, Jan sidanën, watèk dèwltané mangdé 
kasantana rëké, apang^ bag^ns darma iko, 
witjaksana pradjnjèqg; sastra kawl, ki dj. t 
ang^tjap, saksgang: darmané Ikn, nnmnang: 
watëk dèwata, mangdé sida, darmané gënti- 
nin klrtti, nnrnuang watëk dèwata „sapg 
sinnfln ida wnang atnrin, mangrëdana antnk 
srnti sloka, tnr karë(gë) pantnk argané, 
kaflpti mnngfgnb rl kajnn, mannmnaqg: as- 
ta dèwatané sami, pinakadl lawan padma, 
sarinnjané kawnwns, ida sang hjang djagad- 
nata, sang bjang siwa npti baktinin, Ida 
ngitjènin kasnkan, Djp. (hier volgt de aanh. 
onder gèntong)* vgl. onder danu 3^ en sid- 
dar^i); nihan tikang garndaloka, kadatwa- 
ning ka$yapawangfa, sang snparAnfttJnda 
ngaranikft, Ud. B6. 

II., kaèyapa këpnh, këpnh kasyapa en sapg 
kasyapa, T. Z. 5, 58 en W, waar van zijn 
dorens gesproken wordt, naast këpuh, ald. 
42 (Kam. SO si 9yapa); tnt|apa tang 
para paksl sarbwamangsa wasanting kasyapa 
rimbangikang mahtdhar&tyan wièti agnng 
aiësèh alnhnr ahrongnya Inwang anamwnnf 
nnggwanlng pisatja $nkëtnya angriwëgi a- 



»^ 



ao4 



9S»^ 



kwèh puntnir para kafa darès tfahak tak- 
tak apokuh „paksl doknya tan kari andjrit 
angrokok ani^rarakirnk njagrik (f) darfjas 
ani^èrak dalapakiiyaii|r(pipéki Iwir tatabahan- 
tng plsatja nartaki rl witninir randa ani^rè- 
sakèn ati sadakala niani hanèni^ rando, fr. 
s. A., vgl. sisyapa. 

9Qoi^ju^, s., z. onder lëmah en aanh. 

onder rëotëb. 

5S«iM|0LnQQJ^, z. onder kisapu. 

«ii*|^nn[|^, kësyab. 

üng; makèsyab, «kumëlab; mèkësyab, ook 
naast tangkëdjut, v. planten, die verplant 
worden, zoodat zij nog flets er uit zien (vgl. 
onder ingët, idup en ngëntën); mëkësyab 
bajané of mëkësyab atiné, v. iemand, die 
verschrikt is ( batav. m ë ng k ë s ij a p en 
k ë s i a p). 

9s«^|ni|^, mëkasyëb pèptëngan, danung 

tltyang polik an|^ nëi^ak, raris tityang ka- 
sèngkaon, sida liman ti^angé këni apit* lëh 
tolangnè, kadngl tityang makësyëb, nèntèn 
mèling ring dèwèk, apit* këni glantlngin 
tityang, fr. 

99|^n, kagèt tëka makësyëng angln man- 
dadnt atilnlnti bnka ngatnrin gagandan. Tb., 
mëkësyëng v. stank (vgl. iing); mëkësyëqg 
kënëhé; ngésjëngin (?), op een wonde b. v. 
invloed hebben v. e. ingenomen middel (kë- 
sjëngina =? ai^sëngina); kësyëqgan, 
angsëngan; kësyëng'anè bakal ada syat; 
mëkëgyëngan. 



^"I^pv mëkësyongi ontsteld bij een plot- 
seling geval enz. 

QSii^oj^ en kasim kwari, eign. zoon v. 
Rustam en kleinzoon v. Amsyah, Am. sp. 
(h. H. 110, ^jyè^ ^U). 

969 ^'eÜJ^, z. onder untëng. 

9Si^'EO^, s., k opa sa man (z. onder u pa- 
nama en da^adharma en vgl. sa ma), aanh. 
onder mèdhA, W. Z. 12, 13 (sampara); 
aminta ksama, R. m., (R. K. : sa ma) ; ksaman- 
ta, Ar. Z. 4, 5; ksamftkëna, B. Z. 2, 17 
(sampura ugi), R. 5 Z. 1, 10 (ampura 
w.); ksamakëna» sapurailën; z. ksamab 
en aksama. 

II., z. onder saptopftja en onder m ft r- 
dawa; sang ksamA tinarlm&kën log Hia- 
gawftn pnlaba, arpakftnak saqg kardama 
(karmafa), ambarlwan (arwariwftn), sang 
wlsnn (sahiöftu), sang sannati tinarimftkën 
ing bh. kratn, arpakftnak sang sastl sahasra 
w&lakllja, bbagawAn sastl sahasra wftlak, 
ngaranira, sang rësi nmlring bbat&ra $lwft- 
ditya, arpapradakslna ring mahftmèm, hana 
tiüri bh. sasti sahasra bftlak. kanyft rwaqg siki, 
sang satyawati mwang sang f wapara, Ag. (de 
varianten uit Vi^Aup.). 

9^^o^,om 't rijm in pi. v. ksamft; 
kaprawatan aminta kaamt, de heilige steen 

namentl. 

9Si^^, s., z. sëma en ksmabhrët («jav. 

kisma, R. m. sangga kisma, in pi. v. 
sangga wëdi, Jsp.). 

n Qsn A^) o ^ , s.. brfthma kèèma prAptt, wian&n 



«*N 



m 



^^ 



kstea p , flwa kèèma prftptl, wlsAa krtma 
p., flwa kaèma p., Ag. 67 (hds. a. 34). 

2% aanh. onder tambëk. 

"^a^oct^, 8.9 z. onder sulam. 

nAJjCi^^ 8., bloem, en eveuala sari en 
sékar in eigenn. v. prinseaaen; sang Iwir 
kjaag kuuDa v. Anrangkèsari^ Hal. 172, 20; 
talA kasimia riko kang nllja ring watjana, 
kij i$ gmm edelmam, segt men, die zijn woord 
uiei éoudi, aanh. onder rft(i; tnraalng kiua- 
na, b.: tnrasing këkëmbang of tnras 
k é m b a ng m a s), aas., afstammende v. e. vorfl 
(fgl. de mal. ail 't jav. ontleende uitdrukking 
(ai i. k. en turas i. k., vgl. onder totos, 
jav. trahing k., tëdak (jay. tëdak) këau- 
ma, Tj. 89 en 21; tëdak kusuma turunan 
woqg atapa); ané kèsimia pésan, nlka ané 
paÜBf kèaunanai dai ü iets, waar men zeer 
veel prijs op stelt, v. d. bungan tèblun b. 
▼. ak ingrediënt v. e. offerande, (vgl. këmpën i); 
kasoia^ftpa» s., smara, R. 16 Z. 10, 10; 
kasuiawttlitra, nm. v. e. versm. ( w w w w 

w v^ w w — ^ )» 2 B. 7 Z. 12, laatste 

regel v. d. 3* strophe, ori6 Z. 12, laatste regel 
T. d. 6« strophe, 24 Z. 9; tasing kasnmai 
aanh. onder sëmn; knsomagandliawatt , 
eigenn. t. d. vrouw v. PurAna Widjaja, 
H. 11, 12; kosnmabhawana , de hemel v. 
K4ma, kam. 32; anrang kosnma, dochter v. 
d. vorst V. Djagaraga, Mal. 88(vgL anrang 
kèsari); ratna kusaBa, eigenn. zuster v. 
Djajapati en gade v.d. Man tri wadak^Mw.; 
kadjapgipn saaghjang wlrakosimia, Mal 281 ; 
(vgL onder pu^pa), Br. Z. 6, 2. 



^^\» eigenn. v. e. pi. ('t denken aaneen 
langer woord verbiedt de versm.) T. b, Z, 
i, 111. 

^AJi^, z. onder k^mft. 

QOiA^ia^V ^8^- kSftmft, Swj. (kël). 
gsi^'E^tSH^ , onder de standen, Krtb. 16 b., 
aanh. onder surftga. 

2% eigenn. v. een der vorsten van Badui^. 
'^ r?*c3^' ''•* hantimun. 
9Qot^n^ , s., z. onder dj aj anti. 

» ^7)^ , eigenn., Sut. Z. 93, 13; ka^miran, 
aanh. onder kumftra en an^gftraparAa. 
QSi^ngQJ^, z. onderr smara. 

96iA^9Si| , «kapura (?), «majuka (t), 
kam uk a (vgl. jav. en mal.). 
gsi^'E^Tsn^, z. onder samatft. 

n^Sisi^f s., mëmbang; kasnmlta- 
gandha, nm. v. e. versm., Tjt (sabanani- 
kapg rftt, para taru satwa, pada ta 
pinudjèn^ kusamita gandha), kusnmita* 
4Janma, Wrs. 13, (in 't Skr. fafiwadanft); 
kèn kosomita, dochter v. d. Raden Arjja 
V. Padjarakan, buit gemaakt door Patt<yi, 
Mal. 4, 3 en 108 (vgl. onder atanu). 

.«^OQU^, s., kflma Sm. Z. 38,3; sang 

Iwir knsnmèsa, v. d. held v. *t gedicht, Ww. 

Qsitfjj'EO Mi^, s., kftma; kosiun&stradèwfi 
Sut Z. 107, 2 (hjai^ ratih). 

»^<EO«j:)j9Q9Si^, T. Z. 5, 77, variatie 
V. Pradyumnamati, Kam. 22, 23 (waaruit 
blijkt, z. (loka, dat hier mati eigentl, sanscr. 
is, en dus geen dood beteekent). 



9611^ 



^06 



«61^ 



i^9J^^r^r\>^, de liefdegod f Ar. Pr. Z. 10, 4. 

9Sit\iiru^, s., aanh. onder dadah, Sut. 54, 
9 (bhigna), Sm. Z. S4, 6 (dahat lëtuh), 
T. Z. 4, 18 (1.), B. Z. 73. 3 (dahat djëlé, 
nawi latëk); niwani^ kafmala, vert. v. 
daoskalah» tut. 20, 46 (v. kftpuruöa); 
kafimalaniiii^ ^arira, aanh. onder pi^ita 
(salit dakin ragané); strt kafmala, een 
slecht wijf haren man tot allerlei kvraad aan- 
zettende (vert. V. sftdwi?); wètnyatikacmala, 
T. Z. 5, 60 (kaüpët manah djëlé, lintang 
sëbët manah lityangé), z. Swrg. 3, 6. 

gsB^^otutai^ , (kusum&judha), smara; 
kasnmftyndhaloka, smara bh awana (jav. 

tjakra këmbang). 

9SI ^ o ^ , jav. (» k u s u m bh a), verfstof, 

aangekweekt (carlhamus tinctorius), de plant, 

z. Bumph. (tag. bis. kasubha); barak kasmn- 

ba, »dadu banju; sabak kasnmba, Bbg., 

s. tjëtjirupan. 

9Si^a^ I., 8. (kau(;ambhi), nm. v. e. 

stad of rijk, T. b.; sang kusamwjan, O. 

II., jav., boom (schleicheria trijuga), 

waarvan brandhout, de bast voor laü en 

borèh, afb. Bumph. I pi. 57 (z. këtjaltjil); 

bawah kèsambi is een b 1 a b a d in pi. v. 

kapëfitjil, dat op këtjaltjil rijmt; vgl. 

onder «wunut. 

9si^m, z. kësumba. 

o^o^, kësambanir bawi, sërapah. 

«lyp^^sTij^, s., ratu. 

osiv^ni^, s., T. Z. 4, 14 (tupgtungin^ 
alalai^), naast tungtungning alalaiig en 



lunggahning alalan^, Ud. 52, z. onder 

gëlës, Utt. 

«i^nu^, jav. (v. sub?), algemeen bespro' 

ken, beroemd, B. L. Z. 7, 158 (kaloka), 
«pra^asla, «kj&t (vgl. lun); zich verspreiden 
tot een zekere plaats v. e. gerucht, Ww. Z. 1,4. 

9SII o ^LO nw ^ , hevig ontsteld en ziek worden 
wegens 't zien v. d. verschrikkelijke gedaante, 
door een godheid aangenomen, bij 't zien v. e. 
tijger, een gulungan tikëh, aanh. onder 
nanëng, bëdjagul, bij 't getuige zijn v. e. 
epidemie, verward, zeer verbaasd over iets, niet 
begrijpende, hoe 't in elka&r zit, Nw., «kagë- 
man, «kagëmër (vgl. gègètën); malajn 
kasob ring^y wegens 't hoofd v. e. gedooden 
reus, Nw., vgl. aanh. onder tëlës (jav. kasokP). 

9Si^m^, ampura; kasiba dja tityang 
rata, apang giglsan aaraka, batèk anang 
kalih tafln, Bgd. 



^ ^ 



geiPJir:»^, sas., sëban; ook kësëwa. 

waarvan water bevat, afb. Bumph. V pi. 167; 
ook in pi. V. rotting gebezigd ter versjouwing 
V. zwaar hout (Bjw. sërëbsëb). 

o^^. jav., amoddat dambèsi saUng 
djro kakasangi Am., na 't gevecht, waarin 
vele onderhoorigen v. D è w i S o dj a tegen 
A m ad sneuvelden, komt Umar maja haar 
zeggen, dat zi{ bestemd was, de vrouw v. A. 
te worden; vervolgens dangn n. m. tjipta 
kakasangira, nalja mëtu mpa ilir, sakiiig 
djèro kasang, dyaii kèbatakèn timili é^lli 
kaBg mati, dyan këbnt illr, pérsaad uip 



^\ 



207 



961^ 



■allki slrali tuffil polih, téoapi ifimbiuir 
lu teBfan, mapu saml pnlih nftlih, (vgl. 
onder k a ft d i); ndah ri sèiènfnir&hjas ang^alap 
yrtain iDsoosirèiif kasaof*, nfkft tnmlb&Df 
wilApa (de minnebrief) ri harèpnira kadi* 
sasBiiUBf ÜDfa, raarmma lihatnirèrija tiihan 
wëtuimaiiüra harddha sanf^i^a, Hw. Z. 10, 
17; kaaanf*! pahjasanira somadjtiif tahas 
kaninf, ald. 15, B. Z. 56, 1 (sa put, lamp. 
matwerk voor zeilen), Anj. Z. 15, 2 (ka- 
sang ulung); kasanf wnlniigy Ar. Z. 23, 5, 
siddhAninf makasanf wnlnnf Ja palakangko 
witjaédija bhasènf karas, Ar. Z. 1, 2 (vgl. 
jav. en sund.); kasanf tjarik, Lamb. Z. 1, 3 
(karas alit)^ Br. Z. 37, 8 (mangawé); vgl. 
kekaftdi, aanb. onder tjarik. 

l\ kikaaanf, dekkleedje v. ktstjesf (Gatal. 
Balav. Gen. 125) of op den scboot van die 
mëdamél of mëwèda, H vierkant gebor- 
duurd en ook om er de ra n ia san op te 
leggen; kakasanf domilah, kadjang mrftk. 

iBkM\, kaséngin, naast kasrëngën, 
«krodba; krAra, vgl. pëdih. 

99n«jo^, stamw. v. angasoif^i (of angë- 
songi te lezen z. onder songf). 

ssiAJi^, z. onder bangkës. 

nionn^^, sas., adëif^; kosèng kèméq, 
zAiv% pajuk. 

^v5n^9J^\ I., mal. (Mig), alles bij U spel 
terlarem hMem; vgl. kwanioif^. 

IL, sas., pusab (biju), baif^sab, plosor 
en toktokan. 

3SI «j tAJ \si K (f), z. onder djëndul. 



9SI ;u n ruK , ngéséttgél, als U ware verblu/lf^ 
iemand die met verwijten overladen wordt, 
Dd. 16 a. 

QSiu^ L, mal. (ar.), naast tjopgkèh en 
kopi (sas. kahwa). 

II., kèkawa, een spin, «garagati (ba tav. 
kawa^ mal. v. kut. këlawa, tid. tingka- 
lawa, tag. gagamba en lalawa, lamp. 
lawab, ngadj. lalawa, ngadj. lalawa, mad. 
bëlibS, H geen een vroeger laba^ overeen- 
komende met een lawa^ veronderstelt, mal. 
labahS vgl. onder lawab); bènang kakawa, 
«panawing djaring^; wrëddhi dilahnikA 
(v. dat b o ma-vuur) kades panang kakawa 
amangon wè^ma mhar Ing koAda paheman, 
Kid. Pam. Z. 4, 115 ('t proza kados tang 
kakawa mangun umab); z. onder kam«* 
laftdiif^an en butèté. 

• III., ontsteld of schrikken, Wrs. Str. 25 
(sameutr. v. kabawaf); nmatjra ring kawa* 
V. Tridjaia, die zicb met Sit& wil laten 
verbranden, R. 16 Z. 8, 2 (mabjun ja 
mangiring pëdjab, ja padëm dèning 
kawawa); innrtiJk& lamaj kawa v. vrouwen 
op 't slagveld, Bb. 81 ; girigirin kawës ka^ 
wangkajan kawa*, Ud. 31; kawakawk, z. 
onder kawër; kawakawft, aanb. ender ta* 
ladbwadja; kawakawfln, aanb. onder kapn; 
angawakën (?) iets bij 't scbelden bezigen 
b. V. 't boofd enz., Wtb., vgl. onder bawa. 
lY., sas., z. aanb. onder tjuriga. 
V., kawa% z. onder djapgka. 

I oco^, kawakawk, z. onder kawa IIL 



^\ 



m 



^\ 



Qsiu^ L, s., dichten sutr» kawl, Mal. 364^ 

403; Jan wrah kawi, B. Z. 13, 11 (nataraiic^ 
paif^awiy makëkawiaD); kawid&sa, zou 
de naam wezen v. d. schrijver eener bandlei- 
ding voor Ind. versmaten, die in de Tjt. is 
opgenomen en geheel verschilt v. d. Wrët- 
tasafitjaja, hoewel de namen der versmaten 
bijna allen overeenkomen; kawir&4|ft} Br. Z. 
38,7 (jav. vert. ëmpu djangga; z. «kawin- 
dra); awastra tJudana kawl, Ww. 15 m., 
aanh. onder dj ë b a d ; para kawja , T. Z. 5, 
108 (para kawi); prakawipntra , z. onder 
mèntjo; kaïvfar^ana en kaïvjadjojflna, aanh. 
onder rawèja; panffawi, «lëpihan; 
mangrawi, «mai^ë'; angrawi gang: miusnh, 
B. Z. 81, 43 (ngasorang ripuf); vgl. onder 
kawih; molih makakawian, «digdjajèng 
lange'; makakawiaD, «anglëngëif^, Lamb. 
Z. 9, S; kakawin, W. Z. 36, 2 (pralambaof;), 
een gedicht met Ind. venmaten (z. kidung, 
vgl. aanm. onder ( i k h a ft d i) ; «B. Z. 3, 38 
(pangawi, awi^an, pralambang), onder- 
scheiden V. palambang, Wrs. Str. 2 (z. 
pralambang), denkelijk een groot gedicht 
in tegenoverst. v. e. klein. 

2s algemeene ben. v. d. schrifttaal« bevat- 
tende zoowel oud- als nieuw-jav. woorden; wat 
op Bali er in geschreven is, bevat woorden, 
die met opzet en tevens om aan rijm en maat 
te kunnen voldoen, een zonderlingen vorm heb- 
ben, z. b. v. hantën, pawos, sapawon enz.; 
eigennamen als Wëif^kër en vermomde na- 
men y. versmaten (z. b. v. onder p u tj u ng) 



moeten verklaard worden uit de zucht iets 

geleerds voor den dag te brengen ; in dit k a w i 

wordt aan bal. woorden een jav. voorkomen 

gegeven door b. v. de 6 aan 't begin in w 

te veranderen (z. wjas, walung en onder 

bun tut III), wa en ja te zetten in pi. v. o 

en e (gwasti, dya enz.) of wel door een r 

in pi. V. h of van een klinker te gebruiken 
(z. djaré, tëriiif^, gëmur, ribëk, rëlidjani 

enz.); soms worden van jav. woorden, op zijn 
Balineescb uitgesproken, afleidsels gemaakt, die 
vrij onjuist zijn (z. onder untu); zeer onhan- 
dig soms is men te werk gegaan bij H java- 
niseeren v. bal. woorden, zooals by p a r u k ; 

sik sa 2* is ook vrij zonderling, vgl. onder 
wè(ma, tjitra en rënëm; wëgil. 

3*, z. onder djinada. 

II., eigenn. v. e. berg op Java, fr. s.; ukir 
(wukir) kawi, nm. v. e. lied door de sang- 
j alfa's gezongen; wètanlng kawi. Ar. 1, 8, 

10; i kètnt kawi, eigenn. v. d. vrouw van 
Botob lara. 

III., saqgkala kawl, «abala tuduhnya; 
itJan kawi, v. e. bepaalde bezigheid; sarana 
kawiné, pamtah of tudnh kawi, voorbeschik- 
king; salitaiig;a antok kawine, de Heer zal 
me het ten kwade duiden, eene uitdrukking, 
waarmee men weigert, een zoogenaamd heilig 
boek uit te leenen (maka dëngan taqdir 
datangnja jang mah&kuwasa bumi 
itu pon tërbëla lalu kaluwar asap, btv. 
V. blz. 216) ; ng;awi g^ami, ngawi laba, ngawi pa* 
lUèf , ngawi winaqg ring panag:ara rbag sawa* 
wëngkan bulèlèng, heerschen, onder wënapg. 



kék\ 



m 



iét\ 



«noo^, andere uitspr. v. kawoqf 

«iu\, jav.y b. V. kèé (lag. kaliwa, 

linkerhand) ; mwang^ nètrang^kwi kiwflkëtër 11- 
■awad Inf bhrftmara lallta mèdran ing: pipl, 
Anj. Z. K, S; mldër kiwa, zooals v. 't oosten 
naar 't westen^ «mapradakiifta; nglwa 
Tan iemand, die pglèjakt (jav. ongeoorloofde 
dmgem doen); an^w&nënfën (jav. hds. kini- 
watëi^fin), Br. Z. 48, 1 (saking barna ri 
léngën); Ikanf mrëg:&]i^wa(n) kallllii(fan 
maaiaiipnil onder de ongunstige omina, Ud. 
90 ('t origin. 4849 apaaawjft mrëg&h 
sarwwé, sprekende v. d. Korawa'a in te- 
genat. Y. pradak6in& mrëgft( tjaiwa 
lattèöAm djajalaköaftam, dat opdePftn- 
dawa's doelt); kakiwa, aanb. onder asta- 
mana; maiv:lw&kën tëngën, v. die in zijn 
eigen voordeel recht spreekt, T. b. Z. 4, 153, 
aanb. onder tjitat en udasina; «rlngkiwfln, 
AM de Unkerhandf O. k. tegenov. ripg tëpgënan 
(▼gl. «wirangan» waaruit blijkt dat kiwa 
de vuile kant, waarover men zicb beeft te 
schamen, beteekende; een vroeger kèwa uit 
't sund. kèntja op te maken, dus in pi. v. 
kabèwaf); van daar in 't jav. pakiwan 
met de beteekenis van sekreet (vgl. «kiri); 
gy kunt mijne liefde niet opwekken, want ik 
beschouw uals mijn kind, tëkwan ikanirdaksi- 

iioni, u^ffw^iV M<tk makisapwan tatwa- 
■IkAf ri bapanya, kmiaqg f kang bamora pnpü 
kiwftii, Ja nifgwanlni: strl raakisapwaD 1 laki- 
Dya^ tijgen pwa Jonggwanta matangJaD maii- 

twnninghvinn kita, Janpflnak mami dlflha, 

u. 



ja ta karinaDta, Adip. 63, 't origin. 587S; 
krodha sira narapati , nndingi kiwèn (f) pa- 
tik, Spt. Z. 2, 24; Dading! kiwani andnwak, 
Z. 4, 32. 

«u^, vgl. knwu; kiwi* of kikiwi, R. L. 

Z. 1, 73, Z. 9, 100 (pon dok; vgl. jav. pa- 
kiwèn, Hen. 299, 300), Kid. Sund. Z. 16. 
33, 35; V. loodsen of tenten, viraarin kostbare 
goederen door een koopman, in een bosch over- 
nachtende, worden beveaard, T. b. 29 b. ; daar 
de oudere broeder wegens opscbiklievendbeid 
ongeschikt voor de regeering vms, werd den 
jongste de heerschappij aangeboden, tan lèn 
pakanira angawolakëna, pan kabon aqgatnri, 
mantnka pangèran, hanèng swètjtjhanagara, 

omah kawnla dèw&mbil, kawola dèwa, angal- 
jèng kabon tiris „niangga sang inatoran null 

Inmampah, prflptèng swètJ^hanagari, maiï- 
djing ing paknwwané pan kobon këlapa, kaïf 
aknwn wns angalih, ring knbon klapa, djënëk 
sir&kikiwi, Kid. Pam. Z. 1, 144 vlgd. ('t 
proza tjili twah aif^gon manira gnsti, 
nmbil umah manirané, wèntën abjan 
manira maisi tubub puniku nf^gèn ma- 
nira umah, mangkana aturé pnnai^ 
bandèsa abjan tubub, iku kaniim'itané 
i dëwa ktut djumënëqg dalem ripg 
gèlgèl, kang adrëwjomah apgalih ma- 
ripg abjan tubub mangkana prad a- 

I a n y a). 

9sii^ I., spr. kuwa, «kuwaja (mal. kura; 

vgl. i^gëtor en kaëm); kakawa, smbr. 
këkaha, landschildpadeoort (jav. kora, mal. 

kura^ tamp. en sund. kuja); kora*, viraar *t 

u 



0^^ 



210 



^> 



YiHir van een goudsmid in gedaan wordt, zijnde 
een uitgeliolde steen « die door middel v. e. 
bamboepljp met de panglambusan in ver- 
band staat, en veaarop de musa staat. 

• n., BL 88, 8», Jan kwa Ui^ra hadjf, 
indien U. M. tot mij aldus sprak, 80; kwa* 
nirang: maogkana, 82 o. ; tan kwa, niet opge^ 
wekt f wegens vaak^ Sum. Z. 16, 1, v. d. 
ambék wegens bezorgdheid over den uitslag 
v. 't geen ondernomen wordt, Z. 1, 9; tan 
kwAmbèknlra» hij was niet opgeruimd, kk. Z. 
19, 14; z. kumwa. 

9^\, z. onder kwan. 

^u^ I., s. (kburaf), ring knwa* pakn- 

kn, scherpte f, Sm. Z. 14, 8 (ri slaganikang 
n a kb a) ; nflng pati, ukng pra^and&nila^ angin 
adrëstan pangkara, n&ng sang hjang mrëtyu, 
n&ng waéawftnala, apnj ahnla knda, dasar- 
ing p&t&la, n& landëping kawa, n&ng kalaka- 
tawisa, n&ng wjalasarpa, n&ng prakupit&gnl, 
apuj domilah k&tara, pataronika kabèh Ja- 
tik& stri, ngaranya, pilih salahsikinikA ka- 
bèh tatwanikang sinanggah stri, tut. 56 (vert. 
V. antakab pawano mrëtyah p&- 
tftiajii wadawftmukhaih, ksurudhftrd 
wiöaiii sarpo babnir ityèkatab stryah, 
Ind. Spr. 338). 
IL, z. kwa I. 

«lu^ I., jav., «kuta, Sut. Z. 73, 14 (ra- 

djyadani), Bb. 67 b. (elders fiwira); 

saknwn*9 W. Z. 16, 7 (salawang^ sapon- 

dok^. somabS bilang guwug, W. k.; vgl. 

.kiwi> en kubu); akawa*, Z. 121, 4, nga- 



wangun radjadani; pakuwwan, vert. v. ni- 
wè(ana Wir. 18 o., B. Z. 99, 8 (pondok; 
vgl. njubab), uit nederigbeid v. zijn eigen 
buis; T. Z. 3, 61; pakawwan, Sut. Z. 73, 13 
(p o n d o k) ; lamp. p a k u w o n , eigenn. v. 
verscbillende dorpen ; sund. p a k u w a n, eigenn. 
V, 't oude Padjadjaran. 

IL, een dorpshoofd en wel aan de stranden^ 
Sut. Z. 86, 10 (nog te Cberibon, vgl. sund.; 
bjw. jav. këbajan), mëkël, aanb. onder 
batjin; knwn* sami pada mangnn jadjnja, 
karaning rahaju bumi, Djp.; parakuwn, Sut. 
Z. 73, 14 (parabëkël); knwwing babat 
geeft kennis aan den koning v. Hadjapahit, 
dat er een vloot is aangekomen, Kid. Sund. 
Z. 1, 47; akuwn v. e. vorst, T. Z. 5, 44 b. 
48, S6 o.. Ar. 10 b. enz.; een vorst v. min- 
deren, Mal. 117 (passim); ook kiwi; palikawn 
O. (vgl. palibaja); pakukawon, aanb. onder 
po o dok; kawu ala kawu, Pg. 2. 

III. (?), pakawwan, «panarkka. 

■ 

Qsj^oo^, këknwo, sas., tan^ (z. *ku- 

wong en vgl. mal. kuwow, argusfaisant), z. 
onder këklëk. 

"^ 9^ u ^ I. , makèwa, B. U. 88; mëkèwan*, 
lawaai maken v. twistenden, aanb. onder rèi^- 
gong, vgL mëkëfitjan^. 

IL, sas. la wan (Smbw. id.); t&a si maté 
prang sabilubah kèwa kapir. 

Kiiuq^, jav., Br. Z. 27, 7 (rorawa), R. 

7 Z. 3, 17, 18 Z. 3, 20 (djambai^an; tag. 
en bc. kawa, sund. kawab en kantjah, 
groote ijzeren pan). 



•^\ 



311 



«\ 



i\ de helpan, L. Z. 3K, 5 (jamani), T. 
Z. 3, 68y #wftlak&rnawa, «niraja* 
• awètjU Adip. 117 (vgl onder gomukba)i 
vgl. aanh. onder gopggang en djambapgan. 

3% kAkawah, bloed v. d. nageboorte P (jav. 

k a w a b^ lendewater door een kraamvrouw vóór 

de geboorte v. 't kind geloosd, sund. tji^kakama; 

këléboD kawah, Bjw., v. e. pas geboren 

kiod« als de mond bloed heeft binnen gekregen, 

Oost-jav. tiban k.f); kakawah, nm. v. e. bbüta- 

soort; Sodam. en Tjt. 43, terwijl op bl. 42, 

T. e. der twee door Bhiöma gevelde danudja*6 

dadiiriiy kakawah gebezigd wordt, vgl. onder 
këftdit birajung en de aanh. onder banëb 

en panjésëh (Awah muka en Awab ari, 
z. danawa, uit de këkawab en ari* v. 
Kanti ontstaan w. R.« 167, terwijl w. H. er 
tt*n persoon v. maakt met name W ah muka): 
Mipawuvan kawahi z. onder wui^an; widji 
kawah (vgh byakaon?)«0. (w. limbak, 0. 
(>L 32); (paningkëb) pannngkèb kawah» nm. 
T. e. m. tegen de pangalah pamastuning 
ijor; linbaqg (?) kawah, aanh. onder sina- 
giha. 

4*, tegenov. sodharmma, aanh. onder 
mrësa (djlé) vgl. aanh. onder turut. 



win, L. Z. 1, S (manglëpgë'pg); stigklna* 
wih, R. 23 Z. 33, 3 (s. wrnb, 8. raatëi^ran); 
kinawih ring asta, 22 Z. 4, 18 (widjnja, 
kakawibanf); kakawlhan, Z. 1, 1 (kabisa- 
nan, pradjqan); dhanordhtra sMqglftffAM 
panamftrtha ring raAa plnaddltèng kakawt- 
han, hr. Z. VI, 7. 

IL, takawihf sas., kapggo; ndéq nun tf* 
kawihy sukla; onèqan tèkawth, omichrijvende 
verklariif^ v. bërkat, vgl. kadu. 

osiQ^, kwakwah, z. onder kokob. 

"losiQ^.R. igz. 5, 2 (masorob*;; makwèh, 

•apramèja; akwèh, W. Z. 1, 7 (akrab^ 
sabana), «tai^èh; akwèh nnlngan tangis- 
nlDf sanagara, bjakta kftlapan horip, R. 
L. Z. 4, 148; akèh Jan wastt&kéiia, Kid. 
Sund. Z. 1, 46; akèh Jan ntjapèn, ald. Z. 
3, 16; sakwèhmn, R. r. Z. 917 (s aft dan 
iba), sakakwèkmui ald. (saftdanipg iba), 
kakwèhan sang Jatl sampan samancyajta- 
drlja, T. Z. 1, 2 (kapatwasën, këbëkan). 

9SI o ^ ^ , saus bij vleesch, viseh of groente 
(mal.). 

9Sio^^, z. onder karoh. 

n9S«oi9^, *iwëh, moeielijkf in moeielijkheid 



)giu^^L, s. sapg w ik u, Kr. (z. onder paft- verkeeren (sas. kèwah, z. aanm. onder sa qgga 



diia en kawi); kawlknirèng prang pada 
ItksHftsaBiai hr. Z. 41« 2 (vgl. onder paftdita); 
wrah akawih, B. Z. 38, 5 (widagda ring 
polah, nniiic^ ring kawidjnja); sah ka- 
wik, sani^ wiku, 8w.; fldftkawfh (fidftkft 
wih?), bas kaliwat, B.Z. 78,31; komawih, 



en kosëk);tankèwih, «nirbhaja; qgèwik z. 
aanh. onder «gantur; salwlring makèwihia, 
• kèwuh; kakèwëkaD, durbbala; ané kèwé- 
hang titjrang; pakèwih plsan, «darggama 
tëmën; kapakèwëhan, «mabajapgan. 



nosiu^^, jav., T. Z. 1, 4 (këwëb, sal- 
Sut. Z. 149, 4; kunawih makirftya kaka- wiring makèwëhin}: pakèwnh; tan wang- 



> 



M2 



«*\ 



dé naigslh pakèflh, apan i Umbur satata 

tan pèfat qn»awé paèkan, Lmb. ; kmg mgh- 

wuhii «bbaja, Sjt 44. 

«^91^9^, zekere bun als impènS op 

de rijstvelden gebezigd; die er onder kruipt, 

zou zijn waardigheid verliezen, z. onder uw ah. 

99ii^9S\|^ I. of kanwan, de ware spelling is 

«10 96)1^ in pi. V. kaflhan» vgl. de spelling 

«atsw^ (z. kaüb en kali I.), vaak achter 
namen v. plaatsen, ter onderscheiding; b. v. 
tèi^raDan kawan (in 't Tbn.), pnri kawan 
waar een jongere broeder v. d. vorst resideert ; 
i bain kawan» Meg. 143. 

IL, saa., kanawan (sumli. kawana of 
mangar. wana, malag. trawani en bawa- 
nana, mad. kangan); ook kanan; vgl. 
téngawan. 

in., sak a wan, jav., pada winèh simslm 
anakawan sowaifg, ieder vier, Ww. b. Z. 3, 
180; kawan dlna. 

IV., mal., bediende meer bij de Mahom. 
bekend; pnnanf kawan, Mrs. telkens (te lezen 
panakawan, dat, onder andere, Kid. sund. 
Z. 1, 50, gebezigd wordt); amrakawan, ma- 
rëkan, Pam. 25 (kid. evenzoo). 

QSiuitSH^, z. onder wah. 

»iOi9si|^ I., «jav., (kampil); angawin 
kabèh; kinawin ring raryatjili rabinè; kina- 
win ing pararabiy Sbr. Z. 3, z. «ha win. 

IL, kakawin z. onder kawi. 

m., mas kawin en batnn kawin z. onder 

sundërapg. 

^^\ L, plaats, aanh. onder ikan, R. Inl. 



Z. 1, 59, B. (dunungan). Ar. Z. 4, 8, B. 
Z. 39, 3S (anggwan, gënah); kwtal (kwan 
ni) sang mahtdja, B. Z. 30, 3 ((^ron sang 
bbomané); sang sitfttah kw&ning ftmbëk 
tatan lèn, R. 7 Z. 4, 24 (kapAhang rii^ 
manah, pagëb r.m.); sakwan sèlwaaa, aanb. 
onder djanmftntara (salakuparan). aanh. 
onder parigraha. 

IL, kon; akwan, W. Z. 6, 4 (ma kon, 
ngutus); alle hds. kakftngkwan; een jav. 
hds. kak&kon en 'i andere kakakwan), 
z. kon. 

IIL, kakaqgkwan, W. Z. 6, 4 (te lezen 
kakapgkun). 

♦^«c^ooj^, z. kèwa. 

^QQO'iir)»!!^ , z. onder kon IIL 

ngsiQQ^, ^\j, Rafll. Wrd. lijst, z. onder 
wèni n. en vgL pakèl. 

9Sioi9S)^, s. (kabandha), lawéjan, naast 
lawajan, Adip. 51, onder de spookgestalten, 
Br. Z. 31, 3 (awak), SuL Z. 19, 10 (lawé- 
jan), Z. 32, 1 (wopgké), Z. 50, 9 (angga; 
jav. vert. danawa gëmbung, daar aldaar 
k. onmiddelijk op bh Ata volgt, vgl. «jav. 
waar ook w a n d a awak), B. Z. 94« 30 (aanb. 
onder ariéla; lijk, Akw., maqgawandliai Sm. 
Z. 3, 13 (Iwir lawéjan), zonder hoofd, B. 
1 Z. 1, 35 (padjëpgku), aanh. onder danufa 
en onder kamlandipgan (Iwir lawéjan); 
angawandh&pëtëng» Br. Z. 19, 8 (ptëi^ tan- 
pasii^kaban, Iwir kidëmaif^ ptëi^nya): 
VgL kubanda). 

2«, leerling v. Sumantu, Brbm. 






»l^ 



213 



«^ 






®j\' s., Wrs., B. Z. 1, 16 (kaw!- 
9wara, rataning kawi, r. n. mangS), 
Br. Z. 45, 4 (ratun kawiné, jav. vert. Sm- 
pudjangga); i. kawirftdjft. 

S% eigenn. v. e. pi. met kluizenarljen in 
de nabijheid v. Koripan, Ww. b. Z. 5, K3 vlgd. 

4, S2 (kaQla, kairiog, kalih di pui^kur)> 
Br. Z. 4S, S (kaQla; «jav. kawula tjëti); 
tOKtwutiD, Wit. 19 o. 

"^ssiuKjiol^, kèwala, ook müs, maar als 
h. ▼. aaal, «iif^bing. 

sanien^y Chin., (oi op U hemd v. alles 
ieroofd y. spelers, die nog slechts één kleeding- 
s(uk over hebben (fgl. kosoi^); q|ina ngwan- 
loQi, als een Canlonchinees berooid zijn; ook, 
iféwaBUm^; vgl. kërud en tëngswa. 

vsiUPJi^, 8., naast uragtjhada, tanutra 
tn warmma, sannèhat, dang^ana en 
Jjigara; «sè^taga (?), «rotaki (?)| Aania^, 
B. Z. 3, 9 (kalambi, kailtjuga); kinawatjan 
▼.olifanten, R. 18 Z. 1, 4 (makëré), vgl. 
onder ras uk. 

i\ yrn. ssklambi of badju, Ar. Pr. 63 
b.; Iwir dètya kawa^a (niwatakawatja), 
R. L. Z. 11, 191. 



nnMi^ (f), z. onder swètja. 



ia u ^, hajwftkawè'r (jav. tekst. ka wë'), 

keb geen scrupules, Br. Z. 33, 4 (da ika kub- 
ia; jav. vert. adja katara); ambëk sani^ 
vfianuf kawèr kawakawfttitir angipi ma- 
fè^r SBATlliUa, W. Z. 31, 1 (kadudut 
kawisèsa, kèrut kawasa). 



II., kawër, sa werf, kawèr antok tityamr 
ngëmanahauf. 

« ^ ^, z. karawir, 

^, panak kutu (jav, kor, dat in de 
E. 28 voorkomti aund. kuwar, mal. v. Kat. 
këruwat). 

««U3n^ of awara Ut 

IL, s., z. onder gëlung en aanh. onder 
karAnawèilana. 

ou:n^, i kawart tjètya tathagatabadra, 
kk. Z. 29, 3. 

Qsnoun^ , s., nm. v. e. rivier, T. Z. 5, 
6, kftwèri agang, *t ruime sop, waarin een 
visch ontsnappen kan, ald. 

IL, aanh. onder wisardjdjawa. 

'^r\\ L, zeker, aan de Maleljers ontleend 
en meestal v. zilver vervaardigd^ halssieraad, 
dat op de borst afhangt, meer bij Moham. 
bekend; bug. kawariq op de borst van meis- 
jes de dj èm pang, ook v. zilver, op 'tschaam- 
deel gedragen wordende (lamp. kuwariq, tag. 
en bis kamagi); z. kawariq. 

IL, z. onder kèmar. 

9^ ^71^, s., {de boom v. e. rijtuig) v. e. 
wagen, Wir. 48 (echter zou hier de beteekenis 
van kuhara even toepasselijk kunnen zijn), 
W. Z. 21, 5 (jasa, salë; vgL rëpgga;lamp. 
kuwarft, de vakken in een durijan, waarin 
de omvleeschde pitten zitten). 

9Sinu3n^, s., de god des rijkdoms, W. Z. 

29, 5 (prabhasta), *dhanèndra (vgl, wa- 
krftsya), knwèrabhawana, «alakawati (z. 
onder tjaturlokapala, wai^rawafta, mas- 



»l^ 



214 



961^ 



no); ook kowèra^ aanh. onder masno (Sut. 
Z. 139, 2 Kuwèra, onderscheiden v. Dbanèn- 
dra en vertaald met mabftdèwa, zooals 't 
verband aangeeft, daar met hem vermeld worden 
Gafta en Kum&ra); sang: dhrëtar&stra ma- 
g^awé tapa man; ké, tlgung tahon lawasnira 
tamolah rlni^ patapan kamëna pëdjaha mu- 
lih ata rin; kuwèrabhawana, Aw. Hl, Swrg. 
57, kunang mabftrftdja d. sfttmaka tëma- 
ban bbèsavearAa, waarvoor te lezen bhèsra- 
wana (H origin. 160 dhrëtarftstro 
dhanè^asya lok&n pr&padurèsadftn). 

'^sn'^uyi^, z. onder kuwèra. 

IL, in pi. V. kawara, Krws. telkens. 

oooKSU^, z. kabariq en kwari. 

nosiu^^, s., z. onder tuba rawa en 

aanh. onder s ing gang. 

» i^ 71 M ^ ^ (b. : kaba ra sa t), R. L. Z. 9, 35. 

»ii^g6ii|^, jav., asémkawak, lunak tanëk; 
ajak kawak, War. b. 44, Us. 204. 

gsiagsii|^ I., jav, nih&k& fodara, mti 
kang: lanang:, kawnk kang: waden (vgl. ngadj. 
kawok). 

II. of awukP; g;Ag:aknyaD ang^awokkawak 
Iwir, anawaknawak 1 djènëki kalnng^iDp 
tahën, lonfhftmë'r makijap* dnmiminigr Ing 
kikap arènëp anfanti inf ^nranf, Rm. Z. 
30, 6; ang^awukawnk v. raven, Rr. Z. 20, 23 
(i^agalok), T. Z. 6, 65; vgl. kaQk. 

9Siooo(§u|^, z. onder këwawo. 

«siooogsii|^, sas., siksikan. 

nKa]^, zekere vogel, makende een geluid 
ais gekvealster en dat v. e. scheet, R. 24 Z. 



17, b. c. en d. (mad. en bjw. kuwëk, zekere 
nachtvogel naar zijn geluid aldus genoemd; te 
Soerab. zegt men, dat deze vogel alleen geluid 
geeft als bij slaapt en dat doet om de vogeh 
af te schrikken, die op zijne eieren belust zijn, 
sund. hu we uk, soort kleine ml^ een geluid 
gevende als beuren h; vgl. jav.?). 
II., aanh. onder ongkoh. 

^^9^^, Usah kèwëk, War. (kiëwëk 
te lezen f). 

^9^^, naast kuwit. 

'loosil^ (vgl. gowèk), kwek*, v. kikkerU 
en gewonde bukaTs; ng^liog kawèk* v. e. 
kind; ngling kowakknwèk v. e. zieke. 

«iiugail^, bek f v. e. slang, R. 19 Z. 16, 
10 (bungut); tut. 62; vgl. pamiwik. 

9SiU9dii|^, z. «uwak; kuwakkaik v. 
vogels, Rt. 157, kawakknwlk, aanh. ondei 
salisih en gurifidjang. 

U9^\, z. onder «kwak. 

«SI Q gsül ^ , «tjrëmara (?), marsé (?) 
paknwik IJftkar*. 

9Siu|9Sii|^ I., z. kuük en onder tangki 
lung en garangan. 

II., jav. (zeker zeedier), «paAdita karipai 
(?); z. onder bulih II. 

o 9QO m 9Si| ^ I., kowak* v. d. mond v. e 

schreiend kind; ook gowar^, z. ook ondei 
kowèk II. 

«II., kowak^, Rjw., soort zeewöhn, lekké{ 
ah krupot. i 

III., kowakkaik, zekere groote op vrucht^ 
azende, alleen op Lombok aanwezige, vogel. 



1 



»> 



215 



99i\ 



'|«io'|ui«|^ I., sas., tëogkaSk. 

II., ■(owèk, 't bekende kinderachtig geluid 

maken ▼. e. buffel, pëkowèk; malih Jan Ja 

kériC* Botmiyai poflh tlkas aDf iDanl, ta(fa.), 

balu mèngi kadi(ng)arëp (z. aanh. onder 

djalii^ah, waarop dit Tolgl); wanèh, Jan 

Ja ngHnir mangraréiirfèiqr, pnflh meng, nga., 

{«., kolak Mkal, kadi ngani, woa mangkana 

patlptlpi bé atQi kètèng; malih Jan Ja ngMng 

kowakkowtt, tan kanten tagika(nya), pnOh 

lambrèrèt (lamburèrèt), nga., ta., èngkët, 

bamajanf bllanf sandinya; Jan Janjakltang 

basaniTf makisld sakité mailëhan, poOh badn- 

da, vga.» ta., konjit warangan pfuidjëlang, 

sémbar sagnahnya lara; Jan Ja arang kidja- 

panéi pakëdjot awaknya, kmik* lambénya, 

paOh pënjo, nga., djëbng arnm ma&sab, 

pnhakëna (urapakéna) ring wong lara; Jan 
Ja ^Iplak* (tjipuk^), pnOh wëdns, nga., ta., 

rwanlng bonat, sëmbar rahlnya; Jan Ja(ng) 

gënii, paOh tiik (l i t i h), nga., U , Jèk aqgët 

•lès dèning wnlon tètèp (dèiiya tilir), wns 

■aSlès, sëmbar dèning (olih) rwan Ing^a- 
■ging óinnr (laös mapanggang); Jèn Ja 

malnwang tangan snknnya sëmntèn, pnflh 

sibatah (subatah), nga., ta., tain sibatah 

■alambos, ladja kapnr (ma)panggang, (ng)gèn 
■anjëmbar; Jan Ja srët swaranya, tan kawa- 

sa nëgak, ea., kamal lama, biuakar, bawang 

ttmbos, wangwangakëna ; Jan Ja pniUi mangsi, 
ta., mnntjiik dapdap né tjanggah tin (dè- 

wai^ga tiang iris), pnlang pada mabidang, 

pang, S, sasarinya djinah, 7)37, Jan Ja nrip, 

sami kaUap, Jan Ja wns waras, sëmbar 



dèning kapkap, trikatnka; Jan Ja pnflk tam- 
baga, ta., tasik mawadah taqgklli, këmit 
sandingnya atnm, Jan Ja arëp an(Uaf||ah 
amangan, orip Ja, Jan Ja tnmbah ring odët, 
ta., mnntjnk dapdap, këtisang ping tin, Jan 
Ja ring nètra, ta., Jèh kaknl, Jèh kalèngisan, 
Jèh mandasnli, pnhakëna (tutuhakëna) ring 
nètra; Jan Ja pnOh dalnwang^ ta., braa, isèn 
mapanggang, sëmbar awaknya, aiUft pftü 
n(a)dyus, Jan Ja ii^larëm, ta., tmn tis, sëm- 
bnng gantnng, Innak tanëk, pipis (pinipis) 
dèn alëmbat, kla, wns ratëng, olësakna 
dèning bnlnn i^am, Ss. 12 (naar 3 bds.). 

'^«n^uo9a!|^ , sas., didih (vgl. mad. 

k a p o q). 

nosiuao]^, jav. (v. e. iwëd, zooals uit *t 

jav. en sund. èwëd te vermoeden is; vgL 
»riwëd); kèwëdan, «kèwran. 

o «I n u 2o| ^ , këmèwèd, Bjw., beginnen m 
opschik genoegen te vinden v. e* kind ter aan- 
duiding V. zlJn ouderdom. 

om&D^ I., in pi. V. kawati in één der 
bh. V. Br. Z. 36, 18, v. 't kleedingstuk eener 
vrouw, T. Z. 5, 109 (siildjang); kawaii 
Inkar panëmpnhing alnn marèng karanf Ikft- 
ngisis kasnrndan, Anj. Z. 9, 2 (Iwir dodwat 
klès panggëbug ikang rjak amagut 
parangan iku i^liga tinyaktan). 

II., ambëkning wang arës madadyana tanah 
kawadi (de uitg.: katbadi) larani wnijjaning 
knkn, W. Z. 31, 6 (manab tityapg tan 
takut kadadiang tanab garu kakrik 
sakit tampaking naka, m. t. djëdjëh 



\ 



216 



«^ 



k. t« garupg s. t. n., m. t. nora wëdi 
k. t. g. nora s. kakërik antuk ikaog n.). 



o 



^t^\, 8. (kawfttiP), benaming v. deuren 

met 2 bladen^ tegenov. gëgëblëgan^ z. bunga 

* 

en ygl. kawftia. 

9Siuotoi^, Bjw., (ook in de Éndradjaja 

bl. 98, 99, jav. puwadé (Tamil mal.) bij 
de Mahom. v. Djëmbrana bij *t patjar, 
terwijl die v. Bil. een begordijnde bank, waar- 
op *i getrouwde paar met de gading' zitten, 
pëwadèjan noemen). 

n)QOU^^, s., z. onder paAdita. 

9S« m n 6CO u ^ , wangbang of wangbhang 

kawidosa, de vertrouwde en geliefdste volge- 
ling V. Adja, Sum. kid,; de këkawin Z. 30, 
%, sang mambang kawidosa; hij was uit 
Widarbha naar Ajodhjft gevlucht wegens 
H schaken v. e. meisje en kreeg daarom den 
bijnaam v. do&a, Sum. Z. 25, 10. 

961 u^^ L, jav., draad v. metaal (bc, tag. 

kawad, z. pëngunusan); tamba rare ma- 
kohkolian, mangarèdèk, iiidja kawat nga, 
Us.; padang kawat of p. lëpas (jav. sukët 
gr int ing f); IJrangtjang kawat, R. L. Z. 28, 
9; Kid. Sund. Z. 1, 52, 59 (cL;jl^^t, z. jav. 
Wdb.) ; 2*, 8 u k a 8 a d a, vroeger was daar 
namentl. een paleis, en tevens, omdat suka 
alles wal men verlangt te hebben be toekent; 
3^ z, onder tamblélé. 

IL, kAwat djrih, Brh. Z. 1, 15; kawat, 
door de majesteit v. d. vorst uit U veld geslagen 
T. dieven, T. Z. 5, 82, 88 en 97 (kadudut); 
kAwatning Ja^a nrëpati k&llh sang (Iwa, 



ten gevolge v. beider verdienste was de padi 
zwaargeaard en droeg de cocosboom vele vruch- 
ten, Kid. Pam. Z. 4, 116 ('t proza: don ing 
siddhi pwang karjja, apan lëwih 
dharmman sang prabhu); ngAni dnking 
fatra maranl kèlahan, saka ring nAsftntari, 
kongang $rl narèndra apadating sftgara dadi 
mondar pnnang art tan wanya mawah prftpta 
dnmonèng bali „kang dnlang mangap tan 
këna sinajntan, tinüt panang padati, kAwat 
ing kawtran arëp akajèng tnhan tan këtaug 

dalem ing paslr dèn lébokna akèh pédjah 
anglangl „kang karjjagisang olih aklndajutan 

ri kiping ing padati, ald. 117, enz. (H proza 

sirëp tang musuh tkèng nu&antara, 

tanana tumanggalaug, ri kasaktyanira 

kjan (sic.) frjadji baturènggong, duk 
ing musuh amarani klahan, sakèng 

nusantara, kongang ta (ri maharadja 

apadating sagara, kunang sukuning 

lëmbu jata lëb sapaglangan, mati 

akèh dulang mangap, adungkap ing 

sagara kang urip gumlanting ri k. i. 

p.); aanh. onder gëbël en diwjatjakèus 

(de bijvorm k a r w a t doet een k a w w a t 

vermoeden, zoodat de beteekenis meegesleept 

wel de oorspronkelijlce moet zijn). 

III., z. pangawat. 

IV., krtmi kawat (f), aanh. onder pi(ita. 
osiursTu^, jav. (z. onder wit en «wwit); 

ka wit djanma pnnika rorodan saUng gjanjar; 
tnmapël Inmba kinawlt (P) sinamftkëna, hoe 
zou de plaats niet veroverd worden, immers 
r. is te vergelijken met Zr., R. L Z. 1, 25; 



«^ 



217 



tsi\ 



■KavltiB, h. V. njumaniu; pSiq^awit, b. ▼. 
pënjamu; hasapanikl rSko pakawlté of «sa- 
puika pangawlté, h. v. kèto wilé; kawitan 
(kariinan), »v. d. moeder v. e. kalf, tut. 46 
(»ert. r. ma tri), voorouders, Adip. 25 (bis); 
parent, vader. 81; i; benaming v. d. ourerturo 
V. versmalen als de dëmai^ en kadiri: 
tug kawltaoira, zijn (». d. prins) vader. 
a'^^y:>^sï^^, jav., voortreffelijk v. Iileêren? 

t onder lubèag); kawotan, andere spelling 
^ kaötan. 

g«fl^ of kowat, «atwas, «bëtah 

• akas, «kAs; lëwihin; kowat, «wipuU- 

kas: kowat polès, veel slapen; né kowat falak 

».e. kwaden bond; kowat^ *akral»; kowa- 

taa tëkènliv tawak, «aprëgas ring alarih, 
«gl. kuwat. 

a«fl\ en kwik; pakwit en makwit, 

• a k i k. 

«o«ij^, kiuiwat, W. Z. 16, 4 (kina- 
'Ijiwatan, inawé, Iwir kaülapin). 

'5'^«]\» «rnwat, Bjw. mësëdënf (vgl. 
jat., waar ook uwat v. barende vrouwen); 

ï^umU, z. onder wit. 

^\. Tinlvg kakawat, Mal. 518. 
•jKDutsij^, 2. onder «siisïj^ 
«m^^, 8.,z. onder inëb, vgl. kwadl. 

^•jê»V B. Z. 5, 9, 11 (kawalja), Br. 
Z. 36, 18 (kulambi), T. Z. B, 116 (ka- 
lambi); TgL kawadi. 

'^^«^^\, apgsoka^ «agoka. 



ir' 



«icjirt^, s., DharmagAnya Z. 1, 2 en 4. 

«iiuAji|^ I., z, onder awas. 

II., aandeel v. d. desa in de offeranden op 
de tempelfeeslen, een por/te spijs ; op een sang- 
këpan één portie vleesch, maar voor den kli- 
jan twee; aanh. onder paütjal. 

3Siiu«]^, Sm. Z. 1, 15 (kahdap), Z. 24, 

5 (ngasor); W. Z. 19, 4en8 (kasor, kaön, 
alah djrih), Br. Z. 11, K (bëlit), aanh. 
onder laAdung en triwikrama; kawë's 
dJrih, B. Z. 14, 11 (djrib rësrësSn), vgl. 
kawëswës (jav. kawus, T. Z. 5, 82; aanh. 
onder pasagi); katawan kawès, B. 24 Z. 12, 
11, Mal. 16 (lilih)rma8a tan kawësiit; pa- 
pah, T. Z. 2, 56;'^laiisidii« alls arëi^a 
kawès (hds. ka wis) ta patranlng^ mimbai 
Hadji D. 22. 

2«, als vrn., wel eens v. këwèhP 

IL, z. onder kaös. 

73^k>m\\ (kr. V. karang), Pdjm., 157, R. 
in. 1; karan; kawls, al U geen iemand be%ü 
aan vee enz, (in de processtukken); kawlg asem, 
karang asem, Sp. 8 b. (vgl. Adji S. bl. 199); 
kawls amia bij een afschrijver (vgl. onder 
amla); kawlsanJaanb. onderf s a 1 i s i h. 

«nu«|^, z. onder kawës en kawista. 

ïsia^^,z. onder kawës. 

««'|iy:);v5[^, z. onder kaös 

3^u«j^, (Holl. kwast) epaulet, Bjw., ook 
polèt (mad. puwasP). 

oaupjj^ , tra tawaujr mëkawis, niets hoe- 
[genaamd kennen of kunnen doen. 



QSI^ 



218 



«^ 



*^«ioa wj^inpL V. kawuwusjsbal., daar 
wawus door de bal uüs uitgesproken wordt, 

T. Z.K, 12 8 (wjakti); vgl. Smw. Z. 10, 51. 
Q6iUY>x^ I.» * wa^a; met de conjunctif, tan 

kawa^a mang^lihatana ri tawohta kflsyasih, 
L. Z. 9, 4 (vgl. mal.); tan kawa^a, «tan 
wënang; tan kawa$a ngising^, niet kunnem 
kakken, Us.; kamawa$a, L. Z. 1, 2, Z. 37, 2 
(mapi bisa); komawa$&kën, beheerschen, Adip. 
48 o.; an(|;awafa v. hartstocht^ Sm. Z. 26, 3 
(mangwifèöa); ang;awa{è]ig bhuwana kabèh, 
W. Z. 19, 4 (ngawiwënang djagaté sami, 
mangwisèsa djagat sakrabnya, ng. dj. 
sami); kakawa$a, W. Z. 19, 8 (katitah, 
kapiwënang, kawisèsa); kakawafa, be- 
dwongen y. zinnelijke lusten, T. b. Z. 3, 21, 
vgl. tut, 60 (alwaar pangawèga te lezen); 
rjadjining^ angawaf&kën tang^g^ang^n was wi- 
dag^da, R. 11 Z. 4, 15; ang^wa^&kén am- 
bëkingr aknng^, Lamb. Z. 16, 1 (mand ara na 

né kasingit ing angën); angawa(;&kén 

indrija^ aanh. onder dhairjja; ikanf wwanjr 

mang^awafakën krodha en ng^kinawaf aken ing^ 

krodha, aanh. onder samrëddhi (vert. v. 

akrodhaua en krodha na); kawafflkënanta, 

R. B Z. 1, 2 (kodagang antuk i dëwa 

dadijang). 

II., z. onder kèwasa. 

nosiu^^ of kawasa, dados naast kè- 

wanten; tasik kèwasa réba kèwasa, zoowel 
t. als r., mogen ook h. v. ujah gebezigd worden; 
ook in deze bet. kwasa (vgl. dwasa), b. v. 
tiing^ kwasa kajn kwasa, zoowel bamboe als 
bout wordt gebezigd. 



nQS«onwi«^^ en kèdar, eig. v. e. vorst 
V. Jodjana, Prij., Am. p.: kèjusnèndar 
(jav. kèwusnèndar. Men. III enz.), h. H. bl. 
81, ^Sj^^ji^ u^^ V. ^U^l 

flsiupji^ I. (te lezen kawëstaP), verstagetiF, 
Hadji D. 22, z. onder kawës. 

II., jav., «dawista (kapitthaP) kulja 
(P), R. 15 Z. 26, 5, zou ergens op Java ook 
ka wis heeten, vgl. manggis. 

gsiu ;^ n ^ , akarnya UnawistaHüi Ikana 
sftugnrépan Jodjana, R. 13 Z. 1, 4 (jèn sa- 
watah), z. onder «wist ft ra. 



s 



QSijU «\3i[n^ , s., dichtervarst, een groot dich- 
ter, kawindra, B. Z. 15, 3, W. Z. 16, 4, 

Sm. Z. 1, 11. 

gsiu pji3n^, «rftdjasa. 

9^ u u ^ , z. onder w a w a ; 2^ aanh. onder 

loba. 

gstinoo^ of kawoq, sas., këbo. 

Qsnuq^ (f), kawwih krëtjak, z onder 
b r ë tj a h. 

gsD ^9^V ^* l^^^^n I. 

QSju^, z. kuwong. 



m 



gsDounu^, niëkawèwèng^an v. vele k 

deren. 

9siciru|y« sang^ kiuawalan v. e. vrouw 

door een man bevrijd, Mal 110. 

gofionu)^ , sllih kawil irniig, elkaar bij den 

neus grijpen, Gh. Z. 37, 12. Z. 27, 14; Hw. Z. 

37, 18; mang^wil v. leeuwen, Sm. Z. 30, 4 

(ugutgut); maiq^awll witDiit; ksiti mwangr 

niijat, uitkrabben?, v. Ganè^a, Sut. Z. 32, 9; 

kadi fflrdala mëta tandang^ ang^awil mréfa 



^ 



219 



^ 



Mkaparaf rëbah kaparawa^a, Kid. sund. Z. 
i, 158, z. onder obès; kinawil v. e. berg, 
R. 14 Z. 77 (kasabasanin, tambila). 

«uruj^, aklw«l (b.: këwël) v. e. wolk, 

Bh. 5; fhorftfèrëhnyajamakin makiwél ring 
agra» kéiidaiiKDiraiig: madana tnlja hammig^ 
SUièiitiry Rm. Z. 8, 18; klwëlnlnir ffha^a, 
ald. Z. 49, 1 c. z. onder iwël. 

matuj^, naast aqutan, bèla, Kr. W. 

Z. SK, 10 (bèla); manfoair klwul; makiwal, 
B. Z. 13, 28 (mabèla); akiwal sarathi, ald. 
6 Z. 19, K; lèn tèkang pdjah makalarani: 
rathaoya, nakaklwul w&hananyay makasi- 
langliiig ^Apadandanya, Bh. 47 (vgl. jav.). 

»urui|^ I., makowal (b.: makuhal), v. 
*l lichaam, R. 7 Z. 14, 6 (buwël, kowat). 

IL, sbr., kahaly ondeugend v. kinderen; v. 
iemand, die een liefhebber v. vrouwen is, ook 
gezegd. 

III., makawalkailan, niel er uil willen v. 
d. drek v. e. bardlljYige. 

rv., z. pëpgnwal. 

n96iuvu]^r, so^antèndong i waspaning 
dyah aqgëlfhkëllh anangis arës kinèwalan, 
Aq. Z. 1, 8 (brësibin tityang dèwa 
olih waspanta ri kalané lumé mang- 
liog djrih kaiuronan, mapabrësihan 
panika dèwa dèning jèh aksinia aiu- 
mé m. takui winalatkara). 

nuiu^ , jar., R. 25 Z. 8, panggorèngan, 
vgl. gèndjèng (sas. rrn. = pëngorèngan) 
vgl. aanh. onder pamanggahan; djangan 
asem nkawally aanh. onder sa sak II. 



9S«v3jru^, z. onder kaüla. 

'jwioifu^, s., R. 1 Z. 1, 72, 3 Z. 1, 
24 (bèkèn), 1 Z. 1, 52, h. v. dogen en 
asal, W. Z. 21, 1 (kèwantën, kèman- 
tën), «qghing, naast kèmawon en kè- 
wantën, vgl. Adip., 117, waar kèwalja, 
kèwala ba&ng, magëdi, mils men die apen 
maar iets geve, gaan zij weg; patik kèwala, 
geheel wil, en als praedikaat kèwala pntihi 
Adip. 31 (swèta èwa); angèwala, Br. Z. 29, 
14, (mangumanuman); kinèwala, Sut. Z. 
85, 9 (sinrèng), B. Z. 26, 14 (kagëbug); 
paqgèwala, pamungu. 

nsQouru^, muharaning bangawan, 
Tt. (mal. kuwala). 

Q6ijnru:)«i|^ , z. onder walu. 

ourugsjtsTJ^, B. Z. 87, 15 (kaam- 

p ë h a ng). 

9siuoru:)r5ii|^, onder de hoornen, R. 24. 

Z. 6, 2 (lilitin bun kalëtl). 

096nunj)tsii|^, v. walatP, ngwalataiig, 

omkeeren eene verklaring in een rechtszaak. 
ovutji^, z. onder kilwiöa. 



QQIi 



uinn\, z. onder wëlëlë'. 



9SicirutAj|^, s., tu&djupg biru, Wis. hl. 

16, z. onder taraté. 

OQSiuifuu, z. onder kèwala. 

gsK cinji UI n , B. Z. 94, 2 a (kasakitan, 
vgl. kasulajah). 

9SiuinjiiAOUMi^, s., eigenn. v. e. olifant 
door Krë&Aa gedood, aanh. onder mrëtju- 
kunda (TjU kolajapiftda, aanh. onder 



^N 



220 



»i^ 



mantra II., vgl. de mal. gesch. der Pan- 

dawa's, T. Batav. Gen. XXI bl. 68). 

091 u tAJi ^ , jav. (z. kuwaja, onder pèh), 

«gulma {spleen), «plihft, «plibègulma, 

R. 16 Z. 10, IS (kuwa); tamba gnmigU 

kawaja, Us., pangranëniog kawaja v. d 

kandujuban, R. 24 Z. 29, 1 (patjang 

inëm anak makuwa); kawi^anën, Us. 238. 
^un , z. kawi. 






^^^^n> ••> gedicht, Br. Z. 12, 13 (z. on- 

der ftdi en itibftsa); 2», z. onder (ukra 

en saptarë&i; anaké a^ang ngarah made 

kawja beter bekend onder den nm v. anakc 

agung njurah made of aju dèwata di 

balé munduk of punduk, waar bij in 1840 

na de verovering v. Djagaraga vermoord werd. 

2% z. onder saptawara. 

9aiuiAj|)Q|^, V. waj, R. 16 Z. 10, 18 

(panjub). 

9S«uitAj|9S«9^, B. Z. 84,27 (makawatja), 

Z. 87, 11 (wjaktinyal); ny&grodh&mhar 

1 iiatar mapatig&sti kawajakah apArwwa bhi- 

sana v. e. kÈètra, Kk, Z. 27, 4; z. kawa- 

jakat. 

9SI u UI 9S« ^ ^ , kirnna kawajakat (1. : k a- 

wajakab) rinlkanir matsya, T., b.» Z. 1, 
69 (a. Z. 3, 17, bjub tabuianing iwak 

atip). 

osiuno^ of kwafidji, dialicum indi- 
en m, de bladeren tot geneesmiddel, Us. (jav. 
krafidji, dat ook in 't sas. naast èkas in 
gebruik is), Mw., alwaar 't verband spreekt 
V. e. strand, waarop die boom gevonden wordt 
(afb. Horsfield, Plant. jav. rar., 30^ plaat). 



9^0^^, spr. koftmbit, uilsUtg zooals 
die om de boeken v. d. mond, zooals bij kin- 
deren vaak 't geval is, en toegescbreven aan 
H lacben om copuleerende bonden; vgl. kram- 
bit; de krambit oöng is op 't lijf en wordt 
toegescbreven aan 't overstappen v. e. plaats, 
waar coitus gepleegd is, 't zij in 't boscb of 
elders (Soer. Handbl. 1881 N^ 91 zegt, dat 
de bardnekkige buidziekte, die de beenen aantast 
en dap zou beeten, 't gevolg is v. 't zitten 
op een plaats, waar overspel plaats bad). 

9siiu^ I., kawanpin, «blaag (B. Z. 101, 

14), leeft van garnalen,' B. Z. 39, 23; Z. 101, 
14; bl. 218, algem. naam v. wouwsoorten, b. 
V. kawangaii nailn, k. pinggan, k. maling:, 
k. kèkëlik, k. sikèp, k. bulnsan ; ulèsé balan 
kawaogan v. e. pi tik, Tj. A. adr. 

2% ben. v. e. ub i-soort, de bollen 'waarvan 
als 't ware vleugels bebben. 

II., z. onder kaQb. 

^ u ^ , soort Aam v. k i d a ng-vleescb, meer 
bij de bergbewoners bekend, z. dèngdèog. 

9S«0j^ I., Bjw., lid in djaka(vgl. jav., 
sund. de boom en evenzoo in 't tag. kawong 
en 't mal. kabung). 

II., jav. (ben. v. verscb. b a t i k-stoffen); 
tpang kawang, 0. VII (k ë p u ng k. in een an- 
dere 0., waar de la onderaan versleten is en 
verbeterd moet worden door de streep door te 
balen, de verwarring v. i mk is verklaarbaar, 
z. tikara, in 0. b., mislezing v. kii^kara), 
aanb. onder rftdjawidbi en sinagiha; 
ngringsing kawmig (eigenn. v. e. plaats?), 



^> 



m 



^\ 



Mal. ISS m.; ftriqpsiBf kawonr samafofta, 
Kid. Sund. Z. 1, 10, 76; Smw. Z. 1, 22, si- 
aalan Unawmigkawoiig:, R. L. Z. 8, 37. 

^\, spr. kowang^ I., (kir^nf^), te weinigt 
bij beo. y. hoeveelheid (z. onder sèkët); ka- 
waif nadak, niel genoeg vermetigd b. v. v. 
iokt; kuwanfan (kasatan, kiraogan), ge* 
brek hebbm aan water, geld om iets te koopen 
eni.; kiwan|:an Jèh, kuwang^an bëkèl, pètja- 
daof, kawam^, uü gebrek aan iels beters; ook 
aoiggon pëtjadang kablSt. 

U. z. kowaog. 

IIL, r<p knmwang: (humwangP) ^abda 
tiatis paia kadi siDirang^ Jan widjil (rt na- 
rèodra, kk. Z. 3, 7. 






^\ {f)p paogiwung, aanh. onder rëdja. 

«On^ 1., makaknwaqgi «agujapg (mal. 
S 
▼. Kut kowapg, mal. kubapg); pakaku- 

waivtn» «patunaban. 

U., z. ^\ 

III., kaknwangan, z. bij kubang^. 

IV., rl knwaqg. knwonir muani konang- 
uiéiv, R. 24 Z. 18, 1 (di kuwangé tuü^ 
r i Dg k a n a i t.) ; dadi knwang tëkAnamwnn; 
knlit linépft taroi zegt de jakbals, die de le- 
dige trom op 't slagveld vindt, T. Z. 2, 14; 
pangknwangl, aanh. onder rftdjawidbi. 

V., zekere boom met breede bladeren voor 
mndbeeaten op de steilten groeiende, z. ko- 
wai^. 

ia u ^ , kawin|^*an, speeltuig v. aarde, door 

de Oiineezen verkocht en van allerlei gedaante 
(kèkèr b. v.), waarop de kinderen blazen. 



9Sio^ I.^ holte V. e. bamboe of boom (vgl. 
sund. këwung), Wir. 9, Adip. 24; v. d. borst; 
hol V. e. tëkjak, B. Z. 68, 6 (wiwara, 
goök), V. 't verblijf v. e. bh ram ara (tag. 
kolowong, hol in een boom, holle onder de 
borst); agih& kuwnngni dadanfng gadjapati, 
Br. Z. 23, 6 (makagowok garowongan 
tai^kah ikang hasti); kadyangganlng 
apnj ri knwnngning ki^n (vert. v. koiara) 
an gésënf ikang ki^n ni((è8&radin tèka rf 
pangnjra, wwitnya, wwadnya, mangkaua ta 
rakëtnikang r&gadwalsa rf hati, nyata ik& 
manghilangakèn dharmma, artha, moksai 
Ditya padolarniitg rflga l&wan dwësa, Jftwat 
hanaqgrftga f&wat hanang kadwaisan, tut. 59 

(Ind. Spr. 1924), Sum. Z. 96, 3, Wtb. UI 24; 
kawnng ikang raannk, de romp f v. e. vogel, 
B. Z. 70, d. (pakakëtokiiif[ paksi, panja- 
Inlonging mrak); sar sè'k Inmra panah- 
oirftsnlnng* sangké knwnngnya mnlëk, Rm. 
Z. 39, 11; kakawnngan, Z. 49, 13 (kawukan, 
dahat kataton), Z. 85, 9, Z. 92,3, Z. 101,7. 
IL, jav., knwnng*, R. 22 Z. 6 (tjaraking 
laün, kakuwuug), *B. Z. 39, 13 (indra 
tjapa), Z. 3« 41 (i., hjanglalah), Br. Z. 44, 
14 (kalialah, i., kak.), W. Z. 28, 2 (bi« 
janglalab), kawa*ng, Sul. Z. 87, 2 (hjang«» 
lalab); gandèwfldbhAta himpër kawnng* i 
hnwnsning djawëh. Ar. Z. 17, 1 (ma ka 
anak panah itu pon tërhundjamlah 
sapërti kukuwung minum darah, P.S. 
244 en 355); angnngnwnng v. spuitend bloed. 
Ar. R. Z. 22, 57, angnkawnng (vgl. onder 



)^\ 



m 



^\ 



indratjapa, kuluwung, umbul en rnang- 
kawa); z. kuüng. 

III., in pi. y. kuwu in v. Lombok afkom- 
stige geschriften en ook in K. A. blijkens Kid. 
Adip. Z. 1, 6 (misschien onder mad. invloed, 
vgl. mad. kobung, een kleine langgar). 

gsaouo^, naast kokila, T. b. Z. 4. 73 
en 74, aanh. onder ganta (vert. v. pung- 
skokila); ook kuwwang, Wrs. 9, W. Z. 35, 
% Z. 16, 4 (kok i la, anyabhrëta; z. 
parapuètah en parabhrëtahen vgl. 
kuwo; mal. kuwang, argus faisant, die op 
Java niet voorkomt, T. Btv. Gen. XXXIV 416); 
Lamb. Z. 11, 4, pik, pangawwangi 't geluid 
v. d. pauwen, B. Z. 11, 1 (uni, panjalu- 
long); vgl. onder tawwang en tawawa. 

OQQOi^^ L, zekere boom met schaarsche 
bladeren; alnngan kaja kowang, Us. E., 
bunut kwang, tpung panggang. 

2*, z. kuwang V. 

IL, kowang*, v. honden (vgl. go wang en 
bug. o w a ng) ; mèkowang v. e. geslagen hond. 

9siii^n\. prasama kawangl sèmbakipuD 
madalaran panjpilplka v. onderworpen staten, 
Kid. Sund. Z. 2, 54, aanh. onder luk at, vgl. 
onder wangi. 

9Q|i^n^, padang kawang^i, z. bij padang 
babad sanur. 

9^vu|^, verk., vooral in poëzie, v. bak al; 
sing^ kal adëp, niet te koop, aanh. onder sipta. 

900 rul ^ of kël, (vgl. onder këlu), ikang 
kël, sah ksamah, Swj.; tatas kël, R. 20 Z. 
16y 2 (tanpanaha); aanh. onder pagwa- 



njën; kamël, W. Z. 19, 4 (mawëdi), Z. 33, 

7 (naënin), R. 20 Z. 15, % koes zijn?; 

awëdl kamë'1 nton (aktl sanf prabha. Ar. 

Z. 72, 8; kmnëly tamarlma panas tls dèni 

bhaktinira, Wir. 20 (vert. v. (U(rus&jftk- 

li(yam&n&h); asam&dl kamël, Sum. Z. 3, 

1 (manjoga kumëla); een ander kumé'i 

z. beneden; kamë'lakën nnëng:, W. Z. 52, 5 

(manaënin, maigrëtf), Sm. Z. 24, 12 (Z. 

26, 2 ai^ë'lakën prih), Z. 26, 5 (nahën); 

anfëlakën panas, B. Z. 6^17 (ma nahën in 

katëksnan); angë'Iakën lara, Z. 26, 1 (nang- 

këk sakité, manaënin sakit); këlakén, 
W. Z. 16, Z. 33, 6 (kubdajaig, tahënang); 

taënin («jav. kël, bëtah, vgL imur), kë- 

lakëna, B. Z. 100, 7 (ja ika né kari kak- 

nëhang); arddha mapatëk manahira tnwi 

tan wënang: kinël, Rm. Z. 35, 1; dadwApèt 

raras èndjnh anamnnakën tnrlda rl hati tan 

wënang: klnël, Z. 25, 9; këlan, aanh. onder 
usu, Br. Z. 29, 13; tut. 8.; si kl&n, Yert. 

V. ksamft, ald. 9, aanh. onder ja ma; ikan|^ 

kèlan en ng^ tan kè'lan, aanh. onder sam rë d- 

dhi (vert. v. titikau en atitik&u), mana- 

hënin; këlaning danga*, R. 6 Z. 1, 20; 

këlakëlan, B. Z. 72, 1 (ngangogoig, ma- 

t a t i ni b u ng a n, bij welke vert. aan k ë la 

gedacht is). 

9Q|ru|^ L, kakubhah, ikanf kal, Swj.; 

pada mawëdi kamë'1 kol tnlja t&ta hanolah, 
R. 11 Z. 4, 18 (sami djrih nungkas kakal 
upama norana molah, sami adjrih ma- 
taën kadi k. norana njaiigkala, vgL onder 
blijëp); Br. Z. 17, 7 (oosl-jav. =: kyoi^ 



«»\ 



m 



^\ 



of kèjoi^, Med. Zend. XIV.; mad. ko-ol; 
alikruik: sand. kuül, oester, tag. kohol, 
kleme swarie slak^ lamp. kawal, kawël, 
bpêmshk, vgl. jav. ékul); mila kalaran tl- 
kuf kiPDOda ring talafa pwa ka^jap, kala- 
■akaBl^r wèrèluiyan. apnlanf rèbaking ka- 
Mina, fliaBiira*p sosahDya liimat*lii( patiga, 
paia nakétlap ta kalnya tnmatiiir pwa rl 
ronya Mivsp, Rm. Z. 62, 4; anaklng kid, 
• karap. 

II., ben. V. e. kleine roodachtige iwarte 
paddestoel-soort en een ifi dj a-soort, waartegen 
zij als geneesmiddel dient 

111., s. onder tjii^. 

IV., z. onder kulputih. 

n36iru|^, ngèkèly eenige geldstukken bij 't 

vtTtoonen van zekere som acklerhmden door 

it in een spleet, door samenknijping onder in 

de palm v. d. hand gevormd, te verbergen 

\gL qgëpa); kèl z. kèian. 
n«oru|\, «jav. (rangkul); sakol, R. 19 

Z. IS, 1 (apluk); tlang o( patang: kei v. d. 

omvang v. e. boom, Nw.; silih kol, Ar. Z. 

8. 4; {Arftktl lénfén anghalang* (atm, R. 

Z. 3, 24 (wanen pgadu akasing ban ma- 

njaqgkala tkan satruné, wani makolib 

wisèsa mamagut i musuh, parusa ma- 

tëmu riqg prang mangrusak ripa); akol, 

eikair als worstelaars omvatten?, mei elkaar 

wedyverem, aanh. onder gëlék, aanh. onder 

rwa II (ma tëmu); tan wrlq|^ r&tnya makol 

lawas bratara wandhawa rIpa klD%|ali pa- 

kifnyaa, Nts. Z. 4, 10 (pëtëng pitwi ja 

roatandii^an); makola $akti|riuia, Rr. Z. 



16, 11 (manëmuapg kasaktin kalëwi« 

ban); malUnn kola ffoAafiktl lawaa klrttl, 

Z. 8, 11; akol (b.: a landing) kawanln, Ww. 

Z. 2, 46; akol kafriinan, K6 ; akol paréng alaga, 

Rr. Z. 24, 12 (mangsëh sarëug majuda); 

kamolakén, Rr. Z. 19« 16 (manggëlut; vgl. 

bat. baol en holhol, pamp. kumool, om* 

helzen; vgl. jav. o kol); an|:ol| Rr. Z. 38, 4 

(angajuh), v. e. slingerplant, R. L« Z. 10,13 

(manglilit), z. onder «bol; sang kinol, R. 

Z. 2, 7 (sang k i n a j u b) ; maogolakéBi W. 

Z. 31, 7 (i^lilit, mai^glnt); akol*an, R. 

11 Z. 1, 12 (oggëlut kapëluk). 

9sivu^ I, jav., nmaln ring wré, kèna kala^ 

R. 18 Z. 10, 8 (dolog); makalakalA, O., 
aanh. onder wungkudu (makëna djëët), 
aanh. onder tëpis; akakMa, Hadji D. 30 (bis.), 
strikken vogels; (igfhr&ngal&nghfrakéBy R. 18 
Z. 8, K (glis nimbalang mai^andar); 
mangal&y ald. Z. 8, 3 (ndologin); kiaala 
paiïdjarèng wèsi, Spt. Z. K, 65 ; klnèa anam- 
bèr dèn ènggal, was slnambèr raden maatrl 
sipat iman tur binandho (om 't rijm in pL 

V. binandha, z. onder sinom), was maig- 
gwèng karang warlngln Iman akong tamall 

Iwlr bantèng kokalan tata, andawak Ing 
sang katongy slnambèr dé rakijan patth, tar 
Inapos paréng ta slra hanaja (f) „rl sering 
grodang karangan, klnala slra sang kallb, 
Spt. Z. 4, 53; plnrlh llnai4|ak klnal&n si- 
nanggan, R. 5 Z. 9, 16 (burn apanga nrë- 
djak latib supgga; jav. R. 126); vgl. onder 
djabung, waar dit kala met kftla wordt ver- 
ward en z. indrawarib; z. ook onder wisaja. 



^\ 



m 



^\ 



lU 8., (khala), Stn. (bërgala), R. 4 Z. 1,2 
(rak das a) kala (Arpanakh& 3 Z. 1, 67 
(raköasa); kaUdhama, v. iemands geheime 
bedoeÜDg, ald. 58 (dusta, djëlé, tan satya); 
kala r&ksasa, 4 Z. 1, 53 (tjorab), Br. Z.31^ 
24 (jav. R. 18 reg. 6 v. o., 204 reg. 3), R. 
5Z. 1,12 en 17 (tjorah blog, mapunggung, 
dusta nista); kala r&ksast, 7 Z. 1, (murka). 

2% algem. naam v. verderf verwekkende 
wezens (de ngoko-vorm misschien v. kaön); 
aja pnrasottama, bahalja ta (ka) ri ko 
sinanggah wrohèng dharmmaprawrètti, apa 
tika mahjan matyanèkang r&kèasa sédëng^ 
malajAi Ja ta slnang^g^ah nitja ka(;ma1a nga- 
ranya, tan pinakadharmma sang (ftradjana 
toornige woorden v, H&ljawan tot Wisnu, 
die den vluchtenden vijand nazetle, Uu. 
8"^ sar ga (bl. 14); de navolging ati^aja 
mArkka dnsta har! wiaua mahfttlkala, amè- 
djahi (atra kmnjas alajft wipartta dahat, 
sjrapa karik& pravlra makadarfifaAa ring 
palagan, Ja tlka had&ma (m. c. in pi. v. 
a dh a m a r ) wismrèti ngaranya Jan ing bha- 
wana, Harif. Z. 19, 4. 

• HL, R. 21 Z. 1, 4 (bëndé)^ ginwal tang 
bhèri I&Wan kala* gnmanih ghftrnnitèdrès 
gnmèntèr, Rm. Z. 42, 2; z. k&la II. 

IV.. z. onder kalaq. 

V., rèsi kala, z. onder manowara. 

VI.^ kalahangsa, s„ R. 1 Z. 1, 9 (banjak 
hirëng; deze verklaring door aan kftla (zwart) 

te denken). 

«nru^ I., s., R. 5 Z. 9, 16, verward met 

kala, z. onder djabung. 



2^ (]iwa, vgl. onder Sadabidjnja, R. 16 
Z. 8, 7 (mrëtyu mabhèrawa; Tjt. maakt 
hiervan kalawèëma, aan wien Sutasoma 
moest worden geofferd^ terwijl Sut. Z. 110, 14 
spreekt v. e. berg, waar zich KA la ophield, 
giri kftlawédma, vgL onder f&ntika); sAk- 
sftt hjang paramèsti k&la v. e. niet te over- 
winnen asura, Sut. Z. UB, 4 (hjang guru 
mar upa mrëtyu); bhatftrakftia, R. 21 Z. 4, 
1 reg. 1 (kali purusangkara); Iwir blia- 
tftra radra kawas mangragajang kala, «kadi 
hjang ifwara katon m&wak mah&bhè- 
rawa; apa ta rApa bhatftra kftla, wënang 
sakftma*, kadyatjala sampora gè'ngnya, nia- 

hnla pwa Ja tiga, hana kadi tëndasing 
s^adjah, hana kadi tëAdasing singha, (hana 
kadi tëftdasing glap), kadi prabhang- 
kara Janpandëlëng (kadi) nrabing bahni 
Janpamandëng, kadi grëh këtag Janpatwab 
magimbal madJatA kadi mègha mawèéiban 
tjarmmaning liman, maganltri kapAIaning 
singha, siaallwah ( s u m a 1 i w a h ) mwang 
kapAlaDing warak, rinok mwang kapAIa- 
ning wahaja, (kapalaning) mong (wanèh), 
magoAdala kapAIaning wong, mabhahiri 
bbadjaga wëlang, makarawlsta wilèja$awa 
(lees wilèfaja^awa), masampët nsnsning 
vnhaja, asabak (wëdihan) nsnsning djan- 
ma, makalnng bhndjaga tamnga, mabhasma 
polo ( n i ng w w a ng ) , maslsig kalakftta, 
mwang ratjnn mnwah, madyns (madjëno) 
rndhira, manglimbèkën wangkèning djanma, 
mangindit wangkèning liman, roanjapitin 
(m a ng ë p i t i ng) wangkèning meng, mwang 



to\ 



2^ 



tei\ 



warak wanèh, maka (mangkana) rftpabha- 
tira dwTKApatl (k&la)^ Krws.; kAIa daAdo- 
HMM Y. e. knods, Utt. S8; kUadwlpa, z. 
aanh« onder bhftratawarsa; z, kftlajowana. 

3*, ierwyl, Sm. Z. SS, 1, •sèdëDg.R. 20, 
Z. 9, 1 (ri sdëk); rf k&laninr bhadrawadai 
T. Z. 5, 68(ri sédéking sasih karo, 
nadju aasihé k.); men zegt ook iigala» di 
i^ala ning aangkëp^ als 't sangképan is; 
kala (oalika); kalanipnn bawaog, tijdens zij 
loop$ch %$: kala*y soms (lamp. kak a la). 

4% de 7* dag v. d. aëiaw&ra; k&la ni- 



nidift, de aan Kambhakar&a verleende lang- 
durige slaap, Utt. 20 (z. suptasadA); k&la 
wréddhi of kAlikAwréddlily inierest iedere maand 
betaald, Wtb. onder bl. 39 (z. kftjawrëddhi); 
kftlawaktra, Z. 18, 2; k&la mrétyn, «mrë- 
tyudjihwa, de dood als persoon (vgl. kftU- 
wasana), «alap^an, «lokikftntaka; apama 
bU masQat di l^|ah kalamrötyanè, R. 18 Z. 
313; vgl. Z. 1, 11; k&lamnkha ('t jav. hds., 
kala k ft m., 'tgeen nader blJ de lezing v. 't 
origin., namentlijk kftlikftmukha), eigenn. 
T. e. asura, Utt. 9, Hari(. Z. 11, 3; kala 



drAt K. kftla aupta; kftla mdra, aanh. onder bahnli kapasnkan dèning kala bahnt kaU- 



lawu; UUaksèpa, s., z. onder hëlëm en 

k s è p a ; kaladdta, omineuse aan iets opgemerkte 

bewegingen (vgl. «jav.) ; nihan kala ddtaning 

tartnu aanhef v. e. stuk over de bewegingen 

V. 't lichaam; kaladèfa, T. Z. 4,43 (singsé), 

aanh. onder sambèga, Lamb. Z. 19,9 (tjidra), 
Sam. Z. 24, 8, Hadji D. 34 (jav. z. Men. 28, 

281, 291 m. en vgl. dè(;akftla, de juiste tijd), 

Br. Z. 47, 3 (wendbare plaats op iemands 

lichaam f); tan wrtni; kftladèfia, tut 31 a. 

(vert V. adèfakftladjnja); angèr kaladèfi, 

waehiem op een gunstige gelegenheid^ T. b. 58 ; 

ikkladèfa, Sm. Z. 26, 1 (ngalih dalihan); 

■aagaladèfay Z. 6, 3 (manjangkala), vgl. 

•jav.^Kam. t,degelegenkeidafwachten)fBr.Z. 13, 

29 (molih awanan); v. e. meisje, dat iemand 

op bed omhelst, Djpur.; klnaladè^a, Sm. Z. 13, 

29(kaQpaja}; kkla dosoOy kftladèfa, Wrs. 

4, 16; 27; UUa tbftni, W. 8 m.; angalatani, 



dëpanya v. woedende strijders. Bh. 46. 

IL, in pi. V. kftlahft, zeker muziekinstru- 
ment, Sut. Z. 99, 7, waar m. c. kfthala 
(bëndé), Z. 131, 3 (z. 113, 13, Z. 122, 1, 
kahala); Z. 128, 1; R. 22 Z. 4, 23; z. 
kala m en kfthalft; kalarkwa» aanh. onder 
9[anggft; kala* s., een verward geluid, R. 
20 Z. 18, 3; montkaqr kalakftlftagdanl hl- 
lang ikanang dahka, Krsn. Z. 9, 3; z. 
kftlawa^a. 

«III., in pi. V. kahala, Hw. Z. 40, 6. 

• IV., scorpioen (vgl. bat. en mlg.). 

V. en sangkala, zoo lang als nog; sang- 

kalan tityang na Idnp, Ls., bëll margl ké 

gélisaqg apang tëka mangkin mnlih, sakalah 

mangkin nn dijah, ald. 

»irv:)\ I., s. (khalaf), R; 6 Z. 4, 38 

(tan satya), vgl. onder kalft ja. 
II., s., aanh. onder wju&ta. 
III., anabëk mnrawa, gnbar sangka mvang 



(vgL kftla dnsun) Mal. b. 100; klnalathftnl 

dèiiar morahyMal. 147; kftlasapta en kftia kala, Spl. Z. 3, 3, z. kftlaja. 

u. 



19 



»> 



^ 



^\ 



06iin\, belet f door de bergen, kale' téka- 
plkanf funaii;, Bhmd. Z. 2, 8» kalë't? in pi. 
V. kahëlét (ygl. jav. kalëtan rëdi), lees 

kalët tëkapf 

QQiru^ h, vóór benamingen v. windstreken; 

b. V. kali kanglD, kali klod, kali kawa (kaO- 
ha), kali kadja; tèkéd di biblh tnkad bAnsé 
bëdnfiran kali kanglna; kali kloda, in U N.; 
kali kawana, in 't W.; kala kali, aanb. onder 
waraiig. 

11.9 jav., «kh&ta, «parikbA; met de bet. 
V. rivier is het modern jav. (vgl onder lob); in 
enkele eigenn. slechts in zwang, Wtb.; kali asat, 

z. onder k ë k é 1 i k ; kali Inng^ka, z. onder 1 u ng- 
k a ; patjar kali (b. : p. b a nj u, Stn. Z. 5). 

2S këkalèn, greppel^ sloot (sund. id.; vgl. 

kaliq en onder dèii^dèng); ngëkalènaiif, 

ngandjiugang of fiidjël ing dj ingang; vgl. 
«kaljan en kalyuntu. 

111., s., nm. y. e. kwaad ingevend wezen, 
Krsn. Z. 4, 3 en 9, Z. 18, 2 ; amof h&wamana 
kawifèsa dèninf luüit v. de als vrouw opge- 
dirkte S&mba, om de heeren heiligen te foppen, 
Aw. 70 ; luüi, de 4« of ijzeren j u g a , Sm. Z. 
38, 7 (kali saugkara); Wtb. UI, 5, 11 b., 
Sut Z. 1, 4 en 10 (z. dwapara en traita); 
Z. 148« 19, «jug&nta; kali saofara^ «tu- 
k a r ; slninrlli Jèn tëkaniiif jag:ftnta luüi tan 
hana lëwih asakèn; mahftdliana, tan waktan 
f ima (;Ara pandita widaf da pada manfajap 
im^ dhanèfwaray sakwèhniiig rinahasjra sang 
wika hilang: kola rata pada lilaa k&syaaili, 
patrAdwéplta ninda ring bapa si (;ftdra banidja 
warawtrjja paAditai Nts. Z. 4, 7, in die juga 



hebben gemeene lieden 't hoogste woord en zijn 
moord v. broeders enz. en bloedschande aan 
de orde, namentlijk in de slechte regeering v. 
Pa rik si t (vgl. G. St. gesch. der Pand. XIII 
noot 119), Tjt. 68, vgl. aanh. onder nindita, 
sangara, osadhi en sawa il, pilang ksaja; 
pamëtuniiig kali v. r ft k s a s a ' s, die v. plan 
zijn de wereld te molesteeren, Tjt. 216 (217, 

p. n. kali sangara); kaliparnsangkara , z. 
onder puruëaugkara. 

2^ «tukar, aanh. onder rad in, mairawé 
kali, «mangapuji; adariisaiig kali né, 
• amitukarakën; kali saqgliara, «kali; 

mimitan kali né ring sasak, fr.; kali drama, 
z, onder dj aha III. 

IV., kali gnna, eigenn. v. e. bhüta iu de 
onderwereld (of kalih g.), Bs. Z. 4. 

V., s., kali mahosadlia, 't wapen v. Ju- 
dhiiihira, Br. Z. 42, 5 (pafttjamahosadi. 
kali mahosadi, z. onder pustaka), \V. 
Ast. 6; sandjata kali maSsadi, «astrawara 
pustakamaja, pusaka djamus sëndjata 
murdaging, idjimat lajaug kalimasada, 
W. R., 151; toen Dërmawangsa zag, dal vele 
van zijn leger door Sa Ij a's wapen sneuvelden, 
makabaginda pon marah maka pësiaka 
klimasada itu pon mëndjadi tomara 
namanja demi sëdjata itu dipëgang 
baginda maka kluwarlab api dari pada 
udjung sadjala itu mëugalob de monsters, 
die Salja tegen de Pandawa's te voorschijn 
riep, Pw. 144); amiwèka sariniqg kali ma- 

kosadha, Pabr. 1 3 ; kllmosada en k 1 i m o s a d i, 
z. onder ka tja pi. 



«»\ 



^1 



^\ 



VL, kali ktekte (kali napi). m hoe 
laai: kalt ponaply «kapan; ook in den zin 
van koe mouI (vgl. ndi kapan); kali djani, 
op deMm tyd v. d. dag, op dü uur; ludi pn- 
uapi pamarrinè, «kapan lupgha; z. daüh, 
lèpët eo panalikan. 

«siffu^ V. d. maan, zoodat men misschien 
kalaqg lieeft Ie lezen (de kring om de maan 
vergeleken mei 'l overblijrsel y. blaaket ten 
gevolge V. 't dikwijls gekust worden); kalt 
■ikat aanb. onder kasaj. 

nru^ V. d. buik v. e. dikzak hard en op^ 
ê 
gezet ^ v. spijzen ie gedegen, vast y. d. peezen 

tegenov. uwal (vgl. këkëh); tamba, saüd 

naaakan magémpol sikslkaBBjané, mampa 

badasa, tnr kala, (arana enz., Us. x. 21 b. 

36inru\ 1.9 arm- of heen-hand (lamp. kalaj), 
B. Z. 27, 4 (glaqg ba lis, glang; #jav. 
pending; sikk. snoer y. kralen om den pols 
gedragen). Sul. Z. 45, 9; kale sasan, z. on- 
der susnn. 

II., fliakaléy met de handen omhoog zwaaien ; 
ada iqrarék maaingklak malLalé manganggar 
kris y. përmadé's, Swg. Z. 2, 22, aanh. 
onder sla ga. 

wonn^ I., Bjw., seort zeef (vgl. jav.), 
pëqaipan; ygl. sidi. 

n.. sas. (eignt. biman.), bij u (bat. g a 1 u h 
en gaöl). 

afu^ I, jay., «kuluban; makëla, kok, 
Wir. 44 en 11, Br. Z. 51, 19 (kooksel): ki- 
BélSy «kinnlub, #liwëtën, aanb. onder 
bina; iék sapg kadi manobhava, tiqghal 



maaëkta griqg kimrking, jan tan sibira uA-* 

th&aom, tan wan nuuiéhta wasjanti, asangwa 

rftga kingking, liaipurlipar tan Hpar, linila 

nda tan lila, linalilali tan lall, lantegaa- 

Bgnn baagan Jaja k^ja èdaa „dadi aggérah 

garawalan, sinyakan ing sarwwa matis, 
mangkin njang k^Jènorob, Iwir kiaëla taa- 

pawarik, ab sapadaralari, ^maing manah 

kënèng kang, dub kamakara sang bjang, ma- 

nobhaw&nu^lwing batl, ati sisu sasah tan 

kèna tlnamban „ndi takwana tèngsnn tuhaa, 

Jan riqg wana dnrggèng wnkir, Jan ring pasir 

karanging froqg, Jan sira laagè* angawi, 

marèngkè pèta mami, manëhta suka tamntar, 

saparanta tan angdoh, dèwa sang Iwir astra- 

sari, au piagpita fidjauma katëmwa mks- 

ingwang „Jadyan ring Jamauiloka, lëwlh 
saswarggèngsnn sering, saparanira tan ang- 
doh, san Iwir ^atakèng asndji, (oka anglik 
anangis, apti sisiram ing djawnh, Jaja Iwir 
tadabarèa, angangkih anangis, Jaja kadjarn- 
ban ri pandanüiq: walan „tasmin kaja nilot- 
pbala, nirambftka wisardjdjèki, nda tan wnn 
atëmab lajon, kaja kndaniug malati, kapa- 
nasan anganti, bisnikanr 4iawéh ing dalu, 
ring $a$i madhnmasa, ri kapaaa haaa riris, 
tan wan anta lalabanèqg paliaggèbaa, uit den 

minnebrief eener prinses aan N a th ft n o m 
(titel y. Iman a k u 1^), Spt. Z. 4, ISlenvlgd.; 
kèlftu i kawak sanf Jama, O.; klan dé sang 
Januibala, O. b. I 8, a.; paaglan, R. 2B Z. 
8 (paën), Wir. 9, 27 ('t origin. mahftnasa; 
sas. këlaq; i^ëngëlaq, pglablab). 

2% z. klan L; këla*n ^èièq: nmah, Adip. 54, 



m\ 



2^8 



^\ 



11.^ kèla*, zekere kleine zwarte bijsoart 
(melipona minuta), honig opleverend en 
niet stekend; de umah als gëgala wel eens 
om een lekke pané of djun me£ te helappen 
(vgl. onder kalis); kruipt in de ooren v. 
degenen, die haar stooren, jav. klafitjëng, 
Bantën kalalafitjëng, suud. teuweul; in 
een blbd.; z. onder njawan. 

111 f, komèlft, #kumël. 

^iru:)^, z. onder kalaha. 

fefl^, z. onder tjë. 

9q^ (?), kaklèn (b.: kftlën), zekere zeevisch, 
Sut. Z. 52, 5 (olih otjaknja). 

9siru^ I?, z. onder klur en kël; akëln, 
B. Z. X 2 (malingkuh^ pagëh); mangfè- 
Iwakèn kingking, Hal. 251 ; angëlwakën lara, 
Was. Z. 6, 180; angél waken tan8:is, Z. 3, 
103; angi'lwakèn lolnt, Lamb. Z. 11, 1 
(manaën kasmaran, ald. 3 mangubda 
w i ng i t), alwaar misschien a ng ë' 1 a k ë n moet 
gelezen worden. 

II., z. onder kaluq. 

j^nvu^, akèlé pram&da» R. 4 Z. l, 34 
(ja kowat ampah, ja k. pratjampak, 
lëngé katunan daja); mamrlliatali tara- 
kèlé mamanah taranglé, R. 20 Z. 19, 10 
(mindrihang ika tanpanaha mamanah 
nora sutid). 

o 9sn ^ , stamw. v. mëklo? 

9^vu^^ Ikanf masor kinilakilènf sasam- 
bhawa, R. 2 Z. 4, 1 (ika né tan trësna 
èlikin kaëdang apang djoh, punika né 
nista mangdé ala kaëdang a. doh, si 



salah kirajang dobaiig pët^ang); kl- 

nilakila, binagibagi, Kr. 
99ivu^, s., z. onder pakëh. 

OQHVU^ I., kluizenares, non (jav. en mal. 
vóór den eigenn. v. e. kluizenares b. v. in de 
mal. Pafiidji verhalen, waarKili Putjangau 
de naam is v. e. vorstelijke kluizenares), Br. 
Z. 22, 3 (sang aju, sang brahmana), 
Adig. 29, vgl. onder bhagini; para kili, 
• fttjftri; ni kilt, T. Z. B, K9 en 60 (ida 
istri, i dukuh lub); lamakakili, W.Z. 16, 
2 (malaksana ndukuhin, lumaksana 

tapa); kiU*, B. Z. 4^ 18 (tapini); kili 

r&dja, Hadji D. 52; liwi kili, Sm. Z. 9, 5 

(padukuhan); blbl kili, z. onder ba E^kol; 

knnani: Jan pangatjapa strlnlng halmi* strt- 

nlng mèn*, tan aranana strt sang gr^hAna, 

apan kaségëhakënan (?) donlk&n mara, h^jwa 

tan asënëtan tanpangntjap ntjap, knnang 

Jan Ing (;Anya pangntjapatjapa kalawan 

strtning tj&rana mèn* str! wrak klnonkOD, 

strlulng wwang bhaktl, kill* ('t origin. 
prawradjit&) knnang, Jogja daAdankadya- 

ngftni, sa, sftwarnna, ma, 4, tk&nya, SdjJ 

(Manu VIII 362 en 363); ikang wërëwörëk 

havus amwati wëljaning kanyA, pinasatyasa^ 

majakën tëkahanlng fubbadiwasa an([rgahai 

nya, mlthja ta Ja, tanpangantyakèn, mara 
taja kill* laSdJi, tjandala, da(;i kunaDi 

atinggal pamëlinya. Ja dandanya, kunan 

Jan ahJuD anomahana malik, pamèliDyadw 

gun&këna Ja, aknrëna ta Ja, amii pin 

tëkanya, ald. vgl.» aanh. onder suksaranë 

waar de kili naast raftda vermeld wor 



\ 



229 



tsi^ 



en dus doet vermoeden, dat er ook in de 

paleizen gehaisvesi werden, dus de weduwe 

V. e. kluizenaar ?; mapaklU, B. Z. 11, 2 

(lumaktt wiku, mandukuhin); kakiyan, 
W. 149. 

IL. jav., kèkilii grasbloem mei péndok- 
steelen of v. bamboe, om de krekels aan te 
hitsen (vgl. sund. gëré); m^nin, krekels 
opieiiem tegen elkaftr ; z. ë n t i t. 

UI., in pi. V. jav. kèli (v. ili); Unöbor 

k«la UU, V. e. vrouw v. hoogere kaste, die 

lich afgeeft met een man v. mindere, en 

tengevolge daarvan hare kaste verliest (volgens 

een paawara door 't voorloopig bestuur v. 

Bnlüèqg in 't jaar 1876 gemaakt); z. onder 
kula. 

aiu^ L, om de maat in pi. v. kaüla. 

IL, 8., geslacht, W. Z. SI, S (irëb), kaste, 

B. Z. 5. 8 (kawwangan), Z. 4, 18 (vgl. 

ngadj. en bat. hula^ en verder de in mal. 

verhalen voorkomende uitdrukking mëAdëm 

kula, zijn geslacht, kaste of rang verberge», 

V. e. als een gemeen man zich voordoend 

persooo, in tegenst. v. mëmbabar kula« 

sich bekend maken, P. S. 408, «jav. anamur 

kula, Ad. 81, Dwd. 351, Bil, amëbdëm 

kula, z. Man. IV 21B, Djm. 100 en 3 too- 

neelstakken, bl. 68); tan sawawa ring kula, 

Mal. 281; kola wandha kadang, aanh. onder 

bari^ (vert. v. sambandhiwftndhawa); 

knla'nlBf swargga of kèndran?, B. Z. 4, 18 

(kottamaning kèndran, kalëwihaniig 

k., kalëwihan kabëtjikané ring kèndran); 

ija^aka sor kola ka^Jfttlnè, inanggahan 



dèning kanji, lèwik ka^fttiné, paramènak 

towi, sang angnuggahl, jèn dudft karèp sang 

kawitanya (b.: ning kanya) amanta djadjaki 

sor kula né ika, pasahakéna kanyft Ika, dé 
sang prabhu, Jan wns apasah djadjaki sor 

knla né ika, patyanana dé sang prabhn, jan 

angnpaksama J&minta hinnrip (b.: ingurip) 

sampnra dé sang prablia, dan^ dé sang 

prabhn, tjaturgunottama, 80000, knnang jan 

harép (b.: karëp) sang kawltanlng kanyi 

amantn djadjaki sor kAlané ika, awèha 

tok van dwignnottama, 40000, pambaligya 

dwlpratama, 8000, maring kawltanlng kanyi 

pawèhanya, mangkana kramanya, knla kèll, 

nga, sang angunggahi, Krtp. 19 (vgl. aanh. 
onder puruia); kula anjnd, z. onder patita; 

knIanM, z. aanh. onder awalft; kinula 
(uddhftddirl hlnvèng mamènang, v. iemand, 
die door den dankbaren vorst als zoon wordt 
aangenomen, zoodat hij kroonprins werd v. 
Daha, Ww. b. Z. 3. 21 (a: kinula wi- 
(uddha, dal in de R. L. Z. 9, 42, v. iemand 
gezegd wordt, die door den vorst tot patih 
verheven is geworden, vgl. jav. en onder wi- 
(uddha); toen de vorst in gevaar verkeerde, 
mangga kinula (uddha, wilde hij beiden ver- 
heffen, R. L. Z. 7, 162 (suka kaftrëpang); 
jèn punggawa né kinula wisuda, kmdaksa 
enz., W. K. (Z. 21, 2, a.); knla (nddha, aanh. 
onder luugsur; pangnla wifnddha, ben. v. e. 
boete, bedragende 40000, te betalen door iemand 
V. d. 4% kaste, die een brahmaan heeft uil- 
gescholden, namentlljk zoo hij den dood, die 
er eigenlijk op staat, wil onlloopen en de uit- 



tsi^ 



2S0 



\ 



gescholdene hem voor slaaf wil hebben (vgl. 

wif uddha), Adig. 19 bis (21 a); kalawarfa 

(vgl. mal. en jav. kawula warga, Ad. 81); 

kala vi^addha, zie k u 1 a f u d db a ; knlawam^- 

«adja, T. Z. 2, 19, Z. 4, S7 (braja); kala- 

parwata, z. onder sapta; trinajana sira 

knlaprabkftngaf ëm badjra v. iemand, die zich 

de gedaante y. Ciwa geefi, Ar. Pr. Z. 22, 45; 

kolapatra en knlapatri, aanh. onder rubun 

en bikang; kaladjanma, Adig. 35, in tegenst. 

V. tjandaladjanma, Wib. (z. kuladja); 

kalaiirl, R. 20 Z. 9, 11; makaknla, W. Z. 
30,1 (njantanajai^, mai^widjilang ring); 

kakalaftn, «kawwai^an; (addhakala, W. 

Z. 12, 2 (lëwih kawangfan, 1. wang^a). 

II., sas. (jav.), naast kadji, aanh. ondei 

d a w ë k. 

«vu^, s., oever v. e. riyier, Adip. 92 f, 

parakAIa, z. onder sa b rang II. 



o 



9Siru^, makiili*an, /amiVuiar ergens komen 

y. die dagelijks als vriend ergens komt. 

IL, mal. (Tamil küli), lastdrager (nieuw 

woord). 

9Q|vu^, in pi. V. ka al u. 

gsanvu^ I., jav., makoléi B. Z. 40, 6 (ma- 
sa ré, mauginëp); angnlaj lolat onëng, 
Lamb.Z. 15, 1 (mandudut ati kasmaran); 
saiv prApt&ng alaj Ing pangipjan angisapwan 
amalaka sëpah sakèng wadja, ald. Z. 9, 3 
(raüh i dèwa gëlut tityang ring pa* 
nupnan pinangku managih gantèn 
sak ing da(i); pakolènira, B. Z. 14, 4 
(kala^andanéné, kaprëmin olih ida), 
Z. 40, 2 (tjinumbana); pakalèn, «fajana. 



II., z. onder kulèh. 

"^ïsivu^, mëkèla v. lieden, die elkaftr vóór 

willen zijn bij 't bezoeken v. e. bezielde; me* 
kèla qfaapi om 't spoedig te hebben ; mëkèla*, 
te lang v. e. djoftn b. v. zoodat men overal 
tegen aan sloot, tegenov. këdjokan. 

ngsnoru^, jav., een kleine koker v. bamboe 

(vgl. sund. en z. tjèkèl), Ar. 6:, kèlé ampel, 

z. onder ampel; kélé bata, nm. v. e. klee- 

dingsluk v. zeker patroon f ; kèlé barak, nfing- 

kar mafidëqg kélé barak, v. vreemdelingen 

of mahomedanen strijdvaardig. 

OQQOïu^ L, gemeenzaam vrnw. !• pers., 

ook door vorsten gebezigd en overeenstemmende 
met nani en siga, als 2« pers., zeer in ge* 
bruik, vooral bij mahomedanen. 

II., s., attarakola, eigenn., B. Z. 45, 17; 
kolagiri, s. (kolfthala), eigenn. v. e. berg, 
waaruit Girika voortkwam, Adip. 46. 

nooonvu:)^ L, zou bij de visschers de nm. 
zijn V. d. tripang (bug. taripang koroq 
of mal. kolongf); z. tjëlak pandé. 

II., pakoloan, een rond aarden potje met 

I 

deksel om olie, tjandu ens. in te verdragen 
of te bergen, v. chineesch maaksel; z. ming-i 
gah, bëkëm, rapëtan en tji. 

• III., of këkolo, sas., t i t i r a n (tag. k o 1 o ^*| 
kleine tortelsoort ^ waarmee men wichelde, ko-| 
kalo civèta (b.: kèro c), naast kitiranj 
pëiak, Us. Bal. (hds., H door Friederich ge^ 
bezigde hds. schijnt mrëdangga gehad t^ 
hebben) ; tondang kolo , kamëniran, d^ 
vruchtjes zich ais de halskring v. genoemdeaj 
vogel voordoende^ z. onder pëlik. 



> 



231 



^ 



«ifU^^ (kadn), jav. («kilah), overwon- 

men in den sirljd ; verliezen blJ 't spel ; mikalah, 

raégèdi; nora makalah, #tannintar, ook 

V. e. verstreken tijdstip; soma mékalali, ver- 

leden Maandag: mèkalah tandnn, met den 

rug naar elkaar toegekeerd: émg alaïi, «ha- 
jwflpës; opilahanf, iets verliezen bij 't spel, 

zooals 't geld eener weddiqgschap ; ngalahin 
(nganin), i^s of iemand verkUen: vaak ge- 
bezigd ook V. iemand, die sterft, b. v. Jèn 
kalahin Itfang matl, indien ik deze wereld 
rerlaai, wdieti ik overlijd^ aanh. onder sam- 
polih (manira tinilar lampus, Men. VI 
189); tqfa mangalahiiiy «matilar manging- 

gatt; kalahln zegt men bij 't afscheid nemen 
V. e. mindere of gelijke (v. e. voorname of uit 

beleefdheid, pamit; vgl. onder kari I, ting- 

gal en iriki); sakalaUn tityang en dl 

makalah tityangé, «ri wurii^ku; mékala- 

htaii een rivier afleiden (z. onder al ah); 

pëngalah, een m., om de geesten v. e. erf 

onschadelijk te maken; mèogalahln, pèngala- 

Ub, op de geesten een pëngalah aanwenden, 

iQfu^\ I. (•kftlih), h. V. duwa, R. L. 

Z. 10, 4 (samalih); qfama kallh, z. onder 
pin do; da&k kalik, h. v. datlh; ming- 
kalibi vm.ssmindon, #Mal. 49, KI; ké- 
kallkf h. V. dadwa; makakalUii h. v. maka- 
dadwa, «parëng rwa; lamon tan djat- 
■tka méngè dyëro salat andlkanlrèng widi 
apa fawèsya méngè* kamalik 9,apa kang 
dèn dolii, Jsp. Z. 13, 76; qgèkaltk paksa» 
z. onder dwipaksa; flfèkallkin v. e. be- 



schuldiging, die niet zeker is, nu eens dezen, 

dan genen aanklagende; twee betrekkingen be- 

kleeden ; ngèkalihin gèiiaby op twee plaatsen 

wonen; ook ngèküihang g. ; kalyan, en daarbij; 

daarenboven; akalikan, te zamen met zijne 

vrouw (vgl. onder kanti), sund.; makalihani 
• sumaftding. 

IL, kalih*an, Kam. 16 (T. b. Z. 1, 71 
pamutjangan> T.a.Z.4, 4B kadjapg rarak), 
onder de rijkssieraden en achter gedragen, 
T. Z. 1, 7, Z. K, 84 en 87 (kaötan), Kid. 
Pam. Z. 6, 7, «pawwahan, Anj. Z. 19, 3, 
Ww. b. Z. 5, 109, Pam. 10 b., 13 b., laB- 
tjapg volgens sommigen; kakaUkan v. e. 
muziekinstrument, Mal. 160, 161, SB9, S60; 
^akswaki (f), anabnk boqgboqg (b. bai^- 
bang), kallh*an, Kr. (maka baginda pon 
mimalu bunji^an itu barapg japg aaaT 
sa luk at ^^^^^ dan ^^y y£^^ itu 

sambil ija amandjaig angidung këka- 
win, Pw. fr. 135). 

9^^^ I., M een zeker tijdverloop (vgl. plan); 

klak pituqg tiban. 

IL, klacht bij *t bestuur (alleen op NederL 
grondgebied en nog niet in algemeen gebruik). 

IIL, verb. v. gëlar; takttak, sas., «aglar 

en gumëlar v. tipah; vgL këlat; klakan, 

eigenn. v. e. pi. niet ver v. de residentie v. d. 

vorst ; daking mnsah amarant klakan sakèag 

uasAntara, koQgaiv ta frt ka4|i apadatt^g 

sftgara, Pam. 23 (de kid. ngui dnkiqg f atm 

marant këlaban saka ring nosantariy k«- 

vgng $rl narèndra apadatt sikgara), aanh. 
onder samplangan en sèsèh. 



\ 



232 



> 



^V\ I'> onveranderd^ niel grooter of kleiner 

geworden (z. tilëh); klëb*, in denzel/den toe* 

stand blijven v. lieden, die niet opschieten of 

even dik blijven, v. e. wrat, een wonde niet 

erger en ook niet beter {ygl. ngojong); tegenov. 

niet roesten v. e. gedjërukte kris-lemmet, 

onveranderd, ook v. menschen; jèn miuqliiiin 

kléh* dogen v. iemand, die matulur is; 

klahklèliy geheel ongedeerd. 

IL, aklèhUi aklëqëngan. 

^^\f volwassen, oud, tegenov. kinderen of 

als maatstaf v. ouderdom (duur); mënèk kélih 
V. e. pas opgeschoten jongen, v. e. meisje ver- 
bloemd in pi. V. tjampur; badjang bafi mënèk 
kllhy «rarjanwam; qgèliliin, als klijan 
over iemand gesteld zijn; sëkii bafidjar ring 
wirasinga, né kaklihin olih njoman plna- 
tih; ngljjjangy ouder worden v. kinderen, op- 
groeien; als klijang fungeeren; klijang pan- 

djaknjané, B. Z. 86, 21 (r a m a n y a bala) ; 
klihan of klljan, ouder dan deze of gene, 

«agradja; 2« een minder hoofd onder de 

pëmëkël; ook klijang; ngalap ii|ama 

kiijant aanh. onder krama. 

isin L, jav., R. L. Z. 9, 3 (tlusuk), Wtb. 

IL, 39, 2; ktnë'Iahan, m. c, Sut. Z. 84, 4 

(ka tal us uk); irungnia dak këlahi, Und. 

Pngr. (vgL aanh. onder këbo; këluhan, 

Bjw., t lus uk, vgl. aanh. onder wadjana, 

sund. kaltthan, men. tali taluan), verL v. 

n&sya, Wtb. (Manu VIII 291), #abandha 

joktra, «ëkawatja (f), aanh. onder tuma- 

ng a n ; wong aqlolong goh mablsa kadaha, 

da» SOOOOy adjinlkang tjinolong goh, mahisa, 



4000, satanggal*, jèn kang darang ananilaiig 
rakitan, dnrang aklnhan, rëgaoya liSOOO, Wtb. 

IL, z. onder angluh. 

"^^^^ L, ngëloh, iets met de nagels uit- 

krabben, (z. kruk); krik tlngkih këloh pangri 
tasakang, spreekw., alle lieden moeten opkomen 
tot de kinderen toe. 

IL, gericht naar, v. 't gemoed, op iets zeer 
gericht; knëh itjang ngloh ka pabéjan; ngé- 
lok kafib, ngëloh kadja enz. v. e. tak; pëkë- 
loh, meerv. 

9snru<j^ L, lëmbn makulah, z. onder 15 m- 

bu; akniah tahi, de drek v. e. vfong sinula 

opruimen, Hadji D. W. (bis). 

IL mal.?, Iman snmantri adgatjap (raden 

i. s. napda), rata amsyah bèsnk (gustiku 

djajèng satru), tawan sirama (dusana) 

(dëning) toja kulah, kang (sawabipun) 

sarira rëmëk dadya (kang rëmpu) polih, 

malja (wulja) kadya dak (kadi ing) kana, 
Djb., aanh. onder kaskuL 

K»ruQ^ L, kakalah, jav. (koloh), banjun 

tjokor, vgl. aanh. onder walantën (lamp. 
ngangkakuluh, iets omspoelen een flesch b. 
V.; maL koloh ^ ben. v. water uit een ge- 
verfde stof gewrongen; z. bukuluh)^ ta, 
Jèhin (duhi) wèdang kamalahkalab, Us. 
18 b., Us. 212. 

Qsj'inji^^ of kulé (f), kaléhlra raden 

galah, wat schort der prinses?, Mal. 106 ; kn- 
lèhè, 315; kaléhè (b. : pagënë), Amd. s. Z. 
27; kalèpan, Hadji D. 40, waarom? 8 m., 
enz.; kalèhira of kaléhè, Was. 31, 34 (bis), 
Hadji D. 2 ; Ar. Pr. 68, 70 bis, Mal. 48, 67 ; kale 



\ 



233 



\ 



ftfirlra tkoi tot de |[ebocheIde vrouw, die K r ës- 
na en zljo broer op gebakjes onthaalde, waar- 
op zij antwoordt kamalan manira wuig- 
k u k, Tjt. 39 ; knlèhipaD sira èD^lang agalim^ 
lah ta atangyay waarom ligt ge zoo vroeg te 
bed enz., Dpt. Z. S; kalèhè (Anb. 71, nga pa- 
fa a). Jsp. Z. 1, 61, ook Jsp. j. (jav., Kbj. jata 
saqgjai^ suksma atakon ing kawula, 
ii^kai^ nora ngabhakti kulëhé sira 
nora bhakli ipg kami). 

"^aru^^, rëp maogadèg ta sang hjang 
mahAnèna, maktris makèlah*, tampak saqg 
dèwata, matangnyan kèla(;a parvwata ogaran 
sanglijuv mah&mèra tampak sang dèwata, 
apan makèlak*, taqjak sang dèwat&, Tt. bij 
Kern (in mijn exempl. niet te vinden). 

n«oru^^, s., z. onder wadara. 
nionnru^^, kémolèh, Bjw. (en oost-jav.), 

1109 niei vast geworden dodol. 

nieionru:)^^, tjoloh; vgl. goloh. 

isifuui^. 8., aanh. onder lalër; kalaha 
knmoBg, Ar. Z. 46, K, Z. 49, 7 z. k&la Hl; 
Caagkakanda, Wir. 73, T. b. Z. 1, 79, 81 ; 
verkort tot kalft, Sut. Z. 127, 1 (bSndé}. 

isiruui^, s., (mal. bërkalahi). 

leivuui^ L, jav. (klawu, v. awu), min>- 
vaal V. kippen b. v. (sand. kalawu, mal. 
kélaba, Pgadj. kawo, dat ook asch betee- 
Ikent); nm. v. e. wuku; bada wagè knlan, 
otonan mas pipia. 

II., een getand ijzeren werktuig, waarmede 
klappers geraspt worden^ op den krommen 



houten steel zit de rasper (pëpgikihan njuh); 

z. onder slaü. 

tsnvuulYr, hij nam de dochter v. dien 

heilige, pinakakAlabar (b. talahar) angha- 

dangakèn pan^opatj&ra sari*. Uit., Z^ srg. 
9aq9^<j^ , z. klakah II. 

oooniuuifu^, s., verward geraas v. d. 
wereld door een geweldigen strijd, Ar. Z. 8, 
8, vert. V. kampa, Wtb., m. c. kolkkala en 
als een passief v. e. ulahala opgevat; b. v. 
V. d. Kèlaf a door Rftwaba, R. 12 Z. 2, 17 
(ka o ga rang), v. d. nftga's in de zee, 10 Z. 
2, 5 (gèadjanggèiidjoiig, kasakitan), v. 
e. wijkend leger, B. Z. 43, 5 (karusakan); 
koUbala, Z. 7, B (molah kasakitan, gëfii- 
djanggèfldjong); v. bergen, Br. Z. 46, 14, 
V. rotsen, Adip. 29, weggeslingerd vallen, ald. 
35; kaMbal&n, W. Z. 21, 14 (molah kasa- 
kitan, magèiidjongan). 

2«, z. onder kolagiri. 

9aui&ci9Q|^, zeker gebak als sumping, 

maar v. binnen suiker, Bjw. l&r& lëmu. 
tsii^uiiMe^^, z. kalyasëm. 

«jOi^ I., z. kluwuig. 

II., groote jeuk verwekkende schil fertjes in 
*t haar; z. këpur, utu en lampak. 

flqQQJ^ I., aklaklan, z. onder kla. 

IL, naast plan; klanan snba sandja ma- 
sik tonden téka. 

9q^\ I., anak (wang) tanl kien, een 

echte sudra. 

II., knmëlën, z. onder klem. 

gq)^]^ (f) L, kliklin, bekommerd f. Kam. 



tSli\ 



2S4 



tSk\ 



IK, vermoeid, Wir. 8, UU. 59, aanh. onder 
dèja, beangstigd, B. Z. 85, 19 (gëmpor); 
Bh. 72, B. 20 Z. 19, 10 (nglawanlawa- 
nin); kliUin Iké $aiiraniivlialnn, Bh. 84 
('t origin. nirwiAfto'smi bhrëfam tata 
dèhèoftnëna). 

IL, bakëlin, sas., nganëbaiig. 

jF!^\' j^^*> 1 lünn^ «kukus, (mal. v. 
Kut. bëgélun^ warrelen). 

9§ivu9q|^, jav., sakilan, B. 14 Z. i, 12 

(alangkaU atlapakan), aanh. onder nandi- 

ni; apadahi flnng kilan, O. b. fr., vgl. këlau. 

9Sin9si|^, kilin*, vgl. onder mangkak. 

9sin96i]^ I., jav. (pulën), v. gekookte rijst 
vast en kleverig, tegenov. gesar. 

n., «uU banju, langer dan de bëdjulit 
en met den kop v. e. lindung; z. uling. 

96innj|9Q|^, verk. v. pukulun; z. onder 

tabé. 

9Sioru:)QsI|^, z. kulwan. 

ng^ruooj^ L, alleen bij 't offeren (z. lip- 
lip); zes stuk këtipat of laklak (akèlan); 
z. kilan. 

n.» kèlan djali (Gatal. 48, 49 en 51, djë- 
djali), eigenn. v. e. staat of vorst (h. h. 84; 
^^h^ J»ii' de vorst, ^h^ 't rijk), wiens dochter 
Kèlan swara of Ratnadiwati, een der 
gemalinnen was v. Amsyah en moeder v. 
Bandjaran sari, Aw. en Rng. (Men. IV 94, 
Këlaswara, h. H. 84 ^^ Xa^, en haar 
vader Kèlan djëdjali, vgl h. h. bl. 88; in 
een Pandji verhaal Kèlan swara en Kèla- 
swara als nm. v. e. princes, die verliefd was 



op den prins v. KoripanI, w. P. 330 en 340, 

waaruit men zien kan, hoe die eigennamen 

door elkander verhaspeld zijn; ook radja 

Gëdah en Gulanggi, ald. bl. 352 zijn uit 

de Mènak. 

9Siivu3Q^ (vgl. jav. en mal.), «rftkÈasa, 

«wil; sfltya taman kalana v. 't gemoed, R. 

4 Z. 1, 62 (patut norana augkara, ma- 

iëguh norana lëtuh, patindih tityang 

tan ngiwangin, idëp tityangé nora ka- 

lëtëhan), 5 Z. 4, 14; kalana bala, ald. Z. 4, 

135; wong^ ngalana avonturiers?, R. L. Z. 5,8; 

angralana, ald. 138; kawnlangèlana hanakira 

tamèng:g^anf ring kabalan, Mal. 62 m.; ki- 

nalana v. dorpen door den vijand, B. L. Z. 

7, 20; haoa hnlnn ktnon ababara(h) dèni 

tuvanya, dadi mati dèning^ kalana, pnnanf 

amurnhakén tau dosanana, kèwala asulasa- 

këna asanga barahao i tuvanya, Sdj., z. 

aanh. onder djuti; pangalana, aanh. onder 

paridjata (bis). 

Qq)Q\, z. palana, zijnde v. hout vervaar- 
digde staken, die onder de èbèg^ doorloopen. 
en boven op 't midden uitsteken, om daaraan 

de last te kunnen hangen. 

^QSt^, Bjw., kalimajah (jav. lëna, re- 
na en wrëna, mal. v. Palemh. lënu, oor- 
worm?, vgl. onder sulit III; sund. leunjaj, 

lamp. njëiaj). 

9Q| YU 99 ^ , vgl. jav., pakniinftn, verblijfplaats. 

Hadji D. 29, 34; koknllnan, Utt. 21, waar 
het gebezigd wordt v. e. plaats, die reeds 
vroeger door iemand met geheel zijn familie 
bewoond werd, vgl. onder ulila. 



> 



23{t 



> 



«fu«^, B., wekaning maharddika, 
Adig. 65, 84, Nts. Z. 4, 19, bis, Sut. Z. 26, 
5, vgl. onder sudjanma; kalliiawiui(f$a, 
Wir. 45; wèaya, opiranya, wwanf toni, toni 
ton MdahtarQa» tmning kab^Jan bojntt kollna 
ri dè^aiya, Jèka wègya, nga, Sj.; Iwlranlng 
fièksi mawitfftra, wwanr Utahaja paripftn&na, 
bistofadji, wwanr soffik, pkalafrèbi (sic), 
wvaBf astm&dharmma, adAstna, knlinat Ikft 
to Ja dUuininr mawi^&rat Wtb. 

oru«OQ^ (f), apan stkakt san; hjang 
aara manfnlanék rfn; wan; alan^é', Sut. 
Z. 45, 1 (manjakiiin), Z. 82, 1 (kadaha- 
tan); aBfoIanè% Sum. Z. 117, i; manahika 
padm rén^ëm dènin; manmatha nffnlanèh, 
Harif. Z. 9, 9. 

^wp»»]^, sas., galëng (lamp. lunan, 
bis. oionan, tag. onan, alf. paOlunan, 

olanan en oulunan^ pamp. ulunan). 
9sj»^, z. onder ënda. 

^§\, in pi. V. kaja'ndi, Bjw., kënkèn, 
jaT. kèprijé. 

^g\» sas., sémangka. 

ê?§?^' z. plèndo. 

S'S^I^' *^^' "J^**' ^^^'' ^^' ^'• 
afu*jn^\, makilniidah» »Iumë4dë, v. 

iemand, die flauw gevallen is. 

afU*fa9Q|^, met was reeds ingewreven ga^ 

m om ife ga II tja n in de draaiing te brengen 

afb. bij Matlhes, Mak. atlas pi. V. lig. 6, vgl. 

mal., sand. kalindëng, jav. klindan; z. 

bibib djantra), z. onder «kaliAdén? 

3SifU*^ist|^ (?), kalindèn (b. kaliftdan) 



basahantkft korang wasëh, B. Z. 56, 2 (sa- 

putnya dëkot kuwang basëhin, plu- 
dutang di tapihé dèning tjëmër). 

^^\f V. ndir; mëUëndlr v. d. gën- 
dër; vgl. mëglëndèig. 

9^vu^7i^ of kalaBdjari naar een ander 
hds., z. onder tjurattjarit. 

9Qi»ugw|^ of klandis, eigenn. v. e. de- 
sa in 't Bil., vgl. onder ilab. 



o 



«Q}*^g\ (?)• kallndën, aanh. onder 
bungkut. 

^^tü^' iValnnto, aanb. onder sak pat. 

r97ili^* ^^'' 1^^'^°^^' ingedraaid garen; 
vgl. klindën en kulaftié. 

9^9|j^, nglëntn, onwillig de boete te beta- 
len, ergens komen enz., onverschillig of men 

hem doodde; péUënto, vgl. mlëgëdu. 
«ojvu"^^^, jav., anolih iqg kèn rangga 

witjitra sira ngalantèha djaran wlrapaksa 
AsLVg gora, Ww. Z. 1, 59 (b.: a. i. k. r. w. 
kinon tumandangulabiya munggwing 
d. g. djaran w. p.); bënang kalaAié, Bbg., 
b. hola; aanh. onder tjëngging en z. klantë. 
9Sivu|Q9si|^, aanh. ouder saftk. 

9^ YU m ^ (r), dèsti danna angganè sajan 
anlwang {?), Iwlr wong kënèng kalantir (b.: 
kahantu), Lb. Z. 15. 

gojfu^ ^ , jav. (k 1 i n t ë r) ; aknUntëran, 
overal zoeken, Hadji D. 75 o.; Qgallntér nja- 
kitong basang, mandélèp matonè p<4i^> Tj. 
A. ad. 

96iru:>9Q7i^, s, rAmt&ngntf marè^J&Bia- 

uis kaliliranto saka ring ibn ton paslngsingani 



^ 



236 



\ 



wah kftlantara rft(pa kanf plnnwakan rasa 
rndlta wilApaniug mang^è', Lamb. Z. 9, 1 
(kajon pakanira arum angulanguni 
lindi kamulan i dëwa saking bibi no- 
ra mabusana, këmbahan putra^ jan 
antuk i kasmaran kapawèwèhin 
udjar kabrangtèn surat sang kawi); 
mananfl|:ih wlnèb kal&ntara, War.; hajwft- 
ngral&ntftrftkèn pirak h&Jwadafanf alajar v. 
e. padanda, Wrt. 19; amongan kalSntara 
V. e. woekeraar, Arb. m. 155, bis; (vgl. tja- 
krawrëddbi); angfal&ntarftkèn pIrak, geld 
op interest uUzetlen^ zooals b. v. pand houden 
enz., 't geen den priesters verboden is (»jav. 
kalantara, als vert. v. 61, woeker f j z. hds., 
ed. Gunning, 18 b., 23, 29 b. laatste regel, 
alwaar kalawantara eene scbrljffout is. 

oenn-OQQyi^, s,, een andere tijd, hierna 
Wir. 29; Japwan rfnf kM&ntara pwa Ja, 
amanfiili sarwwa hala ringr kapanfawan, 
(fui badjra ropata, eedf.; japwan ri kftl&ntara 
pwa Ja wasta kèna ri kapang^wan, Wtb. 
II. 22 (bis.). 

9SI0 ^\\, klèntrènjpiD, Bjw., naast klo- 
jongan (jav.), b. v. midër klèntrèngfan ii|;gro- 
lèti anaké. 

9qo9Qosii|^, sas., katih. 

ooQ^dü]^, jav., lènfpi klèntik of klëtik, 
lëngis tanusan, Kr. (vgl. sund. tag. latik, 
usam); ta,, opiwétaaiv pafih dnwèfan idjo, 
kinalètik, Us. 

«nruD«i 9611^, 8., Br. Z. 42, 7 (kala- 
mrëtyu), »mrëlyu. 



l\ k&lftntaka en k&UBdjaja, twee r&k- 
Sasa's door een vloek uit Tjitrasèna en 
Tjitranggada ontstaan, omdat zij (liwa in 
een badplaats hadden bespied, toen hij Umft 
bekende, door N a k u 1 a en Sahadèwa gedood, 
herkregen zij hun hemelsche gedaante, Sdm. 

o^^tsu^, z. onder lamit. 

ooQ^si!]^, V. tit; mèklëntit V. d. këmong 
djongkok, vgl. mëklSntong. 

9Siinru9Q^, onder de muziekinstrumenten, 
R. sas. Z. 11 (vgl. lamp. kalittang en i]^a- 
littang, mal. v. Kut. kalintangan, mu- 
ziekinstrumenten, Bijdr. T. L. V. 5« volgr. III 
z. onder klèiiiang. 

osiioQ^, nglèntang^y met de knokkels of vuist 
slaan; ng^lèntang^n, iemands hoofd, of als blbd. 
njabrang djawain, daar këntang =s sa- 
brang djawa is. 

fei^^^ L, Bjw., fiijes V. d. katoen (jav. 

V. d. raAdu). 

II., kèklèntèng, rinkelbel, rammelaar v. Chin. 
maaksel voor kinderen (Bjw. klëntëi^an of 
pléntëngan). 

Q^QQ^ of klëntëng, *t geluid v. e. stalen 
lemmet door met de nagels op de punt v. d. 
gafiidja te knippen; mëkléntingy dat geluid 
geven; nf1èntèDg*ang^, de gafidja v. e. kris 
op die wijze doen klinken met de nagels, Tjp. 
34; tloring monya kaklèntiBpin, munya^^m 
kakléntingan, Bs. 

ogQ^ (vgl. mal. sund. këntrung); klén- 
taug^kléntan|[:, bij 't ngofitjang in de këtu- 
ugan; z. klësug. 



^\ 



2&7 



a\ 



tèofuif 9 't lemmet v. e. wapen « v. e. kris, dom 
Umkem door er met de nagels tegen aan te 
knippen, aanh. onder tjèkah; 1 UéBtènf^ sari, 
▼aker mèn këdokdok (vgl. onder këtjum- 
pling), een bediende v. d. Pandawa's en 
vrouw V. Wrëdah of Wana; ook Mèn lèng- 
kèug, Mèn Témékul, Lirganda, Klèpon 
s;adung en Séntèng kénjèr. 

^n«p\, V. toi^; Uintonf*» «rnakBm- 
pong^ mékléBton; V. d. këmoi^ gantuog, 
▼gl. mëklëntit. 

)si ^\ , Bjw., nro. v. e* plaats in 't Blaiw[- 
bangansche (kr. B., 81); tèdak klnntaniTf 
xoaden in 't bezit zijn v. e. gouden beeld , dat 
Radjapèni heel; kakaliultang^n, aanh. onder 
rddjawidhi (djuru bufltjalang). 

i^ii5i\ I., K. A.; een door hei water bewo- 
gm pogelverschrikker v. bamboe vervaardigd 
en een diergelijk geluid voortbrengende, dus 
de tlak tak. 

IL, nglODtani^, suQi^, ygl. onder ui^aoig. 

^*^^, bjw., doodshoofd (mad. plën- 
tongan, jav. tjumplung); klnntani^ l^nmlnn- 
tnn|^9 onder 't gevolg v. bhüta's (vgl. jav, 
kluAiung waluh, Men. IV 109), kiluntui^ 
kadi galintui^, Stn., b. b. Z. 7. 

n«i*^^, jav., de vrucht y. d. kèlor, een 
smakelijke groente (mak. kalintapg, kèlor); 
kaklènUDfan, z. trompooig, babonapgan, 
aan een bamboe-staak aan den middel gehangen 
en dan aan beide zijden geslagen, vgl. ka* 
lèntaii|[. 



o ^ 



^ru«j^, knlintani^, aanh. onder tui^- 
gak. 

^«n^rto'^*^^ , jav. (kloAioi^), aiifo* 

loAionft, een gedood dier van vleetch en 
beenderen ontdoen, om het met gras op te vullen 
en dan op te zetten; sira amsyah nalja 
ngling, lah aglis amarm^Jèku „babatanir staya 
Ika, walalaqgana dèn aglis, dèn maksl ntah 
rèké (m a i^ k è k u) kolontoqgana , Jèn sarnpnn 
ing kolontoqgaD (kinolontoi^an te lezen), 
ing djéro Ika isènln, snkét dimèn madaduk 
(a), rnpané Iwlr singa urip, Am. (Men. Z. 33, 
buron iki kulitana, bëbalui^é lolosana 
dèn ëntipg nuli salinana rumput, 
dimèn kaja uripan; b.: b. iku k., b. 
ulapana, enz. 

qqotu'^ïqS^ , s., kUanèml qgaranya, kaki 
sang wvflak basar, ikang amariètakén iklng 
jawadwtpa ring asana, Ag. 18. 

^^\ K klènangUèniiig v. d. in bewe- 
ging gebrachte schel eens priesters (vgl. guli- 
nii^ en mal. këlënii^); flg. y. e. leeglooper; 
nlng makalèninf v. water b. v., ènli^: maka- 
lèning sawang laiylt twara ada ambabmilai 
W. k. 

II., z. onder klinipg. 

^'^\f vgl. klènèoig; swaraflf gèntané 
ogaUnlqg, Djp.; klinlngan, «pakrjai^; ook 
maklënioig, klinken v. e. klok b. y., vgL 
krinipg. 

7^7^^ , een schel (vgl. klinii^); gagak 
ampahan nolap sangka^ twalèn makalènènf 
om de schimmen te verlossen, Bs. 



«éi^ 



2^ 



téi^ 



2*, nm. V. d. patjuk susun, vgl. onder 
gënta. 

3», Y. e. dj a Dg ga r v. bizonderen vorm, 
vgl. bij këkupa en musi. 

QsiruA;)^, s. (kaUtjika), onder de ge- 
reedschappen , om nieê Ie scheppen, walaju 
(f); babnr sakala^i, Wrt. 59. 

g^pji9si|^y «kalëtjan (aanh. onder rftdjot- 
palli), vrn. «: plaljan (vgl. «lëtja); makë- 
klëyan, vrn. ss maplaljan. 

jq M| \ , makliyaran, rambling v. e. verkla- 
ring, at random nu dit dan dat verklarende, 
verward v. bewoordingen; nèiii^fllis pèdjalani 
maklitjoran» br. bij v. Dissel n^ 43. 

« n M odtj ^ I., makéyèky gegrendeld, op slot 
V. e. deur, klappen v. d. kubikan v. e. 
geweer of een opengaand slot, nglétlèkaiii:, ^l^i- 
ten de deur; pakaiëtjèk, «kakrëtjik, akë- 
rëtjik; niaklét|èk niakrënipjang;, «tjëktjèng. 

ll.y nglëtjèkiu, met de pxini op iets vallen 
V. e. arit op 't lijf. 

^OJ^TDQ^^, klë^akklë^ok v. water door 
den visch er in; ngloyoklèdaklëyok, B. U. 
236; z. lotjok. 

tainji^oiQsi^, anting: kala^Jalura*, Mal. 35. 

^wiacJ]^, kléyëd* v. e. balé, waarop 
gezeten wordt; méUé^éd v. d. beenderen van 
iemand, die iets zwaars optilt (z ëfitjëd en 
mëkëpot); vgl. kiëtjod. 

^opjoei^^, maUëyodai, in schudding v. 

e. gebouw door wind enz., vgl. klëtjëd. 
«loru^wiru^, (1).: kalotjaja) naast bu- 



kit en giri, Tjt. (telkens, vermoedelijk een 
schrijffout in pi. v kul ft tja la), z. onder 
gunuoig en aanh. onder ^akuntalft. 



QsarLOMUX^, s., z. onder knlotjala. 

« «;) nk , iiglë^ë([^aiii:, een stok of staf met 

een zekere kracht op den grond zetten; vgl. 

klësug. 

«Mjoj^, klé^afkléyn; tegenov. bnëng 

pëdjalané, likaklikuk, ook v. iemand, 
die altijd in 't spreken doordraaft. 

*]«wj^, «purjjan, waarmee ook kètjè- 
luoig kan bedoeld zijn, nm. v. e. boom (pavetta 
sylvatica), de vrachten genuttigd, voor tuba 
gestampt en met de gom v. kaju tulang ver- 
mengd (mëintuk); maken 't water rood (sing 
këtjrotina pufin), aanh. onder katjipir. 

II. (f), Sbr. Z. 5; Aw. djrih. 

OTU^, kalar*, z. aanh. onder mfttangga. 

osiruT^ , djatanira akalarkaliran katjantèl 
ing: parang^an, v. iemand, die in de zee ligt, 
Nw., antranya s&mpon maknlarkaltran, Ar. 

Z. 49, 15. 

osiOTU^, h. V. kadja (sund.; vgl. lèr; fr. 

s. steeds ka lor, vgl. kalod, mai^alor 
hulun tan kapangaloran, ald.); npdèrang 
h. V. oigadjanaiiig; balèr, h. v. bëdadja. 

osinn/!)^ I., een gleuf in 't lemmet vlak 
bij den rug en aan weerszijden; ook op sche- 
den V. krissen, aan eene kant, twee zachte 
valleien tusschen een bergrugje (usak genaamd; 
vgl. onder ga gak); ngralor, inbuigingen maken 
in de urangka met een panglëb. 

II., z. onder kaler. 



^\ 



9$9 



^\ 



istru^ , «bëtah, «dojan, sterkte, aanh. 
oader widbftjaka (kreng)» bëkut, Adip. 
72 (mad.. sterk; vgl. jav. en kral); Uarma- 
Bjorah, dusiatataji; klar mékékarab; 
paaniiqr opaatha, fa., pèièmiiii: runiaban, 
pélémü^: alah aawab (sawaP), pélémiiii: 
sawonf nia(u)lilé, pèlèmiiii: badal iiUo, lèiig:a 
larmofan, Iqga wiiyèD» lényaninf ^andikih^ 
widlbiliii: pala, yaratlnf wahaja, pu^ak, 
ffaiti, wwahitg tl^iVOff daring^o, grih gratél, 
rok kabèh klanén, mu matéiig:, wadabaD(h i) 
palënpui, lèm:aknèiii: npastha, mon asang:g:a- 
ma, agènf adawa karaaa ihnlng stri Jan 
léopüiènini: sokn, klar Inmaka palanya, Us. 
103 ; tambal lémah klar, War. b. 60 ; bèlar, 
T. Z. 1, K6 (z. onder manub); nora klar, 
«adjêdjër; aklar mamaro sih, aanh. onder do- 
jan en puoigu; aklar dèning: kawaniné, Wtb. 
33; rlflf woiig: anéboa kawalanlng: akawala, 
wmh Jèn kawnlanlnf wong:, ang^ng: sang^kané 

aaibos tanpawarah ing: kang; adréwé kawala 
,b.: rowaï^), dèné sugfih plsls, saking: aklar 

dèiié akèh rowangé, ang^kara baddhiné, saug^- 

kaoé wani anébns kawnlaning^ wong^, pipis 

paoëbosè ika tiba ring luwang aranè, Hang 

siDilinahakin (siniiëuiakënr), kawala bang 

dèa tëbas alapëo dèolng kaog adrëwé rowang 
;kawula) pAniwaka, Wtb. 157. 

i; sas.y sëgër (lamp. id., vgl mad.); 

■dèqaa këlar, aanb. onder diq. 

nru^, jav., «bandba tingal, w&rana, 

tawëng, tjiptanajana (f), het scherm, 
nxutraehter de wajang'poppen in beweging gebracht 
vcarden, «f arira, W. Z. 1, 1. Sum. Z. 3, 3, 



Wir. 21; R. 7 Z. », 6S: wallb taraogUnëll- 
ran, aanh. onder a oigg u b ; kaoëof parlmAoaol 
lëmabnikang tahftnjara mwang kaaanbjan 
riog pArwwa asidakëtao maaog ika pama- 
lang mangidal mëotaa ing Iwab dadag inf 
agnèja anadja taga kalampang aapaklirao 
moang pamalang maang ikang wada tëqgah 
enz., 0.; z. klid. 

i\ aogiiig té ëna makëlir kadi angdèqla 
mambotoh agët latjaré manggiai, Rkd., vgl. 
aanh. onder sondol. 

oruj^ I„ afgeschitferd door schuring, ge- 
barsten^ los f (vgl. klor); B. U. 74; këlar, 
de eetbare huid v. e. bëbèk guliiiig; ikang 
itik katat këlaranya kapang 7 pana S, Adig. 
61, aanh. onder kokor; mbata klar v. iemand, 
voor alle vermaningen ongevoelig ^ onverschillig, 
wat men hem ook zegge, zijn gang gaat (vgl. 
klëh^); matah këlar, nog geheel onrijf), jav. 
ngutuh; bësi këlar, bnm. v. e. deugdzaam 
soort ijzer. 

U., jav. këludr, hanan këlarikaof tilam 
(misschien këlu rioig), R. 2 Z. 1» S3 (ka- 
paoigandikajaiiig njapuin, malii^kab 
ujang ana rii^ kaaur, kataën këbus 
ikapg kasur). 

norLO^ I., V. lakwerk door beet water, 
V. d. huid erger dan buoiglas (mad. lëtjurf) 
door krabben, B. U. 481; këlor kalitnjaaéen 
siwak ika klor, «mibab jan babak; vgl. 
kësod, bopglor en klur. 

II., sas., tidik; bakëlor, sas., mëdaar; 
z. tada en kaken. 



^\ 



itó 



^\ 



V 



^TU^ , z. onder kalir. 

9sinji^, zekere witte, zeer korte platte frtit/r- 
warm, die bij gommigeD uit 't eten v. kokosnoot 
zou ontstaan; de beteekenis van dit woord is 
veranderlijk, want ook v. d. /m^trorm gebruikt 
men het (z. kliwir, tjatjing, tamplakP en 
krawitan), aanh. onder mütra; koliran; 
aan zoo'n lijden, aanh. onder g u r i fl dj a ng 
(waar het de vorm bet. moet); rare kuürën, 
Us. 191. 

«saruj^ of kuluh, sas., timbul (mal. en 
sund. id.» mad. kolor, mak., sal. küloroq, 
bug. uloq, lamp. pulor, sumba kulu, alf. 
kurur, artocarpus levis, T. v. N. I. 
1870 II bl. 256, vgl. onder «kukap en utik). 

ooeiinrLO^, Bbg., tjèlor, jav., Anglo-Ind. 
morunga, moringa plerygosperma, 
(aubh&fidjana, tjikru (afb. Rumph. I pi. 
74; z. marunggi en klèntapg); met de 
bladeren geslagen wordt een dronkene nuchter; 
met de takken slaat men slangen dood (vgl. 
onder djaka en biju); wegens de gelijkenis 
met de bladen heet de klaver op de europ. speel- 
kaarten ook zoo; nah tènf^r jan tanirinf^, 
ji^a ngadakani^ tntumpar, tan nrong: tëbtëb 
kèlor, aban (abasf) pakn ran^ap gering, 
nèbn djafang nah tenger pada ingëtang, 
Tj. b. Z. 2, 7, de bloem door Sëmar in de 
gambub gedragen, Bt. (vgl. onder gëgirai^); 
tnmpnr kèlor in eene vervloeking; bnka afld 
bnka don kèlor om gezindheid uit te drukken; 
afit kèlor, spr., allen zijn er in beirokken; de 
kèlor als groente dienende, neemt men de 






groene zoowel als de oude bladeren en ook de 
stengels (vgl. njaruk banju); mnnya këkè- 
loran (soort v. blbd. wegens kèklèntangan) 
lawan gong sakati ambamng, Ar. Pr. Z. 14, 
3, vgl. aanh. onder kalilit; kèlor alas, bid., 
tuwi; tjawan pakèloran, een grootere en 
groffere soort met teekeningen als de bloemen 
•V. d. kèlor (geïmporteerd). 

^«n^fu^ I., z. onder këtjèlljèlan. 

II. (vgl. jav. olèr); makolèran v. d. darmen 
V. d. leeuw tegen den stier vechtende. Kam. 
26 (T. Z. 5, 132, mëtu ngusus rantan 
umulu). 



^ 



WjTUTi^, s., z. onder juju. 

gsin^osüj^, nakka patlngkalërik, Iwir 
knknnang tinon, Pam. 9. 

g^vuTiQ^^, jav. (klurak, mal. këlorak, 
een Krth. met g ë n d i ng sa ng j a ng heefl 
krurak, terwijl een andere hiermee puspa 
nidra vertaalt). Ar. Z. 10, K, zekere bloem, 
R. 24 Z. 21, 1; sama tnmnt abèla, panggan* 
gonè sawa patik kadi knlnrak aidjrah ivt 
Inrah*, Kid. Sund. Z. 3, 12 («jav. kapun- 
dung); kadi knlnrak andjrak katon apntih, 
Kid Pam. Z. 4 (sas. krurak met witte 
bloemen); apntih skamlng knlnrak, T. b. Z. 
2, 6; Dpt. Z. 1; asnmpang knlnrak. Mal. 271 
vgl. 27B; pasawahan anglnrak, Ww. Z. 4, 
25; vgl. onder lurak. 



QSiruyj^j^, z. onder rurut. 
oosioruoyi^^ , z. aanh. onder kënjar. 
9Siru7iu|^^ z. kararap. 



^\ 



iftl 



«\ 



ioo^fu:)yini^, s., Sut Z. 145, 1 (saii^- 
bjai^ kala marapa n&ga). 

nru <S^ ^ y sas. (L^)» gleden, die naderhand 
terrichi werden, om als *t ware, de verMuimde 
af ie doen; latere wegens vroeger ver%uimde 
vaste (mak. k a 1 a» sund. v. e. oud mensch niet 
onder de verplichÜDg liggen v. e. verzuim iu 
't vasten te moeten inbalenff, jav. hds. door 
Gon. oitg. 70 b. sambahjai^ kala, lamp. 
kali o, tijdelijke verhindering om te vasten). 

96iru«j^, jav., nvaria rnfa (afb. bij 
Blome 11} of saccopetalum, Horsf. (afb. 
Horef. Plantae jav. rar. pi, XXXV) ; de vruchten 
zoet en genuttigd, de bloem beeft veel v. die 
V. d. sandat (vandaar te KL sandat alas, 
sas. sandat gawab en te Batavia kënanga 
atan; bij Filet gebeel anders, jav. sakalak; 
z. kalijapub); L. Z. 37, 3; kalak asn, 
zekere bloem, Mal. 119; kalak mémedly isdie, 
waarvan de vrucbten kleiner zijn; smnar wa- 
BgbriBf kalak kadi anorakén wangfa, T. b. 
Z. 2, 6; ijunantaka sira maagké anatjako 
(b.: ka) walo^ambo kalak* ^unantaka koda 
aarasuh woBg kèndran, Stn. Z. 3 (bal. bds. 
ijnmanipaka arëp ai^rutjaka en apg« 
rnsaka, vgl. onder nif&kara en tjabol). 

siru^^ en galiq, sas.; Dgèngallq, sas., 
Djoi^tjong (vgl. «kali II); pèqgallq bësli 

linggis. 

ciiv]i«|^, il ahjunan dané gostl agong, 
■akalik (mabalik) sijapé matamng mkèt 
(b.: ograkét) nanggltikf matl né idjo sang- 
kv, Bgd., SS2. 

mmt BUL tl. 



9Qinjj(s:jt|^ (de variant steeds kalu, vraar- 
voor te lezen 't mal. këlu), Lbd. Z. 12, 12 
en 13 (de Adjar Wali kaloq, waarvoor 
koloq te lezen?). 

Qsi'^ru^ju^, kèkaléqi sas., kaflmbai^. 

9^vu€:a)^, z. onder kèla. 

9^n9^\, kèlékan, B. Z. 39, 18 (sipah; 
z. këlèk), z. onder «rawuk. 

§^^ U 't geluid V. d. kekëlik (jav. 't 

geluid V. d. bido këlik, klik', H schrille 

geluid V. d. bid o, die hoog in de lucht wyde 

kringen beschrijft, om regen te vragen, T. Batav. 

Gen. XXV; 236, bido këlik, z. jav. Wtb. 

men. kuliq, bat. hulis, 't geluid v. d. kie- 

kendief); kèkllki een naar zijn geluid aldus 

genaamde wouwsoort, die op slangen aast, 

gespikkeld (hu wik); vliegt zeer hoog en 

komt hlJ lager, b. v. aan eene rivier, om te 

drinken, dan zetten hem alle vogels na ; loodat 

hij naar regen verlangt; volgens een satwa 

zoude de k., toen de vogels een tlabah ge- 

samentlijk maakten, om H water naar boven 

te voeren, geweigerd hebben mede te doen, en 

van daar die vijandschap ('t zelfde wordt in 

't mad. V. d. ik ik verteld, z. Handl. v. d. 

mad. taal door Stokmans en Harinissen, bL 

272 en vgl. Vroede Handl. tot de beoef. der 

Mad. taal, f stuk, 1876, hl. 49 en 54,alvraAr 

de vogel voorgesteld wordt als naar regen te 

verlangen ; mij is echter opgegeven als de mad. 

naam kulik (waarmee vgl. jav. kol ik); uit 

dit verhaal te verklaren de Bjw. benamii^ 

kali as at, verdroogde rivier; vgL ook 't sund. 

u 



fidi^ 



U^ 



^\ 



bioigkik); ook klikklik, waarmede «tjfttaka 

vertaald wordt; dnmsaDg: si kada gasti ma- 

muDdJakang: djanmané né kawlasynn ang^dé 

si tityai« kèdis kèlik' di sasih katiga bé- 

dak lig^attatt ^awiih 1 g^osti npama mèndang; 

mangréma riris, tot eene minnares, Tb. vgl. 

onder mënduoig; 1 kélik, eigenn. v. e. knecht 

T. ëmpu Wèhwèh, 

IL, kèkèUk en ook pëpëlik, vrn. =spa- 

njëmbéan (kl.); 2* verb. v. pëplik. 

9Si9^^, klakkloky als een worm (ga jas) 

meer of min gebogen (vgl. mal.). 

nflqtau^, aanb. onder tanggor; bakélèk, 

sas«, pgaükin (smbw. id. vgl. ëmpab); ké* 

kélëk, z. onder tjulik en vgl. kèkëwo. 

n^tau^, sas., een kleine bui^bui^ v, 

één geledii^, vgl. olak. 

nvu9^\, benaming v. e. bun v. e. arm 

dikte waarvan draagzeelen voor zware balken; 

volgens anderen ilak. 

IL, z. onder kulak. 

osjvunj^, mal., tjèèi^, Us., aanb. onder 
sasak 11, z. Adig. 18 b. in pL v. tëngkulak 
in de Us., b. v. kalak sirak, kafln-tëras, 
waarin de bëborèb gedaan wordt, die tot 
geneesmiddel dient v. beenen, tengevolge van 
toovermiddelm gezwollen (denkelijk is de oorspr. 
beteek. v. 't mal. woord ook klapperdop ge- 
weest; vgL ook H maL tëi^kurak en bat. 
b a k k u r a k ; en de beteekenissen v. 't bat. 
borhu, waardoor kaü toegelicbt wordt» in 
zijne verschill. beteekenissen, z. ook onder 
kaQ); bras sakolak qfamas v. e. duren tijd, 
Dd. 4; kalak en kilak van de rijstmaat. 



die bij Bujamin gevonden werd (de sund. 

vertaling en tik, de mal. een beker); kulak 

montlar v. e. suwëng, Hadji D. 71 m. 

(bërsubapg kulak mafltjar, van een 

bruidegom P., x. 96; vgL onder kulët); Ks. 

2; kulak tamuj, z. onder wëkas. 

2% kolakan, z. onder ulakan. 
g6iiij|gsii|^, kalik*9 zeker insektje, dat zich 

in stof een buisje bouwt en met zijne pootjes, 
zoodra men er in peutert, trekt (sas. ipuq^ 
of inaq bukit op Lombok als loloh en bë- 
borèb gebezigd,' om een aangenomen kind 
zijne eigenlijke ouders te doen vergeten); knlik* 

batan amah dlik* mékalèmah. 

oruodu^ L, een jonge hond (z. koqong); 

herhaald om honden te roepen; Bjw. juq^I 
of buh^I (sas., alwaar met buh^I groote 
honden, terwijl met kujuk of kojok kleine 
honden worden geroepen, lamp. kujuk, bat. 
kujuk om honden en kuruk om varkens 
te roepen; z. onder kur; vgL sund. kir ik, 
jonge hond en tevens roepwoord v. honden en 
verder kukl en huk^l; een ander voorbeeld 
V. d. vervnsseling van j en 1 z. onder qëg; 
z. kii^ 

IL, Bjw., zekere grijze zeevogeL 

IIL, jav., Amd. d. (Amd. s. tëoigkuluk), 
Anb. 89, i ng k u 1 u k zal wel te veranderen zijn 
in tangkuluk. 

oooruQ^^ L, de persoon, die op de ba* 
ris toezicht heeft; nfèlèUn v. die persoon 
tegenov. de baris; bij de pëndèt is het té* 
lik; VgL pënjawL 

IL, jav., wnlanliig: kèlèki «bosèra (O- 



i 



^\ 



Ui 



tk\ 



'^«^anw)^ , sas., tra pati tètèb 
mëpëta. 

'y «n fu w| ^ , m^lakanir, een som geld door 
den handel wixMen; beter pggolakang; z. 
qgulakalak. 

1»nn «1^ , jav„ (kolak), mei bruine 
suiker gekookte vruchten {banaan enz., lamp. k u- 
loq, duren met suiker en cocosmelk toebereid), 
kolèk déiari, z. onder kladi. 

*^«nnr\-0 9ai|^ I., niet kunnen spreken (ygh 
batav.), «mudhu; z. këta, bega. 
IL, p<ko1ok| Pdw., këkëpwakan. 
ni., kolok* dadala, bbg., katibubwan. 

«fuw^ I., B. Z. 6, 4 (wlahar), (b.: 
kalakab), v. e. riYier, Ar. Z. 34, 5; Sum. 
161, 3; y. e. rivier, B. Z. 39, 2S (pBmbab; 
skr. tisck); R. 24 Z. 12, 4 en 10 (toja, wé), 
pasaini(h u)nuiiii|^ mannk mrèdho mano- 
kan maada malon, mallwéran rini^ nadt 
Umgéngl tèdjanini^ inda Imné'Di^, lumniig 
i lomvtBya innira mawliét rikanani^ kalaka, 
Rm. Z. 6, IS, aanb. onder wipali en suwuk; 
tMM kotlapa snkaBini: mrig^a hanèng taliin 
woja wé onéto malakan sakènf^ wnkir hili- 
■yAdria nahèninf iumaris rinir lébak sèkar 
pryaka laa taSdJimf kamanlni^ kalajwam- 
rkBlbaal kalaka sama kahill tosnya rawnb 
riif awnuiadl mamm, fr.; ang^aiaka v. gan- 
zen, Sm. Z. 18, 6; z. klakab 1. 

n., «kamaiaka v. d. beenderen ?. e. 
verbrand lijk, Sm. Z. S2, 11 (kadi sla ka, 
aoghjun^ i). 

III., pleughf (Crawfurd). 



osiru 



«OTUKD^, 8., eigenn. v. e. vrouwelijke 
booie geest (ka la), die als volgelinge van 
Durga in de dalëm's of pao^kung'a buiatt 
• Hw. Z. KS, 1 ; Sdm. ; atmané 1 Unna pèta, 
di dalem Qa maliiifglh, bhatAri darfa anan- 
dar, 1 kaUka tékandulo ih kaki won^atma 
paran, tèka linnri^ ana rioir kiUftOfVi Inr 
wanir, Lp.; k&Uk&makhai s, eigenn. v. e. 
r&k&asa, Utt. 9, z. kftlamukha. 

2«, z. onder kftla. 

3% pupusuh. 

^\ (f), R. 9 Z. 3, 13 (djëlë, kalika). 

^*M^\* amlnta kalukonéDl lohta rtnf 
pipi, B. Z. 26, 4 (kaapabin, kaimpura), 
vgl. Tt. 16, vgL onder daftdan? . 

^^\f djarak kUkl, de oliegevênde soort 
(vgl. mal. en sund.); vgl. onder klipës. 

*^9QOTUQSi^, 8. (soort V. parfum), kapur. 

^^\* eigenn., Hadji D. 25 m. (bis.), kol- 
ka te lezen. 

^^snru^, aanb. onder wuhaja; 2* eigenn. 

V. e. menscbeneter, Hadji D. 2S. 
9siru9Sip, z. klakab II. 

ïsjQSi^^ L, muhara, Kr., z. kalaka I. 

IL, jav. (» kalakab), bedekking vam daken 
best. uit gespleten bambee elders klokob (z. 
onder gëntèng), Wr. Str. 92; klnalakah 
V. e. balé, L. Z. 2, 6 (mahatëp pring); 
kalakaky warodaf; pa4|éD|r kalakah, nala- 
sara, prana durga. 

III., nflakah of nrlalikah, Sbr. nglitkit, 
V. e. kip, die eieren vril gaan leggen of een 
geschikte plaats voor een bëngbëngan zoekt. 



SSI^ 



244 



»^ 



o o 



«sivu«^, wohnlng kaliki pipis, Us. 143. 

««9^, ng^lëkiilif naast nglcmpad en 

ngglèbag. 

^Si<j^, z. onder kaikik. 

II., klakahkUkih d^Jané, telkens anders 
praten; flfliklh v. kippen^ die nagezet worden, 
sich trachten te verschuilen. 

«9Si^\ L, xak, V. upih meestal, zooals 
die welke men bij 't tappen v. tuwak bezigt, 
of waarin men de tuwak te koop ronddraagt, 
z. sIui^Bui^; tok satos kalnknli (vgl. onder 
brëroi«),onder 't geen Baka dagelijks moest 
hebben, b. Kid. Adip.; E.: kalukur. 
DL, naast rërëki. 

«fuounjöi^, jav. (Men. VI, 159, mal. 
yy3l^); llBgira abësl prabu (de vijand), lëbo- 
këna ingr tabla (b.: pti wëëya), oboranana 
luJamon (tur oborën jan ja) pradjnrit 
tefingy sampmi slra linëbokan (linëboka- 
kën ta sira), karoné (kalihé, namentl. 
met Umar maja) ing tabla (ring pëti) 
wësi hWU ingobor (tur kaöhor) ing da- 
hana bagindamsyah ma^a ^ier>(^\m tah- 
lil (sira amsyab amëntaq tulung ing 
widi), malaèkat (malèkat) akëli tornn 
(turn ar un), makta wé kalkaOsar (ai^gawa 
toja kaësar), tabla (pëti) wësi linëbnran 
dèning (linëbokan marii^) banjn, tan 
pamn ikang (punapg) dahana, amir snka 
(ètja) djroning pëti, Aw. (jav. in ar. schrift 
yjS vl/SI» de bekende paradijsrivier). 

«n«U99i^«aiQ^, s. (gallinule), pënju; 
vgl. dfttyfthah. 



«nruQSiïQN, Wrt. 82 bis. 

ostruki^, makakalakar wUangni rambnt- 
nya, zal zijn foltering wezen of dnren, Ag., 

aanh. onder kuftdftgni, vgl. kalar'. 
gsirugsi^, z. klukuh. 

96nnji9sn^\ , kUak&rtta, aanh. onder 

(iwopakarafta. 

9SI 11JI QSj «sa 9si| ^ , «alikukun, 't hout zeer 

goed en hard voor 1 a i t 's, (afb. Horsf. Plantae 

jav. rar. pi. 46, z. dapdap (jav. waliku- 

kun, sund. harikukun, bjw. lëkukun); 

blang kalikakOB, roodachtig met wüte plek/ceti 

v. honden ; lës kaUknkon kadang ngèngkëng 

tonf dadi lanf, een toespeling op een sterken 

penis. 

osni^^^^ V. jav. likët; djambè knma- 

llkët, buwah gumèlèt. 
QsiruQsi^K, sas., bujung. 

OQ^OQSi^^, z. onder këlèt. 

«nruQ^^^, 8., R. 7 Z. 5, 58, aanh. on- 
der surabhi, bhatftra k&la en •kuwa^ 
Tb. 4 (Tjt, malakula; jav. tjalakuta, vgl. 
onder nilakanta); ton taqg djarftsandlia 
katongkaboddhi, mëqggëp Iwir atwang kadi 
tnhwas&dliaf ri djro hatinyan wisa k&la- 
knta, ahjnn ri k&patyan kabèh sawargga^ 
Hw. Z. 50, 4; wisya kUakAta, «wiSakd- 
nanft, ook halakuta (naast wida, upas, 
Tjt. 55) en malakuia. 

9Sinji9Si^\, z. onder tjëlëkati en aanh. 

onder pis o. 

&«iiwi|^ L, jav., omheining, manshoog, 

best uit bamboestaken, «kiskis; vgl. blitbit. 



^\ 



245 



961^ 



ÏL, zeker groen behaard en gevleugeld in- 
sekt, als een kakkerlak er nit ziende, dat gaarne 
zich op de zolders v. keukens ophoudt; waar 
'l door den rook eenigszins geel er uit ziet, 
in de ooren kruipt en in den grond gaten 
boort; wordt in koudere streken gevonden, 
(z. klipës); twani vgélih kliUs, niets hoege- 
naamd beziUen, zeer arm, vgl. onder kiskis. 

éi'jTvn*|»nw|^, sas., kulës; a« vlies v. 

d. bamboe, kèlokos térèiig. 

n 9Qr>ru n 9QO AJi ^ , aqgada sawnni^ kolnko- 

SI, 0., n 3. 

iQirunji]^ I., kèdèk Ja pakélkël. «gu- 
muju këkël (mak. kaqkaUq uit een 
vroeger kalkal, bug. kakaq); vgl. ii^kël 
en gëkgëk. 

IL, karigevouwen v. e. kleed; këlkèl ba- 

•nniané, vrije vert. R. 19 Z. 4, 6, A., makèlkë- 

lao, V. e. spier slijfverwrangen : vgl pëlpëL 
)^njiTu|^ (vgl. «jav.}; kolknlnyai «titir- 

nya; knlkal sampi, klongkaniT wajah, ma- 
ra mëntloiiT plotora, 't rijm wordt aangegeven 
door de blbd., die op kroiitjoi^ en botor 
toespeelt; itgnlkal, op de kulkulan slaan; linh 
knlan, em langwerpig hol stuk hout, om alarm 
op te slaan, signalen meê te geven, waarvan de 
beteekenis, z. onder tulud; naar 't volks ge- 
loof wordt iemand, die zich door ophanging van 
kant maakt, hiernamaals een k., gëndongan; 
(sund. kohkol). 

knlkiü pamaksanè qgèlkèl, raris rallh ma- 
fèroéf pèlètan pamnkèan sami, Tj. b. Z. 3; 
makèlkèbui v. erg hoesten; watnk makèlkè- 



lan, kuchen, Us. StS (batav. kokol; ^w. 

watuké, i^èkèl, w. Kap. bl. 30), Dd. 11, 
'^«n^fvoruj^, ngolkol, met den b^ U 

eten naar binnen krijgen ak dieren, iemand, 

die geene handen heeft, Dd. 26, i^ësop acyi 

bui^ut; ènfi^al i limbnr maafolkol» Heg. 

233; z. makpak. 

9Siru9Siru\, s., R. 22 Z. 18, 3; apa 

ta Iwlmikanf kalakaiarawAtah, homiinir fn- 
mumh fabdanini^ wadwa tanpAntara dèil 
harsanyan Imnëkas aprang^a, Ud. 107. 



o 



osiTUosiü^, z. këkupu. 

9snTU^«ii(A]|^, 8., eigenn., W. Z. 21, 2, 

Sm. Z. 30, 3, Tjt. 78 (jav. kulai^ kèjaf), 

eerste man v, (!ürpanakha door Rftwana 

gedood, UtL 30. 

2*, z. widyudjdjihwa en a^ama. 
9Qnru9Siim^, s., eigenn. v. monsters, die 

tegelijk met de Poloma's door Indra, met 

behulp V. Na ra en Nar&ja&a, gedood werden, 

Ud. 29, door Ar dj una, Wir. 60. 

09Qr)09sr>o|^, soort v. gëntèi^, maar 

bestaande uit lange bamboelatten; de tlinfklo- 
kob, kokerstaven worden gehalveerd, 2 helften 
met de opening naar boven en één daarop als 
deksel zóó gelegd, dat de opening komt te 
liggen op de randen v. d. 2 naast elkaftr lig- 
gende (mal. v. Kut. këlokop, ooglid); anderen 

geven klakah op (vgl. ook sund. talahab). 
9Siru&c|^ I., genaamd f, Smw. Z. 14, 16; 

om te hebben een zoon, Z. % 11 z. Ind. 

II. of kalndan» kadupg of kadui^an 
kftlnd, aanh. onder lujnk. 

m., z. onder alub. 



961^ 



246 



tsi^ 



Ki'^n/^acJj^ , aanh. onder haoigga, vgl. 
këlod en kalor II. 

sq&oj^, mëklèdUy ingetrokken v. e. slap- 
pen penis, y. d. kin, de lippen vooruitstaande, 'l 
tegenov. V. mlontod en ook v. i^ofidjol, naar 
bmnek toe; v, e. taal binnen 'smonds of tin de keel 
klinken; diep liggen v. d. oogen v. e. zieke; 
kladklèdy telkens teruggaan v. die beweert 
ergens te gaan, ook mëklédan ngoiidjol; iiglé- 
Amgf naar binnen trekken, om niet zichtbaar 
te zijn, H gelaat b. v. v. iemand achter een 
muur, achterhouden tooverformulieren , zijn 
tong intrekken v. d. klësih, zoodra de mieren 

er op gekomen zijn; vgl. tjëlëd en blijëp. 
Ssi^^, aUldy W. Ast. K; maklid, zich 

weien te wenden f om een slag, stoot enz. te 
ontwyken, «madalihan, *alès (sund. id. 
en ëlid, vgl. onder kumbah; mal. en batav. 
këlit, etymologisch één met jav. klirf); 

piklid V. e. persoon, waarop men de schuld 
werpt; nglidin, ontwijken een slag enz., ver- 
mijden zekere spijzen (vgl. pgimpasin); zich 
voor haren man of familie verbergen v. e. 

overspelige vrouw; klldin g^tt*, «hilagakën; 
nglidang, oigilidai^; nfélidang urip v. vluch- 
telingen, om in H leven te blijven; kaklidan, 
•linèsan; patikUd, aanh. onder utuh; lèn 
qfiiil^al anak yërik ada ngfandonf panak 
lèn Ddandan anak tnwa pati tajad patl kë- 

lid mai^rèpèjan pati babar*in; z. taoigkis. 
n&c]^, jav. (vgl. «klur)» klad ingfsahlB, 

een djun waarin drek geweest is, Bngk. s.; 
mëkëklad, vrn. s» njampat; ngëludlB, met 
een natte lap afwrijven een lontar. 



0)sn&c!|^, ka en «lod (dus eigentl. zee- 
waarts; bug. i lattq naarmate v, d. ligging 
der zee, lattq, oost, west of zuid en mad. Ia o, 
zuiden; vgl. lor), 't Zuiden, «kidul; Bil. 
't Noorden (z. blod en kaler); saklodikanf 
mahamèra» «sftkidulnii^ sumèru; klod 
kaflh, N. W. of Z. W.; klod kangin, N. O. 
of Z. 0.; nglodang, noord o( zuidwaarts gaan. 

QSinJi&oj^, makilad, na den afgang zich de 

posteriores niet met water (i^ o ii tj è pg), maar 
met iets droogs, b. v. aan een boom of met 
een steentje schoon vegen (bat mapgutsilat 
en mëlitjilan, ma}, sëoig.kèlat, sas. njëng- 
kèlat; vgl. mad. kèlaq); ngtladln, zich 
aan een boom b. v. U gat afvegen ; pangiladan, 
U geen, waaraan men zijn gat afveegt, een 
steen of een stuk hout; z. kidkid en «pèpèr. 

Qsin&o]^, kilèd*, V. amfioenschuivers, die 
eerst tegen den middag naar 't veld gaan. 

9Q|n&o|^, z. onder kunid. 

oagnnacij^, talmen (Bjw. kr. v. suwé; 
•jav. kulëd). 

9^&o^, de op Java onder den naam talës 
bekende escaladium colocasia antiquorum (mal. 
id. bug. aladi); wordt genuttigd, maar be- 
zorgt pas herstelden de ziekte weder, afb. 
Rumph. y. pi. 109 (z. onder kumbah, bakti 
en 1 u m b u) ; qgabat kladi v. iemand, die eerst 
de moeder gebruikt en dan de dochter; me- 
tamboa kladi v. degenen, die geen padanda 
gebruiken (njambuka of tanpatoja), en na 
de verbranding de beenderen hunner lijken in 
een kuil begraven; kadi panah kladi (f), 



«^ 



247 



^\ 



Iwir kararai^ga sftnak, B. Z. 87, 39; 
tawa* Uadl ananirklii tawa smang^Un dadi, 
een varianl v. 't geen onder dj a r a k vermeld 
is; bQo Uadl, een soort, waarvan de vrachten 
in schijyen gesneden, in de zon worden ge- 
droogd en dan genuttigd, welke lekkernij ko- 
lëk dëdari heet; kladlan, nm. y. e. soort 
wèsya, die bij de lijken geen wijwater v. d. 
ida gdé gebruiken, maar 't water, waarmee 
de lont ar 's besprenkeld worden in de wana 
tmara, alwaar een hunner voorouders 't leven 
V. e. kluiienaar zou geleid hebben; men vindt 
iü 't BIL velen (te Bakuoig, Sai^kèt, 

Padangbolja); z. pan matal. 

n ru to ^ , zekere bloem ; kalnda rakta, Sm w. 

Z. 10, 23; kalada randi, Z. IS, 16. 

^l^\r ^^^' ("'^ '^ ^^^'' k a r u d e i, 
maar deze r wordt ook / uitgesproken z. 
Pope, a Tamil handb. Inirod. bl. 11 of Gald- 
well, Compar. gram. of the Drawidian sounds, 
p. 28); jav. kuldi of kulde, Am.; R. sas. 
en Mah. fr. b. z. «gardabha. 

7^^?^ ' üffalèdah (i^arèda), v. e. 
blulTer, die een kris opneemt en daarmee zegt 
wonderen te zullen uitvoeren. 

)Q|£0)s!|^ , Bjw., de bladen v. d. këtjëm- 

tjëm (Krt., kaludan, katj8mtjëm, vgl. 

onder kalajan, wandan en sëntul); z. 

këdongdong* 

» so to| \ , kladkadklidklid , trippelen v. 

honden of kippen (tjëbartjëbur) b. v., iiglld- 
kid ▼. e. kip, die hare eieren wil gaan leggen, 
nu hier dan daar een plaats er voor zoekt. 



^'^«^ tsQ^ , klëdot* V. e. zweer, vgl. kën- 
njot^ en këbët^; mëUëdot v. e. klodder 
bloed of etler uitkomen ; dwang: Uëdotaiii twee 
trekken v. e. zuigend kind. 

09^&ou|^, zou ook in pi. v. lèdap in 
gebruik zijn. 

«in^^, z. kale'. 

9sioruo^^ I., nm. v. e. slingerplant voor 
t ë p i 8 gebezigd, « a t a ng k i 1, W. Z. 2, 1 ; 
mabokon kalot v. iemand die zoo mager is, 
dat zijn botten overal uitsteken; bér»|r pi^ah 
ligëtor mabnkon kalat rafané, Tjp. 

• IL, lotr, kalotakën, R. K Z. 1, 10 
(sampuranën, da suwé, loba ikal), ka- 
lotakëna halanlpmi, aanh. onder sa pa won. 

IIL, mëkalot, moeielijk te verwijderen v. 

vuil op 't lijf, tëkëk dakiné. 

g^ \sii| ^ L, n&han hètiinyak amwit ri klta 

makélatomëtwa ring praq; mamAka, R. 18 
Z. 3, 20 (mangkana marmanya tityai^ 
amit rii^ i dèwa matahën ika midjil 
ripg raAa pgamuk); amakëlatalièny bescker- 
men f; mon hjang mon daltya (jav. dèwa) 
Jaksft makëlatakëna ko rohënfkwa ntfata, 
Br. Z. 46, 4 (atawi dèwa tuwi d. j. ika 
ngalai^in ika iba rarahënku tuwinja, 
pitwi d. d. j. qilui^lungin iba pëdas 
rarah kai; jav. vert. sanadjan para dè- 
wa para danawa apgukuhana ii^ sira 
pasti ingsun ui^sir). 

IL, mal. of jav., talin kèlat, B. U. KK; 
mlahang këlat, zeer snel v. iemands vlucht 
b. V.; kèlat btO, z. kilat L 



«^ 



248 



^ 



in., sas., kibat; anfilat lantè Ing^ balé 
^a^ar» Ls. b. ; kasur wah takélat tarik ; vgl. 
këlab. 

^ ^sii| ^ 9 nauw V. kleéren, een gat ; moeielijk 

doorgaan v. e. grooten bond door de som bah 
b. y.y door gedrapg bij 't mëmëkfin v. velen; 
méklity pèklét, iets, een anders goed, voor 
zich houden^ niet willen afgeven, achter houden 
(z. ij e 18 d); ngamél méklét mikèkèhin, een 
anders eigendom ; saml kari kagisl kapiklët 
kapikékèhin antukipiin v. e. erf en tuin; 
sèka tlorak na ngglsl mëklèt gélahan ni 
daivin twara ngnljang^ kajang djani; mëUë- 
tangy aanhouden iemand, die mëtunggu is^ niet 

willen laten loskoopen. 

^ tsiij ^ I., akllt rlnf paradrëwja, een an- 
ders goed %ich toeeigenen, tnt. 47 b. (vert. 
y. mu&nan); rinf sftkèma joga kélitinf pa- 
ramArthaboddlia, Sut. Z. 11, 5. 

IL, mëkUtin arak» distilleeren ; pëklit, een 
stop aan een waterspuit, om de straal kleiner 
te maken. 

jsi^^, atahAklat, stokoud, R. 4 Z. 1, 30 

(juöana lupgsnr, tjokob règho, tuwa 

suba i^ilgil), Ud. 129 (vert. v. ^aithilja?), 

Utt. 88, 89 (bis.). 

o oq t^ ^ , jav., gescheurd v. boombast, ge^ 

sehaafd v. d. voet b. ▼., v. e. blik gat, de buid, 

y. plekken, waar door de illdja geen haar 

groeit, haal op *t hoofd (z. lëtlèt, klur); i 

klèt, kaalkop in een kinderdeuntje (vgl. booig- 

lak en boi^kai^); maklèt en kinlèt, «si- 

nasat (Bjw. oiglèkèti, di klèkèti, villen 

naast mlnlangi; ygl. kësèt); klèt*, «lak- 



lak; vgl. tjodèt, v. d. bajaoig^; ngoi^^ dak 
gëmpang bhrasta sakala gotra Iwlr patining 
afi^lngy kang arnsah ngonf gawènën këklë- 
tan (mad. pgolèt, villen, v. kolé, huid); z. 
koplar. 

Sinji\sii|\ L, z. këlat; amasaag kilat, 

Kid. Sund., aanh. onder samplaoigan. 

• II., kilat b&hn, jav., Br. Z. 15, 2 (baü 
raksa, mal. kilèk bahu, ring aan den boven- 
arm, Klinkert}9«bahuraksa; ook këlat bahu; 
aken ing anak dara, prawarga wang salaksa 
kallh èwn, kinèn angrasnk bnsana, angang- 
gèja maknta adi „prawan wong wnwn- 
djangy wong salaksa kallh èwn adi*, samja 
ngrasnk bosanagong, bnkasri kilat asta, adja- 
mang mas kinatlpan intën rnnmb, ardja sèng- 
kang natabrata, apannnggnl intën bami, Jsp., 
b. (Jsp.y j.: a. ing parawarga, anak da- 
ra w. s. k. h., samja pahès anggja^ 
apgrasuk makuia asri „wong prawan 
wooig wuwndjai^, salëksa k. è. wong 
bëtjikS agagëlang akakalung bukasri 
apadaka akëmër akëftdit ipg sosotya 
murub nila widuri mntyara, mantën 
koswaragadi; sas. Jsp.: aken ioig para- 
garwa, akëmër akë&dit, z. kiratbabu. 

• m., W. Z. IK, 14 (tatit), Z.2iS,2(klèp» 
t.), Br. Z. 9, K (widyut), B. Z. 4$, 7 

(widyut, djyosna), B. Z. 59, 2 (djyotib, 
tatit), de inslaande bliksem; oOng kilat, (vgl. 
onder kilap en*wangkilat), Us.; akilat v. 
e. uitgetrokken wapen, R. 5 Z. 2, 2 (maklè- 
lam, kadi kilat); kamilat y. d. toi^, aanh. 
onder giri^a; oOng kilatën, z. onder ëmbaL 



> 



249 



«^ 



9GifUtsii|^, lafit Ja labah kllit ban batis 
i ttmbolé; raris tltyang: labah kilit ban 
bantat tityam:é; mèUlit, «awilit (batav.), 
mwani v. twistenden b. t. die geen wikara 
moesten hebben; sémlné makllit Infinif asin 
antèqri fiiiivsiiVf masalam baifjanias i^^én- 
dih, Tj. b. Z. 3; pait makllit (mlëkèk); 
wglUtf afdraaien bloemen b. v. meteen djóan, 
waaraan een sëpak, batav. id.; (z. anggèl). 

1I.« klUtaa, K. A. ensas., lublub; ta(mba), 

paflh katèkalan, ^a, ida bang:, kilitan, trik 

atoka, wédakakèna, Us. ; Ida t|okorda agrung: 

sakiflf rata hjang: parafajané kèris snsapin 

kilitaa» U. Gj. 60, 't was namentlljk een am- 
Boenscbniver. 

)^n^\ ' sawèng^ mas kinalët (b. : kinu- 
ia t) moB^ar, Stn. Z. 1; z. onder kulaki. 

»fu^^ I., «asrëg dbarft, «twak, U 

tel V. e. dier (z. blulang), schil v. e. vrucht; 
host V. e. boom (z. babakan; vgl. mal., bat 
hulikkuliiiig en koiii^, 't geen doet ver- 
moeden, dat er in 't bal. vroeger een kulid 

en in 't jav. of een andere zustertaal, die hier 
eeo r moet hebben, een kul ir moet geweest 
zgn, z. Tob. Sprk.?), (ganda), ichü v. d. 
djagui^ voor eigarettes; kolitninf kaja als 
kleeding v. e. wiku (z, ald. en daluwang); 
kolft brokmanai aanh. onder gubad; kallt*, 
R. 23 Z. 12, 20; mékollt, moeielijk v. e. 
plaats in een gedicht» waarvan men de be- 
teekenia niet begrijpt; mugallt nagr^ ▼• «• 
tapih, W. K. (Z. 17, 4, bhudjagatjarma); 
npaUtlDf een woord moeielijk verstaanbaar ma^ 
km, uit Bvfk. 22 (z. onder plut); nah ora- 



kang da ni^alitln, spreek vrij en duidelijk; 
prakallt, wawalènf; pan gamanti kaslnoman, 
dé kabajan manjarlkin, sangkèpan dèwa dl 
gèbong, palimanan saba titlb, pamaksan lèn 
prakallty karandan sami makampol, Tj. b. 
Z. 2, enz. ; kalltan, nog in de schil b. v. koffie; 
kinalltan v. e. ei, W. Z. 31, 4 (kinëlasan). 

• II.« kalit kaki, maagschap (vgl. jav. . k u 1 i t 
d a g i i^, sund. pantjakaki), aanh. onder 
« p a n t ë n ; abhisèkan ta klta f^nmantya 
ring kallt kaki, daar gij ouder zijl dan 
Judhisihira, zuil ge gezalfd worden en den 
rang innemen v. uwe voorouders, Ud. 86. 

UI., z* onder titih. 

ooaf^TU^^, Bjw., een grof woord voor 
tj u k u p ; bras sèpikal osinf kèlèt piraqg dlna. 

*^«nTU\STi|^, aanh. onder giri^a. 

osirutro^, s., z. onder blalldji. 

^^^^9 s., (vgl. bat. hnla II); ka^ang 
knlati (f), z. onder kulattha. 

^rur5i|«^^, z. onder malatuftda. 

9^^511^, maklatiran, maklènjègan. 

9Sirurn^, s., z. onder swami. 

nnnjintsii»i|^» sas., kampid (smbw., 
ido bim. kalète, alf. kolikil en kalèkèb); 
klètèk bokal z. onder ubur^ 

gqtsng^^, Oglatak z. onder la tak. 

gatsugdüj^, nflitakln v. d. këmëqjad, 
i^ëtètèl; klétakina ban kémènjadé. 

^ tsi osn] ^ , miklétèk v. 't geluid bij 't eten 
V. brosse dingen, kolëk gatèp (v. simpai^, 
waar veel gatèp, die njai^gél is, gevonden 



QSI^ 



2S0 



«\ 



wordt) ; klétök*, knappen bij 't eten v. k o tj i o^, 

kraakbeen (vgl. jav. klëtëk); masa djadja 

samplng mëUètëk mandjëkan v. iets, dat zeer 

lekker is; mëklëtëk dl barangé, v. iets, dat 

iemand goed smaakt, tegenover k a m b a ng. 
g^Siosnl^ I., z. klëntik. 

II. f omzetting v. lëkëtik. 

g^ o ^ gdi| ^ , mëkiëtèk, kletteren (v. e. zwaar- 
der geluid mëklëtok); makalëtèk, B. Z. 
87, 27; klëtèk pipis t|anggol uratan, z. 

onder kètjër. 

g^otsnodil^, maklëtok v. 't geluid v. e. 

taluktak, B. Z. 40, % «angukulan (vgl. 

klëtèk en klètik II); kalëtokaqia matim- 

baly «makupik asaburan (vgl. jav. talë- 

tok); aklëtokan, een greep v. iets, 

9Si^9Sii|^, bam klitik, Bjw., reeds v. d. 

noodige ingrediënten voorzien v. d. upas, om 
op de pijltjes v. *t blaasroer en wapens te 
doen; z. upas sëdulang; mamënèk bwat 

tib&, mancalap klitik, War 

9Sir]9Sii|^, z. bij krofitjongan (sund. 

kolotok en kèlètèk, jav. kloiakf), vgl. 

kulutuk en krutuk. 

36ioqp«ii|^ 1., jav., een stok v. bamboe, 

aan 't touw, waaraan een beest is vastgebonden, 
om hem 't doorbijten te beletten ; klètèk lëkong:, 
z. onder kotjor; ng^lëtèk, mëklètèk ook v. 
menschen geboeid aan de handen of den hals; 
z. tulldjaiiig. 

Ss ben. v. e. krakeling-vormig gebakje uit 
këtan en gula pasir in de gedaante v. e. 
klètèk (bij de Moham. meer bekend); vgl. 
onder bidara. 



g^^^l 



«IL, klètèkan, Bjw., bakal km puk. 

'^gg*|^gsii|^, z. onder kalètèk. 

o oon \sii QsiU , batn klotak, eigenn. v. e. pi. 
in KI., waar een tempel v. d. Dèwa Agung. 
?J2P7^^^' kotèk. 
ojsnn^9ai|^, bjw., trampa v. hout. 

Qsiru ^ 9Sii| ^ , onder de buiten Java gelegene 
landen, Smw. Z. 8, 11. 

oru|qp9si|^, pasraiig^ning: taloktak ma- 

lig^ulntak atarik sawarftnrang^ salondlng:, Gh. 

Z. 7, 8. 

gsjruj^osüj^ , (vgl. klutuk), een vroegere 

ngoko-vorm v. klètèk f; ang:alatuk, z. aanh. 
onder tambaluoig. 

^ ^ ^ , vier/cant rekje v. bamboe, zooals 
die, waar offeranden op gelegd worden (batav. 
klak at, jav. aiidjang^?); nm. v. e. grassoort, 
waarvan de bloem den kwartels gegeven wordt; 
lig^latkat galaké v. e. geile vrouw die overal 
in gaat; kaklatkatan, ben. v. e. kampèk mei 
kleinere ruiten. 

9S«^\sii|^, z. onder klakah. 

QSjTU ^\, s., i kattang^ knlatën; z. tulakta. 

g^i^^^, z. mal. Wdb. en jav. klëtis. 

o^nU, klëtëf^*, dof klappen als de 
këtipluk; mëklëtëg knëhé Qéga), mara 
mëklëtëg (v. e. geneesmiddelen in den buik) 

ilani^ Df^toré. 

o o ^ rii| ^ , makalëtèg pafarëbwaï:, tèg 

kërëtog gëdog. 

oow:)n|^, Sm. Z. 53, 8. 

3^ ^ ^ 9 Vl^tiiiV ^- ^' vagebond met ver- 



\ 



251 



«^ 



Bktene en slechte klefiren; méUatliqfaii v. e. 
mëpëglantii^an berooid (f). 
II., eigenn. v. e. desa in 6j. 

«I ru Ajij ^ L, këkalas, een gerecht beslaande 
uit Gjn gehakt gekookt zwoerd, als h. v. 
rSrumbah wel eens gebruikt. 

II., mèghAmtrah kadi kalas tmnnlts langlt- 
oya, Sm. Z. 4, 7; komram tang djaladftmirah 
kadi kalas wlnarlwnri wlnodanèng rawi, Hr. 
Z. 6. 10; kadi kalas* ahadahad&lamad*, Lamb. 
Z. 15, 4 (Iwir galuga sinorol mapun- 
duh^ mèghanya); kambèu kalasan, voor 
mannen, en zoo voor vrouwen tèngkalang ka- 
lasaa (bupgan njambu, barak kësumba). 

asinA^^, z. onder oigalës. 

9SiruiAj|^^ jav., «lal is, ongevoelig voor 

vochl, niets opnemende, zooals een klad i-blad, 

een pen die de inkt niet opzuigt ; niet kleven, 
mei heckien als b. v. y. d. umah këla^ die 

kali san is dan de bladen v. d. kaju bë- 
djalit (z. blij as), v. d. vezelen, dietusschen 
de schil en vrucht van sëmaga, bij overrijp- 
heid gemakkelijk v. d. vrucht afgaan en zich 
aan de schil blijven hechten, v. iemand die 
mëtilas, onkweiibaar (z. tëguh), «sipglar, 
• lalis, B. U. (een weinig te voren lalis), 
•B. Z. 86, 4, Z. 93, 4 (blig), 15 (malijan, 
matii^gal), R. S3 Z. 45 (tjélih), SuL Z. 
81, 3 (waar b. al is leest vermoedelijk is 
lalis de ware lezing) ; rèmpah tlkang kawa- 
t|a Ml maalkDya sira kèwala kral akalls, 
Br. Z. 42, 9; akalis kang pawtetri, Mal. 116; 
akallsa riqg AéiA^ sapuraha riqg papati, 



Tjt. 219; sëngkalis, middel om zich vry te 
waren v. door een ander in werking gebrachte 
schadelijke toovenarij, zooals p i o 1 a s , enz., èh 
balodra mangké sira lëkasna ponani: sëng- 
kalis, gantan kanln ing ^origa, sira soo 
sasaré mangkln, Lb. Z. 16; mawah str! wi- 
niwftha mèllk 1 laklnya, taapanglawan Ing 
sanggama, dènlng tanpahjiin 1 laklnya, amang- 
salakëna takon andwigoAa, papalampakan 
molib andwlganA (b.: tëkanipg upakara 
likëlakëua), kaknng, pinakalising strt nga, 
Wtb. 

Qsiru^^, z. onder alus; piriiftl&rftqga- 
Inèakën (zich beklagen?) rjjawaknya, B. Z. 15, 
9 (masawang kabrapgtèn maoiga^rijapg 
fariranya, mairib sëdih baftn awak- 
ujané daki, z. kalu^a). 

osioruA^^ L, bakkebaard. 

II., kalèsan, sluitmanden langwerpig rond 
voor allerlei waren, waarmee men handel drijft 
(i«alu). 

III., z. kalèsan. 

9S«^^, los V. 't vleesch b. v. niet meer 

aan 't gebeente hechtende v. e. vei^an lijk; 
nora klas, ongedeerd in 't gevecht, R. baL fr.; 
tra klas* ban san4f&ta v. e. onkwetsbare; ma- 
^aaé tëka rarls maaaradjaDg ii|aflp (b. : ma n- 
dradjapg maqjaplok baO) sanf bhlma 
twara klas (b.: bii^lak), Kid. Adip. b. Z. 
4, 32; nglasin, z. onderde i^a, h. v. mëlut, 
met een mes onUckillen m a ng g a 's b. v. ; 
klnëlasan, «kinulilan (vgl. kinëlèsan); 
vgl. klès. 



«^ 



252 



«^ 



II., saklasy Bjw.^ in pi. v. H jav. saqlas. 
^^\ U mëklëg (of mëtjontok klës?}, 

zeker spel spelen, bestaande in 't raden van 

even of oneven bij in den vuist gehouden duiten, 

die op een mat uitgeteld worden (batav.), duga 

heet 18, W., tari is 20, 0., tlaga 2K, N., 

tiga 93, Z., de windgewesten winnen dan; 

die wint ng^lës. 

II., maklës, ilang, «uminggat; mëklës, 

plotseling, onverwachts (Vomen); ngfëlësin, iemand 

iets ontfutselen. 

III., sas., ëngkës. 

Q^^^, ragané daki bëng^il badëngkotot 

malrib bnka këlns adëng^ pajnk wisajané 

mandjakan di pafin, v. Bhima, Kid. Adip. 
n 9SI ;ui| ^ , los V. e. band of strik ; uitgedaan 

V. kleéren, losraken v. iets, dat vast zat, 't 
dek V. e. sigaar (batav.); «lukar, «kasah, 
«tjutjul, «kalungsur, «apasah; v. e. 
schuld afgemaakt; nglès, een schuld afmaken 
(z. ing gas); ng^lès mnnji, nglès atur, zich 
verontschuldigen om v. e. gegevene belofte enz. 
ontslagen te worden (jav. lès ing ubaja, 
wngsl., puspa tjidra, vgl. ook nglès^), 
vgl. sumplah en klas; klnlèsan, «sinasat 
V. d. huid, Sm. Z. 30, 6 (vgl. kinëlasan); 
pnsiuif kaklèsan panëkës, «glung linupu- 
tan apus; ng^lèsani^y uittrekken kleéren, los- 
maken een windsel; nipapan (ndi ka pa of 
di mapan?) malané klèsanf, Djp; maklësan, 
V. iemand niet in den kerker. 

9Sin;ui|^, makllës, «murud, «umurud, 

• mür; ng^lësin, «mundur; Ulës*ina, «mun- 
durundur; makilësaD, langzaam achteruiU 



gaan; bij 't duchten v. e. gevaar; djènfali 

makllësan, kèrangan, R. 3 Z. 1, 29. 

on ^^ , de afgelegde huid v. e. slang enz.; 

foudraal v. e. geweer, v. e. rups; mëkulës 

ban daki, met vuil bedekt v. e. lontar b. v.; 

vgl. ulës. 

gsiruwi^, s., W. Z. 29, 6 (dyun, wa- 

dah?), vgl. onder garawa. 

osiruwi^, Jav., ♦lalung,»5ajana,»pakulé 

(vgl. mal. këlasak), Br. Z. 13, 8, bis. (pa sa- 
rèn, kasar, pamrëman); kalasanira roni- 
kang: kaja, R. 3 Z. 1, 16 (matalSd donikaog 
taru); padati agëlar kalasa, «lalung {J), 
• puAdarika (?); akrab kalasa, z. onder 
krab; tikël kalasa v. pan dan vervaardigd, 
te Bjn voor vloermat en daarom om er op te 
slapen; galar Masa, v. planken zooals die in 
de pafitjarëngga of in de umah mëtèn, 
om er verschillende dingen op te leggen, soort 
V. zoldering; maklasa ban ba&n of ba&n bëdè; 
V. e. huis, z. gladag en langgatan; wata 
kamalasa (jav. sela kumlasa, z. jav. W. 
Z. bl. 60, batu putih tërhampar sapërti 
tikar, P. s. 137). R. 14 Z. 8, 1 (batu 
bulitan, b. masasah), 90 m.; ^i\k kama- 
lasa, B. Z. 40, 9 (batu né lèmpèh); ramja 
$iU kumalasft, B. Z. IK, 12 (alëp watu lèsèr, 
bëtjik ikang watu f umajana); ang^lasa 
V. e. steen, Z. 4, 8 (f ila $ ajana); Br. Z. 6, 
2 V. bloemen; Sm. Z. 14, 10 (pasasah), 

Adip. 87. 

9Sivuij)^, s., lëtuh, aanh. onder gëlëh, 

Atjamana en nirwa, R. 16 Z. 4, 10 (ka- 

lèsa, ngaduüng, djëlé), Sum. Z. 25, 3; 



tdi^ 



^ 



•ö\ 



Uu kilvM, B. Z. 76^ 7 (gëtap bin nista); 
fiatni kalvM, R. 17 Z. 7, 2 (musah kalili- 
ran) mékliuui, K. A., vrn. = ogen tut; 
eigeno. v. d. patih v. Wisèndrya, Ar. PK; 
stuf cokAqgaliuièiiir taman, v. d. liefdegod, 
Sm. Z. 1, K (umui^gwii^ udyana); ai^ra- 
lisa V. vlnchtende kluizenaars, B. Z. 10, 6 
(kadi buron, i^ëbët); sarpp&tapa tftpan 
abrata lanftagalo&a, Sum. Z. 37, 8; prodhA- 
tMag brfthmawanf^^opamanaga plnnpulnliig 
fhünftkwèh lunang^kaiig, ftmbëkninf {fatra 
sIksAt maivaliisa makiré ttrtha {fuddh&m- 
rètèp; rktj Ar. Z. 61, 6, angalosakën , z. 
onder kalus; pangalnsan, toevluchlsoordf, B. 
Z. 6, 18 (patjangkraman, patapan); 
UJépBi halëplDf swar&djya ffiritulja pai^ra- 
lisan i sang narè^fwara, Ar. Z. 71, 3. 

jqAi^, z. onder kalasa. 

"^ »l^l^ , s., aanh. onder sëwë, swatantra 
en darbhikÈa, ongeluk v. geen kinderen te 
hebben, Adip. 76^ v. lieden die een rftksa sa- 
gedaante bebben, Tjt. 216 (vgl. onder wahja), 
▼. iemand, die een geweldigen dood gestorven 
is, Kam. 7, T. b. Z. 4, 121, 128; Wir. 
67, bis, «kalusa; hnmilangakén klèfaning 
dJtDBia, B. Z. 1, 19 (mai^ëntas ika ma- 
laning wwang, mai^ilangai^ malan 
manasané, nëlasai^ ika djlèning wang, 
▼gl. •jav., waar ook lèswa); Br. Z. 36, 13; 
pipaklè^a, Adip. 44; Jadyaa samèmsaprëthi- 
wi bwatalnf klè^a bhara wisarcUdJawfttëmah 
nakM atnaBffawé (b.: ^irnnakawai) ri 
Sugfopaaia (nddka, T. Z. 6, 61 ; angalèsani. 



z. onder tjutaka; kalènn7, Smw, Z. 1, $1 
(ramp), 

2% vuil als plek, tjarëk enz., B. U. 66 
(vgl. »jav. mai^alèsan). 

^^^9Jr>\, ngloso, i^glondob. 

arut>i^ ot kulasabf (vgl. kusab); 
angrèmpong akalasa hanèng tëfal, aanh. 
onder rèmpoi^ (mad. aklusër, ro//Ai 
als stoute kinderen); maknlasahan v. pijn, 
Tjt. 18. 



o 



9sirut>i^, s., ioabhimantra Indrakall^a 
v. e. lipung, R. 23 Z. 4, 4 (kinënanii^ 
mantra i. k.); knlicadhara, in dra, O. 
(Notulen Balav. Gen. 18« deel bl. 87), vgl. 
onder prabarana. 

'^gsivu^^, balwau (*jav. kilasa en 
patrakilasa, bui^lon, z. onder dit woord), 
bulon {jêf. bui^lon); kadi kèlasa tomi- 
bènf patra, v. blinde gehoorzaamheid, die, 
evenals de cameleon, de kleur v. 't blad volgt 
(in de waj., Gatal. 313 djëksa matrakèlasa); 
aanh. onder krëkala en krëtal&sa (jav. 
patrakilasa v. e. djaksa gebezigd, die 
zonder de zaak te onderzoeken, geheel een last 
volgt, z. Raffl. HisL of Java II., App. XXXV); 
jav. f. Z. 17, nadat de cameleon de zaak had 
uitgemaakt v. d. kidang en den tijger, lira 
bonglon wns g^inandjary tëtoponf mas jya di 
ngfo sésari, lan siniuig knwasa Indiiuif , araa 
patrakilasa, salio warna knwasané banglon 
Ulo, a^JIné patrakilasa, wan&a mannt kanf 
dèn foni; vgl. de bet. v. 't snnd. lolondokan. 

^«iiru:);u^ (dikwijls kèlft^a), s., «su- 



^^ 



^ 



0^^ 



mèru (vgl. aanh. onder kèlah), satwa kèlasa, 
Us. 148, bis. 



jsi^p^y sas., galarfy vgl. klanpah. 

9Si^9^ , Bbg., kolèsih, miereneter^ waar- 
van wonderen v. kracht verhaald worden; zijn 
tong, die een vunzige lucht afgeeft (andih), 
steekt hij uit om er de mieren op te lalen 
afkomen; tkëka (tkèkP), «golika, tinggi- 
ling (sas. kolSsih, z. aanh. onder kungkang 
en gëljok); nglësih, vlijtig veldarbeid verrtch- 
ten (numbëg, nënggala enz.) v. e. varken, 
dat wroet; Swg., vgl. nglumbih en nguntil?, 
Uësahklésih, v. e. dief, die langs een loop- 
graaf in 't huis komt, z. onder k 1 ë s i k. 

2*, benaming v. e. kromme ub i-soort. 

IL, klësahklësih, BIL, kësahkësih. 



o 

901 



7r37^1^^' maklèsèan, mklèsèdan. 
ruAjj^^ , makllasoli, Br. Z. 1, 11 

(manglondoh, mangloso, lëson, mapuli- 
sahan}; akilusnh, Sut. Z. 82, 5 (matadjub). 
angudoda, Anj. Z. 21, 3. 

gsiruM^^ , z. kulaf a. 

^«onw^^, z. onder klësih. 

9Siiru^ui9Sii|^ (Men., kalisahak en 
k a 11 s a k , mal. t?lsw#t ^Jj^) , een ander dan 
Skardiju en zonder twijfel een verbaslering 
V. jIsum) ,^5^ (pers. snel paard), want H paard 
was van Ish&k afkomstig en liet zich door 
niemand anders bestijgen, Am. (met Sëkar- 
diju en 't paard v. 'Ali door de Sundaneezen 
in een formule tot een jachtpaard gebezigd, 
Tijds. Binnenl. Best. 1887, bl. 169). 



«iiruwi«I|^ (?), tatèmpèh. 

9sinru:>^9si|^, adoh ka^a^ampnran sira 
sasahonan dahat dèra kalasan, Mal. 344. 



ov^ 



QQj n ^ ^ (P) , kjaji pèrot masIëtlD pan 
bobotok ng^olèsir, Kid Pam. Z. K, 68, ingnn- 
dang^ afra kapanfgik ring^ padjadyan wlran; 
sira angalésir tanpadokung: amboi^ol karo 
lantjing^au „kèn pinatik pèrot wiranf winè- 
kan anjlang: këris, ald. 69 (Pam. b. K5, ladju 
kaalih, katmu ring pamlandangan, ika 
wirai^ira djumbuh, patisrangsrangin, 
pan amogol, iku i gusti pinatih pèrot, 
angwèhi kris, lingira, nèh kadutan 
kaiué paslët, lamun iba kanggo pang- 
lindih (namen tl. door den vorst), da ëngsap 
di utang tkèn kai); vgl. onder saplar. 

9ai^ru:)'^;u:>«i|^, babnr '(P)'^sakalosok, 
Wd. 44 (sas., baklèsok, nglèfitjok). 

^^odüj^, këuèbé èn|:sèk méklésék; pa- 
les mëklësëk. 

9st^@:jt|^ , sas., krang boi^kung. 

^^9Sii|^, klësakUësik, v. iemand, die niet 
slapen kan; ook klësahklësih; vgl. blasak. 

o^gdiw^, jav., mati tanpangalislk, Hadji 

D. K9; pirang:* èwn mati tan angrlisik, R. m. 

(R. K., tanpawilis; vgl. onder usik); me- 

klisikan, zich verroeren v. d. vrucht in den 

buik, met een ontkenning geheel onbewegelijk 

als een lijk (vgl. krisik en klèsèt), v(rl. 

mëkèpèan. 

n ^jo g^ ^ , geluid v. b ë d è g geslagen 

wordende; klësakklësok tomploka kran^angé, 






z. sandalsondol. 



^> 



m 



•s«\ 



«^fUWïoi^, z. onder wirasai^ka. 

«g^^V UaskMan (mal. ^^ J^, 
een kkukop hebben (z. blang), v. d. huid door 
de zon; %. ifidja en vgl. kèskès. 

^^^^' pékléskés, gerimpeld v. d. lip- 
pen?, V. e. verdroogde wonde. 

«jWAjl^, vrn. spEngèsan (Mi^.). 

'^«"^Msoj^, maklèsèdan, mklisikan. 

nnrü^M&o|\, jav., roinaqgkaiii^ akalè- 

sMai ▼. iemand, wiens voelen en handen zijn 

afgehouwen, Amd. s. Z. 30; vgl. èsèt en jav. 

kaplèsèdf 

^£iitsii|^ of klësat, péklésit, verlegen 

lijn, bedrukt v. iemand, die gebrek heeft; 

klésatklësit v. e. armen drommel; sing ka- 

trtdJaBg ftkèh mati, slnèpak patlkalésit 

(angèdjitin), R. sas. Z. 12. 
jsiA^tsiH^, z. onder plosor. 

nao;uitsii|^ (vgl. klis ik); mèklèsètan, 
xich verroeren y. e. zieke, vaak met een ont- 
kenning (zich niet eens kunnen verroeren v. 
iemand, die zeer ziek is). 

n »o n M ^ V ntiklosètan, gemakkelijk los- 
gaan b. V. V. d. schil v. e. sémaga of poh 
aniplém sari; nglosèt^ afsterven de schil v. 

zalk een m a i^ g a-soort. 

«njiA;i^^, pakalisat, Pwg., Z. 1. 

9SI ru ^ 1510 y f , tékapinf kapih kalasita 
ri tëBgah kira Dluamiuuir saso, Sm. Z. S, 

11 (kalukaran rupit ri pantaranya). 
nnnttn^ , s., angidaagldang amangan 

rosion, salwimlng klè^ita brata Ja tikft 



(^oraAa (hds. rosa Aa), üd. 70; vgl. onder 
ai^idang. 

^^^ , 8., mah&klièta (Mlrai Wir. 23. 

^nji &i^, z. Adig. 66. 

ssiru^^, ngalisting, aanh. onder këdjai^, 
pëdpëdanga ngalisting, kacUaqg tan! kalah, 
Tj. b. Z. 1, 4K; onder kula. 

«« fu PJ «J 96i| ^ , zekere wespsoort, die hare 

nesten aan houten wanden hecht, en andere 
insekten er in voert, om ze, zegt men, als 
eigen jongen op te voeden, de zoogenaamde 
sluipwesp, overal in kruipende als b. v. tus- 
schen de bladen v. e. boek enz. de jav, tawon 
tutur, JtL^ en de bat. ajo^ (batav. ook 
kamisasoan; z. onder angkut^ en apid); 
ngalisaswan, een ander* s kind opvoeden. 

ïSifUt>iiR^, s., naast kumbhajoni, 0. 

9Si^ru^€i|\, z. onder kalijasëm, Mis. 
Gag. bl. 11; eigenn. v. e. berg, waarop een 
groot kerkhof, Tt. 23, ranini kalèsëm of 
kalèsim?, z. onder nini en kalijasëm. 

^^n|^, klèsèg*, zelden klësog^ v. dof 
getrappel v. voorbijgangers; méklësèg, niei van 
zich laten hoeren als iemand, die niet terugkomt, 
iets waarop geslagen wordt; klësègan, gehud 
ü. naderende voetstappen maar gedempt, als v« 
iemand, die stilletjes komt aansluipen; nntlt 
klësëgaDy van hoeren zeggen hAben. 

^Mr%ï\, nflèsagaDg, de lu met kracht 

in de lësui^ laten vallen er meè stampen 
(vgl. klëntangklëntui^); tëlang klësngaD, 



drie neêrstampingen. 
gtvawajnya, makftding apawftsa ring $arira- 9si|'|^j:>n|^, z onder klësëg; klësog* v. 



^N 



fóé 



^\ 



e. gebroken pot tegenov. ngrèntèng; z. 
klëpëk. 



o 



9sin^^, kasinyftrangrè' mwang kalëwi 

taiiüb& syoh kabnrabnli, pakah pah panf- 

g;ël p&ngnika dumawah ing grong kasarakat, 

Rm. Z. 9, 2, z. kalëwih. 

asincj^ , inawahan kalëwa, v. e. in 'l bosch 

achtergelaten stier, dien een der volgelingen 

V. d. eigenaar wilde verbranden, T. Z. 1, 60 

(T. b. Z. 2, 22, utjuli kang tali^ kabèb 

hajw&na kari kalawan sawëdnya). 
^u^, 8., h. V. bafitjih, *këdi, Wir. 

43, tut. 28; Jaja kltwa masaki, Sut. Z. 9, 2. 
9Sii3^, Bjw.y (lebuwah nona, jav. kanowa, 

manuwa, malwa of mulwa; te Djmbr. zijn 

er vele, maar in 't Bulelengscbe eerst sedert 

1881 en nu nog nauwelijks bekend (vermoedelijk 

naar de bekende halwa zoo genoemd, zoodat 

't overeenkomt met 't Eng. custardapple , mBd. 

manowah^ sund. mënuwa« lamp. buwah 

una en djus, iloc. anonang, spaansch ano- 

na, zijnde oorspronkelijk v. Amerika). 
9siu^, nglèwa, tlèman. 

96iriU9^ (Stn. kalowih) of kalafitjang 
(sund. këlëwih, jav. kaluwih; z. kulur), 
timbul; een blad hiervan diende mpu B ra- 
dab als vaartuig bij 't oversteken naar Bali, 
Tj. A. 43, 72, alwaar kalëwi, de vorm, die 
in 't Krtb. steeds opgegeven wordt, aanh. on- 
der trabakta (Tjt. rutraja, pawungan, 
kalwib); patraning kalëwih angalingi 

sArJja, Hal. 300, vgl. onder bëftda. 

9SII u 9 ^ , maklawah*9 borrelen, zieden v. 

kookend water; z. Iwab en gëmulak. 



»ruu»^Vz. onder la wan. 

o'^uots!]^, z. onder klijon; kadanir Ui- 
won, z. onder djanggut. 

^gjugoj^ of kalwan, ka-ulu-an (vgl. de 
analogie v. 't bat. djulu en pahulu), hoofd' 
einde v. e. slaapplaats; nglawanang v. d. zee naar 
de bergen of landwaarts stijgende, z. dulu. 

goirusoj^, ngadjanangP z. kluwan. 

«fugol^ of kulon, Jav. (v. ulu), Wir. 
73; kolwan kidul, Sm. Z. 4, 16 (nèritt); 
hana gagftk akulwan, Sm. Z. 22, 11 (ada 
panggagan ring pa^tjima); hjang stta- 
ra^fmi kapangnlwan ing astapar^fwa, Sm. Z. 
4, 18 (dob kaüh, us nunggai^ giri)' 
ring wëkasan tëkang wëngi lëpas kjang 
arnna kapangolwaning wnkir, Hw. Z. 12, 3, 
mangnlon hnlon tan kapaiq^onan, fr. s.; 
vgl. kiljan en onder astamana. 

gsiruQQQ^, eigenn. v. e. djangkung, T. 
Z. 3, 22 (T. b. Z. 4, 84, kalawata). 

«si'iru^u^, kalèwèran, z, galèwëran. 

9SI v? ^ , klawarklawir, rondslenteren zonder 

eenig werk te doen. 

o v? ^ , plalle witte buikworm, een vinger 

ongeveer lang en erg breed, soort lintworm f, 

z. kulir. 

oruu^, akolawiran (b.: akurawiran), 

R. L. Z. 11, 188; kagëntas ing parapg rè- 

djèng djatanira akolawiran karante! ing: 

parangan, v. Dr o Aa in zee spartelende, Nw.; 

osnsny&karawiran v. op 't slagveld gevallenen, 

Tj. A. a. (ramèning prang kunarpa su- 

sun atumpai^, bahu mai^uwiruwir» 



♦s«> 



287 



«\ 



usus kélawèran, érah mëdal njambu- zijnde doodP» v. visschen, die hun verblijfplaats 



rat, Dw. h. b.Z. IS, bahuné karo sSmpai, 

kaï^ sawënèh ana tatu djadjanipun, 

sawënëh iambui^é bëi^kak, ususé 

niai^uwiruwir, ald. Z. 16); z. awir en 

glawir. 

sanjUTi^, ii|;alawara, nalatig y. iemand, 

die niet op den juisten tijd op reis gaat b. v. 
»0TUU7i\, s., z. onder langgata; tat 

kalèwaraiiy i k a ng a w a k, Sw. ; norana ating- 

gtl rafa tanpa klèwaram (sic), v. d. dood v. 

d. dukuh (!ugbra« Us. bal. 

«oin|^, «waranakft (P; jav.kluwëk, 

pa ng i). 

i8invuoir>9dii|^ , naast èwok^, maar dit 

meer in 't binnenland. 

«rua«|^, dnBon kalawukan, roet ka- 

lagèn en kaputrawangfan genoemd als 

plaatsen, Nw.; z. kuluwut. 

nueoj^ , mèkliwëdaiii slenteren, zoodat 

men te lang onder weg blijft; klèwadUiwëd, 

kkr en daar aan U drentelen, niet door loopende. 
afuutsii|^, kulnwat adoh, Sm. Z. 30, 

I3(dahatiiig asambhawa); tkani kalawa- 

tan, Sum. Z. S8, 2; tan hanomah kawa* 

kslnwotan, Brbm. 50, vgl. kuluwuk. 
ignfLOU^r)^, 8., sAksit kftMwatAraka- 

ti^fkalanlra v. e. zegevierenden vyand, Bh. 57 

(vrije vert. v. 't origin. wjathftmanam 

iwintakam), vgl. onder mrëtyu. 
geiruutn^, z. onder kalawana. 

nanuftJi)^, mèklèwèsaii amah bragé. 
isnfuuwi^ , doodstrijd F, manghidép k&- 
lanafft ▼. e. stervende, Bh. 91, een op handen 

IL 



zien droog worden, T. Z. 5» 54 (masantrang 
te vrije vertaling), aanh. onder diwasa; vgl. 
k&lftwas&na. 

96iruiut>i9Q^, aanh. onder datawja. 

9siiru|0^ , s., 0. (op de eene pi. kwilisa 
door Kern verbeterd), vert. met pftpa roa- 
gë'i^. Bh. 4, vgl. onder mala. 

96r>ru:>uiL09Q^ , 8.y «mrëtju; kaka na- 
thangka liwar tanpaparangwa, kèwalja tA- 
namtami ra^jah tamah labja, kaprèm nda- 
tan taminghal, tan tahn wistyanta maógkin, 
Iwir kinisapwan, dé kalawasanèki, zijn broeder 
verwijtende tegenover den vijand werkeloos te 
zijn, Spt. Z. 5, 85 vgl. k&lawa^a. 

9Siifuu>si|^, z. onder kalijon. 

QSiruOi^ J, Inmakn pinigëlis tëhér ma- 
iq^awangy B. Z. 44, 4 (nuli di bëngangé, 

raris maHtjana wai^, ingraris nora 

■ » 

rèrènan). 

gsiYU^ , R. 25 Z. 8; 24 Z. 16, 1 (bukal; 
mal. en mad. këluwang, lamp. kaluwang, 
jav. ka long, z. ook aanh. onder dit woord; 
sas. klowang, lëlawah), «wadyah (P); 
kadi asn angalnp kalwang, v. die tegen een 
sterkeren strijdt, gevolgd door kadi tja bol 
andungkap &k&fa, Kid. Sund. e. Z. 1,94, 
vgl. aanh. onder kukap; tjëkap, gëgë en 
sëmal; wojakèt kalwang rining pilang, fr. 

• 4 

9Siu^, vermoedelijk een zoogenaamde ka- 
w i-spelling, omdat men vreesde te balineescb 
Ie zijn, zoo men kaluwung spelde; immers 
• lëwih en «lëwës worden in de uitspraak 

i7 



^\ 



288 



^\ 



der balineeien luwih en luwës, als zij ka- 
wi le^n, afgrmtdf, R. 14 Z. 7, 8 (Dglawang 
mai^grijui^; vgl. sund. bij Rigg^ ngalS- 
woi^); lawanpiiDf klëwang:, 21 Z. 4, 2 c. 
(bai^bai^ ring aüngan); klëwani; sëndjang^ 
samnr baifln ttnalantr, Tj. A. b. 6 a. 

« o ^ , ilSlowëiig^» meer of min lui of on- 
willig, tradadi daftDg^ ngëndal v.d. kunde 
V. iemand, die een goed geheugen heeft (nglu- 
wëng karirihané). 

^^\f Bjw., zeker spingelijk insekt met 

lange poolen maar zonder rag. 

n gsi Ou ^ , jav., z. bat. Wdb aanh. onder a b i r 

ntsnci^, z. onder «kalwang. 

gsiruuj^, of naar bal. uilspr. kluüng, 

djëngkuüi^ (ygl. klëwung en sund. kulu- 
wui^, tag. kolowóng); manyang^lawnng v. 
bamboe door den wind (jav. ngluwung), Br. 
Z. 50, K; Wit. 10 a; mayapati amangfap ta- 
tnkika sadëpa angangnyèkl apama gah&ng^n- 
Inhang», Kid. Pam. Z. 3, 52; angalawang^ v. e. 
erf blJ een schudding, Sut. Z. 32, 3 (i^gro- 
wong); angnlawuBg v. bloed uil een wonde» 
Ar. Pr. Z. 16. 5 (vgl. onder kuwung); 
mnüi^awuiig, z. onder runting; pangn- 
lawangakéna rlngr lëboh agang pëndëm 
ahtngana katona ^irahnya, pangiridgakëna 
mahlètning dèffa mangkana patinya v. iemand, 
die bloedschande bedrijft, Wlb. ; pai^awang, 
0., vgl. aanh. onder goroi^gong; aanh. 
onder girifa. 

9Ciruun\, z. onder gagak en manuk. 

9Q ' 



gsiifuru]^ , 6h. Z. 2, 12; Z. 43, 3; Z. 45, 8. 

^ruru)]^ (?), angililangèkapattaka, R. 22 
Z. 4, 19 (mandèwèk ika kasakilan, ma- 
ninggar ndèwèk k., verkeerd door p&taka); 
angililan v. e. pahoman, Sum. Z. 1, 10; 
Sm. Z. 1, 19, 21 (nëgëh), Ar. Z. 3, 5; B. 
Z. 86, 11 (kèsisan); Hw. Z. 2, 13; alleen 

overblijven, R. 22 Z. 4, 1. 
gsiruru^, s., z. onder ari^ 

QSunjjYU^, R. 23 Z. 20, 11; 23 Z. 4, 38 
(k a fi 1 a ; tag. k a 1 o 1 a, vasal, v. e. slaaf afstam- 
mende); kalula*, 14 Z. 3, 13 (kaüla itikan, 
kaüla kamulan); mangalalangalala, 25 Z. 
12, 17 (nuün pada njèwakajang, suka 
ma^awaka); z. alulP 

9Siinru^ , ogèlëla, steeds uilhuisig; z. gaQ- 

djah. 

QQivuruD^, makilala, 0. II. 5 a, VIII 6 b 

(vgl. jav. milala?); aqgllala, amalaku Kr.; 

sa(ng)mangllala drèwja hadji, 0. k. V. b. (0. 

XXI 3 a., sang maminta d. L), Wlb. 

17; aanh. onder sumur, Dp. 38 (ontnemen); 

maiigllala, aftroggelen, Adip. 1 1 4 (passim), iets 

verlangen te hebben als offerande, Tjt 86 ; hana 

wwang angaUhakën saiada, sakalwiranya, tan 

padjaraiiftwarali ing sang masaAda, hilang 

pirak saiig pradana; n&han hètunirèki rakwa 

kllalan kang dèning oghftmarang, 6h. Z. 2, 

12; sanda wénaiig saéda wënaag kilalanya 

dé sang masanda, pan^avigraha, nga» Wtb., 

aanh. onder djiwadAna, daftdan, samur 

en upanidbi. 

gsururu^, s., ijèh. 



«^ 



259 



^\ 



r o 



963 



^^Mvu^ h, mang^iila, aanhoudend F shan, 

R. 22 Z. 4, 12 (b.: mangimuln). 

•II., asuini maivké, Sin. Z. 1, vgl. ulan II. 
«rutu^, s., «angdyuD. 

nruvu^ , z. alila. 

'^«ifUfU^, bantèng, Nw. 

9aru9S)]\, verzot op dezeofgeiie.vgl. onder 

I i I i D, 

^^^ f ^i^' «kalilip; klilikan, een 
kleme puisi op de oogleden hebiwn, een schijt op 
U oog hebben, waartegen m i tj a g u n d i 1 ; vgl. 
simsimën. 

fU9a|^y Bjw. (mad.), de bladen v. d. 
bujuk, reeds voor cigarelles dienende; soerab. 

lolëqf 

naofu»]^, sas.y sipab (smbw. id.^jav. 

kèlèk, lag. kili^ alf. kachelech). 

mtMiu»)^ , knmnlilik hiarnya, Kam. 

21 b. 

»njiiv)itsii|^, gai^t mamaiyi (b.: kapi- 

r<i^aii|; rii^) gamelan, di ban^ingah kuma- 
uut (b.: ii^ariharih), snling rébad lawan 
égong gambang, trawangsah (sic, b.: tra- 
wai^é) gomnriih, kakèloran géndlng lawang, 
Igallkallk, gambahé sampan ka(b.: di) djaba, 
Bl 164, vgl. onder lilil en B. U. 557. 

iQirufuw:)^, haijjan mwang haljangan 
sake tinoÊg alasnya mmaraaah amèt kala- 
laU, Sam. Z. 1, 20. 

anjifu^^ , kampah sntra knlalata, Mal. 
293 b.; kinlaintèng mAa tatnr, 124 b.; adas- 
tar sntra Ud|o kinnlalatèiig mas adi, R. L. 
Z. 10, 21 (mapapatran olih mas lëwih); 



askar knlalata, 308 o. (bis.); hana kalala- 
tardjd|a sinampangakën, kk. Z. 26, 6. 

9Siruru«ji|^, Jav., benaming v. e. soort 
vaartuig (vgl. ngadj., en mal., z. brieven over 
't Lamp. bl. 22). 

gsiruru^9Q|^, kalllasanan, gespleten eelt 
hebben aan de teenen zooals tengevolge v. 't 
loopen op steenen, onderscheiden v. b ë I a h a n ; 
z. rantjag en kalidjadjwan en vgl. onder 
tipgkih. 

«loruDru^, 8., z. rjjak. 

9^ ru ru u| ^ , jav., kaliliping mnsnh datëng, 
L. Z. 15, 2 (ngèwëhin); angalülp v. brëbuk, 
Sam. Z. 124, 4; sang kaliliping ripn, «s. 
kasusuking musuh; anlsikanèng kalilip, 
T. Z. 5, 34 (ngalih limpit), vgl. klilik; 
kalilipën, R. 23 Z. 13, 3 (sëpënën, 
sipënën; vgl. onder sëpai^); tamb&nanta 
tëmën tikin lani matanya kalilipëni maskn 
tan lipnr, B. Z. 314 (kasëpënin olib i 
dèwa, sipënën ban i. d.). 

ngsiru'E^^, klèlam*, «amajamajA: nglè- 
lam, « d u m i 1 a h , glans afgeven als glas in de 
zon b. V., van een gedjërukte kris, als een 
spiegel; maklèlam, «aki lat; raëklèlaman; 
pakalèlam v. lanzen en geweren, B. U. 87, 75 
(vgl. jav. tanilèran en kumlèran), vgl. 
klem. 



o c> 



^ru^, z. onder pukok. 



o o> 



oruru\, Suni. Z. 1, 17; knmnlflingif z. 
onder drija; angalillngi, W. Z. 15, 7 (ma- 
ngidërin), R. 1 Z. 1, 32 (vgl. mal. en jav. 
kulingling, snnd. ku ril ing), kinnlilingan, 



^\ 



$60 



m\ 



Br. Z. 40 (p i n a r w r ë t a) ; akalilingan, 
Z. 31, 11 (mailëhan); midèr akaliling^aiiy 
Br.Z. 47, 1 (maidëban inaputëran, mai- 
lëhan bunlër), Z. 46. 13 (maüjëiigan b.). 

^nu|\, sas., mlingëb; ook langkèb; 

im;kalëp ng^iduk grading twan. 

9Siu|^,klap*, mangdapdap, Lamb. Z. 

51, 7; «njamut^ «aoghulap^; anflriii tarik 
mansampèhaiig^ „kélap* toiur marasa idap, 
zegt een zwerveling v. zicb zelf, Pdj.; paka- 
laplap V. iets, dat in eens voor 't gezicht ver- 
schijnt, «makatap^; katon pakalaplap en 
kagèt pakalaplap, Us. Bal.; maklap v. e. 
tëngkalung, verschijneuy vluchten^ B. U. 21, 

voor de oogen zweven (?). 

nosiu]^ (vgl. kdèp en kalëplèp), «kilat, 

maklèp*» «anghulap^ kumlab (vgl. mal. 
«këlip); klèp*an, de zweem v. iets, v. e. ge- 
dicht b. v. dat niet alles breed uitzet; aklèpan 
aslyaban ; ngflèpln, met de oogen een wenk geven 
(vgl. batav. këdip); ngflèpang^, mededeelen dat 

iets gestolen zich ergens bevindt. 

Q^ruu]^, donderslag, «gëlap; apang^ ti- 

tyadg kada g^adug^, sandèr kilap tanpafldjan, 

eene zelfvervloeking om geloofd te worden, 

Tjrk.; ooni; kilap, des nachts lichtende soort; 

vgl. onder kilat; apang^ itjon? sandër kilap; 

z. kilat. 

9siruu|^, tan kilip, z. aanh. onder stbft- 

wara; sarwwa kunilip, al de levende schefh 

selen, Hadji D. 5 b., aanh. onder lalu (vgl. 

jav. kumëlip), vgl. kumitip. 

nosioruuj^, nënffkèlèp, sas., makëbër; 

takèlèpan siq, «kadërësan dèning (angin); 



takèlèp, kakëbërang (vgl. këtjur); moto 
kèlèp, z. onder tapui^an. 

Q^ruu^ , jav., njah, Us., «nyA, (vgl. nijur 
en k ara pa); in eigenamen tubuh; b. v. 
djyèsta kalapa, wajaban tubuh (vgl. klapo 
dyana); kady&natah kalapa dèwyanamè'kl 
tèudas, Sum. Z. 149, 22; wwahèntf kalap&- 
wilis, R. L. Z. 1, 107 (ald. 108 dawëgan); 
danjah kalapané, «kararas tiris; fola 
kalapa, z. onder g u I a ; kabon klapa, z. onder 
abjan tubuh, z. onder katilambung. 

asiiruDu^, s., z. onder mrak. 

gsiivuu^. mada kalopa, Us. x., K2. 

Q^runu^ , sas., tëmbujukan (mak. ka- 
lépé, bug. balépé, alf. kaleket, Smbw. 
napé). 

*ki|u^, bëngkël, napgka (vgl. waj. Ah- 

jasa, 63), z. a r dj u n a en vgl. k 1 ë p u h en 

klëpon. 

oost nu ^ , sas., b. v. tau. 

oruj)^ , L. Z. 37, 1; t&moU ^ambana 
kama mur^tjhakalpa, R. 11 Z. 1,20; kalpa- 
drama, s., in den hemel v. Wis nu, zijnde 
de vruchten voor de zielen der dapperen, Hw., 
Z. 6, 6; wwautën ndyana nandanopawana 
ring: r&nija ndatanpopama, sakwèhning: ka- 
sama sagandha tawahany&ng^djrah sëdèng: 
komala, mwaiig: kalpadrama luui4an& pioa* 
tijèng: ratn& lumëng bh&swara, kéndit nopara 
lèn kalnng kag^arilap sa^^rt sékamy&mrA, 
Rm. Z. 1, 6; is hieruit de voorstelling v. kas- 
tuban ontstaan?; «p&ridj&ta; Sum. Z. 164, 
4: kalpatara, hariftiwidruma, W. Z. 34, 7 



961^ 



261 



961^ 



(képél, paridjata), Brhm. 70; praètakalpa, 
ItkasowarAa, rathawésl slnapnting: hlranya; 

réifsaludpa, sakirënnra» ratha na^a kinantfa. 
■an, Tjt 3S; kalpa^&stra, z. onder kilpa, 
T. e. werk^ waaraan iemand geneesmiddelen 
tegen paardekwalen ontleent, Wir. 4 (z. onder 
ring ring); kalpawrékèa (vgl. Miquel III 47), 
bij groote blydachap, R. K Z. 7, 19 (paridjata); 
kalpap&dapa, R. 90 Z. 11. 10. 

S*, z. onder lëmbana en manwantara. 

IL, rëapatify Kid. Wariga. 

i^vjn, gowoknlng^ Uépah, v. d. plaats 
waar de verdwaalde Raden Galuh anngelrof- 
len werd^ Mal. bis., z. klépu. 

i^nuoisu^, jay.y zeker gebak, witte ballen 
T. d. grootte ongeveer v. e. duivenei, ook soms 
uit meel v. gadui^ met këtan vermengd, 
Uépon boiigkani: = pi. v. bidara en boerlend 
= tli (vgl. laklak grëmong) of djimbrës; 
i klépon fadnni:, z. onder gadung; nglë- 
pon V. groffe letters. 

i; nm. v. e. kleinere nai^ ka-soort mei 
grootere pitten, dan die v. d. nangka tim- 
bul, terwijl de schil glad is, vgl. kiëpu. 

ieiru:)U9Q^, s., z. onder (ikhaAdani. 

Kiu«]^ , klèpèk* V. e. gescheurde djun; 

■aklépèk v. e. valschen r i ng g i t (mad. ng I ë- 

pék, doffe toon); z. ëmbët en kiësëg of klë- 

sog en bëi^këk. 

»ui»!|^, Uèpikan bUa, soort mondlrom- 

pel V. d. jonge plosor gemaakt, waarmede 

<le kinderen spelen; 't geluid is pik^; Bjw. 

ook bëdilan. 



^ u «Q ^ , téka klëpak mati, tëka klépak 
glèm; pakalëpak, «makakërëpëk, B. Z. 9, 
i; tra karwan klapakana v. e. duister verhaal 
waar hel op slaat is niet duidelijk; klépak en klë- 
pnf , een sterke uitdrukking met een ontkenning, 
om aan te duiden niets hoegenaamd er van ge- 
hoord; tra kadëngéb klépuf ué, niets hoegenaamd 
is er van uitgelekt of vernomen, vgl. onder 
oka ta n. 

9st n LO 9si| ^ , klëpok*, v. groote eu kleine 
letters, doordat de pen slecht was, als vlakken 
zich voordoende; klépakklëpok, v. dik vocht 
ergens in vallen met een meer of min dof ge- 
luid ; makaiëpok, «kumëpok; makalépok 
makarémpjang, «pok rëgghong en pakpok 
ghrang; klëpokan,^/ spattend geluid v. visschen 
die naar iets boven 't water happen; aklépo- 
kan pragat, een klap met de vlakke hand, en U 
is klaar (atakëpan) b. v, v. H drukken v. 
e. vel (ook adakëpan). 

2^ benam. v. e. s a m p é a n-speelkaart ; 
Bjw., buiak. 

9siu99i]^, nglapakin, open pellen een pit 
of zaadje, vgl. kuplak eu klopèk: kas^r 
pring gading klapakln, p. g. van zijn 6e- 
kleedsel ontdaan, legt bet er in blankheid bij 
af, vgl. aanh. onder amput (vgl. onder klo- 
pèk; tag. talopak, en tabowak, mal. 
këlopak, men. kalubaq, jav. klokopen 
klèkèp); klapakan, schil v. d. bamboe, de 
kinderen maken er wajang-poppen van voor 
speelgoed, «sindjang v. d. bast v. d. jonge 
gëdëbong (z. kupas); maklnpakan, afschil- 



961^ 



262 



9SI^ 



feren v. d. huid, de bast v. e. boom TvgL jav, 
klèkap en klèkèp en z. onder klumpas). 

TST^^^ , V. d. borsten, lèpèk. 

09snnu9Sii|^ , klopèkan, de bast v. d. 
gédëbong wel eens om er een spat draad 
van te maken, de omkleeding y. d. pusuh 
V. d. pisang; H bekleedsel om de buk u's 
van de bamboe; v. e. zilveren of gouden 
kandSlan; pamnluné kadi tiing: gradingf 
klopèkin, fr. (vgi. onder klupak en 't mal. 
onder gading). 

^ «sjp *^ u:) gsi!| ^ L, Mngw., kopok. 

II., sas., rammelen v. e. tèngkih, ei, 
pangi enz. 

gsiruji9si^ I., een putj uk-bloem met blad, 
boven aan de ooren ter weerszijde gesloken 
door die pas met toja tirta zijn besprenkeld; 
an^lpika, hulde bewijzen^ W. Ast. 34 (bis.); 
nyan sasanan sang: wika, ng^a, dalawang 
atampong: (sic.) sig^i, rwa rasanja kaug ing:a- 
rëp, dalawang: (sic.) atampung: sig^, da, ng^a, 
aja, }Ui ng9L.j angla, wang^, n^,, djadma, a., 
sasgr adigara, tèp, ng^., makarënan, pang:, 
iig;a«, matma smara, si, sipat hala, ng^a., g^i, 
iig;a., grila tjmèr, Jèka patita olaka, nfa., 
tan wnang: pinahaja, soring: pantën „Jan 
Ja doèa saking: sabda, kataraga, nga., soring: 
patita olaka, nga., wnang; praja^tjita „Jan 
Ja dosa saking: tnkar, salwiriiig tnkar, Jan 
tan Ja saking: karohnnan, patita ragra, nj^a., 
wnanf anadah pnya^tjita ringr sang: adig^nrn, 

ang:ilang:akna g^ila, ting^kaliing: apraj&^tjita, 
nmahas awanawaM atirthagamana ring: wa- 



n&dri ng:alpika rl hjang: fiw&ditya, apra* 
Jafitjita ping:, 3» rinS K^ salèk» rini: 
wana salèk, ring: tiraUng: samndra salèk» 
mang:kan& kraman sang: wikn ai|g:ilang[aiig: 
tjmëring: rag:a, Jan tan saniang:kan& lëtah 
ikang: rag:a, tkèng: bwana afong: kasanipan 
lëtuh „Jan karnhnnan sira tnkar, maiës ta 
sira, tan dosa sira, apan atmaralisa maka- 
douya, mwali sasanauing: dalnwang: atémpong: 
sig:i, kang: finawé ajn?, sinang:fak dèning: 
loka, Iwimya, da, dang^* „In, ng:a., aogrln 
„(wang ontbreekt) a, ng:a., adigrnm „tëp, 
ng:a., maknrènan, pnug:, ^^^ matmn smaa 
„si, ng:a., sida rahi^a „g:l, ng:a., finawé aJn, 
tan ana tjalanya, aJn Jan niang:kana, sada 
darmma, ng:a. „mwah Jan sakadi ling:ing: 
adji, kading:arëp ng:anièt wong anwani,Jèka 
patita olaka, ng:a., wkasan Jan Ja manak wiku 
ika, olilié anjolonf wong: anwam, pantën 
dadyanya, apan sakèng: kamadosa, ng:aranya 
„dadi djadma saking: mowa, mana, matsarjja, 
loba, matang:nja sang: wikn hitrëtan (?) in; 
Indrija, uni* saktèng: istri, hajwa sang: wiko 
maprawrëti mang:kau&, fr. bpl.; • paqpdpika, 
Br. Z. 22, 7 (panamaskara); Z. 25, 7; 
teeken van aanbidding aan een meerdere; • bewijs 
vnn afhankelijkheid v. e. onderworpen land, 
Kid. Sund. Z. 2, 16; mas pang:a1plka, aanh. 
onder pamuspa. 

«II., bungkung, naast simsim, R. m. 

oqu^cil^, z. onder klëpèd. 

onu&cw^, mëklëpèd, knallen v. geweer* 
schoten , v. e. p ë tj u t (vgl. k 1 ë p è g eo 



»\ 



263 



«^ 



tjémpèd); ook mëklëpéd; klëpèdina ban 

tabft ▼. e. rivier-visch b. y., vgl. niëtjétèg 

of mëtjëtag en mëtjëtug. 

^^uoe^i»^, z. onder klapa en abjan 

tubuh. 

n TU u tsij ^ , in den boom opgehangen slaak 

(f), die» door den wind bewogen, de laluktak 

doet klinken. Mal. 306. 

arjitnl^, klëpët* door een aardbeving; 

klèpétan (J), H ongeluk hMen zich zelf ie ver- 

wondm; z. sëpëtan. 

a ui tsij ^ , 't geluid v. 't dood wrijven v. 

tuma's enz.; z. pisah. 

a IJ tsiH ^ , mëUëpiit, een poepend geluid 

maken, ook v. e. scbeet; vgl. kaiëpus en 

képrat. 

anu^^, geluid v. katjai^, die gebra- 
den wordt; mëklëpèt v. katjang mënjahnjah 
?. e. kèp; ng^lépètaniCf een sweep doen klap- 
pen: kiUépètaDy een lange klapzweep (Bjw. 
sëséblakan of pëtjut gëdé); Uèpèt*an, 
kinderspeeltuig beslaande uit een gespleten bam- 
boe, die door 't lostrekken v. e. touwtje eet^ 

knappend geluid geeft 

n a u ^ ^ , maklèpataOi v. d. armen zich 

bewegen b. v. onder 't dansen, nggièbag, 

TgL aanb. onder gërèpg; nglèpatangT Kmané, 

pitnuié pakolèpat, vgl. krèpat, këpat^ en 

oglëmbat. 

<^ 
saru^tsi^^, «sarwwa fwèta. 

S«, nm. V. e. paman^ku, die geheel in 't 

wil gekleed was, lis. Bah, ook kulpii^é en 

kalcwéta. 

isiruutn^, aanb. onder sinagiba. 



fl^uAjj^, UépasUépIs v. 't schuinoi v. 
iets, dat kookt, v. geld, dat telkens van eige- 
naar verandert. 

auAjj^ L, klaropwak. 

II., maUëpoSy suizen v. e. veest op sokken; 
vgl. klëput. 

in., sas., klès (vgl. këprus); z. omaq. 

IV., kampnlié tèlés kalëpns, Inh midjll 
adres tan pantèn, Sin. b. b. b. (vgl. këpus). 

9SIU ^^ , akalipasani aanb. onder gom bol. 

auAju^y te Sbr., tëmnjukan, soort v. 
waterkakkerlalc, snnd. peudeundenjan, jav. 
bibis, volgens Soer. Handbl. 1882, N^ 232, 
twee soorten, de kleinere gyrinus natator 
en de grootere byorophilus spinipennes 
(z. kapopoi^an, kubai^^ en bëdjabël); 
zich in de s a w a h ophoadende en wordt 
genuttigd (mak. kalipasiq, mal. lipas, 
bat. ipos, lag. ipas en ipis, bis. ipüs, 
iioc. tpwes, alf. iwas, vgl. onder apnh, 
kakkerlak, z. tam b ra 3*, ba tang t; onder 
kokak en vgL klikis en z. sumaiy); 
mëtnndun klipës v. d. tatangga naar 't 
midden boog oploopeo als de rng v. e. klipës 
of schildpad, aan weerszijde afloopende en zoo 
V. 't glas V. e. brandglas (vgl. mal. dada 
tuma); bnka tnndnn klipës v. e. goed aitge- 
voerde pënubung ('t jav. y. Bjw. zegt in 
dezen zin pggigir sapi, maar minder juist» 
daar de glooiing niet zoo abrupt is; vgl. onder 
pënju en tuma). 

2«, nm. V. e. dj a r a k-soort. 

avuvuuj^, z. onder pisëb. 



96l\ 



264 



\ 



. 9Qifuu^u|^ , z. onder këlap. 
9anfunLx^\> pakalèplèp ampèhimg: a- 
ng^iiy z. onder komala en vgl. klep. 

«unj^ I., een onbestemd geluid als v. e. 

waterval en dat voor een prawèsa geldt, 
• këtug, «pater (vgl. këplug en z onder 
klep uk); maklèpuir, «kumë tug; agé'iv 
IkMg kalépuir, «ghorflkëtug; klépagklë- 
pai^ V. geweerschoten (vgl. tjëpagtjëpug); 
klëpui^ kadja klod, «ktugnikang lor 
kidul; g:IadQ|r tangr klépngrf • g u n t u r ktug. 
II., op eens, plotseling; maklëpair tëka; 
aklëpag^y lang wegblijvenf 

«ouni|^, sandër klëpëf v. e. boom (vgl. 

kiëpèd eu H jav. biëdèg). 

jqu^, sas., lutjut; bëlus. 

oiQOu^, V. kopii^f, de bloemschede y. A. 
palmen (spatba botanice), niet v. d. djaka, 
afb. Rnmph. I pi. rechts, waar zich de bang- 
sah uit de kloping zet en bungsiTs draagt, 
Bjw., krutjuk (batav. id. en këlomping, 
jav. en sund., hier ook sintung, mafltjung; 
lamp. lupii^, bekleedsel v. d, jonge bamboe 
of rolling; vgl. «kuiping); djukangr Uoping:, 
speelgoed v. kinderen uit den naam genoeg te 
kennen; dak kloping, benaming v. e. pisang- 
soort; nf loping v. d. kleur v. zekere vogels 
b. V.; z. paftngan. 

isiTUJi^, Anj. Z. 10, 2 (klopiog); vgl. 
onder kulputih. 

9qr)^, sëkën, (mëgarapan); npdadja- 



niets ontziende; masih kaladjanang^ i^aènan;: 

papiadjakan sla&ng. 

QSirun^of kaladja (bunut kaladja zou 

volgens Catalogus v. d. levende en gedroogde 
planten enz.. Leiden, Brill, 1883, hl. 36, uros- 
tigma religiosum Gasp. zijn en eetbare 
vruchten hebben; z. mal. Wdb. onder bunut, 
denkelijk een kawi-woord (volgens Miquel, 
skr. pippala, de hoddhi der Buddhisten). 

«iruin^, z. aanh. onder ingin; anAtakën 
é 
kakoladjan, B. Z. 81, 42 (manindibang 

kalëwihan wai^^andanèné). 

9qn^^, klëdjahklèdjahi opwippen v. d. 

penis; nglèdjoh v. e. stijve paardelul (vgl. 

nglèbag); pèklidjah v. wormen, palingen 

enz.; alididané lt|Q pakalédjak v. e. verrot 

been, Bgd. 

Q^n^^, nplidjah v. e. kësumbjan in '1 

water in wiegelende beweging zijn, sparlelen; 

géèng bidjal pakalldjaki Rw., vgl. këlëdjuh 

en onder gulidjah. 

g^ fun UI ^ (t), patëma ring» kaja ahèn;, 

mandiranyaiq^ëmpajak, këpah rangda rins 

karoja mam^o, krèsèk ambiila(qg) kalidjaha, 

babi (ëS babif) kaja paüh nanské, Sdm. 

9SI niQK , klèdjén V. iemand, die ei^ moei 

drukken bij den afgang; vgl. pëdjën en sëdën. 
9Sirun«\, khala en dj., Sut Z. 151, 5 

(raksasa). 

sqn'DA, pëklèdjëm, v. pas nitgebotte 

planten kommerlijk, mager. 

1^^^\» maklèdjat, sparlelm als een 

gevangen visch; nglèdlat, uit zwakte, door ge- 

nanf, iets door zeilen, zich er geheel aangeven, brek aan opium (vgl. batav. mëngklodjotang); 



N 



265 



> 



flVidHIftt, #akidat; katëpak ko i katani, 
di kawahé malmpas, mangrnlèdjat kédjatkë- 
^at, DriD. 39, vgl. ngarèdjat en këdjul; 
ifalè^ataiiir mai^dé djanirël» «paogdjii^- 
djing adjangël. 

n TU n r|96W ^ ^ kalid|ftd|wanan, zekere kwaal 

aan den tmvel hebben^ Us. x. 18 m.; z. kali- 
lasan. 

«nnj^ , nglndjug: y.[A. buik, z. ludjug. 

niutAi^ of alaja?« ai^aja v. d. wlas- 

asih. B. Z. 15, 6 (ndjudjuh); djai«|[:ftinrik 

aapüiya rfiq; andal, Mal. 39; anj[^laja tan- 

sèagr madhja v. handen, Z. 3, 120 (pati gu- 

rapé tan mari di bailtjangé); hastanl- 

rAqfal^lftmrih Inkaraning tapih v. d. handen 

V. e. bruidegom, die de bruid wil bekennen. 

Ar. Pr. Z. 20, KI ; ai^alajan (?) v. 1 u ng- 

laogan (sinwam), B. Z. 60, 3 (manglalèpé) 

V. luiif[luiig, W. Z. 35, 15 (angajub, nggu- 

rapé), V. e. lotus, Sm. Z. 2, 1 (mangambang). 
afuow^, zeker wapen?, R. 7 Z. 14, 5, 

9 (laoggala, latih dus kalft ja?); man^a- 

Iftja, 7 Z. 14, 9 (raanglanggala, manglatib), 

roakalakalft, 0. 

isnnjw^, R, 11 Z. 6,2 (bëndé), z. 

kala lU. 

asirutAj^ , jav. (z. klaju en onder kla- 

jan); erioglossum edule BI. (jav. ook ka lila ju, 
vgl. mal.), onder de vruchten, waaraan de apeni 
zich vergasten, R. 15 Z. 6, 5 (san dat, sa- 
maga), aanh. onder dus en kala ka; kilaja 
onder de bloemen, Krsu. Z. 10, 16 (jav. ki- 
laju nèdëng, nm. v. e.versm. v.- 22 lettergr., 
zoodat W. Z. 32 er in gedicht schijnt te zijn. 



zijnde de nm. ontleend aan str. 3b« alwaar 

angrës tapaki tali'nta dèni pangufitjal- 

nya kalaju manëdëng; ook jav. astako- 

swala, z. de jav. bds v. 't Br. Z. 1 en Z. 44). 

iQorutAj^, 8., z. onder karkkoiaka en 

mudgala. 

9^tü^, z. onder kilajan. 

«ilAJ^, z. ouder «kuluju. 

QSii ru tAJ ^ , z. onder kalaju. 

«irutoi^, akilaja, flauw staan v. d. oogen 
v. iemand, die teleurgesteld is, Sum. Z. 71, 
2; maUlaJa, B. Z. 4, 9 (nagih nutug, vgl. 
jav.), Z. 29, 2, 102 m.?; Mis. Gag. 4 m.; U- 
nilajon, z. aanh. onder girisa. 

ovutAJj^y jav. (onder de groote visschen; 

Adji S. 18), zekere verslindende zeevisch, aanh. 

onder lodan, H. Z. 16, 5, Wt. 6. b., sarapën 

ing: kulajo, bal eedf. (sas., ambon. en mal. 

V. Palemb. këluju haai, te Ampënan hoort 

men ook 't aan 't bug. ontleende mai^i- 

wang); jav., z. Tijdschr. Batav. Gen. XX 224, 

waar die visch een vorst over zee brengt, 

Crawfurd, Üiss. 51, haai; vgl. «mundung en 

• hju. 

<^9ennruu]i^, pakolèja, verlegen wat te 

moeten doen?, aanh. onder gumëgët. 

9sivun, walao; kalya, «walai^ krik, 

Anj. Z. 10, 6; Lamb. Z. 15, 3; djangkrik 

balang^ kalja of kaljan ('t geen te Smbr. alleen 

in gebruik is), een groote soort, die kinderen 

aan 't vechten brengen onder weddingschappen, 

en niet met gras gekitleld, maar met een kippe- 

veér ge-ëntit^; gebraden genuttigd; grooter 



«\ 



266 



«^ 



dan die op de sawah's gevonden worden 
en in 't gevecht gebracht; z. kënjitnjit. 

II., ad|i kaljapnrftna, Swrg. 36. 

isiruu (?), lawan panipiljaiii (h.: pangu- 
Ijati) siriniik&iv angrin, B. Z. 27, 9 (Iwir 
ginugah olih kësëh, maèlogan tinëm- 
puh; vgl. jav. nlèt en kolèl), aauh. onder 
tëkëh en rajap. 

II., s., sadjëng, tawau djarahan wastra 
kulja (P), ratna artha wwang akatah, 
Tjt. 80. 

96i|tü9^, geschüler v. edelgesteente b. v., 
glans V. e. gezonde of kleur, die op iets ligt; 
pëlang^ méklijah barak v. e. edelgesteente met 
rooden gloed. 

otugQ]^, z. kilajan. 

9Si|tü3Q|^, z. onder klih. 

96i0tAO9Q|^, jav. (kliwon, dit ook te 
Sbr., #kliwwan), nm. v. e. dag v. d. vijf- 
daagsche week; ng^Iyon, iederen kliwon, 
ieder kliwon pudja't de padanda; 
• ang^nllhakëna pëkén kaliwwan, 0.; kadjèng^ 
klijon, z. onder kadjëng. 

9Siru]9si|^ I,y verschillend^ allerlei f van alle 
soorten f (vgl. mal. sak al ij an), maar 't zou 
ook wel mijnwerker kunnen bet. (wat zegt de 
Bombay uitgave?); jan wakir himaw&n, rik- 
sasa prabala ngk&na, Japwan ing^ hèmaküta, 
Jaksa prasiddb&kwèh irikft, kanang: ridg 
ntsadha, mftnnsa kaljan ngfkftna, rlqg^ ma- 
h&mèra, waték sidhftrsi tamolah n([;k&na, Bh. 
9 (vert. V. raksftngsi wai hèmawati, hè- 
maküté tu guhjab&h, sarwé narftf tja 



odrutAJigQi 



nisaddhé, mèrau tjaiwa tapodhaD&h;| 
vgl. 't origin., Galcutta uitg.^ 246). 

n., V. kali (sund., tag. en men. ss mal. 
gali; dus waarmt gegraven of kan gegraven 
worden), mijn ; kaljan m&s maAlk sarwa mnlja, 
aanh. onder tasak (vert. v. ratnanidhi); 
tut. KO (vgl. këkalèn); kaljan manik v. d. 
zee (z. ratnangkara) R. IK Z. 1, 13 (ka- 
banan sosotjan). 

III., tain kalJaUy alles, wat aan sand, steentjes 
of aarde door de gaQ, tam bah enz. wordt 
opgeworpen tegenov. tain bakalan; ook la- 
wa^ z. onder kalja. 

^\ of klajan, zekere vrucht als 
de boni, maar een weinig grooter, smaakt 
ongeveer als de djuwët; komt veel in Djmbr. 
voor; de boom heeft harige bladeren; deze zijn 
samentrekkend en worden als thee of koffi lot 
jplapah jèh angët gebezigd; ook besproeit 
men schavingen, tengevolge v. H zadel bij 
paarden, met 't kauwsel er van (Bjw. klaju); 
kalajaa, «katilaju en «kludan (f). 

^^)^\' J^^* (kilèn), kakiljan, W. Z. 
24, 4 (né si kaüh, anèng pagtjima, da- 
Qhnja), z. kulwan. 

0511 run-^^, s., kaljftnamitra, Wir. 10 ('t 
origin. pürasakha); tar hènën^ Ikanip mi- 
tra kalj&na, Jan tona Ikang^ mitra maman;- 
g^ih lara, Ud. 48; kalj&nadharmma, z. onder 

pahdita. 

o • 

95iivu|gQ^, z. onder kadjanti. 

gsurutAJitsi^, kali en untu, eigenn. v. e. 
rijstveldstreek in 't W., waarvan de aüngan 



^> 



267 



«\ 



zeer breed is; boka aflngan kalijnntn v. e. 
groote hoer of hare cunnus (te KI. buka aü- 
i^an gonaksaDé). 

nfuuji^, R. 24 Z. 6, 5 (kalaju), pimr- 
gir*tkaii|: hS»A pakapasan pakalaJaraD apan- 
ta, tanparoD, Sm. Z. 16 4, 4 (de kid. z. onder 
bajad; z. Filet onder kalajar, zoodat wal 
ooder bajad staat denkelijk onjuist is). 

^iQn^rüitAJi96i\. 8. (kaulèjaka), asu, 

katjala 

jq (Ajifioj^ , makltjadan, zich rekken v. vaak 

or V. iemand, die nog pas opgestaan Is; mam^ltjad. 

• manguljat, aanh. tubid, z. onder kijud. 
nrutAJ2ci9Q^ , kumran, dodotira satra 

kalayodanta, Ww. b. Z. 1, 105. 

19 ru tAifioaj^y zeker langwerpig gebak, wron- 

gelachtig er uitziende (ongeveer een vinger lang 

en 3 pate), bestaande uil deeg en bruine suiker 

in olie gebakken (Bjw. id.). 

'^«oun^^ , z. aanb. onder lëbung. 

36iru|Tsii|^ , z. onder kulja 

sciruj^^, ^ala pftngnya tolja Ja ma- 

BguIJat aqglilir, R. 7 Z. 5, 3 (malah tjarang- 

nya masawangja mauglijudja bangun, 

m. sakanya Iwir ja mangguljap ika b.), 

aanh. onder sinagiha. 

a UI Ajj ^ , maklijés, v. e. scheet op sokken 

(vgl. onder talös); Uijasklgës, zeer doen v. 

d. buik ZDoals bij kolijk, de pijn zich telkens 

verplaatsende. 

"jjaotAD^^, mëklèjos, zich van iels af- 
maken V. e. afspraak b. v, 



o 



^\ 



lanjtuiM^ \, z. onder këkëlik. 



99VUtAJiMa|^ , «kalihasëm (R. IK Z.6, 
5), de vrachten zwart en eenigzins zuur (vgl. 
onder asem); verh. v. 't Batav. Gen. VIII, bl. 
503, klèsèm naast gowok, eugenia clas. XII, 
icosandria (vgl. jav. W. 12 b.), sund. kupak, 
batav. gohok, oost-jav. en sund. go wok, 
jambosa cauli flora, z. ald. ; Bjw. dompjong; 
panungsuug guju (deze verklaring toe te 
schrijven aan èsëm of 't jav. mèsëm; vgl. 
kaliguju); in de blabad (vgl. onder ka- 
pa ndung) slaat H op ngadèsëmin; nasak 
kalijasëm, zeer donker rood als de kalijasëm 
vrucht in volle rijpheid b. v. v. d. huid als 
zij gewond is, tengevolge b. v. v. e. schop; 
vgl. onder këtjing. 

2«?, aanh. ouder umbèh. 

3«. eigenn. v. e. pi., waar (]iwa als mpu 
Pal jat resideerde, Tl. 20, vgl. onder kalèsëm. 

9Qnru tAJiutS)^ , eigenn., bhoma mwaqg ra- 
ta kaqg^a kftlajawawang(nang)harahara tëka 
ring kadèwatan, Hw. Z. 2, S ; kang^a bhrasta 
sarftdjya kftlajawana ksftna géseqg innp^a 
dènira (door K r ë d A a) , 7 , verbrand door 
Mutjukuüda's oogen, W. Z. 23,1, «jawa- 
nèndra (jav. kalajowana, dat ook Krws. 
voorkomt, z. aanh. onder mrëtjukunda). 



o 



QOirutAiru^^ , «wangkawa, «kuwung*, 
kleurweer schijn v. edelgesteenten (vgl. alija- 
lah, janglalah); z. klijah. 

2«, en tontongalah, sas., janglalah; z. 
wrëp. 

9QirutAiu^^, K. A., kalak; volgens som- 
migen ook apuh. 



^\ 



268 



9SII^ 



O 



'^oonruMu^^ , z. kuwalajftpida. 
QQinjoiAno'Eo^ , z. kajombo. 

9S«ruiA)ini^ , nm. v. e. smerig roode groole 
sprinkhaan (k é s u n a-soort f) ; z. këtëpug. 

2«, zekere boom, waarvan de basl uit Java 
wordt aangebracht en dient om draad meé 
rood te verven, lichter van kleur dan de të- 
ngëh; wëdihan kaljftg^a, tegenov. w. pilih 
magëng, 0. I; z. ambaj^ 

9gi|niJ^ V. Ijab?, larap, Djaj. 1 a., «ma- 
iVèlJabi rit, R. 23 Z. 8, It (ngëbëkin 

djagaté). 

9saujini|^of kulajab; iig;ëlajab, zich wrin- 
gen f, V. pijn woelen ais een koortsige; njpala- 
Jab V. e. zieke stenen, aanh. onder bëkung; 
mèklajaban, v. e. ondeugenden jongen in zijn 

wijze van spreken; vgl. niëplisahan en njang. 
gq tAJi o| ^ , akitjaban, op U eerste gezicht 

gelijk bet goud b. v., lamlnm maknlijab, 
makalfjab katon. 

gsatAJinï|^, klljabklijëb, v. e. gelaatskleur 
nu eens frisch dan wéér dof, van een belrokken 
lucht, zoodat men niet weet of 't zal regenen 
of niet; mëklijëb v. d. hitte als de lucht tevens 
bewolkt is ; Iaii|[^té mëkiyëb (vgl. s i t ë b en 
tijëb); mëklijëb f aiëmé, bij geen zonneschijn; 
aklijëban, v. geur gedurende een kleine poos 
geroken worden. 

«irutAJir5|^ , z. klajab. 

9satAJi^ I., z. onder klih. 

«II., z. klèjang; bata klijan;, eigenn. v. 
e. meer binnen gelegene plaats op Lombok, 
vermeld in de Babat Sakra. 



o ^ 

o ux \ , klfjan; klgënjF, rondwandelen; kli- 

jën^*, rondslenteren (vgl. nglajëng onder g lin- 
de ng?); mëklgënjp, zich afwenden, uit onwil 
weggaan, zonder p a m i t te zeggen ; nKltJëng^, op 
zijne voetstappen terugkeeren; (auglijëng datan 
kalëmu V. e. hond, die 't kind zoekt, dat 
hij gezoogd heeft, Anb. hds. 135 a); akli- 
jëngan, een kleine poos 

^tNJj^ , z. onder sambièh. 

ogqu^^of klijang, sas., sikëp, de brui- 
ne witkoppige soort (ogadj. kaliangan, vlieger, 
vgl. men. illang^ v. &lang, kiekendief); dénéq 
laki tandangna maraq kalijan;, üt. D., Z. 6, 3. 

OïqoiAO^ , sas., nj ij u of tëtémpëh, z. 

tjëmpèrf 

oru uji ^ , makëbor maknlajanfan ; masafit 

na sada bidjal, titiran dakëh alatl, djawat 
satëg^ëhnja pong^kod, da maiig:itaiijp babak 
bëlar, dyastn labnh man^alajang^, da imbih 
masa baang patjang^ bakat, Lr. (vgl.jav. klè- 
jang of klijang en ngléjang, sund. kolè- 
jang, op den grond liggende droge bladeren, 
ngolèjang). 

^rvp^ ' Uan^aklin^i, heen en weer loepen 

uit verlegenheid. 

BSjorgp'^^ , zekere heester; vruchten als 

de djuwët zuurachtig. 

9q rn 9qÏ| ^ , ngliif^ak, wandelen, rondloopen 

als kinderen op straal; mëklin^akan, më- 

glindëngan; pëklintfak, vgl. muliütjak. 

7S?'jS?^'^^ , mëklèütfokan v. water 
in een glas, olie (batav. mëngklëntjokan); 
m^lènt|ok| schitteren v. iets dat geschud wordt; 



t6k\ 



26d 



«\ 



^pdèn^ok en pakalèntjok, * g a m i w a Dg, 
• lomimbak; molah nglèBtJok, «kampita 
kutjak; klèiitiakli1ènt|ok, vgl. blèjakblèjok 
or brèjakbrèjok. 

i^ryp&^^, mèkliutlëdan, v. iemand die 
zich nu eens hier dan daar rept, zooals bij 
'l zoeken; Uint|adUinQëdaD|^ v. iemand, 
die vermeden wordl of wel mei praatjes afge- 
scheept wordt; z. klijaugklijëng. 

9sirr>^, z. onder kaléwih. 

«inortp^, inakalêntJèn;,*gumëntjyoug. 

n nrvp^ * nasèm ng^lèfitjnqg ook v. e. zuur 
gezicht (vgl. onder sëniul); z. klètjung, 
klofltjing 2«. 

o«nrYpv *® vruchten v. d. katjëmtjCm 
(Bjw. id.); nrlon^lni aanh. onder laün; z. 
kedongdong en vgl. o. klèfitjung. 

%% Djmbr., masëm. 

3^ eigenn. v. e. desa in H Bil. 

najrvp^ , jav. (klafitjëug), aanh. onder 
samèni; kolan^ënip patlh, Us. 1B1> 163. 
)9rr)\, maklanlinin, maklènjègan. 

iqm^, manlsé bas mrl^illir, vgl. një- 
njér en njëlab 

arr>«]^ , pèkliii|ak, wriemelen v. wor- 
men in den buik, v. wormen in de aarde, v. 
e. drom menschen op een afstand ; mëkliidakan 
T. vele lieden; vgl. krënjak. 

arr)2i^|\ , mëkléii|édan, los slaan v. d. 

tanden, ogah. 

^ r^ 'St\ \ mëkléujét tékèu, op iets komen 
in de gedachten, b. v. v. iemand, die een af- 



beelding ziet en eerst naderhand op H voorge- 
stelde voorwerp komt; vgl. njët. 

osinonj^ , als de tèrong, maar zuurder 
en puntiger of klanjwaganf; niëklai||wafan, 

zich ongepast gedragen. 

«inon, sas, bëdasa (vgl. jav. klafi- 

djër; vgl. aanm. onder suugga. 

o ^v. 

^no^ , z. onder njëlih. 

7^37^^' mrl^ndjèr, keen en wéér gaan: 
ilëh* qglèndjèrin, om iemand komen v. wien 
men houdt; z. lèfidjèr (Bjw. nglèfidjèri). 

)Givuno7i\, perz. kalindiari, z. onder 

tjurattjarit. 

ojenono'Dgsïj^, z. loüdjok. 

9^vumtAi\, z. onder kalantaka. 

ngsiorio^, kamatèndjèinp v. jonge luizen, 
ook v. meisjes, biu njaflp bok. 

^m^^, mëklinjaman, mëtjiplakan 
zonder te kauwen; klli||amaiiga v. d. klësih 

de mieren; z. «kiqam. 

^r^o]^ , qgUiiJëm, ngëdösëm; kllDjam- 

kllnjém, këdèsamkëdèsëm. 

QSi rrD rii| ^ , mëklanjigan, raar, ongewoon v. 

iemands wijze v. handelen (z. sangsih); 

blkasè mëklanjigan. 

^nmorii|^ , klënjafklénjog v. modder 

waarin men half vast zit. 

o 9q n no nj ^ , mèklèDjigaii, gickelend spre- 
ken, al lachende kletsen tegenov. abën of 
nëpdëp, V. e. vrouw met een man lo flirt f 

^rYD\ , aklénjéotaii, aklijëpgan (ook 
akëiiëngau), in zeer korlen lijd v. groot 
worden. 



^^ 



270 



9^\ 



^^\ I., klëb, «karëm, «kasilëm, 
«kumë'm. Bh. 80 (vert. v. nimagna); pa- 
iig;èlëm, een ring in er pot met wijwater 
op H witte kleed over een lijk^ dat op 't punt 
staat, verbrand te worden, gespreid, uitgestort; 
de ring die op 't kleed blijft liggen, * is voor 
den besproeidenden priester; viscbjes en gar- 

naaltjes in geslagen goud in 't meer of in zee 
door den vorst geworpen, bij zijn bezoek ter 
vereering v. d. dèwa Paugulu op volle maan 
in ka pat (de laatste maand); ook die v. B ra- 
ta n bieden zulke offeranden aan de goden in 
't Bratan-meer op rëdité manis ukir, 
blijven er dan 3 dagen, vgl. aanh. onder pa- 
madpa; panfflèm v. e. ster. War. 83 en 84; 
Jadyapin sant^^aji kta ngwang^ ri hananin; 
paraloka mwan; phalaning^ ^abhftfnbhakar- 
mma tath&pin manpkana, aijjakéna djuura 

m 

fk^ng a^abhakarmma Mvg sang^bjang^ ftg^ma, 
singt^ahana ikang^ karmma sènahntakén SAng 
pandlta Injokapwa rakwa sang^ pandita, adwa 
sanj^hjang: ftgama, ri hananin; swarg^gana- 
raka, tanpaphala ikaiig cnbhft^abhakannma, 
tan hanfttah kotjiwaning mnitiiha warah sang 
pandita, saminggahanang a^abhaprawrétti 
ling sanghjang ftgama apagöh pwa sanghjang 
ftgama, uljata paphalanlng {abhftcnbliakar- 
nunai ndfth hilang tang nisti kftwfts kakë- 
lëmanya ring uir^ja, tut. 16 (vert.v. sandig- 
dbé pi paraloké, ty&djyam èw&fubbami 
budhaih jadi nftsti tatah hingsy&t, 
asti tjèt n&sti ko batah). 

II., «kamölëm, in de duisternis (vgl. sas. 



këlëm, pëtëug, mal. këlam, bat. bolom); 
pëtëng knmëlëm, (b.: kumëlën), Sm. Z. 

36, 2 (mandëdët). 

osaaj^ , zoom (mal. en Bjw. id., jav. klin); 
maklim, gezoomd; ngëlim, zoomen. 

"^oq^l^ I., tar aklèm, R. 20 Z. 19, 10. 

II., tjnk^nknya klem kënjar v. e. garu- 
da, Lb. Z. IB; maklèm, schuieren; p^iklèmlèm 
(vgl. klèlam). 

soin-EJI^ , z. «kulëm. 

onoj^, W Z. 13,9, Z. 20,4 (wëngi;Tjl. 
27 kilëm; mad. kelë'm); sakniém, W. Z. 
31, 3 (apëtëng), B. Z. 11, 6, sawëgung; 
kniëm nsën, B. Z. 4, IB (pëtëng tampëkan, 
katëkan wëngi) en 25 (sampun latri, 
glis pëtëng), Z. 72, 12 (gëbug di pë- 
tëngi);makolëm, vrn. = nginëp (kèlëm ing 
dalu, daarop droomde Smng; vgl. sund. en 
Catal.311); akniöman, «anginëp, Anj. Z. 21, 1 ; 
pakniëman, vrn. = padunungan of pang i- 
nëpan), *B. Z. 4, 15 (gënah mainëpan), 
Ar. Z. 55, 4; kakoléman, aanh. onder tmu; 
z. usën. 

*|9enn'E)i|^I. ben. v. e. soort schild; dadap 
kolëm, R. sas., aanh. onder djënggi en galang- 
g u ng ; tamjang kolëm, B. U. 75, 81 (sas. gedicht 
heeft, als variant v. pëdang kalèwaii|[ lan 
mamas, bëdil kolëm lan kaléwaug). 

II., z. onder kulëm. 

osjrua^, zekere rivier visch, R. 24 Z. 36 
(i. njaljam), Mis. Gag. 15, War. B. Z. 6, 16 
(paku udang); ook kaluma als in 't jav. 
(z. laluma), pakis kolnma, z. onder njaljan; 



^\ 



271 



«\ 



Us. 184; kalOBia tjuiduk» «suhaii bras; 
$f9n 9aag prabha kadi baïidjaran sarii tan 
sah iBfaras dènlng^ kambantTf ikftnt^ wwanip 
uiggaiiliif buroiiy sanf prabha aiig:i:aiiiiig: 
gMMWMgf mang^kana tingkahlng^ rata krétta, 
tta hasa i^oqg aofrosak baron, tan kana 
karon angroaak i^onongr, awaké paribadi ai:a- 
wé halm afawé hi^a, saklng^ awaké tan wnaqg 
san; prabha afawé halanlng bala, prasasat 
ifnl marab Ing djagat tan sipl panasé 
uinisèi^, jan kang bala agawé hala ni 
sang prabhai prasasat kalama angènjat ba- 
■Ja, tu orang matl tan amanggih mréta 
(eeo gedeelte biervan schijnt een navolging te 
zijn V. 't geen v. d. leeuw en het bosch ge- 
zegd wordt in de aanh. onder tor), Wtb. 

isi€j9^9 klémah*, v. schuim op den mond, 
•makaput, vg). klumuh. 



»aQ^, maklnmah v. d. lippen doorspog, 
•makaput, vgl. klëmuh. 

»njin€09s!|^enkalamnn,z. onder lamun. 

»og^^, klimon*, «mungur^; makll- 
BonaBi «tel it (mdergcheidem v. e. groote me- 
nigte; maklinianan, «molah; ilang kakali- 
■onang ▼. schaduw, «alilang malimuan. 

isiruagt^, zou een soort v. amplus of 
a m p a 8 zijn, maar is bij de meesten onbekend, 
vgL kalimanduK 

nruCigitsH^ , sas. (perz.-mal. ^Ij^iI!), 
blikken doos voor schrijfbehoeften. 

ismjagvu]^ , zou een deurpost-dikke 
bloedzuiger-soort zijn en zelden te zien, een 



(vgl. ngadj. halam ifidjauf), 't zelfde als 
kalimandu? 

QSinj'^'EO*!»:)^ , z. kalimoto. 

gsivu'E^lijQQil^, zou een soort v. patjët zijn, 
maar volgens anderen is het K. A. (mak. ka- 
limataq, bug. kalimatS» bat. limatok en 
lématëk, lamp. lamatok en malatëk, 
ngadj. halumansèk, katingan. hamatëk, 
iloc. alimatëk, tag. limatik, bis. limatok, 
alf. lamatik, mlg. dimati, mangg. man- 
tok, lintab); «patjëh (patjëtf), margané 
tlstis kallmantöké bilang dangka tnr bllg 
tistlsan damah margané (ma)likak* (likak- 
likuk) misané sada njaOh i tandjang barak 
mangadoh glgihèn (ma)nagih tnlang, Tb., 

aanh. onder «balé. 

9^vu<E^^ , huidvltesf, kawaranftn dèning 

kalawar wndak Iwat* v. d. cunnus, tut. BS 
b. vgl. klumad. 

Qsnn-oo^, s. (vgl. ftmra), z. onder poh 

suugsang; nitya pwa j&mnkti wwahnlkang 

kUftmrawrèksa, ja ta matangnyan nityajo- 

wana, Bh. 11 (*t orig. kftlftmrarasapitfts 

té nityam sangsthitajauwanfth). 

gq^EASoil^ (vgl. këmik), méklémikan, aven- 

Ijes de lippen fretuégfefi, nauwelijks geluid geven; 
stqg mëklémikan dlngèka. 

osi'^exoaj^ , klénièk*, als zeep tusschende 

handen gewreven, v. iets kleins in een groot 

gat. 

gsivunooooon^ (jav. kèmlükS); zekere 

boom (emblica officinalis) met hard hout, en 

vrucht V. d. gedaante, maar ronder, dan die 



gpookdier, dat buffels, paarden enz. zou opeten Iv. d. tjërmèn; wrangzuur (sas. lëméké en 



«> 



tn 



^\ 



lëmaka; z. inalaka IL), «karkolaka; 
ook ka ma la ka (afb. in Rumpb. Aucturium 

pi. L). 

gsiru'E^yi^, sas. (mal., .iCiJi', perz. ^f^liCJJ), 

bug. galangkariy mak. kalangkari. 

gsn'EJi'EJiKy panés nglèmkèm, drukkend heel 

bij betrokken lucht, vgl. bafth. 

gsiCJieii]^ , de slijm v. vissclien als de bë- 

djulit (vgl. sund. kulumur, kumur en 
kulumud; z. lamad en klèmèd); kla- 
madan, *l vlies in de jonge bamboe, v. e. ei, 
de salak-vrucht, aan de pitten v. d. nangka, 
onder de schil v. d. pisang, slechts bij som* 
mige soorten» zooals debiju dak késoh^ 
eetbaar, in pi. v. sii zelden (jav. klamadan? 
z. Wdb. onder nglamud, lamp. lëmut); z. 
klabaran en kabang. 

«iSeiil^ , m^limid, sleeds mokken, ook v. 
aanhoudenden regen; ook ngalimid en ngu- 
lamid (vgl. ngutimil), B. U. 326; manji 

nfflimld» Dd. 14. 

ngonoei^l^, njplèmad v. e. te lange vers* 

afdeeling; praboté gèdé ng^alèmad (b.: p. g. 
malèmprah), verbloemd v. d. penis. Pan 

Br. 118. 

o gsi o a &o| \ , mèklèmèdan v. dikke olie ; 
klèmèdan, U slijm v. d. darmen, ook v. d. 
vezeiachlige of draderige binnenhuid v. d. dak 

kösoh; vgl. bléd en lèmèd. 

9a<EJi^\ 1., nj^limat, zich tegen iemand 

keeren, tegen iemand, die te hulp snelt (kli- 
mata iadaba v. d. bëdjagal, die den man, 
die baar, om hulp schreeuwende, helpen gaai, 
aanvalt en verslindt) ; v. e. slang iemands voel, 



omdat hij op haar trapt; m^limatanirf voi 
iemand iets nemen v. iemand, die er vla 
bij zit. 

II., sas., een bizondere soort roeiriem aan i 
uileinden slechts plat (mal. këlibat); Jan 
mirah dadi pasib kapawanan tityanjf mai 
dadi djokanff, nglimat madajmiiry salaka si 
Iwané gusti, madb makaronan, djèlé niëla 
mati Idop, jan i dèwa tityaqgi mandadi si 
rah wèngi(wangi), apangtltyang dadi bawal 

Djanglak njanggél tèkèo i rato, fr. 

«saruocootsn^, z. lëmoto, groente b< 

staande ten minste uit drie groenten, als I 

V. paspasan, kèlor en tabja-bladen (BJm 

djangan pupuwan); ook kalimonto. 
gsinja^^^, kalimatoiatan v. d. oogei 

U nabij zijnde niet, maar wel 't afgelegen 

ziende, gebezigd in toorn b. v. tot iemand, di 

iets moet vinden, maar 't niet ziet; z. onde 

spbuta en vgl. onder pitjëk. 
«jowj^ , Bjw., lutjut? 

9Sivu'&i^^, jav. (klimis, sas. lëh); ma 

sigftkalimis adjèmbol v. e. stier, die ve 

wordt, T. b. Z. 2, 26; dadanya rata kalimi 

V. e. vetten vogel, ald. 68 (njlëp?), v. c 

vetten tuma, Z. 4, 47; Hadji D. 29; (artri 

pétak aknliniis Iwlr linisab, Dpt. Z. 3, 39. 
QSt nn u \ , s., z. p a Q tj a k a 1 m ft & a ei 

kalmftdapada. 

gonn'EOM&ci^ en klimosadi, z, ondei 

k a tj a p i. 

9SI ruo t^ u £0 \ , 8., eigenn., Adip. 77 ; Uit 

94; z. mitrasaha, a^maka, soda et 

s o d ft s a. 



^\ 



i'^S 






)^tJiJ\, nj^/^cAtitir kleiner dan de glëb8g> 

» d o r Q ng ; ambnl kalampa (sas. redactie 

gili), V. d. drek v. e. reus, Tjp. Z. 1, 36, vgl. 

onder lumpang. 

«funaub^, z. laropor. 

i^Exji^ • nglimpri, Bjw., nglindëng 

,vgl. jav,). 

^ eü Ji tsiij ^, Bjw., plirynium Hoatte anam Vr. 

w|fUoaj^«i|^ , jav. (klampok)f, asum- 

panir knlampok (ander hds. k a 1 a ra p o k) 

tangi sadilum, Mal. 314; vgl. kalampwak. 
3e:iru£i^9Sii|^ (vgl. jav.), angalumpak v. 

luwak, B. Z. 30, 24, (agnuk'an), aanh. 

onder kunang. 

stsi'^ruooj^zo]^ , nif^lènipod, nggalèbag; 

prabotè gédé ii|:alènipad (om H rijm f), Pan. Br. 

in^ji^stU^ Sbr. këlêpi, bij honden en 
varkens aanwezige zwarte luizen (in de bal. 
woordenlijst bij Rafll. verklaard door ^/\ 
sund. peuti); Bjw., limpit (vgl. tampjas, 
kêtëkul en tegu II). 

f, nro. V. e. vrij hooge boom met zuure 

roode eivormige vrucbtjes. 
9aaji ^^ , z. onder uku^ 

majiAJil^, mékliunpas, afschil f eren v. d. 

verbrande huid (vgl. mal. kupas en këlupas, 

niad. korpas; z. roaklupakan en mëglu- 

buran); nglmnpasiny van iets aftrekken de 

schil v. e. vrucht, bast v. e. boom. 

nnjaji^Ajil^ , loïi^ipikam^ rwi kalampës i 

pafèr ika warnna tanab kinikir, Sum. Z. 
144, 6 (kid., Z. 3, K3, I. rwi kularopis 
Iwir sangganing pagër). 



UWf-BAin 



WMaSMMll Mli n. 



gsiaj|9s!i|^, ben. v. e. groene djambü<> 
soort (jambosa alba, z. Rumph. I. 128); 
z. kulampok. 

2% kalëpus. 

ssi^Jl ^ , z. klamjung. 

o)s^oaJn^, klompjongan, Bjw., klèn- 

trèngan, Or. 

9Siin'E^3^ I., makaiëmpani: v. e. long (vgl. 

k ë 1 ë ni p ë ng) ; pakaiëmpaiig abandangan, 
• akupik asahuran. 

IL, pa rat. 

9Si|<EJij) ^ , mëklëmpëqg, geluid geven als een 

holle bamboe, waarop met de vlakke hand ge- 
slagen wordt, vgl. kalëmping, klëbët, këlong. 
QSi'EJiJ) ^ , klëmpingan, een blaasje v. glas 

met klepperend geluid, als men er op blaast; 

voor 4 bal. duiten verkocht; z. ëmpik^an, 

këmplingan (batav. waar ook plingplong). 

^^H\» P^^9 ^' spelers bij 't trëwijan, 

zoo veel namentlijk als in één bord de dobbel- 

steenen werpen; z. pi ring. 

gsan<E^ji^ , z. onder këmplèng. 

gsaaji^, nglimpëqg, v. iemand die iets 
tracht te vinden; mëklimpëngan ngalih nlt 
nanyan tra katëpnk; Uimpaqgklinipén;, nu 

hier dan daar kijken of loepen om iets te vin- 
den; vgl. glimpëpg. 

9Siruoj)^, kerfhlokf of lumpang?, O.; 

linandëèakën ing kolompang v. d. hals y. e. 

hoen, 0.; saoghjang knlampang, amolahalah 

iking stma sasak kalmnpangy ald. 
9QinjiatAi\, z. onder kalimajah. 

fisiruatAJi^^ , Sbr. kalimaja, glimworm 

19 



^ 



274 



061^ 



(batav. kalimaja en kalimaiq'a, mal. kS- 
l&maqar, men. kalimair, bat. haramaèr 
en sarumaër; mal. der Moluk. kalamojang, 
soort lange oorworm); z. «kelëna en andam^ 
QQijOM, vader v.d. klèwaran; ook klam- 

pjung (vgl. gëdambjung); ki djapatuwan 
linpnyaris, mriki dnmon lakn slmpang, rin^ 
kidul pnrin i bapa, lawang^é marëp ntara, 
koriné maupatjira, nkirané abra murnb, 
apntjak ratna bang nètra „balé tijang^ sanga 
adi, balé padma singarata, pang^anp ;èné 
sarwa mirah, lalaflr samiré rakta, mèruné 
sarwa abang^, ki ;ag:ak taras tfèng^êng: man- 
dula, abra sinang^ Iwih sawaraa „ki dj. t. 
ang^raris, katjnndak prënah i bapa, iki atma 
paran rëké ramodjo; tanpararapan, saQré 
ki dj. t., tityan; okan bapa tuQ sampan ba- 
pa katandrohan, ramané samaür aris» ambat 
naman bapa ika, Jan sira(tjai) tatas wra- 
ha(n), tnü sira(tjai) anak inpwang;, ki dj. t. 
ang^utjapy inggih tityang; ng^irin; g:aru, nam- 
bat naman bapa ika „ang^karë wldjilin; g^ni 
ika tafi naman bapa, ramané raris ndjaré, 
tofi tjai anak bapa, i mèmé raris ng;andika, 
tuil tJai anak ibn, dini ké tjai mag:nah k. 
dj. t linjpiyaris, tityang (n)dawëg:ang mamin- 
dah, tityang djaga malih simpang, malih 
simpang kaler, mamarëk dané i pkak, rama- 
né aton angntjap, snkan bapané asnnn, atëgën 



ki g. t. manjnmbali, ënah odjog ring ntara 

(ring utara pangadjogé), tan kotJapana(j a), 

Inmampah, sarawnlié irika, ki g. t. andala 
tjëngëng gawok mangënotang (ngatonang) 

„lalèjan lawangé sami, balèné sami snwarna, 
k. dj. t. lingnyalon nnnas bëli umand)inga, 
katjnnduk dané i pkak atma paran tjai(i k i) 
rawnh, tëka ngodjog (rum odjog) mai tka 
(tanpararapan)^ „k. dj. t. lingnyarls, ti- 
tyang sampan pntnn pëkak sampan tan 
wrnh né ring tityang, i pkak raris ngandika, 
ambat(ké) naman(iDg) pkak, Jèn (si)tjai ta 
tas wrnh, tnfl tjai pntnn pëkak (suka p. 
ngaku putu), k. dj. t. lingnyaris, inggih 
(tabé) tityang mangiringang, (ng a t u r a ng) 
a(u)ngkara widjiling gangga (m ë t w i ug 
ganggané) ika tnü naman pkak, i pkak 

raris sabdané, tntl naman pkak ika, tnü 
tjai paton pkak „i dadong samaür aris, 
tjai lintang katand(wë)rnlian, pntnn dadong 
tatnwijan, dini ké tjai magnah, snmaflr 
k. dj. t, tityang pamit mangkin dnmnn, 
tityang pdëk ring i klab ( k o m p j a ng ) 
„i pkak snmaür aris, pkak ëné mapisuka 
dwang (rong) tëgën mrëta rëké, i dadong 
raris ngandika, ëné dadong misnliajang (ma- 
misuka) dwang (rong) tgën ring (kapin) 
asnün, k. dj. t. mannnas „kalih tityang nnnas 
pamit, kapnrini knmpi simpang, ënah (ëné) 



bapa wèh mrëta mémé snka tkèn tjai atëgën wètan odjog këma (pang o dj o ga), tan tjari 



asnfln ika, k. dj. t. nabda alon, inggili tityang 
mangiringang, tonnli(h) raris anjëmbah, ti- 
tyang wantah nëda gnm, kalili bjang tityangé 
nnnas tnr(kalih) tityang nnnas (ma)pamit, 



tana ring awan, rawnh sampnn irika ki g. 
t. (gawok) (an)dala, (bëngong gawok 
mangalonang) „wèsmané Iwik ing snwarna 
„k. dj, t. mangraris, ka^ondnk i knmpi ika, 



^\ 



278 






1 kmnpt rarls odjaré, atma p. mal tka, k. 

dj. t. angotlapy tityanj^ boja atma rawnh, 

titjaqgr kampi* 4iatya „kampiné samafir aris, 
ambat Baman kumpi ika. Jan ^ai tatas 

wraba, taa kumpln kampi ika, vgl. andere 
hds., dal andere woorden bezigt, dènin; tatas 
kawëraban, k. dj. t. snmaOr, iog^gih tityan; 
manrirüq^aag „man^ara widjiling^ Mgln, tafl 
Dtman kampi Ika, kampiné samaflr alon, 
toa nama(n) kampi ika, nèh djanl kampi 
misaka, tig^ng; tfpèn mréta ika, k. dj. t. 
mananas „tityang dawé; nanas pamit, tityang; 
simpaag rin; i klab, kanëfpira kamba (P) 
réko, énab djalan apang mlab, ringpatjima 
djro niog klab, mapamit raris lamaka, sam- 
pan rawah ring pa^jima „k. g. t ningalin, 
bnrong gawok mangénotang, sami kaning 
éndih katon, sami galang Iwih sawarna, k. 
dj. t. angntfnp, nsrada bii bngong dita, nanas 
sarèng kabaiitiingah „i Idab ké^nndnk mang- 
kin, i klab alon ngaudika, atma parau mal 
tka, ramodjog tanpararapan, k. dj. t. anga- 
^ap, tityang boja atma rawah, tityang wan- 
tak marèk 1 klab „i klab samaOr aris, ambat 
laman kélab ika, jao sira tatas wraha, tafl 
^ai klab ika, k. dj. t. angatjap, tityang né 
■angkin aoafi nambat mangkin naman klab 
„tabé tityang né né mangkin, nambat naman 
klab ika, tatasra satwi (?) sabda, ika réké 
laman klab, i klab raris ngandika, tuD na- 
man klab ika, ika wérah tjainé kalintang 
nklab misoka ring Qai mrëta ptang tgën 

ika, k. dj. t. atoré, tityang dawëg twah ma- 
nanas, sapaitfan i klab, kalih tityang pamit J 



dnman, mamédëk i bnjat Ika „më^Jalan ^at 

apaqg bQik, parin i bnjat ring madya, saibé 

mangkin maqiambah, tan ^aritana ring awan, 
rawah sampan ring madya, k. g. t. andnla, 

bngong gaSk mangantënang „k. g. t. ling- 
nyaris, gawok bëli mangëtonang, sansan 
lëwih sami katon, wèsmané Iwih wo (to?) 
pèlag, sami pada sawarna, galang sinanig 
abra marab, k. 4J« ^ angn^ap „nanas sa- 
rëng maüdjing bli tntat sira g. t, i bajat 
ka^andnk rëké, raris widjiling waQana, 
atma paran mai tëka, k. dj. t. samaür, 
tityang wantah boja atma „tityaiq; bnjat* 
djati, i bajat raris ngandika, ambat naman 
bnjnt réké, jan sira tatas nninga, tnO tjai 
bajat ika, k. dj. t. amatar, tityang né mang- 
kin ngiringang „tabé tityang né né mangkin, 

nambat naman bnjnt ika, ikara widjiling 
sitya (?), ika naman bnjat ika, bajaté raris 

ngandika, tnQ tjai tatas wrah, né djani 
bnjat misaka, 5 tgën mrëta iki, k. dj. t 
anjëmbab, tityang dawëg mangkin aaoas, 
paitjan bnjnt pnnika, tityang né mangkin 
mamindah, parëk ring i tjanggah domao, 
ëoah djalan apang mlah „kalih sarëng saha 
pamit, lamaka tan warnèng awan, ngamnng* 
gahang pamarginé, sampan rawnhnya irika» 
ri parin dané i ^anggah, i ^anggah ogan- 
dika alas, atma paran mai tka, k. dj. t 
lingnyaris, tityang boja madan atma, tityaqg 
taD tjanggah*, i tJanggah raris ngandika, 
ambat naman ^anggah, jan t|ai tatas ing 
wrah, taa ^ai tjanggah* „inggih tityang ngi* 
ring mangkin, naman ^anggah ika, angkarg 



^\ 



276 



^^ 



midjilln; tèdja, ika naman tjangri^ah Ika, i'mas. manik ns^ëlaliaiijp, mèrané malwih^an, 



^aagri^ah raris ng^ndika, sadja naman t|an?- 

gtük ikn, tnfi ^ai t|.* „t|« niisuka ring t|ai, mrëta 

inëm tgen ika, tity ang; dawë; wautah mana- 

nas, sapaitjané i t|., i dj. t. ang^ntjap, kalih 

tltyan; pamit dnman, mdëk i klampjung; 

panika „ënali ëné anibah tjai, di dnüran 

malih nndag:, pnrin i kl. pnnika, k. dj. t. 

anjumbah, kalih lan i g. t, sanii sinarën; 

Inmaku, tan tfarita anèng: awau rawuh 5,irika 

né mangkin, rnmodjog; tanpaw(ng)aksania, i 

kl. katjQudak rëké, atma paran niai tka, k. 

dj. t. ang^ntjap, tityanjc boja atma rawaii, 

djadnia djati wantah tityang: „tityang; klam- 

pjanj^* iki, i kl. raris ng^andika, ambat uaman 

klampjnng^ ika, Jan sira tatas wrnha(n)tnfi 

klaropjnnj^* ika, k. dj. t. umatnr, ins^g^ih ti- 
tyan; mang^iriiigfang: „ambat naman klam- 

pjnn; mangkin, tabé tityanj^ mang^aturang^, 
anj^kara wëtwiiig; bajnné, ika n. kl. ika, i kl. 
raris ng^andika, tnfl n. kl. ikn, né djani kl. 
niisnka ,, mrëta 7 ts:ën iki, k. dj. t. anjnm- 
bah, tityangf dawëjp maug:kin nnnas, sapaitjan 
kl. ika, k. dj. t. anjambah, tityang^ paniit 
maiig^kin kl., mdëk i krëpëk pnnika „ëuah 
ëné ambah tjai, di datiran bin aflndap, 
pnrin i krëpëk panika, k. dj. t. anjnmbah, 
sarëng^ ki gr. t., pamarg^iné sada asrn, pnrau 
i kr. kadang;kap „bngronj^ g^aok aning^alin, 
sami gralang tor sawaroa, lalèjané sami g^dah, 
koriné maQpatjira, sasotfané nawaratna, abra 
sinangr ëndih mnrnb, nataré madjlidjih mi- 
rah „vèsmané pnput Ing lëwih, tanana 
malih inn^ap, padmasaua nawaratna, pad- 



paniskarané mas ninrnb, salia sasotfa na- 
waratna, k. dj. t. lingrnyarls, nnnas ké bli 
ké mantnkan mdëk i kr. panika, tntat sira 
g:. t., katjundnk i kr. panika, (onleesbaar) 
atma paran iki rawnh, k. dj. t. anjnmbah 
„tityang; boJa atma mrlki, tityan; krëpëk^ 
ikja, i kr. raris ng^audika, ambat naman kr. 
ikja. Jan sira tatas awrnha, tnfl kr. ing^snu, 
k. dj. t. anjambah „tabé tiryang: nambat 
mang:kin, wongkara wtn ring: wijat, ika na- 
man kr. rëké, i kr. raris ng;andika, tuQ ikn 
naman kr., kr. snka mrëta ikn, alang^it 
tëkèn atanah „k. g:. t. ng^abakti, tityanjf 
dawëgr wantah niauunas, paitjan kr. punika, 
i kr. raris n^andika, apa g^awèn t|ai tka, 

Djp. Z. 8. 

«suruionaojy zeer klein zwarl. vinnig sle- 

kcnd insekl (kruipt gaarne in kleine galen, 

zooalsin sleuteigaicn?); jav. kamilëlëp?; kala- 

mëugradan of kaniënjadan (mal. ^^U ^^ J^^, 

vgl. kamënjad). 

Qsnruano^, mwan; kalamëSdJa fnnda 

karawit rikangr rwi lëmahën, B. Z. 40, 5 
(inwah i bwangit sarëng ring gonda 
niadëkët sarëug ring akah djarudju, 
smalih kala gangsa gmuroh i rik u Dg 
dwaning puliug, miwah salala mageil- 
djah nggulajah alép ana ring daur di 

lëmahé). 

gsi ru 'EJi ^ , 8. (con vulvulus repens) , k a ng- 

kung; z. onder wi^ikha. 

gsii ru a ^ , jav., «diwangsn (?), alug (I. 

kurug?), «wisAi (?), kambala (f), onder 



^\ 



277 



> 



de iosignia v. e. heilige, aanb. onder m&r* 
kahilèja^ v. 't buis, dat Ardjuna in slaat 
stelde door de lucht te vliegen, W. Z. 12, 9 
en 14 (kawatja; vgl. onder kantjuga); in 
sebruik klambi en kulanibi, naast badju; 
i kalambi bési| ben. v. e. hond met zwarte en 
wille haren, is pëngaruh; * san; makalainbi 
kadji, O., vgl. ikaiig akurug, v. d. ambte- 
naar, die den vloek uitspreekt (vgl. ald. sang 
mawadjn hadji; vgl. onder samëgët); 
koraalambl v. renden half volwassen; korte 
wieken, bij vogels kuniapaët. 
fei9£j«w\, z. onder baülu. 

Jsitnaoau^, mal. en jav. (i)erz. CSajSS), 
aanh. onder samèni en djëbad, Adig. 42 
in.: ahnrap* kalèmbak. Mal. 75. 

?S7 E^ «1 »| ^ , onder 1 i m b u k geplaatst wc* 
eens Jen afgeleiden vorm. 

ï^ruatsTJ^, t|am1éng:ët kadi kalambët, 

fr. S. 

"^ 7i;ry um\\, baklombas naast base ug- 

kara. 

;i=3a\, soort v. padi-v/tirtc/er, als de ba- 
lang sangit, maar korter stinkende?, met 
dwars liggende roode en geele st reepen op den 
rug* leeft vooral v. dj a r a k-bladen ; ook kara- 
bings (Bjw. en sund. lëmbing, jav. lëmbing 
ni a s , goudkever) ; v. d. kambing^ wordt 

L'ezej^d, dat 't bij 't paren zeer lang vast zit. 
K» L'^, klémbonpin z. onder këmbung. 

^ 'D^, sas., bërguq, ook v. 'l lijk eener 

é 4 

<lr»ode vrouw; maklomboiijp, zkh U hoofd om- 
iluieten (vgl. mal. këlubung en sëlubung). 



"IKja^.klèmban^anifjèhiSbr.^anjudaogj. 

^n^^ (?), dyah sang^ Iwlr léqlënginr 
pasir san; atédnh lah angëiëmêng 1 landëping^ 
mata. Sul. Z. 85, 5. 

9^nnï|^, nglëfin, de hanen (at 't gevecht 
aanvuren door de pikang's te wrijven (lamp. 
këlok, ngëlok en ngangkëlëg, balav. kë- 
lëkiu en këlëdin; vgl. olès); «angëléji^, 
lot den strijd aanvureti. Was. Z. 2, 23; kadi 
kinëlëf (R. k.: gin il ut, b.: winëlat) ma- 
nahé» v. weder tol den strijd aangevuurden, 
R. m., Z. 25, 13; kart waStJi g^alak ba&n 
kakëiëgan, v. e. jongeling, die nog niet bij de 
meisjes durft, Dj. Pr. 2 b.; kiuëiëgan, B. Z. 
76, 7 (babunta, kaklëgin, kaklëgan); 
R. 21 Z. 5, 1 (fata kaklëgin), R. L. Z. 
7, 120 (giniras); ng^ëlëgans;, këlëgang^ een 
kris ombuigen (z. lëg); lèn taiq^ fnrapida 
maiigasap lëngëu kadi hajani waha ta kinê- 
légan, Sul. Z. 121, 2 (ginalakgalak). 

oooorunij^, z, «ulug; kolnp, «mahi- 

wang; koln; autuk tityang: nsfamanahang^, 

V. e. onverstaanbaar woord b, v., kom meé naar 

buis, om daar als vorst te regeeren, dèning 

tityan; lintang^ kolag, tau wèntëa midëp 

ndjënëng^ nfttba, R. bl. Z. 3, 33, Z. 4, 38 

vgl. aanh. onder tambil. 

9Qnniuijn, Sbr., klodkaüh; m^Iograü- 

hang:, nglodkauhang; vgl. klogangin. 

«nann^ v. danudja's. Sul. Z. 26. 7, 

• wisègni. 



7^ 



osn^^ru-^niwo wj\, s., B. Z. 91, 9 (tj 
ling sangbjang k&la). 



a- 



«^ 



278 



«1^ 



Oïuntsti^, 2. slëgala. 



o 



ovunjtAj^, kalijasëm» Krts. 41, 41 b.; 
vgl. ësëm. 

OYUnQ^srl^y z. onder gmët en taruAa. 

niennnoo]^, Sbr., klod-kangin; Dglo- 

^ng:inan(f , ng I o d-k a ng i n a ng ; vgl. k 1 o- 

gaflb. 

o ru n n Ji ^ en kaligangsa, z. onder 

gangsa. 

oruoj^, kadi toja kalib Ing Iwah tan- 

pangftinbèk katanibak, R. 11 Z. 4, 12 (Iwir 

ika pëmbah banju ja ngëbëk ingërapël, 

sawang ika p. tukad ja ngambët ma- 

ëmpël); nora kalib, «lan pudjin; akalib, 

B. Z. 39, 5 (kasèpan), 170?, falen, dralen; 

Gb. Z. 24, 5; tan akalib, B. Z. 5, 2 (lan 

manulak); Jadin niakaliba tinëkan, B. Z. 

80, 10 (jan tëka saranta di kagëbugé); 

hajwftkalib, verzuim niet, Z. 78, 25 (sam- 

pun Dgodëtang sampun njuwajang, ëda 

mangëbanga?); ndatan akaliba kita t&wrëtta, 

aarzel niet, meld hel tocht, Wrs. 54; sinaugg^ah 

makalib, eupbon., misdaad bedrijven. Kam. 9. 
orurij^, z. alub. 

99i|ni|^ I., gewapper v. vaandels, aanh. on- 
der komala, B. Z. 39, 30 (këbèran, kë- 
dëpan), Z. 82, 1 (këbèran), v. e. tëngëran, 
Br. Z. 29, 19 (këdèp), v. e. slèudang, v. 
't barl, R. 7 Z. 5. 79 (mëkësyab); klab*, 
R., Z. 1, B (pakalèplèp); koinëlab, W. Z. 
21, 9 (maklèpS kuraëdèp), R. 5 Z. 15, 12 
(makèbèr, kèngkab); kumlab, m. c, v. 
wieken, R. B Z. 2, 1 (kèngkab, duniilali), 



V. vaandels, Sut. Z. 113, 4 (ng r è d è p), 
«olëm, V. d. langit^ Sum. Z. 122, 1, v. e. 
hoogen berg, R. 7 Z. 2, 1 (d u m i 1 a h, o 1 ë m), 
V. 'l haar v. apen, aanb. onder angkab, Sut. 
Z. 17, 1, V. e. vlam, R. 10 Z. 1, 1, c. 
(nglombak); kamëlab kakah (katub) pa- 
wana v. bladen, Sin. Z. 5; knmëlab door den 
wind, R. 2Z. 1,5 (kakèugkabaiig); iuai]s:è- 
labëlab v. jonge bladeren door den wind, L. 
Z. 6, 3 (kdèp), als wenkenden, Hari^. Z. 18, 
3; mangfëlabëlab anambé 1an8:ni]is: (èwaka 
maliidjo, Harig. Z. 124. 

IL, vader of zoon v. d. klam jong, z. on- 
der kërëpëk en aunh. onder tikël. 

omj^, onder water zinken; verdrongen 
door vreemdelingen v. d. inwoners eener plaals 
(mad. këlcp; vgl. lëb, lëblëb en klem); 
kamlëbakën malanya, tul. 53, 54, bis., aanh. 
onder guliga; klëbakëua tang: lëmëii taki- 
takin warawarah sang^lijang: dliarmina^ikstra, 
ri marJJftdaiiiDS tJatarwanina sowanf , sar- 
wwa dajaninp dharmmasftdhana Ikft maka- 
pag^wana k&bhjftsaninf $ist)\tjftra, tut. 35 
(verl. V. Manu IV 165). 

orurSij^ I., jav. kinulub, T. Z. 4, 48 
(kinèla); kalaban, B. Z. 79, 1 (këla'; vgl. 
lag. kolob); këkulaban, z. onder bëbang- 
kit; vgl. ëngsëb. 

IL, naar varen staande en gesloten.^ van H 
oor, D. d. 3 b. 

nosnrurij^, aanb. onder glagali. 

oonnmn^, nianik kalöba, aanb. onder tan* 
tu (Friederich*s versL saug mauik kaléba)- 



lSli\ 



279 



n\ 



9 G<#. 



**ïy \ » J^^' {CJsS)f R- sas. en ook in som- 
mige bal. bhs. v. d. Sin., vgl. onder witjftra. 

3SI nj ^ ^ , klëbah*, v. 'l water op de opper- 
vlakte door den visch, v. d. buik v. die bard- 
lijvig is, V. d. ulunati v. e. zieke; toivftsln 
nli dini, andas iug^gël mang^lèbnb (b.: ma- 
lépug), Bgd. 138, Ygl. glëduh^ 

spo^^, (vgl. kibëb), mëUibëhan, zich 
omwenden; Dflibëhangr, door zijne wending iets 
omslaan als een groote viscb eene sloep. 

3^nR\, klabaran, vlies v. uien, bamboe, 

een ei, enz., z. klumadan. 
'^«nni^?, Dfflèbèr, «bjar. 

w o 3a!| ^ , kiëbèk*» rafelen v. d. k ë k r i £1- 

tjingan. 

n9e^or7'^9sï|^, kumul (Majong); z. ko- 

bok. 

^or?]^, luëbo padang: nplëbkëb (nga- 

^*^ fel I 

lup^ miiké). 

igit^oj^, ngrlabknb. 

?sf rj o 9SI 9sï| ^ , eigenn. v. e. pi. in 't W. 

V. BIL, vgl. onder gesar. 

3^r7\ST|^ ofkulabët^ mal. of jav. (ar. 

^uLv), fenegriek in de Lal. apolbeek te ver- 
krijgen en als bestanddeel v. d. borèb in 
gebruik of wegens de verkoelende eigenscbap- 
pen voor buwat (mak. alaba); z. gandapura. 
^ovsij^r, lakuuya ang;lëbat, «lariyft- 

laris. 

kir7tsii|^, opvalling f de meen ing b. v. dat 

de hagedis iemands woorden door zijn geluid 
bevestigt; klébëting^ mauah, sakënjëting 
m.; mèklëbët mauahè; nglèbët v. water als 






bet de uma zoo bedekt, dat de punda- 
kan niet te zien zijn, klëbëtina ban Jèhé; 
■g^Iëbëtin, naar iemands persoonlijkheid gissen 
b. V. iemand op den weg in de verte ziende; 
naar den zin v. e. woord gissen; nglëbëtln 
ipan, op hem (als dief) vermoedens hebben^ 
verdenken. 

o o ^st| ^ (vgl. k 1 ë b u t) ; klëbit* v, water 
borrelen; v. d. ademhaling v. iemand, die nog 
niet dood is, Tjp. Z. 2, 16; masa pëklëbit, 
een kriewelig gevoel hebben bij een druiper b. 
V.; pëklëbit, kriewelen v. wormen enz., vgl. 
këbit^. 

n|^\ (vgl. kiëbit), nglëbut, uit den 
grond borrelen, «muütjar (vgl. nalëbut); 
jèb klëbatan, opborrelend waler, grooter dan^ 
tëmrësan; klëbotau, bron v. e. rivier; vgl. 

klëbwan. 

o "^ mi ^ ^ , mëklëbèt, sterker geluid dan 

niëklëmpëng. 

'^om^^, z. mal. Wdb. 

oojruo^sï]^, z. klabët. 

onjQoj^, kiëbutan. 

^o^, jav.. Upan, aanb. onder baingas 
en sanggata, alwaar kalabang; anakim^ 
klaban;, «kafitjara (kulabang, nm. v. e. 
bediende v. d. zon, Tjk.); klabang Qvim^) 
z. onder tj uring UI; sukët klabaii|:an, Bjw.> 
vandalia minuta, nieskruid, Vr. 

2«, bbg., klangsah, vlechtwerk v. klapper- 
bladen ter bedekking v. e. tëtarang gebezigd 
(jav. zekere wijze v. boofdbaar-vlecbting bij 
de vrouwen^ mad. klaping, nglapii^^ 



N 



280 



\ 



vlechten, êtrengelen, mal. djari lipau; z. 

Wdb. onder ng 1 a b a ng) ; mararab klabaiqr v. 

't lijk V. e. arme uit gebrek aan kambën, 

Pdj. Z. 1, vgl. klaiigsah. 

9sirun|n^, bé kalaboni^a mokoh, «iwak 

wang agadjib almu. 

boka bulon kalibang^bang^, Mdj. (katibang- 

buug), 

9Sivu\ I., ka ja Dg, kalang^ nn pèténg^, B. 

U. 72 b.; kalang^ bnfik matèma rinf panépi, 
• lëséb angaras tëogah, Lamb. Z. 7, a; 
«kftlang^ sada^a, lot iO pëdati's werden 
bevracht, Hadji D. 88; tèkéd kalang^ kalnn*, 
aanh. onder lantaran. 

IL, kalanpan, jav., '/ vierkante plekje, waar 
de banen vechten ; kring v. d. maan ; de plaats, 
waar de gambuh's zich bewegen; ook v. d. 
kawalonan gezegd; *R. 23 Z. 4, 7 (bis), 
Br. Z. 20, 18, V. d. zon, W. Z. 28, 2; kaka- 
lani^an, haneperk, Wt. 51 o; pakalan^aning^ 
nif^akara, Sm. Z. 1, 17; kalang^an, aanh. onder 
këtung; wulan akalan^n, aanh. onder ruru 
II (tèdjan i bulan); anërus kalangan en 
mrèbuk aram sakalang^n (jav. hds. sa ka- 
lang on), V. welriekend bloed, Stn., mr ik 
minging raühé ring tëpi siriug, elders 
mrëbuk arum sakadatwan, vgl. aanh. 
onder datu; akalangan i (irnnaninf ratha 
V. de lijken op een slagveld, Sut. Z. 126, 6 
(ana katëtëhan antuk karupakan r.). 

III., eigenn. v. e. bediende v. Anusapati, 
Hal., Smw. Z. 1, 30, (volgens een mal. Pan- 
djiverbaal was hij zwart en zeer onbeschoft; 



P. o., bl. 124, zegt, dal hij d. zoon was v. 
d. tumënggung en v. d. vorst v. Koripan 
den naam kreeg v. Kërtala; dit was bij de 
geboorte v. den Ino Krtapati; toen ook 
bood de patih zijn zoon, Wirun, aan, die v, 
d. vorst d. oaamkreeg V. DjSrudèh, Andaga, 
de zoon v. d. d ë m a ng kreeg d. naam v. 
Punta, Sëmar de zoon v. d. rangga, dien 
van Përsanta, Turas, de zoon v. d. djaksa, 
dien v. Djrudèh tuha, vgl. Bijdr. K. I. II 
1B3; van al die këdajan's werd Djrudèh 
door den vorst verheven tot pëughulu safi^ala 
pëugasuh), 0. op sleen, Wt. 38 b. (vgl. jav. 
en onder dyah en krëtala); wwanir ka- 
lang: mëndëk maQmah, tj ar amanda, djana- 
krada; wwan; kalang djarah, podaraka, 
putara, martjadukrama; pëpëtjoting^ aka- 
lang;, «pratj uraga (?), prawitjoda (H; 
panjpgëritaniiijp akalang:, «sa sa ra da (?); pa- 
dati pakalangan, «sanawana (?), pakada- 
ran (?), Tjt. 32. 

IV., nm. V. e. hier onbekende plant, waarvan 
de bladeren zeer gezocht zijn, vermoedelijk een 
wonderplant. doordat Bt. aan zijn pleegouders 
geluk aanbracht, Bl. 9. 

V., dong djalan kalanj^, naar Alang (onbe- 
kend) in de satwa v. Mèn Tukiug. 

oru^ I., hoeveel te minder l (vgl. sa 1 ing 

II); kaling; ké (punapi malih; vgl. niiugkin 

ké en lëwih ké of da bwin); kalinjp iba 

té rangfanja, nu, hij zou zich aan jou storen! 
Tjrk. 

II., ftgutji, een aarden kruik^ aanh. onder 

kojan en blob (vgl. jav.); kleine pot voor 



«^ 



281 



N 



olie te Sbr. (Tjk. heeft H tweemaal met de 
bet. ▼. gevangenis of kooi zoo 't schijnt). 

UI.^ kalang^kalinpy jav. (kolangkaling). 
Mal. 301; maniaing kolangkaUnf, z. onder 
Jangdang; i; alleen om 't rijm aan te ge- 
Ten b. ▼. in 't volgend liedje op een zwanger 
meiqe, pléting: kolangkaliqg ngédjok nja- 
Ijao dl pasisly bllng ban mëmalinf ngallh 
kaljan maklsl*; dèmuqg kolangkallqg, z. 
onder djaqgkih. 

IV., kallng djaoi, in pi. v. kalangdjani 

sèkalinip taèkf sas., apënèkan (mal. sëkalif) 
)^fu^ L, jav., «brahmasütra, kafithft 

bh ara na, halsband, «Br. Z. 44, 10 (tal 

lèhèr\ nas kalnnf, een vleiwoord in ge 

dichten tot eene minnares, of wel tot een geliefd 

kind, Rw. enz. (mas tali lèhër pun kakang, 

W. b. 27); mas kalnn;, liefkoziogswoord jegens 

vrouwen, Drm. 25; wëlang^ (hé lang) kalnng, 

aanh. onder fiwopakaraAa en giring; 

kalnnr*, B. Z. 89, 6 (tali löhèr); akarah 

akalu^y Z. 80, 27 (mangraugsuk tali 

lèhèr); knmalnng^ v. e. bapra, aanh. onder 
sutër. 

2*, nm. V. e. bedwelmende of vergiftige 
paddestoel-soort (Bjw., raden), aan 't onder- 
einde heeft deze soort als 't ware enkelringen 
[z. bintang); tëmwati kalnng of djëlati ka- 
Imp, hiervan sterven de einden; «akalnnjp*! 
Sm. Z. 30, 8 (masampët). 

«IL, (lumaugkung) knmalnng, Bh. 48 b., 
Sm. Z. 30, 6 (mèdëran), v.e. wangkawa, 
Qaris. Z. 6, 3; Som. Z. 22, 4; aknlilingan 
komalnng v. rivieren, R. 7 Z. 3, 7 (mangi- 



dërin, nëmu glang, vgl. tag.); nfkftnéhèny- 

nikanang war&Aa knmalnny banjnnèka kadi 

sftfarAlangë*, Kt. Z. 18, 11. 

UI., alonif maogalnng v. wéér levende visch, 

R. 14 Z. H, 1 (mangambang, makilungan). 
v^nrCo^, z. #kalwang; kalongnya tnrn 

snmnngsaqg, Stn. Z. 1 (z. onder bukal en 
aanh. onder saloka); v. d. walèsakrama 
heett Tjt. III, walèsa, nga, kalong, ring kalonf 
Ika, ora dèn tlnggal anakè jèn dnmng klaa 
amèt pangané, mangkana ring atingkah wa- 
dwa adja agé kinon jèn dnrnng wrnh ing 
gawé èwnh, rnsak kang wadwa. 

2^ bnlnn kalong, de witte, xijdeacktige 
haren op den nek b. v. (batav. bulu kalong, 
wulu kalong, aanh. onder prabusèt); z. 
onder bëtut; djring (of sungkab) bnlnn 
kalongè uit vrees (aduh sëram^ pula bulu 
tëngkukku, Tj. b. 97; a. s. ^ b. t. ku ra- 
sa ij a, ald. 90, vgl. «puhun wulu); pajnng 
kalong, z. onder ubur^ 

3s (?) tègéh ngalong v. e. boom zeer hoog, 

moeieiijk te beklimmen. 
9savu^, langah^ 

oq ^ , niet slapen, wakker, geen oog sluiten 
(vgl. tj 1 a ng) ; këlang ring ada bQn; këlang*, 
V. iemand, die als 't ware overal zit, ten halve 
hard en oneetbaar zooals sommige manggis- 
vruchten. 

9sa^ L, recht dwarsloopende streep op de 

palm V. e. hand (batav., Crawfurd, këlung); 
paralel loepen v. streepen op de palm der hand, 
't geen een goed teeken is (mad. këlang\ 
schakel) ; mëkèlèngan sièm, met overdwarslig^ 



m\ 



^S» 



\ 



Mwarte streepen; këkèlèng^an, soort v. 

borèb roDdom op borst en middel v. 't lichaam; 

pèpëk manuancsak basana, rnpané maim* 

bmh (mawuwuh) pëkik, tanpèndah sang^- 

kjaoi: asmani) modak cadang: mrébak (wil is 

miik) aram, kaklëng^an bolan tuman;g:aly 

maBh rawit, djarané sampan tjamadang: (b.: 

matjadang); v. e. bruidegom, Dj. Pr. 6K; 

Ygl. pupur en uwang^; kambën makë- 

lënr'ui, «wastra binëbëdbëbëd. 

II., gesneden stuk suikerriet v. ongeveer 5 

buk u's (vgl. sund.); tba tjëmënc pitani: 
këlëng^. 

2% schakel v. e. ketting; ante tlnni^ këlën; 

(mad. këlang^); ng^lënf^, tn stukken hakken 

een gevelden boom (z. aanh. onder bangkjang); 

mëkëlëng^*, zooals suikerriet met verschillende 

geledingen. 

9q\, R. 9 Z. 5, 1, Koripan, Mal. (telkens; 

in de resid. Këdiri is nog een desa die K. 
beet); wano kling^, Ww. Z. 5, 164, Mal. c. 
telkens; 2% Madjapahit, Kid. .Sund. .10; wong: 
madnra kling:, T. Z. 3, 6K; (in de Chin. be- 
richten door Groeneveldt medegedeeld, komt 
Kal ing voor als een nm. v. Java^ vgl. onder 
gëgëlang; jav. hUnH-kling, in pi. v. wano- 
kjing; vroegere nm. v. Djanggala, z. Adji 
S. 83« in een bandjarmasinsche cbrouLjk wordt 
V. fill^ als van Java gesproken, T. Btv. Gen. 
XXIV, 239, vgl. onder djanggala, sukët en 
bwat; de afleiding v. Kaling ga is zeer on* 
waarschijnlijk; dat de Maleiers en Bataks, ho- 
1 i ng, het woord toepassen op de Tamil sprekende 
Mabomedanen van 't Indische continent en dat 



't Mal banuwa këling Hindustan in 't alge- 
meen heteekent, kan verklaard worden uit de 
opvatting van 't woord als iemand, die nog 't 
hindusche geloof, zooals de vroegere Javaan, 
aanhangt); 2^ soort troepen f, Sum. Z. 25« 6; 
kasa kling:, k. grandang; tjëraki klfng:, zeer 
vrekkig (vgl. onder botor mëdjëët); daüsa 
këling:, is niet zoo groot v. blad als de aja 
(afb. Rumph. IV pi. 29); tiwang: kling:, z. 
u p a t a ; tabja këling:, t. k r i nj i P; ada nf g:ëbë; 
tabja këling:, ada inërësin djnük, lèn ad^ 

mbëbëhtn abn, mèn mlandang: liwat sëdibé) 
n^ënot somah tëndas pëlnt, mangfëling: ma- 
sasambatan, apa dja ké kèné makada, Tjrk.: 
wadja kling:. War. b. 53; widjil kling:, «bol 
lor; nila kling:, aanh. onder dj a h i n a ng: 
padang: kling:, zekere grassoort niet verplant- 

baar; eigenn. v. e. slecht bevolkte plaats in 't 
Oosten V. Bil.; ng:ëpoh padang: kling:, tasak 
ban panjë]èfflpong:an ; puèa kling:, aanh. onder 
walirang; djawa këling:, jav. (djakling of 
djahakiing), ook madja këling: om in de 
Sëmbawa-olie te doen (mal. id.), vgl. djalawé; 
bnda Uing:, eigenn. v. e., pi. in K. A., alwaar 
vele Buddhisten; këkëlin|:an, vrn. = prutjut 
(niet zeer hekend, z. onder si pat aking); 't 
bizondere kapsel, dat Judhisihira in de W. 
draagt; kina«rënaug:akën ag:ëlnng: këkëling:an 
V. iemand, die tot prabu anom wordt ver- 
heven, G. w. 6; (vgl. C. Sluart's Br. Inl. XI 
20, w. R., 151, vgl. aanh. onder tëmisi; 
in de mal. P a n dj i- verhalen wordt gëlung 
kakel ing an vermeld als een der insignia 
V. e. vorst). 



> 



28S 



«> 



^i^\ t, kékëlèngTi jav., Bs. 9 m. en Sdm. 
(klènëng); gradjah kökëlèng^, eigenn. v. e. 
volgeling v. Madusodana, KuntiJ. 

n., 't echte woord in plaats v. tj 1 a k in de 
S« beteekenis, maar als zeer gemeen beschouwd 
en meer in toorn gebezigd (vgl. onder lëki), 
iQèlma tras klèng^, een gemeen scheldwoord 
(vgl b u ng a t 1 1 i) ; Uèng awaké dang^al, door 
een man jegens zijne vrouw in toorn gezegd; 
klèo;* siiy z. onder sii; mëklèng^ ti^tli^r» z. 
onder tjitjing; klèii|^*aii, in den vorm v. e. 
penis^ aan den hals v. e. hond gehangen^ stukje 
hout, als middel tegen de grubug. 

']'^\* méklong:, ploffen^ klappen v. d. bë- 
bëdilan; beter mëlong (vgl. klëmpëng). 

?aiTU^, B. Z. 4, 2K (djuruh), zekere 
bedwelmende drank uU suikerriet vervaardigd 
(vgU jav. en mal. de ter persing v. suikerriet 
dienende cilinder; vgl. tag., bis., tilang; en 
z. Rumph. V 189; de oorspronkelijke beleeke- 
nis schijnt uitpersing te zijn en dan is 't bal. 
oiarhilang er me£ in verband te brengen), 
Sul Z. 19, 5; Ar. Z. 29, 10; T. b. Z. 4, 70; 
■Ihaii sapta samadra, rah, tasik kllan;, ha- 
riisgttj tasik asem, mata, tasik astn, {cadjih, 
tasik pèhan, atèk, tasik nadé (?), samsam, 
tasik minjak, ido, tasik madho, Sptb. 



o ^ 



3Sin\, links en rechts kijken als om iets 
Ie zien of te hoeren (vgl. k i 1 u ng en tj i 1 ë ng); 
kilëoi^*, v. iemand, die een woord niet begrijpt 
or naar iets zoekt (vgl. jav. tjilang tjilong); 
pekiléiig^, V. meer dan een persoon verbluft rond^ 
kijken; péUléiig tra bisa mèsaDt; vgl. «ilëug. 



^vu\, këklllng, h. y. pindëkan (Bjw. 
kilingan; dèn ikal lir pèndah hiling 
V. e. knods, Wg. 1, 7, terwijl naderhand 't 
jav. ki tiran gebruikt wordt); qprampak bu 
di këkèüni: v. Bhima's vaart in 't loopen, 
Kuntlj. (terwijl de W. Ast. aldaar heeft ang« 
rëmpak k. kikiling en een ander bds. 
Iwir pëpindëk kapawanan; vgl. mal. 
^yü ^) \:ljjLm V. groote snelheid); kilëiv 
lomba, z. onder lumbu. 

g^YU\, nyan kala kèlanirkllan;, tl^ kru- 
wëlat, g^awé sok. 

^vu\, kalang:*, z. onder gigihan; 
« angalang: kbo 20 kbonj a (b. : k ë b w a n y a), 
angolan; sapi, 40 sapianya (b.; sapinya), 
anjfnlang: wëdas, 80 wëdnsanya (b. : wiwja- 
nya), angolang: tjèlèn;, sawnrofan t|èlèn;a- 
iiya, aofolaiii: itik sawantajan, 0. (1345); de 
varianten, met b. aangeduid, z. aanh. onder 
gosali, gaan niet verder dan wiwjanya, 
waarop afidah sawantajan dan volgt; 
evenzoo 0. b. fr.; nira makolani: makallni:, 
mint|an(pnint|nn|^ ni^ajahln makarènQon|:an, 
zegt eene vrouw, die te vele nog niet werken 

kunnende kinderen heeft. Pan Br. 36. 

^^ ,1.1 

^ru^, sas., oöDg kilap, 

9a Yu^ L, lèng^toi: kokolaD|:in|: papasnh, 
fr. s., kakalan|:lnf ëng^ën, ald.; kolaDf^n 
of këkolongan, gëgorokan (tanëng, pa- 
iëdlëdan; mad. k r u Dg a n, 5frot); kolonfané 
tab ban bëlbëlan sdibé, R. 30 o.; baknn 
kokolani^aii, z. onder salak; kakolang^an 
ing: bati, «kadalipuspa; daug^apé bë- 



> 



284 



w> 



ngoug maiilèbak linfi^ah makolangran spmg, 

T. b. (want de strot v. d. s. is zeer breed). 
U., nm. V. e. zeevisch soort. 
9Qirü\, z. onder kiling. 

«ion rin \ , kèlong^Oy aangesioken als soms 
aardvriichten en baluh, waarin door wormen 
gaten gevreten zijn, zoodat de vleermuizen er 
in nestelen; ook sèlongan; vgl. gabëng. 

oïsmru^, z. onder koloog. 

09snoi\n^ L, z. onder kulung. 

II., muüg v. pret, Bngk. s.; mafii: mako- 
lonf^an, Bngk. 1 v. strijdlustigen; inékoIong:an; 
veel lawaai maken v. twistenden; éndèh me- 
kolonpm, ook mëkolang. 

III., jav., kolong^*, v. 't touw, waaraan een 
rundbeest geleid wordt; vgl. sund. kaku- 
lung, z. obèng^ 

IV., Bjw., katik anggapan adji tiing; 
vgl. onder papan. 

V., elders, aan de apit^ vastzittende en die 
zóó bedekkende, dat men er kleinigheden in 
bewaart, zooals messen, tingkih enz. en ook 
apit^ 



o 



^n^, z. lingu. 

9sm^^, nog jonge ongevleeschde cocosnool 

grooter dan de bungsil, kleiner dan de ku- 
üd, de kaü nog week zijnde (z. bungkak 
en onder mfikirim, «pijida); ng^lang^ah of 
njapuh, omdat op 't nieuwe graf geen gfi- 
gumuk of urus^ geplaatst wordt; besproeien 
met gewoon water de beenderen v. e. doode, 
die aan de pokken bezweken is, nadat 't lijk 



is geworden en *l vleesch van de beenderen 

is genomen, op 't kerkhof, waarbij een feest^ 

waarna 't lijk in een kist gedaan wordt en de 

plechtigheid afgeloopen is (z. banju awang, 

slëpa en tangun); padang^ kliing;ahy zeker 

kruid bij de k wangen als een der bestand- 

deelen bij de toktokan njuh, baugsah 

b u w a h, allerlei bloemen, b a ft s k u n i ng, 

samsam en 11 duiten als pëngabaktyan 

een lijk. 

9Sirnn^, jav., Adip 94, aanh. onder li- 

kang (ook «kalënghër), Sut. Z. 103, 16 
(kapati), B. Z. 27, 34 (papëtëngan), Br. 
Z. 44,3 (murtja, kautaka, pëpëtëngan); 
vgl. lëngër. 

9^nn^, s. (kalangka, vgl. lëngka uit 

lang ka), taluiuii, Kr., schadelijke wezens 
als door WiÈAu uit den weg geruimd worden, 
Brhmd. Z. 5, 1, v. d. vlekken f in de maan, 
K. 10 Z. 6, 13 (wungkut; vgl. onder *wuDg- 
kul); 10 Z. 9, 3; Kam. 34; T. Z. K, 99; ka- 
lëng^kaningr r&t kabèh v. Bh o ma, B. Z. 109, 
4 (manglëtëhin djagaté sami), aauh. on- 
der ruhun en ksatrija; awawah krèta 

' I 

tang: djag^t, tanana kalëng^kdiiina (ï), Pam. 

36 (de kid. èmbuh wibhuh krëta kaagi 

dj. subiksa); ook lëngka, Tj. A., lëngka- 

ning bhümi, R. L. Z. 7, 98 (lëtëh djagalé\ 

tan hana lëngkani hatinya, Brhm. 76 

(vertaling v. (uddhaménasa). 

ovunu, tj&taka, Anj. Z. 30, 25; ook 

kalangkjang, Sum. Z. 177, 5, aanh. onder 
bëlik, W. Z. 3K, 14; Lamb. Z. 3S, Sut. Z. 



zonder aarde (z. onder mëpasak) begraven. 83^ 6; Ap. 31 b.; L. Z. 3, 8, Z. 5, 3(sundari) 



\ 



^ 



m\ 



asrak sambat ikang: kalang-kjan ang:nsi 4Jft- 
lada hirënfarambaf tog: wtjat, Iwir dutyi 
tsmatèai: nrAlajan amtnta riris i sëdèng;- 
iDf labsk kapftt, Harif. Z. 3, 9; èndah Iwir 
tangifttnf kalangkjan ang^awat djawëh Ini: 
a^adji lot manambajang^, Z. 19, 6, aanh. on- 
der SU wak. 

3B;rTU«^ I., kalin|:king:ani sakonira, R. 

11 Z. 6, 6 (inanbatis dané; «jav. djëAli- 
kan; lag. id., bis. kaniriugking en koma- 
lingking, mal. këlingkiDg, pink); kaling^- 
kiDgran, ëntik^aning suku, Kr. 

II., pakalang^kang: , pakalingking: , aanh. 
onder rftdjawidhi (djuru raköa kururopu 
djurii rakèa kalingking). 



^ ^ 



3^run^, kakalnngkanfan, aanh. onder 

ridjawidhi (djuru tinggënang). 

)mfi3k\^ nglëng^këng^, ongehoorzaam^ op een 

gehiMird bevel zich niet verroeren (vgl. bëng- 

kuog, mlëgëdu» tjëngtjëng); ng^lëngrkëng: 

béai^kënfy v, iemand^ die» vaak gemaand, (och 

niet betaalt; v. zaden^ die niet willen opkomen; 

z. ngéduwël; klëngkëng^, blëngkënëngan. 
asi^^ I., zekere rijsischuur v. bizonder 

fatsoen (v. e. voornaam persoon); z. glëbëg. 

«n., Uini^kingan I Bjw., soroh ngos- 

ogosan (buceros plicatus, Vr.). 

3^1»^, kliogkoiig^, in onzekerheid verkee- 

rende nu her* dan derwaarts gaan; ng:ling;knng^, 

een anderen kant uitgaan b. v. eerst oostwaarts 

gegaan zLJn en dan noordwaarts; tjnpak das 

lémahé iifaliiigrkiuii: mallli sing: djalan, Tjp.; 

raris fimih (sang apëkik), mangraUngTkang 

ningftl desa (manglingkung mangalih 



d a j a) Bt. 335 ; pnrlk ngalliigkiing, aanh. onder 
srtgëh; ngllngkangang, met iels aan den 
haal naar elders gaan^ een anders eigendom 
elders of niet te recht brengen. 



^ N 



^^\ I9 eigenn. v. e. staat, waarover de 
Dèwa Agung regeert (z. gèlgèl); de lieden 
Y. K. komen hier tjakët, kapok, sëlëpa, 
pëlëlintangan, pëmalaran, tjapil enz. 
verkoopen en staan hekend om hun nijverheid. 

II., z. onder brèrong en vgl. onder së- 

pëkën. 

^ *\ 
ogqoisi^, Bjw., janken v. e. jongen hond 

(oosl-jav. krèngkèng); z. kèngkëng. 

n96n9S«^, de botor (z. aldaar) als die nog 
jong aan den boom zit (sas. këuokak en kën- 
dokak, vgl. ladik en onder tokol; bjw. 
tëgok, jav. këtjipir, mad. këtjèpër, sund. 
djaAI); vgl. aanh. onder kul kul. 

2% nm. V. e. gebak van dezelfde gedaante 

als de k., jav. këtjipiran. 

O gqpnoQO^ I., een kokerachtig omwikkelsel 

V. ron, waarin gebak, zooals de djadja uli 

gedaan wordt, om 't een ronde zailvormige 

gedaante door kneding te geven. 

II., Dglong^kongy rammelen v. e. bongerigen 

buik (bjw. ook Dgongkong). 

tqnAjj^, qgllqgasy kliagaskling^, bleu, 

bedeesd (vgL këdjëmdjëm); ng^ltqgnsaiig v. e. 

klein kind eenkennig^ meer of min stil niet 

durvende ieLs vragen, spreken enz., vgl. tli- 

ngus? en onder lingus. 

S«, aanh. onder salanggap. 

9s«n^^, Bjw., batun asem (jav. klui^p 

SU, ook pit V. d. pakëly w. Kap. 34\ 



t6l\ 



M 



«k\ 



ft^i^J|\, kulit woh tjalagi, z. onder 

klingsi. 

on^n^, 8., sakal&iig;$a, T. Z. 5, 13; 

z. kulftngfadja 

ïsirjj^^, bbg., klabang, vlechtwerk rael 

veel zorg dichter in elka&r gevlochten dan de 

klabang, die daarbij ook breeder is; dient tol 

beschutting en bedekking (batav.^ jav. kè- 

pangf); ook een tabaksmaat v. 5 kali's (Tijd- 

scbr. Batav. Gen. I 3« Ser. I 285?). 

gsurjn^^^, Us. 53, E. 10; üs x., 64, 

zelden kalingsir; ta., kalin^sih, fa., paii- 

tjasoiia, adas banja tnli, ma., san; riwaiia 

an^adji paStjasona, mati aharip manih; Us. 

207« 458 z. ook onder budëng en kliiigsihP 
ïsjrurj^Q^ V. e. verliefde, ajang^ maka- 

lang:sahao Iwir kakénan mdjak gradaiig: té 

né ni^aiijnpar léng^éh paling^ niamalisah i rnras 

ati ngënain rarasati; tambaiiin djwa kada 

gu&Ü sakit san ko tltyans^ baka borbor baka 

tambas njan; mang^ans^sah pandjakans^ si 

kada tityang^ éda djwa manj^aka somah ang^- 

fou dJwa tityangf djnrn sapab, tol een minna- 
res, Tb. 1. 

gojvurj^n, kambén kolanjcsih voor bë- 

bali. 

t^runinn^, sakul&nfr(adjanipan, T. Z. 6, 

S4 (sanjaba); z. kuUngfa. 

gsiivun^, s., sang: kallng;; a, «fatruntapa; 

kaltngffarftdja, B.; kaling^gridhlpa, Z. 72, 10 
(sang fatruntapa); kalingrga, Sul. Z. 128, 
4 en sang; kaliiig;g:a, Sul. Z. 12B, 2 (sulabha); 
«. onder linggak. 

«enrun^, aanh. onder Ijampa. 



9SfininQs!i|^, W. Z. 27, 7 (ëbah, iidja* 
lèmpob). 

«qn^, kobok. 

9Qiu|^ ofzeldener tjakap, een slingerplant 
met een fraaie bloem, de passiebloem , disemnia; 
z. «prabusèt. 

IL, z. onder djabal. 

9Qou|^, ktnë'pnira samang^kanl^ , B. Z, 

41, 5 (raris mapi masaré). 

OQSHUj^, Engelscb (cap), percussi&n of slag- 
hoedje (lamp. kip), pëpèrès bungan tail- 
djung is bekender, pëpèrès eigen tUJk hruit 
op de pan beteekenende (bjw. do pis, 't Holl. 
dopjes, of këmbang taüdjung). 

ou^ 1., këkapa, jav. en sas., vrn. = kë« 
këpub (sund. kakapa bij Rigg., lamp. kr. 
këkarpa), Pis. 

IL, z. kapatjirit, kapaljèlu, kapë'jëhj 
kapèjul), kapèngrn, kapijasëm, ka- 
ping lub. 

'mC:>\, oor, W. Z. 11, 72, Sum. Z. 28, 29; 

ang^apè', Br. Z. 19, 17 (mandingëh, angapi), 

paog:apè*ni gëriknya» Sum. Z. 3, 4 (udjar). 

2% wang f ^ anèngnya matëmali lah ftdrès 

i kapö lara tnridanik&tëmah tangfis, Sum. 

Z. 7, 24. 

o * ' 

ïsiiu^ L, jadin (*api, pituwi), R. 8 

Z. 1, 15, «tuhun Z. 9, 10, ons toch als uil-l 

drukking v. innige overtuiging, zooals b. v. Id 

„je bent toch een ezel'', B. U. 20 b., 259, 255; 

kapt basongr iba mari^Ja, R. bl. Z. 1, 3&, kapi 

tjorah manakira, ald. 44. 

2% naast ka po; «kapwa. 



\ 



^i 



«»\ 



n., jav., voorheclitsel : kapinffon, z. onder 
agon, tai^is, tunggal en luh, ka- 
pèngin. 

111.» s., z. onder busèt en paikosa (z. 
kapirAl; kapikètu, 't vaandel v. Ardjuna, 
B. Z. 9ïj, t, 7 (w&naradhwadja; vgl. onder 
wrëti); kapidhwadja, aanh. onder sumbar. 

IV f» aanh. onder salisih. 

)Qiu^ I.y kapa*y zekere als eendekroos er 
J 
uit ziende plant (pistia stratioles L.), de 

bladeren als ooren; sas. apung^, terwijl een 
kleinere soort aldaar en in 't Tabanansche 
ëniping heet, tag. ki apo, bjw. apon^ 
alb. Ruroph. VI pi. 74, Gg. 2; de ki jam- 
hang der maleiers, oost-jav. lëpoqP., sapérti 
kapu^ di mana ada ajar di silu dija 
ada, bty. y. bl. 25); wrëksa ntpadokën (?) 
kapa% verkl. y. sukëling ra na. 

II., oii|:sil tang^anlra tamamèrikanjf kadi 
uianok watao kamapakapo^ mür^lda twasira 
kawakawftn anon kadi tanah samélap t tall- 
qpiy bij de coiios, Sum. Z. 121, 5. 

laou^, (?), ingtt mata* kapé, spreekw. 

ter aanduiding, dat men iets niet goed berkent. 
9anu:)\y zoo niel in tegenstelling (ygl. 

lamp. en z. ka pi); ik kan de hitte nauwelijks 

verdragen; kapo lajah basani: tityangèi B. U. 

bl. 49; Meg. 12 b. (suba); Mal. 110 b., 106 

b.. 226 m. (plijkt), T. Z. B, 106 (wjakti); 

kapo naairktny nu eerst; kalingané sira kapo 

kaki! enz. */ hlijkt dus dat gij enz., Ar. 6, 

15, aanh. onder pratjidra; wong: Ikl kapo 

tëkjüifiiwiikiiwahy T. Z. 5, 90 (djaléma 

kènkën ja tëka mafidjrit); ih wisajèn; 



kétor kapo wong tki, ald. 106 (ih anak 
tasak ing gënding wjakti anaké ëné). 
3Siu^, képë*9 z. onder këbët. 

9QI u ^ , aan één poot verminkt v. e. krekel 
of balang, «timpang (z. mëbais anëh; 
bjw. SU tang; vgl. jav., waar 't poot beteeke- 
nen zou, terwijl gotang er dit wedergeeft); 
kipa kiting, katog, taua djngët, Wd. 38; 
vgl. ngripa. 

Qsiu^, z. kaïpi. 

9^u^, jav. (kipu), makipu v. e. ever, 
aanh. onder langling; ratn akikipn, War. b., 
114; tan wnn bnbur siddha kakipwan Ing 
warak om aan te duiden, dat 't land door 
rampen ontvolkt zou worden. Spt. Z. 2, 21; 
Jan tan sang nattonngknla, awas UhAmi 
smarakandiy stddhik patnnahan Ing mong, 
kakipwan ing warak hastt, Z. 4, 140; tan 
wnn abangnn alas, jèkt Uhüming smarakandl, 
tnnah Ing matjan pakakipwan ing hastt, Z. 
5, 140; z. kèpa. 

^u^, kaknpa, zeker rijslgebak met unti 
er in (Bjw. kupa), «kupakupang. 

2% ben. v. e. djanggar v. bizonderen vorm 
als die v. genoemd gebak (z. pëlas); gang- 
gong kapa, zeker bloemwerk op een tadak 
paksi of een padurak&a. 

^u^,s., z. onder suniur, samur tanpa 

barungbung; z. onder wata, sukrëta en 

swang II. 

ou\, s. (küpi), naast samur, T. Z. 3^ 

K9 (bis), ald. 62 (kupja); vgl. jav. 

2% flesch (vgl. onder bèk); knpi gë^ah) 



\ 



288 



■4ai\ 



Mat. S69, aanh. onder paüitjasona (mad. 

kopè, flesch); brémana ring kapi, Stn. 6; 

T. b. Z. l, 90; schenken?: z. onder kupit. 
Q^u^ , jaY. («kukupu, gandholi en 

« g a n dh ft 1 i), vlinder meestal k ë k u p u (Smbr. 

alikapung of kal ik a pang); vgl. onder 

i n d a og. 

2«, ben. y. e. b a r i s mei een k ë p ë l in 

beide handen; vgl. onder dëmang. 

ng^u^, «kipü; makékèpn, zich wentelen 

in de aarde, in een door haar gekrabt, vgl. 

ook onder kipA, kuiltje, v. e. kip met kiekens, 

in een modderknil als buffels en varkens, soms 

met mëgajang gelijkgesteld; g^adjah maka- 

kèpa, z. onder gadjah; pakakèpwan këbo. 
oQsiiou^, këkèpèan, v. duk gemaakt en 

door een bamboe-lijst omgeven raam onder de 

èbèg^ V. e. pakzadel; ^\ Bngl., tëlèmbong. 
otsnu^, sikopa, aanh. onder tutjtjha; 

dailt kopa, «ahangkftra. 

2% gulzig eten v. e. hond b. v. tegenov. 



• • . . 



qinjig, «mürkha. 

9snu^, mal. (holl.), kawa I. 

9Siiu^^ (arang), zelden meer als bijw. 
gebezigd; z. lang ah. 

II., Bjw«, oöt pësak en gedroogde koffieschil' 
len, welke men gaarne voor 't aanleggen v. e. 
tabunan bezigt. 

9siiC^^, s., z. onder umbël. 

Saun , vrouwelijk v. d. këpub, de vrucht 
bevat geen kapak en levert 't vocht^ waar- 
mee men prada doet hechten, terwijl zij 
tevens vergeleken wordt met de cunnus in 
tegenst. v. die v. e. këpub (jav. këpub, dat 



ook gelezen wordt door een ander hds. v. d. 

Hal. in de onder kararap geplaatste aanh.. 

sund. kolëangka; z. jav. Wdb. onder djang- 

kang); ook këkëpahan, sterculia foetida, 

afb. Rumph. III pi. 107; Ül kèpah, een bolk 

cunnus, képah bat sidèm, slaat op de cunnus 

luet 't haar ; képah batannjané dada Iribanf 

këkérné ng^ani, Tb.P (batuné mirib sintii); 

sëmaté di bawah këpah né 8èlëni(ng)g:t* 
lantin; malrib këkèran nè lawas émpak(g] 

batannjané dada masawang^ mamèdin lé- 

mah, manandan makada linjan, Tb. (vgl. 

onder sidém); ngëpah, langzamerhand water 

laten ontsnappen als sommige nog nieuwe tja- 

ratan's of gëntong's, zooals die niet genoeg 
in 't vuur zijn geweest, n r ë b ë s, mèlës; 

këkëpailn, de schaamdeelen v. d. vrouwelijke 

rasé voor de dèdès; z. èbèl. 

o u 9 ^ , këpéh , warrelen v. geur of stank 

door den wind meegevoerd; vgl. këbëh. 
9Q u ^ \ , een weinig gebrokkeld, p i h p iii 

(z. gëmbad en vgl. këpéh); n|;ëpik, aoê 
iets peuteren een brokje er van nemende. 

^U9^ I., zekere boom met goed timmer- 
hout, de rahdu alas der Javanen, «randé' 
(z. k u t u h), die ook op Java nog wel bij gra- 
ven voorkomt, (z. Purw&lël&n& I. 178); op 
kerkhoven vaak geplant; de langwerpige als 
de steel v« e. arit dikke vrucht, ongeveer een 
span lang, is een toespeling op de penis (vgl. 
onder këpah); kutuh rangdu, een boom in 
de k a w a h, waar de zielen opgehangen worden, 
terwijl onder een vlammend vuur, aanh. ondet 
|obor en pisuna; Smb., kntuh rangda; 



«^ 



^9 



«l\ 



k«piik ruidiii, T. Z. K, 75 (76, këpuh); na 

de aanh. onder salangap volgt die onder 

pallia en dan 't yolgendey waaraan 't begin 
ontbreekt, ing patn» mangrkaDa krama sa(ng) 

pstra baktl ring: sang: rama rena, apan ag:a- 

wè sarinuilray jan ana wong: anatin patnt 

knunanim: sastra patrasasana Iki, jèka pn- 

tra nyaranya, Jan ana wwang: tan anat rlqg; 

pntrasasana, nitinya, laq^gpana rlngr sang rama 

rena, amafèèa drèwêninf sang: r. r., lunbhi- 

tah(k)akën awak tan tantwa ring: sang: r« r., 

■akadlnya rlqg: sang: g:arn mpaka, Jan hana 

kramanlqg: pntn mang:kanay dndn pntra 

ppu^anya, pada lawan pnrisya ika, ika pn- 

risyt dok mètn ngèka ring: djro wtëng:nya, 

alés (apgnés?) amnlës dènya awèk rasa, 
awèh lara ring: ibnnya, mtn sakawaja (?) tabii, 

ndi kang: mawak tahi, nlahnya lang:g:ana 

Tlng sang: r. r., paila g:ila tnmon ika, mang:- 

kana kramaniqg: pntra, kang: tan annt ring: 

nitl silakramaniqg: pntrasasana, pinadahakna 

kalawao takii, tnr ag:ang: papanya, kadyag^ii 

prasnpta papanya pang:lépas nnnas ring: 

sangr paAditadi, paripArnnamrétta swarg:ga, 

hidèp sang: karahjnn, wrnk sang: hjang: 

atnim rlqg: pratisantana linis (J), ring: mar- 

tyaloka, snmidlda pratisantananira aniang:g:nh 

rah^ln, rlqg: madyaloka, mwali Jan amnrng: 

patotipg: sastra patrasasana üü. Jan mati 

rama rènanya wkasan, Jadyan kahnJa^ npa- 

kara ag:ëng:, ping: stjn sira nèmbah, tan 
prasiddha kntanfè ring: sang: r. r., binali- 

kakte dènlra bkatara Jama, Jan sira pdjah, 

rfianté rii^: kpok randn ring: tg:al wèra 



d|ang:g:ala, spa satns tamm kapanasan, t4r 

g:initik dèning: g:ada wsi, rèn^èm ikang: 

awaknya, manang:is maagintak*, mang:kaBa 
kramaning: djadma lang:g:ana amnta* rama 

rèAanya, apan kang rama rèAa andadiakna 
sariranira, kang saking bapa asnng rasa, 
kang saking ibn, asni^: padaqg awas, mang- 
kana karanè agnng ntangé ring saqg r« r., 
ntang tjarik, tgal papajonan, tanèm tnwnhi 
djraka, salwiring tatandnran tétimnftn, sang 
pntra djnga sira mnponin padagingan pnnika, 
wit tanah tjarik ika mwah pnnjan tanim 
tnwnb ika sakalwiriqg tatandnran ring ka- 
rang, sang r. r. dJnga kari misèsa, Jadyan 
tan tètëmnën, tka wnang sai^: r. r. sira 

misèsa, Jan sampan moktah sang r. r., sira 
dJnga dèwèk ngawisèsa salwimya, Jan sira 
arép angadol, ai^andahakén, wnang pinta rlqg 
sang r. r., prasadnhakén ring sang: winèk 
wité marganing tan winang samangkana, 
apan ing sang r. r, anggawé sariranira, Jèka 
agnng ntangé ring sang r. r., sat dalèmbqg 
samndra Inhnring akasa gëng^ya kadi sa- 
mèra ntangé ring sang rama rè(na), dyan 
(8)tan moktah sang r. r., wité tan pratjara 
ring sang r. r., makirtti bakti dharmma, 
annt ring sastra patrasasana, bagja kapaqg- 
gih katmn ring patn bnjntnya, Jadyan babar 
pira ta dahar kastarl 41^1:^ mwang tirtka, 
fr. bpl.9 z. panggal buwaja en onder këpah. 

n., këkëpnb, een rijzadel in tegenst. z. 
këkasuran (këkapa; vgl. jav.). 

IIL, sas, (këpuq), ngëpahin, pgëpnkin 

▼. berten. 



DIU IL 



Itf 



^ 



^do 



««\ 



9QI n u ^ ^ , geschonden aan den rand b. ▼. 

▼. e. kopje; ook v. d. maan (vgl. këpih); 

Upèhan, scherf, brok b. v. v. e. flesch ; kèpèhan 

dalem V. d. pungakan. 

«U9^, Sum. Z. 130, 2; kinipahan door 

pijlen, Br. Z. 17, 5 (sasarin, liniban); ki- 

pahana grandjaran tëngrah, Z. 37, 7 (kapa- 

kolihin upah batitjang, akipat pakoli- 

bin tëngët), 

Q6iu9\, pakapah rfthningr amara, Sm. Z. 
S4, 2 (patrëbès); ada kéna balang^sut tjn- 
ngnh makapah*9 Bngk. s. 226 (bloedenF). 

O9siou^^ (f), slng: dadl makèpèan, zich 
niet kunnen verroeren; ng^èpèani^ ibana, vgl. 

maklisikan. 

96iiuui^o|^ , z. onder asem. 

9Qiuuiru^ , aanh. onder duwahagi. 

«iiu^uq^ , z. onder këpupub. 

«uQsI|\ L, jav., kapan Unrha, T. Z. 6, 
8K (kali punapi pamarginé); rlnir kapan, 
hoe zoal. Kam. 20 b. (YgL kali kènkèn), 
Sum. Z. 84, 2 bis, Br. Z. 44, 15; ng:kapan, 
B. Z. 17, 5 (bin pidan); ndi kapan of ka- 
panen» z. onder ndi; ndinirkapan, «ring a pan; 
dok kapan nèntén kénl, vgl. onder dak; dok 
kapan kandap, hoe zou ik U onderspit delven l; 
dok tni: kapan, niet zoo fijn als ndi kapan; 
kapan wlwala rarl manlra, T. Z. 5, 107 
(ndi D^kapan tityang tulak); kapana, W. 
Z. 7, 2 (di kapan, duk ing k., ring k.); 
Tingr kapana tan; kawldjajan kapannraha 
dènlng kolon, Ud. 83 ('t orig. kutab sid- 
dhirdjajomama); jadln kapana tanpamlra- 



kana sarftt, B. Z. 3, 27 (jan ja tan mahjun 

ika ndanën djagaté); kapana kakanta 

sora, hoe zou ik U onderspit delven, B. Z. 29, 

12 (ndi ngkapiinën tityang këtjiwa, ndi 

kapan ika t. k.); kapanaqp, di mapa. 

n., z. onder këpan. 

96iiu9q|^, Klungk.. tkèn en adjak, l^an; 

luwas kapln 1 anu. 

wiu«si|^, ar.-mal. {^J^), doodskleed v. Ma- 
hom.; Klngk. kapan (dit Men. VI 331). 

«süoa-:) ^'^^ , 8., siku. 



o 






«siuQQ^, s. (kaupinaP), katok, aanh. 

onder pasar en kudung, broek f; knplnanlra, 

Sm. Z. 24, 4 (k a t o k), Z. 26, 9 (k.) ; tan 

(pa)knplna tanpakèn v. d. eerste menschen, 

Tt. als benaming v. e. kleeding, wat de schaam- 

deelen bedekt, aanh. onder alu. 
U86j9^ , Sbr., awar*. 

9siioloqq9sii9q|^ , jav. (kapwftnakan). 

gsiiugi^, s., R. 5 Z. 723 (sang wré 

p a t i). 

Qsuug^^ > z- bij tit ih. 

o u "^ ^ , jav., aanh. onder a d a d (dj i- 

rëk), djirët (l djirëk) pingé, «tangkilaD, 

«kawitju (f), dè^anta (f), zekere lansium- 

soort (piërardia racemosa, BI., te Batav. 

mèntèng), in 't sund. en te Batav. mèntèng, 

R. 7 Z. 2, 3; kapnntlang: mëpala abang, io 

pl. v. kalèsëra in de blbd.; vgl. onder pèlèt. 
QStuQQ^, aanh. onder swik&ra. 

9SI u ^ ^siij ^ , zekere vogel v. insekten en 
honig in de bloemen levende; als rymw. op 
kutjit, z. onder sësapi; kapëtjlt mèbangnt 



^^ 



291 



^\ 



ffOfSBtos$n ▼• e. geripg persoon, die veel 
praats heeft. 



«I 



u^^Miru^, z. onder tjèlu. 

i^\j\ , mak. of bug. (kaparSq, vgl. 't 
mal. paharf), schaal of ondiepe bak v. këku- 
ningan om horden of spijzen op te plaatsen; 
de rand laag en zacht oploopende; uit den 
vreemde aangevoerd en i f 2,50, de kleinere 
soort 650 hal. duiten kostende (alleen hij de 
Mahom. hekend); vgl. onder dulang. 

9SI u ^ , ar.-mal. {ji\^), zelden in pi. v. 
b a 1 i en zonder dat de Balinees er erg in ziet, 
in tegenst. v. sëlam, aanh. onder tahëh II. 

du^y jav. of mal. (perz. ^yl^» en Skr. 
karpüra moeten overgenomen zijn, daar de 
kamfer er als kalk uitziet), «ghanasftra, 
fttjandrasa&djnja, «waluka, kosapala 
(?), «kakkolaka, kamfer; «kaja ktpuTy 
R. 15 Z. 2, 3, alwaar v. zijn gom (g8tih) 
en zijn geur gesproken wordt, Sm. Z. 49> 1; geur 
V, tjandanaf, Sut. Z« 148, 15, v. d. mukha- 
wisa, R. 18 Z. 10, 17, B. Z. 41, 10;ainbënt 
kaponyav. de tjandana, Sut. Z. 67, 6 (hon 
srehuknjané), v. tjandana als djënu op 
't voorhoofd eens priesters^ Sut. Z. 109, 1 
(amhë*), aanh. onder srShat. 

2«, krijt (vgL tag. k a p u 1) ; i kapar, « w a- 
lüka; wadjanira sosury bjakta manimaja, 
wahwaoginani^ plnfro, kadi aiigmn kapar, 
ikaiif laü Iwir tnmètèsa ifisifisya umaiUasa, 
Pam 9 (de kid. Z. 2, 5, gsè'ngning laii 
tanilailg, wa^a wurjjaning asisig, 
bjakta manik toja kator pan wahwa 



nginang ping kalih gisigisyasmtt 

randi tanpèndah angtmu kapür Iwir 

tumètèsa kilang awor galadrawa midjil), 

Sut. Z. 101, 1; isèn kapar, een kleinere witte 

soort (Wnt. Zam. I. 282 geeft een lëmpu- 

jang kapur op); oOn; kapar kètèk ogèl, 

kMëng: katos v. d. penis; ladja kapar, Us. 

366, isèo kapar, 362, langkwas kapar, 560, 

laOs kapar, 242. 

IL, z. kamur. 

III., talani: kaparan, Smhr., tulai^ tjikal. 
9si^u\, kadjèt; kaper djaran, z. tafi- 

djupg; ngapèr, ngadjèt 

961 u\, ter zijde uitgeslagen v. d. armen v. 

iemand, die valt; open v. e. hand, die iets loslaat; 

kèpar*, vallend v. e. paard; kèpar mèoèk, 

mSkar mënëk, ook këpèr m.; ofèparangt 

de armen ver v. 't lijf in beweging brengen on- 
der 't loopen. * 

961 u ^ L, zekere visch. Man. Ahh. Z. 5, 1 

(jav. kipër, hal. këkipër; Ar. Bant. Wdh. 

s 

-.U); awak hundër kaja kipër. 

IL of këkpër aan de djantra; o|:lilo|: 
satra adji këpèr; këpèr* né bakal ada sQat; 
baka këkëpèré v. d. snellen loop v. e. paard, 
(vgl. onder u n d a r en 1 i k a s); kpèraa, • p r u- 
kutut^ titiran, Nw.; orta kpèr*ao, los 
gerucht; « aogèpër, aan komen rollen v. e. wa- 
gen, UtL 45; V. e. tjakra, Sut Z. 155, 6, 
Ar. Z. W, 7; v. e. knods, B. Z. 95« 7 (le- 
ng ëd); manfëpër, in zijn vlucht draaien v. e. 
vogel, R. 5 Z. 2^ 2 (nginjëngang, ngahëh- 
hëh); aanh. onder «sulamhër; aogëpër v. 
e. was tra door den wind, Sm. Z. 1, 20 



«^ 



^92 



^\ 



(mol ah); fadftnindwft pinatér lanftnirèpèry 
Hr. Z. i\, B; karaa mangèpèr, z. onder 
këmpwa. 

m., K. A«, yrn. = ëntud. 

9Siu^ Ly roode dun doorschijnende klee- 
dingBtof met geele bloempjes, waarvan hoofd- 
doeken. 

U., kèplr*, wapperen een weinig als een 

kleed in den wind; sarwa sarlDé pakèpirma- 

irlb pada manani^kis, Ws. 

» o ^ , wüte sch$lferfjes in 't hoofdhaar (vgl. 

lampab en r8ki; mal. këlemumur, lamp. 
kalimormor, bat. turtur); de katibu- 
bwan V. d. kluüng IL; makèpur v. rëbuk 
(Tgl. këpurpur); z. R. 23 Z. 12, 6 («ami- 
rir); ni^èpur, wUschilferig v. e. verbrande 
huid, vgl. ngempurf 

QSiou^v. e. bloem ongeveer als këmbang, 

» 

boven breed onder smal \ . d. p ë n ë k ë b, tegenov. 
lufidjung, V. d. hoeven v. e. paard, tegenov. 
kitjëp of njoblong; vgl. njëmplèh; z. 
onder këpar. 

901 u ^, z. onder këpër I. 

«siu^, ar., z. onder këkël. 

«uyA^osüj^ of kapërësëlf; makapèré- 

fjèky gelijk vonken, B.Z. 90, 7 (makadèpdèp). 
96110 v:)ta|^, z. onder krok. 

QSiu&o^\, s., moet in gebruik geweest 
zijn blijkens 't bat. babodaga en 't mal. 
gëdaga of këndaga; de bet. in Skr. komt 
overeen met die v. *t tag. sigaj, $chelp$oorl 
voor munt in Siam en ook om er mee te 
spelen (dat vroeger ook in den Ind. Archipel 



schelpen als munt gebezigd zijn geworden, kan 

men onder anderen zien uit de 2 beteekenissen 

v. 't jav. é tj é en 't men. en bat. r i m i s, vgl. 

ook remis en onder demi en kupang; 

vóór 't scbelpmuntstelsel waren slacht beest en 

de munt, zooals onder anderen blijkt uil 't bat. 

paduwa lombu, 4 met een rundbeest d. i. 
6 réjar batak). 

9a u \sii| ^ I., wat zachter geluid aanduidende 

dan k ë p r u t ; méképrit v. e. scheet, water, spog 
enz.; kapratkaprit (sic), aanh. onder pëtjëh. 

II., sas., pëtingan; vgl. prit en këbawi. 
9SI M^V prut, mèkèprat v. e. scheet; 

vgl. klëput en z. këprit. 

969 o UI ^ ^ , ngëprètln, bespotten iemand 's 

oogen V. d. gom b. v. v. e. boom, waarin 

men hakt; képratképrèt v. d. kont v. die 

hardlijvig is; né kédèk mallh kèdèkan;, pa- 

kaprètprèt pësu ëfi^it, Bt. 181. 
9ei*^LO^^, z. këtjrot. 

9Siiuro^^, s., apevorst, v. Sugriwa, 

R. 23 Z. 13, 26. 

96iun\sii|9sii|^, pati pofitjorong, Tjt., 

makaporatiik v. sterren, W. Z. 23« 11 (pa- 
kanjabnjab, patingkrëdap); v. 't maanlicht, 
Sm. Z. 13, 1 (patingkrëdap), v. vonken, 
B. Z. 41, 10 (pakadèpdèp); makapunUok 
Iwimikani: tjhatra ring halimaii Iftwan ratha, 
Bh. 31 ('t origin. (wètatjtjbatrftbyafo- 
bhanta wftranèsu dhwadjëdu tja; dus 
moet een andere redactie rathë&u gehad 
hebben); Sm. Z. 13, 1; kramniqg ratna ma- 
nindra rangkang ika bhaswar&kapnrmtDk, 
Harig. Z. 8, 8. 



^ 



395 



«^^ 



» M^\, mékèpnis v. d. paus*; i^fé- 
linisio V. e. slang; z. këpros. 

99"^ tjp^^, mékèpros v. e. slaog, die be- 
spuit; këpros*, «ftmbëk'; képros* pèsanwi- 
sjannjané, vert. v. R. 19 Z. 16, 10 (ii|:épros, 
Bjw., Djimbab en ngëprasin); z. këprus 
en onder ëmbus. 

OKnotjOAj]^, Bjw., komël (vgl. jav.). 

3SIU y pj rsi)| ^ , makapérisit als vonken, 
B 1. 90, 7 (pakudèpdèp); makapërèsét 
■trok mai^asa sè'k mawantahasolom ta* 
■aaipoh asasan, Rm. Z. 47, 7. 

»iu7iu9^, makapnmpnh, knetteren f, R. 
10 Z. 7, 1 f; pada makapnrnpiik, 10 Z. 2, 1 c. 
'sami dadi robuh); z. parupuh. 

)si u u ^, ngépérpër, klapperen v. d. wieken. 

isiuu\, z. kamprikan;ngepirpir y. e. 
dansmeid of die pgibing, de 4 fmgen als 

*t ware doen trillen. 

MM>* vgl. këpur;mëkëpiirpiir,t;/oftA0fi 

f. kapak. 

3giU7iurui|^, R. 20 Z. 18, 15 (paka- 

ijègijëg) V. uitgerukte bergen, 16 Z. 8, 7 
(pabaruwak, pakarëpwak); makaparapal 
T. takken, 7 Z. 12, 1 (mapilpil). 

«^uy^^Y?'^^» ]»▼•> B. ü. 81, eigenn. ▼. 
e. pL op d. Z. W. kust onder Djëmbrana, 
Tj. A. 43, telkens in Smw. b. v. Z. 7, 29; 
aapifëm paog^wlnan kaponüoftjak, alandèjan 
taagfiilly Amd. b. (Amd. s., linandèjan); 

i. purafitjak; aanh. onder tadji. 

m u n j|ni| ^ , gillend op den loop gaan y. 

Trouwen (Tgl. g i g i a n), v. d. voeten trippelen, 



antrog% Lp. S4, ontevreden wegdrentelen bij 

H vernemen v. e. weigering b. v. 

ou5o^, 8., Sul. Z. 97, 3 (ralu nisla). 

Ar. Z. 19, 2. 

» Cji\, z. këmprung. 

QSi^un^, jav. (*kapahiring), afgelegen, 



va 



ver V. d. bevolking eener woonplaats, 

gag-. 32. 

«siu€:3^, z. onder sikapa. 

9Siu9dï|^ I., R. 18 Z. 8, 6 (kablët); 
kapëkan mëmanah bij iets onbegrijpelijks. 
II., sas., sa bat; jèn takapëk; takapëkln. 

9siuQa|^, z. onder pik. 

«U9si|^ I., H. Z. 49, 6. Hari(. Z. 18, 7. 

IL, jav., de nit de kutnh getrokken boom- 
wol voor bultzakken, kussens enz. (vgl. onder 
girik), vert. v. tAla, Bb. 66, Wrh.; banjak 
kapnky eigenn. v. e. krijger onder Widjaja, 
R. L. Z. 1, 88. 

teitnu:)»!^, jav., afleeren iets te doen, 

afgewend zijn door vrees, een kwaal of straL 
isi u tsüj ^ ^ ng^ëpak, aangrijpen met den bek 

iets V. e. bond, zwijn, aap, djai^krik, een 

tjurida den lokvogel, een paard enz. (mad. 

tjëpaq, met de tanden vasthouden); vgl. pakpak. 

9auoa|^, mëkëpëky spartelen f v. e. vogel 

door een kreeft aan den hals bekneld, R. 24 

Z. 12, 9 (ngatëpèk), aanh. onder tëkëh; 

asahnt akëpëk sUih dadat v. e. paar vechtende 

vogels, Ud. 36; angëpëk v. groote ooren flabben; 

karnnftlwftn angëpëk v. GaAè^a den vijand 

aanvallende, Sm. Z. 3S, 2 (ngatèpëk); angëpë- 

këpëk V. ganzen, Sm. Z. 27, 8 (makabkaban); 



0611^ 



294 



oa^ 



Unèpékan v. d. wagen v. RftwaAa door 
Djai&ju, R. 5 Z. 2, 4 (ubagabig, katam- 
pig, katamplig). 

gsüUQSiij^ (vgl. pikpik), ngëpik^ plukken 
bladen of bloemen; mang^èpik, «amipik; z. 
k8pit en kétus. 

9SiiusS^, z. onder këpub III. 

9Siiu9Qi|^ I., af geknot b. v. v. lange nagels, 
de tuit V. e. trechter, 't oor v. e. kopje, de 
tjaling V. e. djangkrik (vgl. këpong); 
ng^èpukiii, van e. sigaar de asch afknippen; 
de tabak v. d. takjes ontdoen^ die *t weelderig 
warden der bladeren beletten; 2® of ngëpuhin, 
van horens wisselen ; kèpnkaii) wat v. e. sigaar 
afgeknipt is b. v. een hoopje asch, v. d. pil 
V. e. lamp (pungpungan sigi); këkepokan 
damar, Ua. 469; de takken v. d. tabak, die 
verwijderd worden om de bladeren breed, 
lang en smakelijk te maken. 

II., Shr., këmbang; kèpak susan, nn. 
V. e. p u tj u k-soort. 

m., kédèp* malang: këpnk. ting^lan ka- 
nëdèp katja, Djubil. 

961 ^ u:) 9Qi| ^ I., kumëpok v. e. knods op 
't hoofd, B. Z. 101^ 15 (makalëpok). 

II., këpok tik, këpok kettk7, zou op de 
pëtanganan der priesters slaan, Wd. telkens. 

9Siu9a|^ (vgl. kituk); kipëk*, milëng^ 

angingël^; aanh. onder gamhring; uf^ipèkang, 
verschuiven heen en wéér haar gat, v. e. hoer 
enz.; makipëkan, «umingël, «mingël (mad. 
kèpëk); manolih, Sm. Z. 8. 3, L. Z. 19, 1 
(«molah), «minggëk (vgl. makisëlan); 



makipëkan kadja, 't hoofd naar *i zuiden 

wenden; tong dadi makipëkan. 

ouoenj^ I., 't geluid v. e. danuh, Sm. 

Z. 50, 12 (krèbékan^ vgl. jav.), Br. Z. 27, 
9 (krèbèk), H. Z. 38, 21; B. Z. 41, 13 
(pakarëpwak) Z. 79, 6, Z. 96. 19, W. Z. 
21, 13 (makrëbèk). Br. Z. 27, 9; kamupak, 

Sut. Z. 128, 4 (magrèbëg); babaknya rodra 
knmnpak, R. 14 Z. 7, 9 (krësrës mabru- 
wak, k. bruwakanjané);kiimapakkaharan 
gëlapa V. d. koord v. e. boog, R. 4 Z. 1, 2 
(makrèbèk masawang kilapa, këpèlan- 
njané kadi kilap). 

II., «lawë'; knpak don «lawë'; sëkar 
sakapak, bij 't aanbieden v. offeranden, een 
bloemblaadje vooral v. pudak; ook sëkar 
a ka tik f; mëkapak, afgescheurd v. d. opper- 
huid V. e. lontar-blad, zooala b. v. als er 
een fout begaan is, om dan de verbetering op 
de onderhuid te schrijven; v. e. adëgan; 
n^npak, afschillen een pudak, een boom 
(vgl. batav. en z. ma bak); mangapak (?) 
ganongé, «mamupak; «pamnlnnini: f^ara 
(sic.) gaillng kalnngsar ingnpak (in pL v. 
kinupak?), Ww. b. Z. 1, 130; knpakan, 
't kelkblad v. e. bloem; këknpakan, bena- 
ming V. verschillende soorten v. sieraad aan 
deuren. 

2«, z. pupak; makapak, vrn. smaké- 
tus, Sut. Z. 3, 2, Mw. (batav. id.); kapak 
kaknnipnn v. iemand, die tegen iets aan- 
strompelt, Swg. 96. 

3«, wajahira baü snDd makupak, Dj pur. 
rare darang mëknpak, z. ipèn^ 



««N 



295 



^ 



saunj^, akaplk v. iemand, die zijn on- 
derhoorigen roept, Utt. 59; maknpik, R. 7 Z. 
5, 15 (makëpwak), aanh. onder nftrada, 
wëlah en prijaraAa; • akapik anjpgjat ma- 
nadahl, B. Z. 4, IS (nangkédjutaug nga- 
lapin Iwir maludjuhang); makapik asa- 
haran, v. e. kukulan, B. Z. 7, K (kalëtokanja 
malimbal, pakalëmpung abandungan); 
ani^ptU pa^ëh (een jav. hds. angamiki), 
W. Z. 3S, 4 (maogëpwakin, makëpwak). 

» u nj ^ , mékopuk, sloomen, stijgen v. rook, 
slof or water; vgl. mëlëpag. 

n^nuooj^ I., verlamd v. e. hand door 
een val b. y. of door 't dragen v. iets zwaars 
^vp:L sund. këpiëk; z. këpèd, sèngkok 
en kitiog); sakit kèpèk mati aslbak awak 
bapané né kiwa (Bjw. id.); vgl. onder dé jog. 

IL, kékêpèky «kapbali (kap&laf)» kara 
(jav. èpèk^f); tolising: kèkèpèk, sada, Kr. 41. 

'^«o'^uoaj^, koplèk, v. d. borsten, R., 
U. Z. 4, 27 (vgl onder pëntal) aanh. onder 
arddhanarè(wari en durga. 

ojsonuDoo]^ I. (tjuruk), een rand doosje^ 
T. vlechtwerk of wel metaal voor gambir 
en tabak; die v. blik zijn v. Klungkupgsch 
maaksel, een kleinere voor gambir (Gatal. 
Batav. Gen. 124); ook tjopok en klopok 
(z. slëpa); kopok*aBy tjitjiplukan, «nam- 
pukaf, Sm. Z. 4, zeker klein boompje (sas. 
kénampok, de pitten der vrachtjes zouden 
zoel zijn en worden door sommigen genuttigd); 
de kmderen maken er een knappend geluid 
meé, physalis apgulataf, hiervan een afb. 



Rumph. VI pi. 26 flg. 1; patèqfèraDiiig poh 

awasakna dèn tatas, jan ja biülk, pnfih apl 

nga. ; jan ja baden; sadadawa, paflh lomba*, 

op^ ; jftii jft tjlék tor afdé, pnOh kakaianfaB, 

ng^a., Jan Ja pntlh g^dé, pafth timah, iifa.; 

Jan ja patik mnndal, paflik kopok*an, Dfa.; 

jan Ja dawa maHng^kuh, paflh lalintah, nfa.; 

Jaa Ja ba&k g^dè, paflk tambapt, nfa.; ta 

jan ja drés mananak, (a., babakan awar^, 

ajah sapmèl, enz., Ss. 19; mèn kopok'an of 

kopok*, nm. door T walen aan Tjondong, 

zooals zij in d. gambuh ook heet, gegeven; 
de pop heeft e. dikken buik en e. uitstekend 

(djantak) voorhoofd; Tj on dong hoort anders 

in den w. gambuh; elders beet zij Mèn sri- 
djangklëk en is de vrouw v. Mrëdah. 

IL, ngropokamr, ngèmpogang, dagelijks 

gebruiken kostbare kleéren b. v., mëkopokan 

dl Jèhé V. die steeds in 't water zitten, ook 

zich geheel aan een werk geven. 

«in., jav. (tjurëk), pakopokaoi 't bin- 
nenste V. 't oor, fr. 

IV.« sas., pok pok; baké kopok slq imana; 
ngëplok^ang lima; kopok kêiify mokpok 

bangkjang; pouapa awalang: (tanana 

winalang g a I i h), djajèngrrana kanton kolité 

(agëtuk) kèwala „Jan si opama fompara 

(jen dipun upamakën), ajam ponika opami 

(tumrap sawung adjurit), patong: ^otjoké 

amsyab (hamzah); maoahé sampan ang^on- 

t|ir (angutjir), angrrasa (ija) si dJajèBgrpatiy 

amosoh ing: (pan tarung lan) tapèl sèwo, 

jata asokan* (lapgkung asuka^), sri bopatl 

ing mad^jini ngropok (ngëmbat) popo sarwi 



9SI\ 



296 



9SI^ 



alatah v. Nursèwan verblijd over Amsyah's 
nederlaag, Rng. Z. 16 v. H jav. hds. 
9siu9si^, s., z. swang II. 

9siiuo^^, tnktak kèpakuh (ook këpuh- 
puh)y zekere uilsoort met groffer geluid dan 
dat V. d. tjlëpuk (sund. buweukP), zijn 
verblijf zou den boom meer vruchten doen 
dragen, «katupukutupuk, «dok. 

osüuuj^, kabakap (üs. 185), karakap, 
Ss. 10 en kahapkap (Pam. Z. 5), ie grofste 
m oudste bladeren v. d, tabak, basé, sëm- 
bung enz. (vgl. mal. kërakap, men. kara- 
koq; z. latiijab); kapkapan, soort v. vliegende 
eekhoren, alleen in de bosschen, Stn. b. (sund. 
haphap; vgl, onder dangap^). 

osauuj^, z. onder kikip. 

ouuj^, faléns kapkap, galSng guling; 

mékapkupi médjangkut, mëglut; T. b. 3 
o.; ng^pknp èntud, ineengedoken zitten, de 
armen om de knieën als bewijs van onverschil- 
ligheid; Ukasé ngarnrah a|:aii|:, jan twah 
ada kaflla, manoiias raSs akidik, tan kalingu 
maalh èntadé kapknpa v. e. verwaten gun- 
steling door den vorst ontzien, fr.; padanda 
jên mamargriy masih 4^a nu ng^pknp éntnd, 
ald.; Jadin njandang; panakan; Ja kapkap, 
Bgd.; sifsli^an galëqgé kupknp, adjap* dl pam- 
rèman v. e. bedroefde prinses. Pk. b. (vgl. 
jav. kSkëp, mad. këpkëp, sund. keukeup), 
aanh. onder palilit. 

gsiouo9SiJi9Qi|^, ni^pèkpèk, spartelen v. 
e. geslachte kip, v. e. pas gevangen visch (vgl. 
i^ësèksèk en i^ëtëpèk); ngapèkpèk lan- 



tas nëmah' v. iemand, die geslagen wordt; 

bibberen v. koude? 

ouosurvp^, dëmang kupaklqtja, eenhof- 

groote onder den vorst v, Sunda, Tj. A. n. b. 
^u&oK , ngëëd, te hard v. gebak, dat niet 

goed gerezen is, 't tegenov. v. ëmpuk; (vgl. 
tëngal en padët), v. waluh, bijaüi^ enz.; 
n||;ëpëd| moeielijk losgaan v. d. schil v. som- 
mige sëmaga's; sufih mëkëpëdan, schatrijk, 

vgl. onder ëmpës, krëpëd en krëpët. 
9siioLO&ci|^ , ëmpok en ëmpak; i dnra- 

man raris nombak pan boni[;klin|: sèbèt ma- 
nan|:kls, tambaké pada makëpod, raris pada 
mangëlus këris, pada pasilib pëntil, Bngk. 
S. '252 waar 't gelijk staat met lung, want 
253 wordt v. lungan tumbakë gesproken. 
2^ (hier niet verstaan) uilgeloopen v. d. be- 
volking om naar iets te gaan zien, aanh. onder 
gorojoh, weg v. 't geen slecht is, aanh. 

onder pungkus. 

tsiu^ctj^ , langzaam voortgaan wegens pijn 

in de lenden door vermoeidheid of een kwaal. 
OQSHOuao]^ , verlamd y.A, voeten, vgl. kè- 

pèk en sèngkok. 

o «nu teil ^ , vermoeid v. 't loopen op een 

reis; moeielijk ter been v. e. dikzak; in 'i 



algemeen ook moeielijk loopen, wegens een 
groeten afstand. 

«iiu(^^, jav. (kapodang, in de Nw. 
verkl. door lëfidjët kagawangan), pamë- 
larira kanftbhra klnapadamp atnkar enz.. Mal. 
388 ; Hadji D. 32 (k a p a d a ng) ; snwënrira 
rinadjasèng^ mas winatang: géénh id|o klna- 
podang atokaTf Ww. Z. 3, 96; poUUra 



N 



297 



\ 



tittjttns kapnilaiiir (b.: tumudah?) tttwlq; 
■iiiqfy R. L. Z. 4, 144; vgl. pudangan. 
9Qiutsii|^, pat, de 4^ maand; saqgdèwa- 

Diq; saslh kapati «hjangning masa ka- 

tjator; pon&amèq; ktpaté mtqfkliif masan 

anaké maopmnrOy pada masisiir ma&mbnli, 

■a^fèsU rahina mèlah, Inh mowani, pada 

Ja mama^ja amara, Bt K4, ald. 6 't zelfde 

eD dan mapgai^goii, p. m. m. masan 

amudja smara, agupg alit, mapgèsti 

rabinan mëlab, z. ook onder pat. 

36iutsii|^ L, de nijpen of scbaren v. e. 

kreeft of krab, *supgot (mad. kampè, n^dj., 
katip; z. sëpit en onder katjip);«panibung; 
kaptt odani^ bij knapen ook als subëng ge- 
dragen; ak de tugëb maar aan H uileinde en 
eindigende in een vork; kapit*, een insektmet 
een gelakte staart, dat eenigszins v. kakkerlak 
in babitos zon hebben; kakaplti #kasupit, 
vgl. bat. gampit. 

II., kleven v. de oogleden door verdroogd 
oogYuQ, zooals met sommige oude menschen 
bij 't ontwaken H geval is, aanb. onder ojog? 

m.» kapitan, mal. (port.), titel v. d. kapi- 

tcin-Cbinees ; bepaald kapitné (vgl. onder é); 

^pipitan, als kapüem^Chinees fungeeren. 
991 u tnij ^ , makapnt v, d. mond door spog, 

B. Z. 13, 4 (klëmub^ maklumuh^); aka- 
pnt ▼. lieden, die bun vechten aan hunne 
vrouwen vertellen, Sut Z. 147, 9 (pas al ing 
biëtaiv). 

2% Vgapot, inwikkelen (mak. k a p u q) ; 
Uiapvt, «pin o lot; kapotan, als hulptelw. 
V. een in D p i b gewikkelden brief; surat tttyang 



^ara malajo akapotan, tjara bali akapotan]; 

kapol Inmoti èntjlt, tal enz., overdekt met; 

pangapotaOi *t geen, waarin telt gewikkeld i$ 

of moet worden; z. uoigkus. 
QQi'^utsiil^ L, z. onder pètft. 

II., bakapèt, sas., mëdjaoigkut. 

^ u) tsQ ^ , Umané kèpati taJoofaBné kè- 

pat (vgl. 8und.), kèpat* mamargii PdJ. 

QQiuirsiiK 1., jav., waaiÊV v. Chin. maaksel, 

wjadjana, tftlawrënta, tjamara, prakir- 

A a k a (Sbr. i 1 i b) ; tulami: këpët, Shr., jfcAou- 

derblad; #ai]|gëpëti, T. Z. 1, 6 (mapgilibi); 

ngëpëtln, bewaaien: djom këpëtin, Bpgk. S. 

118; kadi klnëpëtan, Hadji D. 93, aanb. 

onder il ir. 

IL, lajo of lajwa akëpëtan v. iemand, op 
't punt V. dood te gaan, nauwelijks een gevaar 
ontsnapt zijn h. v. v. iemand, die bijna opeen 
giftige slapg getrapt zou hebben, ook ajwa 
akëpëtan, ipnn mamaimik saqg^kalai ring 
alaaé, t^wa akëpëtan mati, T. hg. Z. 4, 32, 
1 matjan tangkëdjat mradjagdjafin, Iba ga- 
djah, apa ngëpnqg Iba, kèné ngaqgsnr ang- 
kihané, mairib këpnqg mnsnh, mah èngga- 
laqg orain kal, apaqg kai manawaqg, 1 
gadjah maaaflr, ajwa akëpëtan pë^Jah, kai 
bnsan, djnm boros ngëpnug kai, mambèdllin 
tor mamanah, ald. 34; aanb. onder onja; 
vgl. lajwa II., laju ailihan en këpëtpët. 

•III., makëpètan, B. Z. 36, 6 (rèpot, 

maoigrègotang]. 

9Siut5i|^ I., opengespat v. d. huid, v. 't 

uitgebroeide ei door 't kieken, eventjes gebar^ 
sten als e. rijpe srikaja (vgl. èugkag); 



Ji 



m\ 



298 



9SI^ 



saq; kama mèraiq^ llwat bakat wara pësu 
monjl aképit, Kid. Adip. Z. 5; mëklkèn kë- 
pit aplDé y. H semen op 'l punt van er uit te 
gudsen (vgl. këdjros); akèpit, akikit, pas 
uitkomen v. e. gewas; këpitan woni: djawa, 
B. U. B82. 

\l.s pëiik (z. këpik); këpitan, «angkup: 
zeer jonge, nog kleine, bladeren, die 's nachts 
piepen (vgl. onder angkup en këtjupitan); 
de jonge bladeren v. tabak; këkëpltan, v. e. 
zeer, als haar, fijn gekorvene tabaksoort, 
wordende die v. Ampënan voor de beste 
gehouden. 

2«, këkëran; pada mëkëplt, v. iedere 
bloemsoort één pluksel. 

m.» jav. (këmpit); ng^ëplt, ndiëpit, aanh. 
onder kftla; patrèm tansah klnëpitan, Stn. 
b. 17; vgl. mal.; nëhër sinadak ingriswa- 
pangëplt (pan^apit), T. Z. i, 68 (isu ka- 
pëtjak). 

QSiou^^, pèt; mëkëpèt, barsten v. glas 

door vuur, v. bamboe, v. d. voeten door groote 
hitte; këpètanii|ané kadi kllat, «kumupak 
kabaran kilapa. 

9SII o uo \sii| \ , mëkëpot v. d. beenderen, die 
lih zijn, zoodat men niet loopen kan (vgl. 
mëklètjëd); këpotan, gre/rnaA v. vingerleden ; 
Dg^ëpotin, knappen de leden der vingers (batav. 
krëpot); V. e. kutjit-dief om schreeuwen 
te voorkomen den keel v. 't biggetje ; uUhanga 
këpotanné, als de dief de kutjit verkoopt; 
kèpotan katak, zeker kruid, «kutjukutjur, 
«kadja^ran. 



QSiiu ^siw ^ Jav., z. onder kisat, R. m. Z. 25, 27. 

gQ u ^stij ^ , dallhanlk&malajwanl dadap ma- 

lajwa kipit èiig:a8 amrik anikas, B. Z. 85, 

16 (to anggona lingsé manutug dadap- 

qané palaibnjané mapidëngas sadyanja 

twah manj aru). 

9siu^^ L, makipat tapihi W. Z. 51, 8 

(nëkëkang tapih, n. sifldjang, maugling- 
ling lilit sifldjang), Sm. Z. IIB, 2;«akipat 
v« e. vrouw, die door een man wordt ont- 
kleed, W. Z. 18, 12 (matimpuh, manësë- 
kang, anangkisi, nulak), Sum. Z. 117; 2; 
hana sumaput limatnya satapilinlq; adyah 
aklpnt wëdin kaharasa, Kk. Z. 40, 6. 

II., de stuit V. e. varken (vgl. kibul buüng 
en bat. imput). 

9Q|u\sii|^, z. onder këtipat. 

ou\sii|^, te klein v. d. mond als gebrek, 
gezwollen v. d. oogen ten gevolge van worging, 
gebrek, meer of min geloken v. e. Chinees b. 
V. (vgl. k u b i 1) ; z. I u w ë r ; njaq; akopit 
twara mëkalah, zelfs een klein stukje is er 
niet van verloren gegaan, 

«II, {atji tëka ring: wnlandjar 1 knpit 
pada tanpadjala, Sm. Z. 9, K (Iwir f ridan- 
ta dikatëkanjané balu pada makatok 
olihnya kèlangan laki). 

9SiinuisiH\, kèpètan, z. pèpètan en 
onder angsu; sëqlah kèpètan, tot aan *t laatste 
nageslacht; ook sëqjah danoh kèpèt né; sa- 
ling; kèpètang;, madjëngka. 

osnoLorsn^, s., z. ddrftpati en onder 
kitiran; kapota pftlikfty witaqgka. 



«^ 



299 



\ 



O 



)^utsi^, 8.^ vertoornd; ngfapittftqf) op 

iemand vertoornd zijn f; z. ook onder upita 

en prakupita. 

«^looutsi^, 8., agalak. 

n«ou^^ inpl. V. koktah (ka en uktahf); 
tan koptahi «tan loka (de A in f veran- 
derd ziet men ook in sapta II). 

nu^^, 8., een slecht kind, tegenov. sa* 

potra, aanh. onder atawi. 
)6iuTSvrsi)]^, z. onder tut. 

39utmjitsi)|^, qfëpëtpët v. e. pas ge- 
slachte kip, Ygl. këpèt IL, ngësèksèk, ngë- 
tèpèk en pgëpèkpèk. 

3^u^\, jav., zeekreeft; z. kapiting. 

sautsu^, këpiiing, 0., waar 't ook met 

een dentale i voorkomt; sokuné llr kinapiting 

(jav. iigëpiting) tlbn kongsëb ring bëntor, 

door de ranlé salèman, Stn. Z. B; vgL 

onder domblèli. 

satji^^, jav. (perz.), «karpftsa, «wa- 

darè, «uripga, katoen met de pitten er 

nog in (z. gamët); kadyaqgganiqg nëgës 

kapaa kaden matlh twahnya nrip, miqgkin 

ké ënfak mtbnwah, Swg, Z. 1, 91; baton 

kapasan, de zaadplaats v. e. raensch of dier, 

de kern der kloeten ; (z. b o t u h) ; pakapasan, 

z. onder kalajar. 

iGuPji|\ I. (bbg.: pëgat); këpna, afvallen 

V. d. puoigsëd, (vgl. batav. en klëpus); aanh. 
onder butah; pgëpns, loipeuieren, plukken ^ 
vgl. ma spa 8. 

«II., Bjw.« lotjal, Stn. wastrané tëlës 
akëpns, Sty. Z. 6; kampoli këpns (tëlës) 



dènlqg lahé, Stn., b. b., Z. 7; paila kakèpn- 

san, tan adjrih baja ing kali, Dw. h., Z. 15, 

z. klëpas. 

«hua!^^ L, 888., slinken v. d. baik eener 

vrouw, die gebaard heeft (Bjw. kemp lés, 
jav. kalëmpis, lamp. këlpis en kimpis, 
bat. al pi 8, lapis en mëlampis); vgl. 
kimpës. 

II., z. onder këmpès I. 

QQi "^ u:> A^ ^ , afgevallen v. d. gebroken leu- 
ning V. e. stoel b. v., vgl. këtjoi^. 

SuaS]^, këpëtf (mal.), Hadji D. 71, 

kamanya ngipas awijar, Stn., bnjw., Z. 1, 

101 (sasigarf, z. aanh. onder prabusèt). 
oua!^^, gedroogde of verdroogde gëdë- 

bong, waaruit touw, waarmee tabak in een 

k r a r a s wordt samengebonden ; om brandhout , 

voor toltouw en de blangsutan, slioigkad 

(z. bagun sëoiggaük) en tëkës bij arme 

lieden (mal. v. kut. këlopas, vlies in de 

bamboe); basaqg kapas, z. onder basai^. 
9SiouA^\, de vinnen als v. e. visch, aan 

de pooten v. e. schildpad (Bjw. id., mad. 
kipës, vgl. kèpèt en pèpèt, sund. tjèpèt 
en pèpèt, ibn. paleped, lamp. këpaj, tag. 
kapaj, bat. hapi, alf. kakapoi, kakapé 
en kaehawé); de vingergelijke bladen aan 
weerskanten v. d. kop v. d. hl u wang, waar- 
mee hij zich in den grond werkt; z. tupggir. 
osiutvx^ , s., (roodackiig bruin), abaug, 

vgl. kapila. 

9siiutv^\, 8., konaqg anak bhagawin po- 

laha i sang kaplfft, nyang pi^illtla, n4ga 
labkaqggftli) knbanda katapatana, hala*, ika 



^\ 



300 



^\ 



üntaiggfnA tndja liDg^lLé loka, Ag. 29; Tjt. 71, 

anakira sapg wisyu (sic), mëtu pifatja> 

fraja, asara mamurddha wagra (wjft- 

gbraf), bègali (sic), kubanda, putanft; 

hala^ afldja^; aanb. onder krodbawafft. 
Q9I u ^ , zoowel de een als de ander, tut. 

61 b., aanb. onder ingu, beiden aaob. onder 
tjand&la (tag. kapowa, beiden), B. Z. 1, i, 
alleen, W. Z. 27, 1 ; maiyki kapwa halëpnl- 
kaïy Uma enz., Z. 18, 1 (wjakti meng- 
kèné karaf minikaoig radjyané ripg 
bimantaka, sapuniki kapi enz.); schijnt 
't bat. bapé te zijn (vgK uit de T. onder 
ka po), y. één persoon, dat hij spoedig berleve, 
is mijn bede, B. Z. 47, K, Ar. Z. 62, 11, Z. 
67, 8, Sut. Z. 21, B; tan hana kapwa kftrwa 
lèpitaaDi W. Z. IK, 14 (tan wanten punika 
sang kama karon uiëtan); kapwanya, 
zijne gelijken; ahjan i kapatyani kapwanya 
djanma, Bh. 18(vert. v. parasparawadhaisi, 
maar 't origin., 397, heeft hier dj aj ai si), 
saliaèrab&hos tadjaddkam , wingf^adbfthoc tja 
d&riuiaiii, Drëpar&ksasajos tatra» kgr^h- 
dkaita romaharsaAam, apa ta Iwlmi prang: 
ikiq; (b.: ning, lees nikang) manuèa mwaq; 
rftkaasa, sahasrabftha Uwan wiqg^atibfthii, 
Ja tikft katatakat kaf iri*, maririn; arës ma- 
naholnf wwang; tamlq; hal apa(n)tapwaii hana 
manf kft ri laf i, apaj&pan kadi patampahning 
s&farftlih slkl, kadi papafot (b.: papaga) 
niig wnkir kapwa (b. : p a <! a)nya wnkir, kadi 
patémoning; nidra Iftwan k&Ia, paghftsa ma- 
wantak tikanf sandjata ri tanganya rasika 
kftlih, kapatali kapli^fën (b.: kaplintapg) 



ta da^adèfa dèni^f {abda, ütt. 40 ('t origin. 
32<^ srg.: s&gar&w iwa sangköabdaw 
tjalamül&w iwètjalaw . . . rudra 
kdl&w iwa bruddhau); kadyanffaDinf 
watanf kahala makamba^fan rinf tasilL, dadi 
ja katjaAdnk, kapanffih l&wan kapwanya 
wataqf nyata jftpasah mawah dadi ta jftpapf - 
fih mowah, ma^fkana, ta papangfihniqf sar- 
wwa bbftwa Iftwan kapwanya, anitya Ikk 
nyata makftntaqf mapasah, dadi tajftpanffih 
mawah, tut. 65 (Ind. Spr. B093); kapwanira 
bbndjanffai Pg. (papadan ida paftilita); 
pada kapwa, R. 3 Z. 1, 22; nihan ta kotta- 
maninf kaaatyan nkng Jadjnja, nftnf dAna, 
nanf brata, kapwa wëna^f ika manfëntasa- 
kën, sor tikft dèninf kasatyan, rinf kapw&- 
ngëntasakën, tut. 18, aanb. onder rat& (z. 
kapw&nakan, waaruit op te maken is, dat 
't ook als U ware, gelijk, beteekent). 

^genugoj^, z. èpuh. 

o u:)gQ9SigQ|^ , kapwa en anakan, ka- 

ponakau, Bh. 46, bis (vert. v. swasrija, 
waarvoor H origin. bhftginèja beeft, dus = 
men. mal. kamanakan); tan wrnhën bapa- 
nya ikang; anak, tan wmhan anaknya ikan; 
bapa, tan ènfët jan wwang; s&naknya ikani; 
wwanfsftnak, tan wawarënfëh an kapwanaka- 
nya Ikanf p&man, ma^fkanft tèkanf kapwl- 
uakan tan nninfa i p&manya, astftm tikani: 
mitra, tan ènf ët ja ri mitranya, Bh. 46 (vert. 
V. na puttrab pitaram djadjnjé na piti 
putraiii aurasam na bhrftt& bhr&taran 
tatra swaarijo na tja mfttulftm, na 



«\ 



SOI 



^\ 



mitolac tja swasrijam na sakhftjam 

sakhft tadft). 

«ugeiil^, makèpwftk, «apgupiki, «aku- 

pik; iq;épwakl]i, #ai]|ggupi, bij iets in de 

kmdem een klappend geluid maken; mtm^p- 

wftklii, «aoigttpiki; kékëpwakan, klelterbam- 

bee om de eekhorens van de Yruchten Ie houden, 

ofwel tegen de togels aangewend (Bjw. k o plok, 

▼gl. jav. en sund. koprak, lamp. kakapaq); 

kuaspttl këpwagan of këpwakan?, nm. v. 

e. spook, de boomen schuddende; s. gëgodèg. 
nunj^, knpwak(g)amënt|yaiv, tjti^- 

4i«fuya agatlk, Spt Z. B, 216. 

96iuifu|^ I., mal. (Tamil), schip (vgl. bat. 

hopal dat op een vroeger këpal wijst), 

wtsin svtrt kapal kandas; da kapal of pa 

kapal, geadspir. pa (C ; jav. pa palja, welk 

palja wel palwa is; in de onder tambing 

aangehaalde woorden beteekent 't vermoedelijk 
boom, z. III. 

^•s jav.» «turangga. 

II., nm. Y. e. boom, met zeer licht hout 

Toor bëbaluk djaripg (Bjw. kaju djaran); 

Ujn kapal, blauwe laaghangende vruchten; 2% 

eigenn. v. e. pi. in Mngw., vanwaar groole 

waterkaiken (tjaratan en sëndor; vgl. onder 

wariiigin) en ook op Lombok; obi kapal, 
z. onder anturan. 

6iuru|\, kiaapll kanln (b.: kani) kmg 

Itjwaii riminiban ing sasamplr v. H lijk der 

prinses, die zich ten dood gewijd had, Kid. 

Sood. Z. S, SB. 

«uiuK I., de jonge bladeren wit en de 

Tracht uil gebrek of wegens duurte v. d. areca- 



noot genuttigd, ardjunataru, «kalpataru, 
B. U. 82. 

II., jav., wlstya këpëla, B. Z. 79, 1 (ma- 
tya upama nasi, lëwibf nasi); kanti 
sandèkala raris, pada ndabdabaqg Unnril^» 
makëpëlan wastanipnn, fr. t. : kpëkëpël, ontbijt 
na 't ontwaken, R. 21 Z. 1, 10, IS; këpël*, 
12 Z. 2, 16 (nasi makëpël); makëpël, aanh. 
onder darawaj; nëkëpël, ia kluiten gekneed 
V. gekookte ryst (vgl. bat. ha pol en po hol), 
V. d. aarde om tatal te maken enz. 

2«, nm. V. e. kleine bijna vuist-groote kti- 
pat-soort, grooter dan de ktipat talnh; 
in de Pabratan knpat këpëlan; tape blja 
iQadJa «11, këpël abug tnmpéngé pada ma- 
danan (b. : madadwa). Pan Br. 7. 

9Siuru\f, aanh. onder ënis en osol. 

9Qiuoru^, s. (fcAede/), «mastaka, tut. 46, 

• lalaia; R. 2 Z. 1, 42, L. Z. 23, 11 (galih); 

Sm. 8, 21 (tjangkok), Z. 22, 18 (gidat; 

vgl. mal.), z. onder tasi en aanh. onder k&la 

en kèrè; kapala kampong, mal., U hoofd v. 

e. Mahom. desa; ngëpala kampong slam, als 

zoodanig fungeeren. 

96»Cru^, kaphala^oka, eigenn. v. e. on- 

derhoorige v. Widjaja, R. L. Z. 7, 11, 50; 

iki katarablqg kldnl woqg godèg lèmèt to- 

hwabëtjik wwaqg malaqg dulwftdëllag arftpa 

kpah amowas konen Ika aogalor kapkala- 

{okftranèki Ikana tonggal woqg amAka ha- 

wèra, ald. Z. 6, 14, 29. 

96iu:>ru^, 8., (JftiNi, Wd. 31. 

«uru^, s., R. 7 Z. 1, 2 (barak, baftk. 



iit\ 



302 



jé^^ 



baönf Ygl. kapifa), 18 Z. 7, 17 (rakta), 
V. runderen, aanh. onder sëlut, v. e. als een 
leeuw er uitziende, Tt. 229 (« jav. wit, men. 
k u p i 1 &9 wilachtig rood als sommige rundbees- 
ten, ygl. ook sund.); eigenn. R. 20 Z. 9, 14 
(brahma), Tjt., z. aanb. onder «tjiwara; 
lèmbn kapila, aanh. onder wawan; kapila- 
djfttft, fanfFgft padanya dnmawab rikananfp 
kftptla, dj&tft bhat&ra paramèf wara Jèka mi- 
pkogi Rm. Z. 8, 16 (vgl. onder tripatha); 
kapilad|atftdhara v. Bijasa, Adip. 70; kaplla 
këto, eigenn. v. e. gandarwwaf, Tt. 5 o. 

2^ eigenn., z. onder siddbarSi en aanb. 
onder sadyub. 

3^ z. onder suprasèna en aanb. onder 
kuf a. 

Qainu:)TU\, g., pipi. 

» 

QSi'^urui^, z. onder këmbang kuning 

praü. 

9Siururyp^^, aanb. onder djaloka. 

0«snu^ I., z. onder djènglar. 

II.» këlèt, bungkah, bonglak, v. e. li- 

cbaamslid, \ boofd , «lutjut, «laklak; 

i léngar gidat koplar v. e. buk al, die bem 

gebeten bad, Tjb. Z.; kakln koplar, aanh. onder 

tjoltjol. 

«oiLoruKÏj^ (?), z. onder darawaj. 

9Siiu9Si|^ of ga pi uk (z. ald.); ngaplak, 

em $laq geven op den bek b. v. 

Qsiusoi]^ I. of kaplak; mangëplak, 

#gumrit> «npangbrik; ngëplak tangan, 
z. onder gëpok; ngëplaUn, iemand een ooT" 
vijg geven mei de hand, den kop v. e. bond 






b. y. slaan (batay. id. en këpëlak); ook nge» 
plagin. 

11.^ makëpltk, achter een woord ter yer- 
sterking der beteekenis b. y. sajaqg makèplak, 
y. iemand, die bij een vorst zeer gezien is; 
putih mëkëplak of ngêmplak, spierwit als 
de bladeren v. d. sèmpol (mal. p. mëndjë* 
lëpak, jav. p. mëmplak; vgU njamplak 
en njampwak); mëiiëplakplak, open v. e. 
bloem, y. gebarsten bamboe, v. d. tufidjung 
sudamala; z, këmplang. 

oGq^^, makëpiëk, B. U. 48; makëplèk 
mati, këplakkëplëk nfèlé ati y. e. zieken. 

U9siil^, kèplakkèpluk pësa balé mafi- 
klr, raadsel op man dor i; këplakkëplak pë- 
sa bulan dadwa, raadsel op ngëmpug njuh. 

9SII o up gsüj ^ L, këmbung, v. d. klooten 
V. e. gègèan, die na de lubbing zich wéér 
uitzetten; pëkëplokplok y. puisten en builen 
(vgl. mëkëplos). 

IL, jav. kaïqr kala giraqg mèkëkèplok. 
Sdm.; iigëplok*aiig, de handen klappen bij 't 
joelen, vgl. plok. 

QSi u 9Sii| ^ I., loslaten v. d. bast v. e. boom, 
y. d. korst v. e. wonde of een pok (vgl. batav. 
en sund. somplok); ygl. klupak. 

II., iiaplakkaplik , flappen v. borsten of 
lange ooren; vgl. onder ëmbé. 

o 900 n u sdüj ^ y. bangborsten (z. kopek), 
ygl. aanb. onder buwaja; kampèk miei të- 
mako, qloqjo koplèk maslh kanggo, boenend 
lied, ygl. lèpèk en gablig en gablèk. 

T^^TJ^^^' z. këkëpwakan. 



«»\ 



303 



\ 



9SE 



acr)rum\,s.«aanh. onder bubatllen si. 

num^ooi]^, v. këplak; pëkèplakplak 
niniitili ▼• d. witte djagung. 

'^7}^7^'ïS^^ ' ^' oi^der këplok. 

98iuo^gQ!|\, makaplëtok v. vauruiteen 
rots. Ar. Z. 8, 10; makapëlètok v. boomen 

door brand, Sut. Z. 135, 7 (vgl. jav. plëtok). 
isinu a!^^, qpiplès, op zicb '/ water schep- 

pmde doen plassen v. iemand, die zicb baadl; 

Tgl. tampès. 

dupj]^, mèkëplis, opgezet, zwellen v. e. 

wonde, v. puisljes geèiterdf, glad eruit kernen, 
T. e. kind (vgl. këblos); akëplisan v. 

▼nicbten. 

nupAJu^, mëkëplos en mëkëp lus- 
plus V. gebarsten lippen; akëplos, z. onder 
wingsil; mëkëplos, tegenov. sarantaf; 

akëplos V. d. oogen, aanb. onder tinggi. 
oioooupwij^, Bjw., slap als de ooren v. 

e. Europeeseben bond. 

nu AJ) ji AJij ^ , een veer een doodgaan v. 

planten, kinderen b. v., vandaag een en mor- 
gen weer een, Gj. pëkëplèsplès mati. 
nuruu^, z. onder mijana. 

uYun, s., kftpiljanftgari, 't gedeelte 
V. Drupada's rijk, dat bem Drona, na 't 

overige genomen te bebben, overliet, Adip. 85. 
aunt>vo\, z. onder lëjë. 

«Snï|^, «gëpuk. 

9eiurii|\, qgaplof, op iets ender *t spar- 
telen net neerkomen^ tegen iets aanrennen de 
horens b. v. tegen een boom; papak kaplu- 
|ina V. e. blinde. 



Q9iurn|^, z. këplak I.; këkëplafan, een 
kleine bëbëdilan, bestaande slecbts uit een 
geleding bulub en dus zonder përanak; 
z. tëpèngan; 2« een papab v. e. pisapg, 

waarmee kinderen zicb vermaken door er bard 
meé op den grond te slaan. 

991 un|^, mëkëpUir v. d. stop v. e. Besch 

limonade gazeuse; z. këplug. 

gQiuni|^, plug; mëkëploi:, barsten door 

de bitte als een ei b. v.; kadi mëkëplofan 

sakité; vgl. onder garing en z. këplig 

(ma këplug v. e. geweerscbot, Tj. b.). 
9siuruni^ , jav., kftrkolakah üuais kapo- 

lafa, Sw.; vgl. kapulawa. 

9Siiunian|^, mëkëplofplagan, ploeteren; 

all nanyan mèkèplafplafan mënahin, ton- 
den pragat. 

QQiuvu^ (vgl. mal. en tag.), Sum. Z. 7, 

21 (bis.), tnmalosa tan kapftlaoga ta silinl 

sang mnniwara, B. Z. 48, 4 (durusaoig ugi 

kni s&mpun kalëtëban itjan sai^ paA- 

dyané, d. sampun nugëlapg pai^an 

sang jatindra, puputapg norana kawa- 

ran ikang wlas ida saoig pandita lëwib), 

Z. i, 22; pkiké tan kapalaqg» Mal. 101; twara 

kapalang, elkaèr in scboonbeid niet toegeven?^ 

aanb. onder imbang en pitik. Mal. 115; 

strt s&mftntasotA padftkjaqg araras ndan arada 

kapalang tiniqghalan, Sum. Z. 157, 8 (Kid. 

Z.3, 121, sakèb sapg paraputri padftju 

mangké tëka sira (Indumati namentlijk); 

kapalang t., ksamftkëna ri lëwësnya kapa- 

langèng gnAa, vergeef V, dat zij zoo zeer te 

kort schiet in deugden, ^iswXu onder tjungking; 



^\ 



m 



«\ 



dat ik n in uwe heerlijkheid zie, mara tan 
kapalaoKalam: war&nag:raha rahadyan saq;- 
holan ri plnakaq^huliin, Bh. 57 ; nora kapa- 
laq;, «tataowëlang; hajo kapalang:, Dj. 
Pramèja 7, 11, 23; satya bhaktl tan kapalaq; 
nmiriq; pftdnka hadjl, zij aarzelde niet haren 
Yader in den dood te volgen, Kid. Sund. Z. 
3, 11; zekerlijk znllen we overwonnen worden, 
hajwa kapalaqf palèkasnlra, zoo niet onvol- 
doende is de tiilnuting r. hem, den prins, B. 
Z. 2, 22; h^Jwa kapUai^ (m. c), L. Z. 19, 
6 (da iman^); tnha* ^jonya nora kapalam^, 
en sapatijajnaja nora kapalaq;, Spt. Z, 1, 

19, Z. 2, 4; kapalaq; tnwonya v. mismaak- 
ten, aanh. onder kutjitftngga en këmik. 
9Siu\, ng^ëplinirplinfp, v. d. huid met een 

buikje bezet ; pëkëpllnn>Iing^, met buiUjes bezet. 
9SiC^^, tjopong, aanh. onder tjlupak, 

kaplni^^an, benaming v. buisjes zonder mouwen. 
96iuu^, mèsi kapipi, B. Z. 4, 9 (mal si 

gapgapan, kaping madaging). 

9Siuinni|^, op zwart zaad, geen duit op 

't oogenblik hebhen, U. Pngr. 52; sdën|^ kapt- 

4tii:a mani^Un, zegt iemand den crediteur 
afschepende. 

wi^uu^^, B. Z. 3, 1 (pi pi); kapèja 

(uitgave pipiné) lèmpong turmontok, B. U. 
834; vgl. kapola. 

9611 u|q^, makapjah v. d. wind, Tb. 8. 

m(^M^\, V. ëjëb, R. 10 Z. 1, 2 a; 

18 Z. 3, 9 (pësu panjnh); z. kapèjuh. 
«i'^uujq^, Bjw., kapojuh(Sut. Z. 74,4, 

Stn. b. 21, Z. B), Stn.; z, «kapë'jëh. 

n«nujQ^, mal. (ar,). R. sas.; rood calotje 



door de baris tjina gedragen (*t sas. kupijah, 

z. onder sopgko). 

Qsiuu, mëkëpjar manah tityaop» opge- 
ruimd tengevolge b. v, v. zekere spijzen. 

nosnoup^, Bjw., soort bnbuh, maar in 

een blad gewikkeld, lëlëmu; igopjor bèbrè* 

ogosé, songkob tufln kumisé. 

2«, z. onder kotjok. 

Qsi u| n ^ , eigenn. v. e. heilige , die H a n u- 

m & n, toen hij S i t ft moest bezoeken, onthaalde 
en den weg wees, R. m. (R. k. kapiwara, 

mal. R., bl. 131, ei;'^)- 

Qsn uj gdii| ^ , aanh. onder d u d u s. 

Qsi u j gdi| ^ , Qi (pijaog pangiifélé tmnëmèn? 
Inhor këpjak* tjaksnné molorok hllaté mo- 
Ind kèng^ls wahosé, Tj. A. ; akëpjak* ing knkn 
V. e. dansende heks, Tj. A. d., his, z. onder 
ka kak. 

^ui gsüj^ , tajnng^ané këpjatkëpjat, Bs. bl. 

goiuuxajoj^ , z. onder asem. 

«^urgp^^ , jav., Mw. 

Qsn u noru] \ , jav., aanh. onder 1 i m p i t, 
kaja wong: kinapindjal tan anten (b.: antëo^) 
nggonlng alnnfpgnh v. e. verliefde, U. Pngr. 
17, Us. 152. 

QSiunoTUN, s., z. onder *hajam en 

I 

«tjakikjar. 

96iiun|^, Kam. 16, makëpng, «kantëp; 

tnwina pëhpëli tjalingqlané sëdëq; tadjëpa 
makëpng kabata ritlné, verkeerde verl. v. R. 
14 Z. 7, 2; pati kipng^ overal tegenaan slooten, 
aanh. onder këdiding, zich reppen, zich ver- 
moeien als een moeder voor hare kinderen; 



o 



«\ 



SOS 



«\ 



iBgétMir ^}^ mèmé, dak ^ai oé èna ^èniky 

tajah san mèmé rato, ng^Jahiii i ^ai rato, 

mavfamrèli bakal da&ré, patibabar padki- 

psf f lémèq; lèmah mangaliliani^, een moeder 

haren vertoornden zoon trachtende te belezen, 

haar niet voor hare ontrouw jegens zijn vader 

Ie straffen, Pdj., palikëpan^ttikëpiif, aanh. 

onder srëdah en dusin; nlhan sani^ hj^ng 

kpafan, mfaranlra, parjjuk tnlis sakwèh- 

■iBf mi^ofa, tnrturlq; apnj palaqja, ma, 
r: méa fcapaqfka Ibanirko hJaniT bhatftra 

wiséa, kadi hJonln|n"^am[: kabèh tamon bha- 

tira w., hjanliq^waiv kabèh IrJJftkn, kadi 

rihatorwaq; kabèh tnmoD bhatftra w. sl- 

haalpf wwaqg: kabèh irjjftkn, siddhl* man- 

Ira^fka sw&hft; samAdhinya rln|r wni^i ma- 

apulëf atapakan wato, maii|:agim wwal riq; 

lampomnf, ptikakèn aètadè^a; mantranlni^ 

aagapaj nlhan, n indah ta Uta hitokg 

br&hmi wlaiia kita mafawé haslh, tanuakën 

awakta ring lambakft, hajwa Ijawnh, asinir 

lira mangjofawldht, tarantara (f) sani^hulnn 

rinf lambakft, siddhi* mantrani^ko sw&h&. 

mantranliif anirhapaj, Ikft, korëbakën tn|r 

jpaaé iayftna wwat, slddhèsiniT tadahnya, War.; 

tfëpnirln, ngantëpin; ka&niëp angëpngrin, 

•amagut; sama Iba talah, lanfkap (laug- 

lah, dapgkah of lapggap) mangëpofin 

È(opglcal), woorden v. e. zich sterlc 
ide V. zijn vijand^ Heg. 416 (langlLab 

«unnol^, iLampëgan (mal. tërpëgan). 
ianunniJinl^ t, «apëga. 



IA VI 



u. 



9Qu^, sas.9 teredo navalis, paalworm, 
die 't in leewater zich bevindende hout aantast 

(mal. id.). 

9^u^ 1., eau ijle soort v. zeildoek voor 't 

dak V. e. tëtaripg; vlechtwerk v. ibus of 
kubal voor zakken of dipgding, Bbg. karung; 
aanh. onder tjalompopg; Qt^rlng kaping, 
zon een andere naam zijn voor warioig. 

«IL, mangaplngl, SuL Z. 113, 6 (mai^a- 
bih); kèn bajan kèn saiq^it aamftqgaplngl 
sira, Mal. 355 b. (bij dit apgaping ook te 
denken aan 't mad., waar H = apit is); ka- 
plngan, #<iampa, Ud. 11, bis. (vert. v. j&na 
en wim&na), Sum. Z. 143, 9; siqghftaana, 
kaplqgan prabrëtl, Ud. 115. 

IIL, dl kaping mmngé ambahln, aan den 
kamt (vgl. samping); ngambahln kapaoga- 
piqg, «adalan ii^ wukir^an. 

Qsiu^, kakapnnfan alaqg* voor 't mëlit. 

Ar. 7. 

9S« o u ^ , zware bakkebaarden ak die v. e. 

tijger of die v. Bbima (vgl. onder taliku- 
ran); v. e. djaugkrik, dat er zoo uit ziet, 
zoodat hij in 't gevecht zijn tegenstander vrees 
aanjaagt, Jadin wèntën anak bangras, aèng 
kapèng tor pradjnrit, sampan sada grlng 
mawëdang, galak kreng ngaljlwèn tanding, 
sampnnang patl iïdjrlhln, fr. 

9Si«|Cn^, sas,, «glut; takapong, rinaoig- 

kalan; sapëngapong, «sapluk. 
Q9iu^, z. këpuoig. 

Qsiu^, këpëvgan tëka, magënan. 

^u^ I., droog en stijf y. d. lippen, vgl. këtip. 

90 



9è«\ 



306 



^\ 



2% y. iemand, die zegt iels niet te bezitten, 
omdat hij \ niet gaarne uitleent. 
II.9 z. onder sSping. 



^ ^ 



o Oj \ L, ni^ëpani^i nazetten, vervolgen v. e. 
hond een zwijn b. v., «angusi; këpani^ 
« t i n ü t n y a ; ang^ëpang mrëga, T. Z. 5, 94 
(abubaru); ook ngëpang. 

IL, jav., mangëpang parané, •mapgëm- 
buli puri, angëpang, Z. 4, 30 fngitër); 
kakëpungy «inusi; «këpapg om 't rijm, 
Was. Z. 2, 4; këpanga, «tinütnya, T. Z. 
B9 94, buiten 't rijm, ald. 24; kinëpang ing 
safldjata, R. L. Z. 7, 128 (rinëbut); 
a^Jana malaja rowangta këpangën saking 
paqgkar, Mal. 122; vgl. ëndër. 

«III., sas., bakëpang, mëtjimplungan. 

«oiou^^ I., këpuk V. d. hoorn v. e. hert. 
«IL, z. onder lëtong; djalak këpoqg, Bjw. 
9S«u^, z. onder dipang. 

if5iiu\ I., jav., «tjakra v. e. wagen, «tikë- 
lan, Br. Z. 13, 26 (panjëbëh, tjakra); 
Upingan v. d. tja k ra-slagorde, tegenov. saki; 
Sut. Z. 126, 6 (pamën^ku). 

IL, zeker gebak v. katjang. 

2^ Bngl., djadja opak. 

ou^ L, knpa'ngy een schelpsoart, Sut. Z. 
86, 8 (unëm), B. Z. 6, 12 (kakupa). 

2% iOO, en tëlung kapang, 300, WiKGh. 
Z. 5, 4; roqg kapaqg v. d. vrouwen v d. bal 
Yorst, Kid. Pam. ('t proza sa tak); een schelp- 
soort, die evenals demi, als geld circuleerde, 
Ygl. mal., volgens 't Mal. handb., onder sësapi 
aangehaald, bl. S2, sapuluh rij al, bug. 



upang, 10 guldenstuk; 4 npai^, één mis; 

bat. hupang, bis. kopapg; vgL sund. «jav. 

sakupang, satns, in 't MaL v. Banda, 'l 

sangirsch en een der alf. talen bet. kupai^, 

geld in 't algemeen; mak. kupa, benaming 

V. e. schelpsoort en een oude gouden munl; 

ternat. de waarde van 7 cents of 7,4 reaal,| 

lamp. kupang, groote saga-boontjes om goud 

meé te wegen (z. ook onder sawé III eiij 

k a p a r d a k a) , 0. II. 3 a.: Adig., anakapang,| 

0. (II. 1, turun sakupang); sawatara wontën 

rong kapaDg bahitra, Kid. Sund. Z. 1, 40. 

IL, zekere groote boom, waarvan de uit- 

spruitsels, als blandingan smakende, voor 

lal ah gebezigd worden. 

IIL, eigenn. v. e. pi., z. onder tèga. 

QSi u ^ , jav., oor (k a r ft a, vgl. onder s u ni- 

pipg); ook kopipg (omstreeks middernacht 
zijn de ooren volgens 't algemeen geloof kleinei 
en dit is dan ook 't teeken, dat het midder^ 
nacht is, vgl onder pirët); lamp. tjapiog^ 
bat. suping, malag. sioTinSi; ringgit koping 
z. onder sopgkob; alihang kaping, zegt men 
tot iemand, wien men 't goed aanhooren aani 
beveelt, Bngk. s. 160; bnjat matjan kaping, z 
onder pandakan; arong kaping, fluisterend!^ 

V. iemand tot zijn bedgenoot, Djpur.; rëball 
kaping, aanh. onder wadha. 

2% de twee houten knobbels aan weêrekan 
ten V. H schaafijzer, die als \ ware de vleugell 
zijn, z. pëmadja. 

9Siiu^ , de grootste lepelsoori bij 'i o^arJ 

gebezigd (z. soda, si jut); dini sadja Qand^ 
madah, adji kètèng Ja akèpang, Lb. 



tSk\ 



507 



««\ 



t\ feu handbreed plat stuk hout met steel om 
i\] vast te houden» dienende om er de duiten 
kij 't tjontok pulangan meé op de dulang 
te werpen; vgl. onder dj Ai. 

3«, talaq; kèpaq;, Bbg., schouderblad. 

^iBkn\^\, sas.y pi pis (vgl. mal., men. en 

kaU i«adj. kiping). 
nisou^, een tjaratan v. sasaksch maak- 

t\ naar een desa op Lombok dus genaamd; 
U^panr» Tj. A. Z. t, 41. 

isiLion'^9Q|^, z. onder pingu. 

nun«I[^,jav. (kapi en ingiu), 6c- 
Ispaii scheppen. Kam. 24, Adip. 57; W. Z. 2, 
I ,dii]f[arjjan, démën); ^apèng^bin (m. c), 
I. Z. 12, 14 (tumbèn); vgl. onder bilala. 
^un^^, «lub, kapiluh, Was. 4; z. 
■der lub en ilu. 



n 



o N 



)9iu m ^, vergeetachtig f verstrooid; z. lipg- 

*^ 
opg. 

ianuon^, leker muziekinstr. best uit 

wee bekkens, kleiner dan trompong en 

prooter dan de rèjong (ndupgding is 't 

|duid); tegelijk met de rëjopgP bespeeld, vgl. 

nder tabëh. 
ïakx^\ (kaler), naar de analogie v. kangin 

■ kaüh uit ka en een vroeger adja (bug. 
tnnenlamd, Ts. v. H Batav. Gen. XXXII SI 3; 
. dadja), '/ Zuiden; elders '/ Noorden; ma- 
fa^a kani^inam:, «apgawètan ai^alor; 
gadjaoaq; (ugalèrang), Z. waarts, Z. waarts 
fÊom, a liga lor; mitapis djaka (d. i. duk) 
•lèlèsp ka^a, dok éDf kèn i^loq; aanipkèta 
kolèlèqg kadja is sapgkèt). 



QQin^ L, sas., tityang (ook Smbw.). 

II., z. adjir IL 

9Sin^, makidjo v. iemand, die besneden 
wordt, gebonden; ng^dja, met gevoeld iets, als 
b. V. V. e. geneesmiddel te eten of te drinken 
geven aan een kind (z. tjëkok); pan malan- 
dang: djani ngnrasa Ibak, rèngas paltiaté, ml- 
rib nptfènaDg malalb, kanoman ndèmak 
idja, sajané mlla mangè4Jai laflt snmng 
kanatahé, ada manëfaUn tnndan, IQu adjak- 
nja ngglslang:, Tjrk.; ènjèn to all dl 4^ 
lëka mal apapa^aq; allh dJagdJ^Tii^ èngya- 
lang: këdju, impus tjara tjèlèngani^, apang: 
tëkëk tar dampinfln pané mala, tèkèn golok 
pangirorènfaB tasok t^%x9L nggorah- ka^lt 
„tatané da mba&q; lingg:ah, tjèrètangfang (f) 
fëtlhnjané tjltjipln, woorden v. d. atat, die 
blJ een jager een slecbte opvoeding bad gehad, 

tot den voortvluchtigen vorst, T. bg. Z. S. 
«iin^ , z. onder nu«^ 

9Sin^, s., z. onder saptaw&ra. 

2% aanh. onder dj Ata ka. 

nosnin^ L, maL (perz.); lëng^ kodja, 

zekere oliesoort, waaraan bizondere krachten 
worden toegeschreven, uit mëqan vervaardigd; 
ngodja, die olie uit benzoë gestoomd en met 
bloemen vermengd, vervaardigen. 

IL, scheid uiti genoeg l; ook todja. 

QQioin'^^ , ben. v. e. lapge sprinkhaansoort; 
wordt genuttigd; z. kaliaga, undis, somi, 

katëpag, qandag. 

09snnr?':>n, z. onder kodjor. 

QSiiomsM^, jav., ploegijzer onder singkal; 



^\ 



508 



^> 



lëng^ar këdjèn of lëni^r sépit, aan weerskanten 
V. d. kuif kaal (mad. gigSD, vgl. onder tjo- 
bloDg). 

2^ benaming v. e. haaisoort» z. pusak en 
sarapan. 

osunoQ^, «kamuning, Br. Z. 6, 6 (v. 
djënéi kuning); vgl. onder djnar. 

onoQ^, 8., Sum. Z. 9, 10 (nista), T. 
Z. 3, 2, aanh. onder kürmma» awibh&ga 
en kaiungka, barung en lalër, B. Z. 36, 14, 
Z. 76, S (dusta)> Br. Z. 3S, 5 (kudjanma); 
vgl. «jav. kudjInSi p&pS, sangsara, *wë- 
dana wënës palih (putihf), lali tadah 
nidra, jaja kudjana papa v. e. meisje, 
dat V. verliefdheid niet eten en slapen kan, 
Jsp., b., 99 (mangu^ sang putri, tan 
këna ing pangan tan këna guling sira; 
sas. Jsp.: Iwir èdan sang suputri, t. k. 
anidra, miwah tan k. buktya; vgl. «jav. 
kafidjana; R. v. Eys.: kondjSnS p&pll, 
verzot op de vrouwen); Ja pftwaknlng kodjana 
rakwa Ilng: sang: panilita, Ud. 48 (vert. v. tam 
nrëfasam widur budb&h). 

^^noQ^ in pL Y. kadjajanti in de man* 
tra V. d. pëpadapg ati, zekere boom met 
purperen bloem, de 2 a 3 jopge bladeren fijn 
gewreven en bepreveld op de punt v. d. tong 
gelegd, om iemand vlug in 't leeren te maken 
(srana pangidëpan ati); ook kadyanti 
zooals te KI. (sas. dëdjanti, jav. gij anti); 
6j., kaljanli, z. Rumph. IV. 24» pi. of I.77« 
pl.f en vgl. dj aj anti; tjamël kadjanü, z. 
onder plougkor. 



9Sin9Q^, «kudjana. 

'mv^\ L, kabwan* Ikft rënëb pakis awo 
kadja*ran 1 tlranlng; djoraq;, Sut. Z. 9, 3 
(këpotan katok). 

IL, Bjw., bijab; këkadjar, jav., zekei 
aardvrucbt (vgl. Hasskarl's Gatal.« sund. ka 
dj ar; Miquel, remusatia vivipatie; Rigg. kd 

! 

djar^ calocasia macrochisa), 

III., degenen, die ben nazetten, bleven ondc 

den boom, tinabuhan kadjar, tal panlka w{ 

nadmig: dèning: kng ambara ri slra, Ar. 

IV., eigenn., Tt. 31. 

^^^ of ka dj i f, kadjir Inf {il&(piil^ 

nglA, Sut. Z. 94, 1 (Tjt. 13, kabadjirio 
sila enz., en op bl. 14 kasaftdung. 

9SII n ^ I., m^^l^i*! i^ trillende bewegk 
zijn V. d. wenkbrauwen, «kumtër, v. d. lij 
pen, bij koude, v. e. veer (z. gëdjër); kunj! 
dl tèmboké, blatakè këbèr'ang:, g^nit tlin 
'mboké katok këkëdjër*aii|r* 

II., këkë4jir, zekere vlindersoort, eenigzil 

wit en met korte vleugels, vliegt op de iamp< 

aan (vgl. jav. en këkëdër); «këdèpinf laji 

Iwlr kèkëdjèr, Krts. 19 o., z. këftdjör. 
^%^\ , këdjlr*, «kumëtërkëtër. 

^7^^^» pëkëdjor, sas., taluktakf 

^ t^ \ I., vgl. jav. kodjor, prik sakadjur, I 
II., sakodjnr kolon v. d. zon, aanh. ond 
kirafta (bat. budjur, vgl. onder tumba 
en mal. pënggalab bij 't aanduiden v. 
stand V. d. zon in zwang). 

"I^QO^t^^^, sas., këkëb (pgadj. kadjii 

jav. këdjodjor); ko^Jor maraq bësi;ookL 



\ 



309 



> 



dj oh; la kokodjoras zegt een vorst v. e. 
gemeeoe meid, waarop zijn zoon yerlierd ge- 
worden was (b.: la djëdjépggitan), de ge* 
wkeeme ieef (sand. kodjor, krepéren); sèqgko^Jor. 

»'^n'57i«l|^ V. *t geen een menscheneter 
lol nap bezigt» Tt. SO bis; angarèpakèn ka- 
dljoraa kapalanlq; wwng tapanya, ald. 13, 
Tgl. onder tapan. 

» n y TSiu ^ , nm. v. e. boom, de bladen 

waarvan tot groente ; 2« v, e. kleine zeegarnaal- 
Mort, die, ongepeld, genuttigd kan worden. 



w 



"^ n -:) Ajij ^ , mëkadjros, uittchielen v. 'i 



semen virile; vgl. onder këpit. 

3^ r^ n ^ , BgèdJèr^Jir» v. d. oogen een wei- 
ng irillem. 

7? n r\\, pgèdjlrdjlr, trippelend loepen v. 
c sjouwer in een sukkeldrafje; «ai^gitjipir; 
aaigaidjlrdjir ipou dl dakèné, *mangitjipi- 
rjjan tëdak. 

^ ^ n 't) o| ^ , belang kadjok, Bbg., grooter 
jlan de b. sapgit. 

isf o n o «il ^ , te kart v. 't been zoodat 
pneo hinkt, «timpang; këdjokan, te kort v. 
kindertaal-uitspraak; om bij iets te reiken; 
L djok. 

^ ?C9 "^ n odüj ^, jav., akèkèdjèk (b. : adiding- 
klai«[) aiirak béUk* nadok, Lbd. Z. IS, 8. 

77 n n ^ \ , ngadjèt, achtermt scheppen (vgl. 
kaper en snnd. kèdjèt); itoeten v. e. geweer. 

^nt5it|\ I., naast pëpës; këdjata a&d, 
këdjata kèbCk v. e. tangkad, nu eent loopt 
y seewaier er af, dan weer vloeit H er over; 
U^itaafa (këto), vaak (is zulks 't geval). 



IL, L. Z. IS, 2 (saugsara); sangsAra 
npakëdjat* këtëg'nya ri ^néjn, masamon të- 
kèqg gnlo, L. Z. 9, K (saranta sëpgal^ 
bajnné riug tangkah masëpi tkëd ka- 
ba öoig); batlsnya maogëdjat, «sukunya 
kumëdal; adoh, èqggalan mangëdjati van 
die als 't veare gaat sterven, B. U. 308 (pë- 
ptëpgan); përot këdjat, Tjr. 3; tamba, tl- 
wang bantang këdjëtkë^jat taogan soknnya, 
üs.; vgl. aanb. onder atat en këdjut. 

gsn in ^K , ngëdjët v. 't lichaam v. iemand, 
die gaat sterven (vgl. mal. këdjat, bat. b or- 
de t); këdjët sapnnika, telkens; kë^Jëtanga 
V. e. ziekte (vgl. këdjat I en krëdjët). 

9siin^st)|^, z. këtjil; pakëdjlt, *kifitjapg, 
L. Z. 8, B; maqgëdjlttaiy «angudjiwati, 
i]f[ëdjitaDg alis, «aoigiiiigguti, jegens iemand 
de wenkbrauwen optrekken als apen doen, * m a- 
i^udjiwat; mëkëdjit v. d. wenkbrauwen fran-- 
zen: makëdjlt, «angajat alis> *mai^udji- 
wat; mëkëdjit anèk, de eene wenkbrauw 
optrekken (aan één kant) v. e. vrouw met gu- 
na, ten gevolge waarvan een man doodelijk 
op baar verliefl; Jan Üwaqr bodjog, maqg- 
laranin, makëdjlt allsnya, Us.; Janya makë- 
djlt* wang agring, pak bodjog, nga«, ald. 

^n^^, këdjat*, Bbg., këdjëng^ v. d. 
penis, aanb. onder dèi^kol (vgl. aOdjut); kë- 
djat* tangan sokuya bij tiwang bantaoc;, Ks. 
X. 12 b., aanb. onder këdjëng (vgl. kadjut- 
djut); këdjatkëdjat, aanb. onder kulëdjat; 
makëdjatan, «kumëdal (mad. id., vgL mal. 
en këdjat). 



Qsn^ 



310 



961^ 



9sin^tSTi|^ (vgl. këdjut); ngradjatdjat, 
«kam e dj ut; pëkadjatdjal v. d. ba ju, lillen 
als schildpadvleesch; t., pakadjntdjot pnng:* 
sëdé mwah alnn atioé, masawany ënëk, 
wëtëngnya ënëk, makarèjok, masawang: la- 
ngra, tndju, atjl*iig:(aranya)» Us.; t, djaridji 
pakadJatiUat, malnnlniian nëkëd kalëngëné, 
ald. aanh. onder pënju. 

gsinuisiH^, * ang^ndjiwat v. d. bliksem, 
Sm. Z. 1, 9 (kumdèp). v. apen, R. 10 Z. 2, 
8 (makëtjit); mangndjiwat, 7, Z. K (ma- 
këdjit, ngëdjitin); ni^adjlwatln sirat maja, 
«angingguti balis (jav. ng u dj i w a t, 
mad. ngofidjiwat); ang^djiwatl, Br. Z. 47, 
6 (mangëdjitin, ngawangsitin); klna- 
djlwatan, * kin i wat. 

gSnT5ii|^, patikëdjot, patiantëp (atiné 
mabrijuk djani, njingakin i bëli njoman, 
madjalan ja pati këdjfil, Wrtn.), pati- 
k ë p u g, telkens foutief of hortend lezen, hakkelen 
door y. stuur te zijn. 

oinuj^, kidjëpP, aanh. onder kowèk, 
këdjap*, knipoog en, * m a k u j a p. 

inu|^ I. (vg). ksëp), akëdjëp (abosbos), 
een oogenblik (mal. këdjap, tag. korép, mad. 
sakëdjaq of sëkgëtjë, jav. sakëdap, bat. 
singkëdjap; z. kidjëp); bin akëdjëp (malih 
abosbos), een oogenblik later, straks (sas. sa- 
paiigkëdjëp); ng^ëdjëpiD, iemand met de 
oogen wenken (jav. angëdjèpi). 

II., «jav. (mërëm, tilëm, arip), onder- 
gaan V. d. zon, Ww. Z. 1, 9, 43 o.; Ar. Z. 55, 
4; L. Z. 8, 1, turü, Anj. Z. 11, 2 (sas., ki- 



^ 

9SII 



dëm, ook jav., Anb., hds. v. Ismangun, li 
124, waar de uitg. bl. 161 mërëm heef 
vgl. ëfidjëp), Br. Z. 19, 11, Z. 22, 1, Z. 51 
7; k. 13 b. enz., L. Z. 27, 5; 6h. Z. 12, 1 
en 1, V. d. zon, Tj. 3; snrnpnini^ amn 
daln, tan lingën pakëdjëp ln|^wwaii|r, R- n 
(R. k. b. s. kang a. d. t. 1. pakëdjt 
pira; R. k., këljapé nara; R. k. b. elder 
surup ipg arka pakëdjëp tan kunin( 
an); pakëdjëpan, L. Z. 4, 6 (pënginëpan 
makëdjëpan, Z. 5, 5 (ngujuk), B. Z. 94, 4 

9Qiiinu|^ , mëkidjëpan, blikoogen (tag. ki 
rif en korip, balav. mëngklëdjëpan; vg 
këdjëp en bat. hirdjop); z. onder tape 

onuuK, pakadjëpdjëp, «angëndep' 
kadi blBtauir sgang^é ngfadjëdjëp, Ws. 



o 



gsmu^Hj^, *pri]aka, z. kadjanli. 

9Q|njn9|ii^, Mal. 30, 24, maiidjëtl ko 
djyarakta, 117; vgl. küfy&rftga. 

g^in'E/i|^, sluiten v. e. wonde, aanh. onde 
da ah, V. e. reet, tegenov. ëpggai^g, gesloi] 
ken v. e. plaats op 't lichaam, die gezwollfl 
was (vgl. ëngkës), mëkëbingan (vgl. bal 
p i dj o n, mal. k ë dj a m X) ; tatnné kidjëm d 
tllié pësn, kanlDg: pasnlèèt, Lmb„ vgl. nf?é 

en kidëm. 

I 

asiina^, q^adjama, ngampël; pangij 
djama z. ben. I 

Qsnno^^, jav., #karamas, T. b. Z. 1 
47, aanh. onder susur (sas. langer); maU] 
kaq; won|^ saking^ djaba akèh bèla il 
nrëpati tanpèndah kadt lalaron firanf 4 
mëdanènir afni tan anfanti astiilf kadjl 



N 



311 



\ 



ê 



mas, ftlyuèiif buja tèka sodok {arira, Kid. 
Sund. Z. 3, B8. 

iQn'DA!M\, om 't rijm in pi. v. kadja- 
mas, aanh, onder Irisandlija. 

36ina^\, boom, een duabai^ga met 
kleinere bloemen dan die v. d. d. grandiflora^ 
wiens bast ter swart-verving gebezigd wordlf, 
evenxoo de kaju bata. 

ncAft!^^. ri aampanira koiUamas, Jsp. 
b., 160 (i. onder asiram), aanh, onder pala 
IV en wimba. 

»n^£!|v iv«djèmdjém, kèbilbil; ki- 

djaiBdJanka4l<iB4|imf kliiigasklipgus v. 
schaamte. 

isi^n-^nj^. Mis. Gag. 6 m. (bis). 

^^on (?), pgèdjèbak, ngeijebwah; 
vgl. dj bar. 

3C3hni*5il|^, n|;64Jibët, dikker om 't bo- 
rmeinde als de kies ?. e. paard. 

7^^\ I. ï. osi^^LnoAÜj^, voor betel, 6h. 
Z. 47, 4, Sum. Z. 74, 4, waarin de betel iemand 
wordt aangeboden, Hw. Z. 2, SO, alwaar ook een 
kadjami: tnroDy v. e. padati^Mal. 14K o., aka- 
iinag soira waofOi iemand op een olifant zitten- 
de, T. Z. B, 8S (r a a b) ; kadjang^ somi^sonfp, z. 
onder sopgsopg; kadjaq; mérak voor belel, 
aanh. onder tja nt rik; ka^Jaq; mrak, z. on- 
der kalib'an; akadjaq; mrkk, tjëlor, 
TjL Sm. Z. 2B, 5 (kakasaug dumilab), 
Gh. Z. 33, 6; Wit. 30 o.; kinadjangan v. betel, 
Hw. Z. 51, 4 ▼. e. dam pa» Sum. Z. B8, 2; 
imtwrwarikaof {llfttala tepihDya sampan 
asallB, staiwaBUiiqg <§;A8aii&rorob kasnina 



lèB ka^Jang palak arftm, kadyangipja ma- 

rèng smaraltya manahnya tanpahamèngan, 

Rm. Z. 2, 6, aanh. onder sarik (vgl. jav. 

padjai^f, mal. kadjapg, lag. karapg, tent 

y. e. vaartuig); koda banga aputlh* gigimya 

apanaspinaa ramb kadjang, og», tan wè- 

nanf anggonën, Tjr. 8, vgl. aanh. onder 

djalak; tnnda* kadjang halwa z. onder 

tunda; kadjaqg tmSy aanh. onder iftiakA 

(laoigsé aubagi trus); tatas ka^Jang, aanh. 

onder mamëpg; kadjang song, #sanur. 

IL, ngadjang, «apguftdjal spouwen, ver- 

ijouwen; # manga tér, v. e. wonde of zweer 

etter dragen (pgadjang nanah): kinadjang, 

«inofidjal; nga^Jangln vlam, Tjp. Z. 2, 
22; Jèk kadjaagan, W. 28, 9. 

9Sim\, keert om de drie dagen terug; de 

volgorde is pasah of dora, bëtëng of wa- 
ja, kadjëpg of bjantara; op deze dagen 
zijn sommige dingen verboden (z, pëmali); 

op de kadjëoig b. v. 't pUnten en in 't al- 
gemeen, 't iets in den grond steken (z. bjan- 
tara); op kadjëi^ kliön begraven lijken 
worden bewaakt, daar men vreest, dat iemand 
V. 't lijk een offerande zal maken voor Durga 
(vgl. ook onder sëmpulung, kikip, lalasan 
tjaü en urukupg); kadjang kiyon oAdaoi 
de dag, waarep men onder een cocosboom moei 
ichijten en met een tap is zich afvegen, om 
geen puisten te krijgen; kadjëng kiqgklqg, 
2.. onder kipgkioig; aiaqg kadjèqgi nm. v. e. 
soort prabali; vgl. ook onder rèndötin. 

IL, in pL V. kahadjëng, W. Z. 2, B (ra- 
ras, polah). 



»l^ 



312 



061^ 



III. , jaY. , k a j u ; kadjinipiii , z. onder 
mrëdangga. 

Qsnn^, is ka-f-djang, maar ik heb kë- 
djanga in pi. v. djanga en pëdjanga meer- 
malen geboord; men zegt ook salah kèdja- 
ng^an, op een verkeerde plaats gelegd, verlegd; 
t|ai la^nr mbok bas tanpakèdjang:*, Tjt. b. 
Z. 2; saba palan ngalisting, tanpakëdjangr* 
njèn sadi ng^g^ulidig^aiig^, tolas paja g^Iadar- 
g^lidlr tagrihé (lees tëgilé) ndjarak, siksiké 
mambolingfbiiig^, Tjt. b. Z. 1, 9. 

75nx^\ L, makèdjëiig^n, opschikken H li- 
cbaam schuddende b. y. op 't booren v. e. 
geluid, «gëfidjor, këdjing^*, «akëdal, als 
't ware trekken, trillen v. e. pijn doend lichaams- 
deel b. V.; mèkèdjëngan, «kumëdut; anaké 
agrang mangakak b&ané mapinda p^lah kë- 
djëng kdjat lima batis, de h ni ^-varst juichte, 
dat de spiegelvecbters als H ware dood waren 
enz., fr. (tag. karang); z. këdjong en vgl. 
këdjut. 

«n., sas.» kënjang. 

2*9 jav., z. onder pingkër. 

QQiin\, këdjing*, opwippen v. d. staart of 

vlerken v. d. tjulung^ opschrikken als ten- 
gevolge V. gekittel (vgl. tëngkëdjing); bant 
këdjangkëdjing v. gemand, die niet recht 
durft, telkens terugschrikkende (vgl. galak 
nipi djali). 

Q^on'D^ I., trekken v. e. been bij kramp; 
makëdjëügan batisé këdjong*, kumëdut 
sukunya kumëdal (vgl. ngadj. mak. kë- 
djang). 



n., sas., kënjang v. d. penis ngatjëng; 
z. kënjëng. 

^ n \ L, karang kidjang, nm. v. e. deugd- 
zaam ijzer voor krissen v. Man dar afkom- 
stig; zou op zee gevonden worden en dient 
als djëdjaton kadutan of dj. tadji (mak. 
karang kidang en tarang kidjang, nm. 
V. e. vergiftigd soort ijzer, vgl. de mal. lamp. 
verhalen, vert. Gesch. der Panda wa 's, bësi 
kidjang, nm. v. e. toovermiddel, iemand in 
staat stellende te vluchten zonder ingehaald te 
worden), lidahaq dongkang; sèla parang 
kidjang na de sèla parang liman genaamd 
als een zeer harde rots-soort, w. Kap. 117; 
(in een mal. w. verhaal, z. T. Batav. Gen. 
XXV bl. 518 is karang kidjang de nm. 
V. e. deugdzaam ijzer, vgl. 't zelfde tijdscbr. 
XXI bl. 69 en zie achter den jav. almanak 
V. 1893 door de firma v. Dorp te Semarang 
uitgegeven). 

IL, akidjang* malaja, z. aanh. onder 
radjut. 

Q^n^, jav.. Man. Abb., Z. 5, 2, aanb. 
onder abang^ lambé. 

9sin^, kudyang; kadjanga tra malaib, 
hoe zouden zij *t niet op een loopen zetten l; 
kudjang tyang magarapan. 

n oen n no ^ , trechter v. bladen opgerold in 
den vorm v. peperbuisjes, verschillende v. tjroftg- 
tjong (vgl. jav., mal. v. Kut. këtjongtjong, 
vgl. ook jav. tj on tong en tjorong; z. to- 
lung); ëmpol kodjongi ben. v. ringen met 5 
schachten (vgl. onder sësër en il uk); dars 



»^ 



31S 



»^ 



«on*^ 



kinUoiis.. zekere doifsoort met waaiervormige 
slaart ; m% koiQoBf 9 de letter n a onder staande 
als pasai^an (z. këmbang en onder gan- 
tang); koiQoiig^ baog^a (z. onder djagung); 
basé ako4|oii|:i b. atubang; i^godjongr y. d. 
djagui^ na ngétjai, zich ah een peperhuisje 
verUnmen. 

"^no^^, ivmoivoh, mëlëngok, 
qgédjëqgllf 

n'^n'^np»!]^, z. onder djèngklok. 

99 n n tsij ^ , kadfëngatkadjënglt , leelijke 
genekten trekken b. v. v. pijn; pakadjëiiflt, 
lanh. onder rompot; ngëdjëngit» de tanden 
laten MÜn y. e. nijdig dier b. v. (vgl. batav.}; 
nijdig Mien^ «mingis; ngaiyëoflt kadi pa- 
pgidjéogitaB i matjan, «mingis mèngas 
mèqga; qpuljë^gitin, iemand aangrijnzen; 
fgl. i^i^giq. 

mnnontsij^y njëlak; m^df^ngèt ma- 
i^wèrlB T. d. k m a ngm a qg, de boos geworden 
Botoh rara tartende; Tj. b. Z. 1, 55. 

SI "^ no «^ no tsij ^ , ngëdlongoty bëngoqg. 

sinn\« maqgndJiqgiUuV 1^' kamkra, 
mabifltjalaka kadi raraj (bat. marba- 
<^ii^djai^ en jav. djingdjang of djifidjang); 
Mj« tfndaké i^adjiivdjaiv, U. 6j. 97. 

75iiUJi\ L, rijk Yoor 't oog (vgl. mal., z. 
sagib en suka), T. b. 55 b.; mëkaja, geld 

« 

traekien ie verdienen b. v. door handel te drijven 
(vgL kaakaja); kawldafdèm: kaja, z. onder 
widagda: èfanf tan sakajanf mangë' ma- 
kar^ tng wwai^r ahaja wlpathk djofa ii|:ho- 
lHi Lamb. Z. 5, d. (djëngah katunan 



kirtti dadi kawi uiangun ringsang 
ahadjëng wjakti patinggal tityang); 
g^diim^ amilët wolan pada^ng^ko tan sakaja 
mnngslr Ing kadi kita, Lamb. Z. 10, 1 (upa- 
man tityangé nora an tuk mangalih 
anaké kadi i dèwa, vgl. onder nifftka- 
ra); 8ak^}a*nya9 R. 16 Z. 11, 3 (sabudi^nya, 
sakatahnya); sakaja*nl, Bh. 56. 

II. of kftja, sftriskrJjakAJa* makarahi- 
nang: wëngl, O.; snètnbhaktl sArlsarJJak^la* 
makarahinang wëng^ii ald.; lëwih makaja; «su- 
jaf a; a(pa)k^Jèn(ir tohan, Ar. Pr. 63 o. (vgl. 
sund. makajaf en pakaja); kndn apakaja 
Ing^ tnkan v. strijders, die voor hun vorst 
strijden. Was. Z. 2, 23; tan djrih akajèngr 
tnhan («jav. verdienste jegens 't rijk, Ad. 
119); Kid. Sund. Z. 2, 172, 155, Tj. A. 52; 
akajèng hadji, R. L. Z. 7, 125 (ngajah ring 
gusti), aanh. onder k&wat. 

«ni., jav., R. L. Z. 3, 29 (buka; vgl. 

kadi en onder samadi), T. Z. 4, 67 (sak- 
sat), R. L. Z. 10, 27 (makadi). 

9QOtA]i^ I., s., Sut. Z. 137, 1; tut. 10 b.; 

drie in de wëwatëkan wegens trikftja; 
saUya*, aanh. onder bhaja, U^awrëddhl 
of k&jik&wrëddhi, intrest betaald voer een 
opgenomen som door er voor te voer ken, Wtb. 
onder bl. 39; z. tjakrawrëddhi; aakkja 
ta molin pawana sakftja bkjnmltra, R. 7 Z. 
2, 2 (nora Ijau maruta i^irtinin sami- 
rana kakasih, lèn aqginé sawatëk ja 
ring pawana samitra); kftjasaiigfOfliaAa, 
aanh. onder nijama. 
U., z. kaja II. 



»^ 



514 



«^ 



901 lAj^, hout: ftaru) boom (vgl. jav. enz., 
bic. kahoj, sas., kajuq), *anokaha, 
«naga, «bhüruba, *wiiapi «angkrëpa, 
«dru «druma, «p&dapa, «taru, «f&kbi, 
• tahën; kaUt kaja, R. 6 Z. 5, 3» (dalu- 
wang); kajwanihar, aanh. onder p&waka 
(verU V. wirudb); nihan ting^kahing angora- 
bah kaju Jan ginawé kadatwan, padèman, pa- 
rahn, balé, kaknlan, kajaning: akarèn kunang;, 
kanang: jan kapa^tlimft paranya rèbah, bwat 
tnkar kang; ak&rjja, athawa sang; momah; jan 
kawajawja paranya, g:ë'ng: dosa; jan ja ko- 
tara (kolt ara) suka mwangf lab ha kapang;- 
grnh; jan kai^&nya, dirg;hAjasa san; momah, 
mwang: kapaiigg:ihan ing; m&s mant, sakwèh- 
inf ining:a wrëddhi djnëk; kanang; jahkapftr- 
wwa paranya rèbah, drèwjanta wrëddhi ; jan 
kadaksina, alp&jnsa sang; momah; jan kanairl- 
ti, finawé pawon, g^awènën kandan; kunang;, 
h^Jn sakwèhing; iniwë' wrëddhi halanya. 
War. 5; nya ting:kahingr ang:rubah kaju, 
Jan ag^awé kadatwan, pdëman, omah bali, 
prahn, jan kapftrwwa paranya r., drèwènta 
wrëddhi, hajn ik&, jan k&g^èja paranya 
r., lara wjadi sang; momah, jan ja, da., 
paranya r., alpajasa sang m., Jèn ja, na., p. 
r., finawé pawon ginawé kandang hajo, 
sakwèhing iwën (1. iwèn?) wrëddhi phala- 
nya; jan ja, pa., p. r., bwat tnkar samang- 
kana sang akarjja, atawa sang m. ; Jan ja 
w&, p. r., gëng dosa, Jan Ja, n., p. r., snka 
mwang labha kapanggnh, Jèn Ja ai., p. r., 
snka mwang labha kapanggnh, dlrgh&Jaèa 



sang momah, mwang kapanggihaning m. 
manik, sakwèh ingingn wrëddhi djnék, War. 
b. 118; z. puDJa. 

2s ben. y. e. geele harde een span lange 
p i s a ng-soor t , die te papperig (gëbab) is om 
gekookt of gebraden te worden; vgl. onder 
goloh. 

3«, nm. gegeven aan Jav. papier door de 
cbin. aangebracht en voor vliegers gebezigd; 
kajon, para ? , aanb. onder tj u n t a k a ; ni 
saliu rëkè pnnlka, ma&nak bnn^nng ring 
kona, tanana mlaspasln kajwan „lëlëh kang 
nagaranira ikn, os kawastn mangké, dadi 
kang sagara wilis, Pdj. 

4% l|Ja kajo, z. onder plëpëk. 

'^\\ L, kya^ moet bestaan hebben blijkens 
de onder kakja aangehaalde woorden. 

II., këdë' slra kadi kja minder athaw& 
kadi pwa sapn ndjwalènotitakën, R. 25 Z. 
4, 7. 

'^ux\ (f), asrak wangsnlaning kij&trëta- 
Inngë', Sum. Z. 37, 5. 

«Q|tAi^, ku (verk. v. iku) en ya; koja ta, 
daarl Br. Z. 18, 7 (ué ko ija); knja tika- 
kus, R. 14 Z. 6, 5; knjang mannk rodra, 6 
Z. 8, 13 (né ko ja këdis aèng), kojang 
ajamhajaman, 24 Z. 12, 8 (to ja), aanb. onder 
tamas en hidëp. 

'^M\ 1., maknjwanglih dèni nghèlnya, 
Kam. 6; aknjnknjft v. zweet, Wir. 34 (vgl. 
mal.), B. Z. 32, 5 (patambwas), T. Z. 5, 
11 (mangangsëh karingëté kujukujub, 
Stn., bnjw., Z. 3, vgl. jav. kijih^). 



»^ 



315 



»\ 



II.« (atftknjwftng^lik rakwa samaslra dtnan 

panëntnfa, Ar. Z. 52, 4; maknkajA, Br. Z. 

5,9 (makarujuk; paguwèh), aanfi. onder 
dAta. 

otsitAi^^ mëkèja, schreeuwen, jammeren f 

bij H zien v. gebroken potten. 

QSi (Al ^ ^ (uit ka en een a j ë h overeenko- 
mende met 't mal. ajër« vgl. onder adjah); 
naar U waier gaan om te baden of een behoefte 
te doen (kabèdji; vgl. 't mat. mëmbuwang 
ajar en 't jav. babanju); de balineezen, de 
gewoonte niet hebbende in H water bun behoefte 
te doen (omdat de Habomedanen 't doen, dul- 
den zij geene Mahom. vestiging boven zich, 
vgl. y r o tj o b en onder w é) ; zoo lette men er 
op, dat H bat. woord niet de blfbeteekenis v. 
't mal. heeft; anggon ItJang k^Jèk, tot man- 
nen sprekende in pt. v. anggon itjang 
mëkontjëng, om er mijn propertje meé te 
wasschen zoo v. azijn , waarmee een vrouw, die 
aan bloedvloeiing leed, hare eunnus moet was- 
schen ; men zegt ook all kajëh, zoodat 't hier 
sabst ia; ngajëhln, zich in iets baden; ngajë- 
kang, te water brengen een paard b. v.; tëkëd 
dl kajëhan, Swg. 39; kajëhan, deze of gene 
waier bevattende plaats, bad- of reiniging splaats ; 
kajékan knta, nekgleuf (z« onder angsu); in 
Bngl. enz. zegt men kakajëhan, madjatan 
kakajëhan» Swg. 23; lowas mandas kakajë- 

kaa das lëmak mambuk masisig. Pan Br. 9. 
«toQ^ I., jav. (en gajuh), R. 7 Z. 16, 

S (kadjadjuh); sallh kajak, B. Z. 39, 29 
(saiiqg djudjuh); kamajah, de middel v. 
e. vroaw omvatten, Sm. Z. 22, 13; Z. 26, 2 



(pinëkul); aanh. onder kol (adahin); anga- 
jah, «angol, B. Z. 6, 16 (maHdjudjub, 
amëkul), T. Z. 4, 36 (m a iij adj u b), 
«angalaja, v. e. olifant naar vruchten 
met zijn tromp reiken, Ww. Z. 3, 126; ma- 
itgiyah, *anggagap; maogidnh 1 pafi^ak- 
Ing manik, B. Z. 2, 3 (mafl djudjuh, 
mandjuhdjuh); angajak babwablblslk, T. 
Z. 4, 3 (manggëlut baöng makisi^); 
klnajah, B. Z. 63, b., W. Z. 30, 7 (ka dju- 
djuh); sang kinajah, *sang kinol; kawa^a 
kaJakëD; W. Z. 16, 10 (wënang djudjuh, 
sëdëi^ djudjuhën); mangijahang wala- 
nganqlanë, «amëkulakën lututika; qga- 
jokang (b.: ngëfidjubaqg) taogan, B. U. 
338; apëngajah, h. v. apënjudjub (vgl. 
onder du). 

2*, Dg^Jah, Bjw., V. d. vader v. e. meisje 
een schoonzoon in huis halen. 

IL, kajah*an, aanh. onder pëngëd (vgl. mal.). 
(Ajjn, '/ wijfje V. d. kèkèr, Smb. ke- 
ker (z. onder balongan en sumalutan); 
tëgilkijah, Sbr. lajah bèhèk, laag groeiend 
en voor groenten, emilia sonchifolia; te 
Batav. sawi tëgal. afb. Rumph. V. pi. 103 
fig. 1 ('t zelfde begrip in 't tag. tahir labujo; 
en 't bim. pada pejo, pada ^k tëgil en 
pejo SS kèkèr, vgl. mak. tagalakijung 
(vgl. onder sapëkën, bug. kalong tédong; 

tegel kiju, emilia, verh. Batav. Gen. VIII, 
306); Bjw. këmëndèlan en aangewend als 

geneesmiddel, sukët saraban; djanggar 

kyak, Sbr, alsde Ion tok; er is een roode, 

wille en geele soori. 



o 



»l^ 



S16 



»i^ 



gsito|9^ L, dëdlëg di da na, zekere 

groote viJverYischf^ jegens een vorst in pi. v. 

dlëg (batav.). 

n., z. onder kujü. 

n96i(Aj|Q^, frequente spelling v. kèuh of 

kèwuh. 

QSjjui^, z. kjaji. 

gsiiuJi9Q|^ L, kajon^ Anj. Z. 19, 4. 

II., zekere boom, pasanda (F), «kujang, 
zekere bloem in de Ai^lung smara vermeld; 
zon in Bngl. 't hout leveren voor 't verbranden 
V. e. vorstelijk lijk; ki^ën djënar rinokml v. 
e. was tra, Mal. 387; asumpinir kajéUy 404, 
awastra ki^in halos, Bw. 77 o. (vgl. sund.); 
mabum^ luijèn, «asëkar tadji, Hal. vert. 

gsi tAji 9q| ^ , «kahjun (z. hjun), vrn. =» 
kënëh, njak (eigentlijk in pK v. mëkajun, 
makahjun), «mahjun, «aharëp, Sut. Z. 
18, 1 (lamp. ngajun, bevelen); kakAhJonang^, 
«tjinitta; sara kajun, vrn. «ssara kënëh, 
masa tan ring paki^onan, z. onder idëp. 

gsiint\09Q|^ in pi. v. kahajon b. v. B. Z. 
32, 16; bapa manjëlang kajon njainé djani, 
w. K. (W. Z. 1, 9 b.); vgl. onder kaju. 

ogontAJigo]^ , z. onder katak; kombakar- 
na linarih, ollk arak domas gotji os atlas, 
lan sadjëng domas yo^i (kal ing), miwah 
sëknUra olih rongèwakojan (gantang), R. 

sas. Z. IS. 

9S1|]9q|^ , jav. (kèn h. v. kon), R. m. telkens. 

ogsiuJin^, s., kiratbfthu, vgl. onder 

tajura. 

ntsnotAJo^o]^ , pada muQni^ makojonan. 



*padftwa ja mftwrëg; pnah kom, èbah 
sakinir patègakan, makojonan di baStflqp^h, 

aanh. onder gorojoh, téja en duqgkun. 

gsi uJi ^ , kij<r*, kwijnen v. e. plant, niet 
willen opschieten, kammerlijk: z. purët endëL 

noQontAn^ , in 't O., kleine ImMen in oude 
kleèren of de nm. v. e. soort v. platluis (bij 
weinigen bekend); kojoran v. 't kleedingstuk; 
vgl. pojor en tampjas. 

s^uJiQ^^, kajak* di tëngah balèné v. e. 
zieke die niet opstaan kan; makajak, «arjjak; 
makajakan, «kakajang; pëtong^kajak, vgl. 
tungkajak. 

^tA]i»!| ^ , ajam, Tjt, kQak (vgl. kèjok) 
V. kiekens, v. e. aap die met de zweep krijgt 
(vgl. bat. ngijak, jankende v. pijn als honden 
enz., jav. en sund. kèjok en kijakkijik v. 
kiekens, Ad. 64 (bis.); bat. pijak^ tag. sijik 
vgl. onder sijap en z. ook onder kaQk). 

II., sas., ramé kjtjak (b.: ka kak), Dtd. 

Z. 1, 6. 

au^ of kojok, z. onder kuluk. 

n9SiiniAO«i!|^ I„ jav., geluid v. e. kip, die 

men knijpt (mak. en bug. kéjoq, Bjw. krèjok); 

tjalëpok makèjok di wangr, Tj. A. ad.; vgl. 

onder kijak. 

II., z. onder kujuk. 

tQnuji9sn\ I., s., kajonya pada kAjIkan- 

pasadjl, de bwnnen waren gastvrij, gedienstig 
de vruchten klaar zettende, W. Z. 2, 1 (po- 
lahnjané Iwir iijambrama, lampah 
rahaju manjadai^ang, polahnya Iwir 
anjadangang), vgl. Kern, Kavnst. bl 105; 



QSIlAjQSnl 



«\ 



517 



»\ 



k^ikaha riiy tamiy onder de verplichtingen 

V. e. wèsya^ Wtb., aanh. onder wfttjika en 

brahmatj&ri, Wt. 19, b., Ud. 6S; kiyika- 

dharmmai z. aanh. onder wèf ya, vgl. onder 

m A n a 8 i k a. 

IL, z. onder kftja. 

»(AJi«^, T. Z. 4» 55 (sangsyah), 56, 

naast idji; uit 56 zou men opmaken, dat 't 

een speeht was, R. 23 Z. IS, 18 Ylgd. 
otQntA]i9si9^, malwap (f) akéri kadi ro- 

ni^g kojakaliy v. d. ooren v. e. als een olifant 

er uitziend monster, Tjt. 230. 

S tAjs^^, kyadkflad, aanh. onder bëngah; 

kgadktiad, aanh. onder kais; maUDod, 

zkk rekkm uit sbiperigheid, y. e. stervende, 

krom geirokken v. nat gemaakte Ion tar-bladen, 

legenov. fidjamplèg, «makihü; i(ki)rang- 

lasa Doll rarlB makyud (qgasèn pati maiig- 

gélur), mdiranya muntjar (mufitjrat), Tjp. 
Z. 1, 49, vgl. klijud. 

9sitursii|^, sas. (^IC»-), tjarita, R. m., 

waar zelden ik&jat, ikajat (ook R. k.); 

mlatapg, njaritajang. 

99 tAJi tsiu ^ , om buffels, paarden en rund- 

beesteo weg te jagen. 

9sitütsii|^, stamw. v. qgajutf 

nn tsiij ^ , B. (kh j ft ta, zus en zoo genoemd), 
Hw. Z. S, 1; R. Inl. 33; 6 Z. 9, 9; 7 Z. 4, 
15, Z. 18, 3; Ar. Z. 1, 5; W. Z. 1, waar 
ook ftkhj&ta kan gelezen worden (kasub); 
Adip. 97 (vgL • jav.) ; kjattng haran lubdhaka 
(m. e. in pi. v. k. i ugaran, vgl. onder «hol), 
L Z. 2, 1 (kasub matëngran); UAtingrftt 
sataMmaj Sut. Z. 57, 1 (kaloka ring djagat 



qgaran sang s.); ka^Jatt» Bh. 26 b., vaak 

achter een naam, rakijan apaüh aiining 

su&da anèpakte kaU&tl» Kid. Sund. Z. 2, 

138; paréng tandang bala wlra kam&tly ald. 

122; pun basanta kal^at, ald. 37; kaUatt, 

«praka^ita, B. Z. 16, 6; aranya kaljati pon 

enz., Smw. Z. 12, 17; K|Ati ring rftt, R. 7 Z. 
19, 4. 

^tAjtsii|^ I., jav. (z. «kihat), Mjat*, de 

beenen stijf uitrekken f (vgl. sund. k ulij at). 

IL, z. onder kijap. 

^uji\siï|^ of gijët (vgl dijët); sl«m ki- 

Jét, pikzwart; vgl. kèjoL 

'|gai'^iAO\STi|^ , kotot (vgL kijët); ba- 
déqg kèjot of slem ngèjot, badëng ikër. 

a^ntsu^, z. kj&t; khj&tah» gaban. 

9siin^^, z. onder kj&t. 

9SI tAi \5ii^ , Bjw., nm. v. e. valksoort, sorob 

sikëpf 

ontsnQ^, z. onder khj&ta. 

goitAj^^ of ajutra?, paran kaki patu 
aitgiyutra, Tjt. 213, vgL aanh. onder tojama- 
j a, waar dezelfde vhiag door T. wordt gedaan. 

9») ^\ V. «bjus; koniJu» sidderen v. 
angst r Sut Z. 31, 11; H. Z. 39, 4, 5; Adip. 
84 ; Ar. Pr. 22 b., v. verslagen vijanden, aanh. 
onder khala. Ar. Z. 7, 6, aanh. onder agap 
en fawa (jav. v. zweet, vgL onder (èwala), 
R. L. Z. 11, 150; mali^walaloDan kuqjiis 
(b.: umjns) j%|a tjamara kadiésan pawana- 
gaU, Kid. Sund. Z. 2, 121 ; kuiUiu lamt 
mal%|wa nora wanya polik, T. b. Z. 3, 8 
(vgL onder pawana); wwaif^ mèlili ring 



)^^ 



318 



^\ 



maliftswari^a ngfaranilui jadln komjosèng^ wlr- 
jjakftrjja, SuU Z. 117, 5 (jèn maninggal 
ring gawèn sang pradjurité). 

goiiAjj ^ ^ , mékljas'aii v. d. geur v. d u- 

rèn b. v. 

oQ^tAXOPj|gt^, z. onder kèwuskèdar. 

s^tAi^^, gurihl («jav.» sépét); z. kas&ja. 

QQitNjnTi^, kaju en ara, de a m. c. 
verlengd?, R. 23 Z. 12, 11 (kalpaiaru; bat. 
hajuara en hariara), z. aanh. onder bh&ra. 

901 (AJi rul ^ h, V. vleesch zeer droog, taai, 
mager als die v. Bat u ringgit (vgl. jav.); 
vgl. gsil. 

2% aanh. onder pidik. 

«IL, z. onder nanya. 

961 (aJ| rul ^ I., onwillig y loom, tegenov. djëmël 

(vgl. jav. kèjolf) V. e. dalang, v. iemand, 
die niet gaarne opstaat; v. e. boom, die geen 
vruchten draagt; z. lëkig. 

IL, kyolan, K. A. en sas., sijulan (Tj. A. 
d. kèjulan). 

111., tanpakaong^yan patyakUul sftratlil, 
R. L Z. 4, 139. 

QQiuoru^ (J), kajala (b.: lan) singfih, 
R. L. Z. 10, 7 (nglawan sang prabhu), 

aootAXu]^ V. e. kluizenaar, Sdm., z. onder 

kajop. 

gsii«^tAOu|\, T. Z. 4, 24 (mabftpaAdita); 

Adig. 29; sang k^ap, T. Z. 5, 60 (prandu; 
dus V. a j a p ?), Tj. A. 4 m. ; Sdm. 15 (bis.), v. e. 
kluizenaar, Waa. Z. 6, 64 ; kakajop, benaming 
V. e. boete; mawak wwai^r aguitiiqg, ama- 
ng^ojn, mwab ki (b.: ka) patat, anjolong^ 



wantajan, mwah salwiring^ tinandar, phala 
bam[:kak9 phala g^ntang, phala bangkil, 
phala gantang (b.: gu man tang), salwlra- 
ning tjlnolong jan amikol kakajop, 1600, 
Jan adodol (b.: do tal), kakajopi 800 Jan 
anJangUngy kakajop, 2OO9 Wtb., aanh. onder 

andong. 

fl6iuiu|^ L, slaap hebben v. d. oogen ge- 
zegd (arip), «kujap (vgl. gujap, sund. kè- 
jap, batav. mënggrijap). 

II. of kijat, sas., vm. sstjëmor. 
osjtAiuj^ L, vgl. onder kisap, «aki^ap*, 

Sm. Z. 18, 5 (sidap^); makqjap matanya, B. 

Z. 45, 7 (sidap^ nètranya, sotjanya kari 

pëdé, kidjap^ aksinya, aanh. onder kawuk. 

IL, kojaping kpah kadi sahasra makha, 

R. 3 Z. 18, (tabih këpuhé lura siju ma- 

mowa, wohiüg rapgdu Iwir wadana 

s ij u). 

gsitAJjtA^^, K. A.; juju, Lmb. en Tbg. Z. 

4, «karkkaia. 

0^1 tM\ of kj&i, sas. en jav.; kj^i di lèr, 

ki gusti kaler, aanh. onder walat; Jan 

Ütyang dadi sëlam, dados IJaJl makarls 

mamanggal, mambogol sapat babasa» soka 

dadi santri alim, verliefd op de Mahom. prinses 

der geesten, drukt hiermee zijn gewilligheid 

uit, haar in alles te gehoorzamen. Heg. 355. 
opuji^, vindt men vóór namen van 

hoofden, Kid. Pam., vgl. nyAji (dus is het ki 
jaji, zooals de spelling schijnt uit te wQzen, 
z. onder k; het zou dan overeenkomen met 't 
jav. prijaji in pL v. para jaji en 't bat. 
auggi ni radja). 



«\ 



519 



t^\ 



»(Aj|tAj|^, mèkiiliyaogan, zich wringen v. 
pijn ; mikèbnr makojajangan, Meg. 227 ; ira- 
iungé makajajanpin tansah ng^ajnh masa- 
waof ibak sédlh malmdi milo, toen lieide 
minnenden verdwenen waren, vgl. Meg. 823 

en 224. 

»ujiat5i!|^, kabar ktjamat (S^li^). 

Ulel T. e. Mahom. gedicht in 't sas., de inhoud 
komt slechts hier en daar overeen met de 
ar.*mal. hikajat djumdjumah en de jav. 
s<ral paiak, en ook de inkleeding verschilt; 
aan *l einde v. 't handschr. heet 't een snluk. 

96itAJini|^y met den horst vooruil; kajaf 
pèdjalané (tjogèh). 

)Si uj ^ I., legen den tijd dat, tot aan, tol 
zelfs; kajangr ijani (rauh mangkin), tol 
heden: üli malo kajang: djani, aling tjrik 
kajai^ klih, kajang^ kakajanr, tot aan zekere 
plaats. 

2*, Bbg., terwijl; kajangra lawas, terwijl 
lijn moeder met thuis is, Bwsk.; makakèdé- 
pék tlkang* kèaa diDaüda rèmpa ta higranya 
iiaii^ab ak^Jangr, Rm. Z. 47, 6. 

II., X. onder palikang, kutjitftngga, 
«wadaka (f); kakajangr, R. 18 Z. 12, S 
(makajakan); kum^Jang^k^laiigr ang^kèn 
•laknya, R. 25 Z. 8 (makaskaja Iwir ma- 
Qgaka palahnya, anghjunhjuni mangka 
salahnya). 

ni., jav., akak^|aiis v. Umar maja, Amd. 
(vgl. Men. 196, 197), aanh. onder pitjak; 
ikakajaDf awèh fija, mah fr. b., Z. 11. 

if^y\ L, spr. kijang, zekere zeevisch. 



II., verk. V. kakjang, men te Djmbr. = 

kaki. 

o ^ 

muJi\9 sterk, taai v. kinderen (akas ba- 

juné); vgl. kreng, sitëng; kijèngr*, akraP. 

^vji\ L, këkajanf, doodikleed dat onder 
de mat 't lijk bedekt; wordt soms uit gene- 
genheid, ofschoon vuil door de banjëb door 
de nagelatenen gedragen; kokajanf, Wd. 62; 
z. pëplëngkungan, saput en rurub. 

• IL, zekere boom f (vgl. jav.), R. 24 Z. 6, 
3 (kajén). 

111., akojang* kadi djalada ri mèhanlng* 
kapat» Hw. Z. 2, 5; ojak^ing* knjangr*, R. 
22 Z. 4, 11; akajangk^Jinpin, z. onder 
ujang. 

IV., z. onder kuja. 

o tAX ^ , kadikajéngan amèt Qldra t|allrin(, 
Kid. Sund. Z.2, 124; sllib tJidr& kojëng akn- 
liUngan, Spt. Z. 5, 156; t|ldrft kajënfan, ald. 
152, saming:lring tjldrA kajèngakoIlllBfan, 
ald. 193, akojëngan Iwlr grillnfan, Z. 4, 51, 
akojëngan kadi tjakra DèDg* riUngan» Z. 5, 
64 vgl. pujëng, aanh. onder bis ir. 

^no^, Sbr., koné (hierin is nja aUeen 

verstaanbaar). 
^ o 
osnno^ , njinjigf 

Qsnno^^, «knjar; kënjali*i angëndëp'; 

mëkënjah, glimmen^ glinsteren. 

rr^n, kënjëh*, pijnlijk trekken b. v. 

V. d. siksikan bij een opgestopten druiper. 

961 mn, teeder v. gestel, Mwak v. eenden, 

die weinig eieren leggen, v. vruchten, die, zoo 

als de biju lumut, spoedig beurs worden, 



9^ 



»l\ 



320 



Q^^ 



V. lieden, die bij de coitus geen kracht bebben 
(batav.); kënjihan ofamah tegenov. budag; 
ngèDJUiang:, verflauwd v. e. rund, dat niet 
meer ugarad b. v. door de suling^; z. 
ngënjih en gafidjih. 

»inouiQSi|^, ben. v. e. geele djangkrik- 
soort met zeer lange kuif en azende op gewone 
djangkrik's; ook njuh. 

Qsnno^ 1., sooTi procureur; ieder der partijen 

neemt er een, die zijn zaak in de parikanda 

voordraagt; ook is hij de persoon, die op de 

' betaling v. e. schuld aandringt, als 't vonnis 

geveld is (z. grëdjëg); z. sarma. 

2», vgl. Jav. (verb. y. k&ntyaf) tegenov. 
musub, R. L. Z. 1, 80 (lamp. kameraad, gezel, 
en, niet; kafitjadwa, sas., pëdadwanan); 
makaiT^a, Bbg., makëkantinan; kantjan 
indrtjay «watëk indrija; sakan^an gang^sal 
wëkanéi «watëk p&ftdawa; antak kantjan 
parthiwanéi «watëk, B. Z. 13, 8f; kantjané 
matnmbak, «watëk agalah; kiuftjan sQo 
¥• e. pamëkël, die 1000 pëngajah's onder 
zich heeft ; sakantjan mamëkëD, «watëk ma- 
pëkën; sakantjan gadjawajané, «sawatëk 
ri hastina;këkaiït|an, bëbalin anak Ijrik 
best. in eene dunne strook, die 't kind bij 't 
natab bantën draagt. 

IL, yak kantja, de golven buiten de branding f 

lil., ben. y. e. kleine soort v. honden v. 

elders aangebracht. 

«nryp^, s., z. onder këndit. 

9^rYp\, z. trikafitju en onder tiga. 

«siinp^ L, uitspraak v. d. krëta, Wtb. III 



4 m. en 3 m.; z. onder wiwèka?, Pam37 o, 
38 b. enz. (vgl. jav.); ni^DtJanin, een zaak 
behandelen v. d. krëta, uitmaken, «amëgaii; 
aanh. onder tarka, zijn zieke familie Ofjpa^^eit.^ 
U oog houden op 't land, toezicht houden op b. 
y. bannelingen, zorgen voor iets b. v. geiten, 
zijn onderdanen op allerlei wijzen belagen; 
këntjanin banfkangy rëdjah bangkung; 
tani tandang^ tani goba boké djainf katong;- 

kol dané mang^g^l (b.: tëkèn munji arang 

lëklëk matané sujap) saksaksiksik küm- 

bëné pasaranting pèlyaté sada (nlap pantés 

irinfang bëbii (tan jogja sambat idëp) 

mangëntJanin kambing; amlakn nnnas pa- 

këntjanlBg ida krëta ring bnlèlèng; balé 

pakëntjan, rechtzaal, raadhuis (z. pëmlaiitjan); 

nora Dëdanin kakëïitjan (n), ahatah, npa. 

II., zonnewijzer. 
ttsurp^, z. kèi&tji. 

9SII o rrp -:) ^ , këntjo*, Bjw., jav. 1 a g u r. 

Q^rp^ I., zekere sterke drank?, aanh. 
onder dr&kda (vgl. «tjifitja en onder 
sajub; ygl. ook jav.; Tjt. kinintja, gula 
k i n ë 1 a). 

«II., Bjw., unti. 

2«, te Basuki en Soerab., jav. ka wis ia. 
qqh rp\ , z. onder i fi tj i. 

9^rp\, naast waktra en wadana, Tjt 

82, 229, aanh. onder kiriwili^ mani en 
mrëtjukunda. 

961 np^, s., a^a tan jatnèng lawang 

èsak kaki slra kuStlya, Mal. Z. 3 (Bs. 

kon si), amlëdog kanlji, U. Pngr. 78; ook 



^\ 



S21 



^\ 



koiltji, kinoütji, aanh. onder pitrëjana, 

blëdog en pasagi (makafitjing). 

'I^np^ of kiSltji, ben. v. e. half roode 

Chin. kaarl (Bjw. këntji); z. onder bësar 
en gobog, eign. v. e. parëkan v. d. vorst 
T. Bulèlèng in een bal. gedicht, waarvan de 
ülel mij onbekend is en alhier door *fr. aange- 
duid, te pas gebragt 

n»inp^, jav. en sund. giiitju, uit 't 

Chin.), zekere verfstof, waarmee dulang's 

rood geverfd worden (vgl. batav.), z. ook 

onder bad a wang en aanh. onder biing. 
"]^^Tlp\f Untjé sAdapnr, Wtb. III, 21, 

schijnt een rood zwarte plant te zijn. 

II.» onder de rijdieren, Tjt. 217. 
"790000^, jav. (z. kuSltja), tan salui 

bhatjirl knnti ri palnng^baniranaknira, griis 

maofgamèll kontjani lantjini^nira (b., kou tja 

ning tja wat), Nw. (sund. id.« mal. puQtja, 

bat. putsa); vgl. galèndongan. 

"^«onn^L, tëmakontji, jav. (tëmu kuQ- 

tji) Ds. (afb. Rumph. V. pi. 69 fig. 1); z. 

onder tëmu. 

II., z. onder kufltji. 

oiQOOrypo^ , Chin. (kong tso, over- 

grootvader; eigenlijk een tempel voor iemand 
opgericht, die zeer deugdzaam was en te Ba- 
ojoewangi overleden zou zijn); Chin. tempei 
iSMrn^\ I., (vgl. kafitjur), mëkiüS^nh, 

*t water uit de djukung scheppen met een 
timba, die pëngafitjuhan beet, hoezen. 

II., lamg v. 't haar v. d. cunnus, a. d. aars 
▼. wljfjea-krekels (by de balangkalja hebben 
de maimetjes ook lang haar^ maar niet dik). 



9SI 



rypn, geslonketi v. e. zwelling, lenge* 
volge V. e. verzwikking ontslaan, opzuigend 
de inkt v. papier; ngën^ah, met water wrij* 
ven b. V. zeep; vgl. kutja. 

no ^ \ , zelden, bal. uitspraak v. k ë fl tj u r. 

no9^, ingekort door te sterke Iwijuing 

v. e. touw, V. d. borst als 't zog er uit is, 
ingekrompen F v. d. penis door koude, de tes- 
tikels. 






o o 



rrp^j^ , z. onder iiïlji. 

asjryp^^, Sbn.. umpal^ 

«inpui^, z. kutjai vgl. kuilljir. 

mrp'£!ï\, kaïltjang en ngafltjang, ka- 

jang; kaiitjang^ djani, tol op dit oogenblik enz., 
kautjang; djani (raüh mangkin), tot op heden; 
komantjan dados danjnh, akntns tiban, voor 
debusung danjuh wordt, verloopt er een 
achttal jaren. 

2% njansan; kantjan sawé kaiitjan mè- 
nèkang: adjiné mawawnb kant|an bagus, Tjt. 

ogeinpgol^ , mëkèiitjan*, mëkèwan^ 
(atja in 't sund. = wa, saillja, jav. sawa). 

9siino9Q^, s., goudy «tatur; kautjana- 
maja, gouden, van goud, B. Z. 81, 51 (alih 
masinapi); kan^anabbawana, Sut. Z. 78, 
3, g^ba kantjana, z. onder kanaka II; 
klnantlanan, aanh. ouder roiigèh; kaütfana- 
wati naast rukmawati, Spt. 

gsfim^, kontjarkaiitjir, Bjw. Jav. wira- 



A31 



Win. 



V. 



QS«no^, jav., B. Z. 4,5 (afltjo, was tra); 



z. ëatjur en kaiitjuh, en kaïidjur. 



ii 



«11^ 



322 



'^\ 



9QI no \ . z. onder ij ë k u Ii ; knmëiïtjar, 

aanh. onder tunggèk. 

^ryp\, mërak kiiitjir, zou de ben. zijn 

V. d. geele kamërakan; kosta lan këmban; 

sandjanja, mërak barak mërak kiiitjir, ka- 

djajanti lawan sèmpol, karurak lawan katju- 

bung:, sëkar taiigi lanangsana, këmbang koning, 

tjètjèln tjampaka djënar, Lp, v. d. mërak, 

wal bij de kippen awar^ is; kiiitjir koning 

V. e. mërak in de gënding sangjang. 
ono^, jav. (kuljir), een bosje haar in 

den nek (aiën^; sund. kukufiijir); ook 
Ij i k u t, « wula (of b u I u) malën^is grinuntin^ 
arat& hana kaiïtjir alit, v. R&wana zicb de 
gedaante v. e. priester gevende, R. 4 Z. 1, 65 
(buluné njëlëp gagunlingané pada 
matènatèn^ rambuté ngufltjir ilas ki- 
nuris kèwantën madjambol tjënik, tëng- 
gëk nj. mangunting alap matjiri alëp). 
mara mëknutjir, pa5 o/^^e^cAo^en V. d. padi vóór 
ma ra pulib; ook mara ingët; ng^nntjir, 
bang om te vechten v. e. baan, wiens nekveèren 
nisdan opstaan (Bjw. en sund. ugutjir; vgl. 
n 1 a p a k p u i i h) ; ng^untjir twara dadi kélëg^in 
(vgl. jav. nguljir en ugutjira; dil laatste 
als kw. opgegeven); aanh. onder kopok; z. 

kuiltjung, onder gum bak en gumbala. 

^>rï?\j Smbr., kuif \. e. paard. 

ê ^ 

9siinoyi\, z. onder klabang. 

onpDn^, z. katjtjura. 

5QII rr) anosüK, z. kambëntjërik. 

ot^nTsïj^ of këilijirat (vgl. këntji- 
jat, mufitjiral en muiltjrat); pakuntjirat 



V. vocht uitspuiten; pësa panjab pakaïïtjlrat, 

B. ü. 67, b.; vgl. Irëtjit. 

«SB ryp yj £ii| ^ , «kumangi, sapadja (?). 

zekere plant (ocymum sanctum of nionacho- 

rum); gewreven zijn de bladen geurig als 'l 

ware als pepermunt en worden genuttigd (z. 

«afb. bij Rumph. V. pi. 93 fig. 1); z. uku*. 

^7^P^' ngrantjrongin, ngatukin; z. 

gadjrès bles, tomblé en kafltjlong. 

2«« Dgimbuhin. 

ïsiioryp'Dor:)^, z. gafltjorong; kumaii- 

tjorong^, aanb. onder kronjoh. 

^ rr) 9^ V nj^otjakang, afzetten een boord 



enz. 



orypodn)^, tan (obhft katékèng fiUtala 
mnng^ap kinëmulan i pakaiitjakiiijc haras. 
Rm. Z. 60, 4, z. kutjak. 

O^rvposnK I., goed kunnen praten (an- 

tëng nangkilin), wikan, B. U., bëtjal, 
p r a dj nj a (ba tav.), « m è fl dj u h ; sin; nija- 
pan; tnfi twah mangrirftwé rimangr» kèiïtjak 
srëngfl^ra manis, baja twah ring kana nia- 
brata madoparka, nlng atjapang: tëka mani$, 
blabur sarkara sasat mada apasih, fr., vgl 
aanh. onder tjatjak. 

IL, z. onder iiltjak. 

7 ^ 7 ^ ^ ^ ' njfèiïtjèki of ngèntjèti, Bjw< 

(jav. ugotjèkif), een cocosnoot v. d. kaïl 

ontdoen; ook kofitjèk en koQljèt. 
ïsiryposii^, z. onder pafltjaka. 

^surYpgoi^, s. z. kafitjuga; sarppa kai 

tjaka, «limuDgsungan. 

asjrypgsii^ (?), paftdé balil talam. 

II., rouwara. 



«Il\ 



sas 



ïöi\ 



)si rvp tsii| ^ « uit katjtjit, dat een vraag 
Ie kennen geeflf, B. Z. 12, 8 (kagèt); Z. 57, 
9; Z. 23, 15; Us. Bal. 229; Wrs. 22, plot- 
seling^ op eens, T, Z. 5, 76, 109 (sagët), vgl. 

onder katafltjit. 

991 nr> tsin ^ I. , tusschen de hemen opgetchwrt 

kleed bij 't werken (singsët of tja wat?), 

stendenlap v. vrouwen, v. kleedingstof in te- 

genst. V. pëdangal (lëlëmpir); tangfun 

kaiitjati z. onder tanggu; makantjat apan; 
da kobét di djalan, Wrtn.; kinaStjatakëniiigr 

pHpo, Br. Z. 48, 7 (siningsët ing; batav., 

jav. tjafitjut, sund. tjangtjut); z. bulët en 
mëtjingtjingan; ng^ros tan^g^an kaStjat, 

in toorn of uit stijdvaardigheid tartende, z. 

onder laQtjingan. 

IL, z. katjut II., djoh skèn pisag^, nma- 

hé qpiatjnt. 

3Sinotsii|\ I., s., «makëdik, aanb. on- 

der hëlëm; saUntJit, T. Z. 4, 16 (kidik); 

aUitjIt, akwèb. 

n., pnrisaftja kintjikifftjlt pan darfandha 

bah« ja rinakam punang kapatalii Uwan 

kapatjirit, T. Z. 4, 46 (mwah tai ring ëfi- 

Ijitdéning bangës liju patunggalanja 

boka i tai tëkènang i ëntjit). 

n vjQ m \ , adawa akakantjit, v. d. pauw 

aanb. onder likit; balig^o aknkuiitjiti aanh. 

onder wilajut. > 

n95imr5Ti|^, vierkante blokjes v. besneden 

houtwerk als kapiteel met een gat, waarin de 
midden staande kolommen v. e. balé boven 
bevestigd zijn; bidi sarwa santau di patjak 
^Donf^é kang^iD masasaka podak tjindafa 



makèntjnt tandjung: madwé plasa raab sd- 
ngènfé kanlngr maigra* tjampaka, tadahalas 
ipané gradangr, angg^rèk graring^sing^é gnsti 
tadah paksiné malambang; nag^asantan ma- 
plaofkain tandjangr, irika gusti maling^glh, 
makasar angsana magalên (1 ë ng) ban mènah 
sasan, malangsé padapa, guHngé gambir 
aoggit, fr. 

'^«n^ryp^sïj^, z. onder kèflljèk. 

^«n^ryp^sTjj^, z. onder kèflljèk. 

gsurypisii^ I., soka kaïitjitjlmbëkira, B. 
Z. 55, 4 (tusta dadi tjittanira, kabèb 
rëstah idëpnjané). 

IL, nagapasab sakantjita gëdènipnn, R. 
sas. Z. 6. 

«iryp^^, s., z. onder wllul; ntia kan- 

tjita lamang, Sm. Z. 21, 9 (lëmu kofltji 
ika mokob), «mrak, R. 23, Z. 12, 12. 

ïsiiorvp^^ • onder de muziekinstrumenten, 
Tj. A. 1., 2 b., 4 a. 

gojrYpu^, kèwala (kowala?); kantjawa 

dak&, moka rana, nga., maharaning; banga- 

wan kantjawa, maharaning nusi (b.: nüëa) 

narmada, Tji. 16, hadplaalsf, aanb. onder 

paliré. 

gsiinouruN, z. onder antawali. 

«AJl 

^t^inji|\ , jav., zou zekere kleine kidaiig- 
soort op Sasak zijn, maar de bal. kennen dit 
dier niet (z. onder bangës); tandang andë- 
mak kadi mong anon kaotjil, Kid. Sund. Z. 
2, 99; vgl. onder plandok; kantjil bang; 
eigenn. v. d. zoon v. Matjan kuping,R. L. Z. 
1, 108; kafitjil niasawl, aanb. onder lungid. 



ten^ 



324 



Qèii\ 



r 

3Siinpru|\, këntjar, Bjw., jav. groüdja- 
lan V. d. grond (nulja sinèlèh kang sunu, 
néiig siti këfltjaP, mail ij aP, ismail 
sampèjanipun, jata siti kang këpafl- 
Ijal, nulja mëdal toja wëning, Anb., 
hds.; b.: n. dèn sëlèh k. s., anéng siti 
groildjalan m. i. sampunipun jata 
bumi kang dèn pailtjal mëdal sumbër 
toja wëniug). 

élirypru3siij^, sas., lëlawah; rwan inj 

kantjalikan, Us. 316. 

9Siirr5ru9Sii^, s., tjatjing (Tjt. 55; tjim- 

bulaka; een Kr. heeft kiiltjuluga, tinggi). 
osurypru^sï]^, sas., tjëmpiit. 

KinnjP3u|^, Bjw., jav. kufltjup; kaS- 
tjlnp kaja tulup, mëkar kaja %:d\n^ raadsel 
op pupus gëdang (= plosor); de gelijk- 
heid met tulup ook in 't Bat. uitgedrukt 

door ultop (= tulup). 

9Siino|o^5p^, kailtjroug. 

g^rypuj^ / jav., u^^nutjup pajangé, tangr- 
g^alé pada dèn sang^sani:, astrané winarang;- 
kan, minaka taiidané nnnfkul, R. m. (ongeveer 
't zelfde R. k. 157); vgl. tjukup en kutjup. 

QSiino lA^ tSTij ^ , z. këntjirat (vgl. gëïilji- 
rat), pëkëntjijat, uif spuiten v. bloed uit een 
wonde, v. pis uit vrees of geweldig lachen. 

9Siinon\, 8. (kaïKjuka), v. *l buis dat 
Harini in staat stelde door de lucht te vlie- 
gen, Sum. Z. 1, 9 (vgl. onder kalambi), 
«kawatja (nog een overgang v. k in g, z. 
bij tjuriga). 

^rb\i Z' kafltjan. 



QSiinoN, jav., «panghrët, knoop aan een 

kleedingstuk (mud ré); grendel v. e. deur; 

makan^lng;, op slot door een grendel of sleutel, 

«manangkëbi (vgl. mubët); makufitjaiii: 

kautjing:, aanb. onder taksu; ng^antjing kori 

(z. ook onder pa et); pangfantflnp pasom^: 

haarwrongpen soms v. goud. 

QsiirTpN, jav., tali talak kèntjang, tali 

Ju) 

tj a ug g a h ; makëntjan;, Meg. 319; ng^ntjan; : 
iemands handen of beenen stijf vast en van 
elkaar houden, v. e. te slachten buffel, aan de 
neusgaten gebonden, een touw rechts en een 
touw links ; pang;ëntjang^, de brug v. e. bril, 
dat gedeelte, dat op den neus komt te zitten. 

orvp^, jav., kèntjéng: mëlaib v. apen b. 
V.; sang^rjja kèntjëngf, op last v. d. vorst v. 
Madjapahit aangenomen naam van Arjja 
da mar, Us. dj. 23. 

^^\ '-' këntjing; mwah majong^, «djang- 
lur awor bajong. 

II., sas., (bajan), tin il. 

III., aanh. onder paridjata. 
«nnpN, z. onder djowarsah. 

^Trï?\ » z. onder dawan. 

( -O) » 

II., këkëntjèng:, sas., tjèngtjèng. 

orrpo^, këntjong^an, z. onder luluan. 

5QiiryD\, jav., v. d. wenkbrauwen, L. Z. 8, 

-A3) * ' 

5 (pakëdjit), alis, Hw. Z. 6, 6; kamin- 
tjaii;, z. onder giiltjang; kinint|an{pui alis, 
Mal. 5; pakiiitjang^, van den bliksem, Hari{. 
Z. 3, 4. 

2®, ng^iiïtjang:, niet vast v. d. blik v. e. 
albino tegenov. mcmlëng. 



^ 

m 



961^ 



S25 



«i\ 



?siryp^(?), kintjëh, (vgl. onder 8ëpëkën), 
kroezig, ingekrompen b. v. v. d. ^ol onzer 
schapen als zij hier door de warmte minder 
haar krijgen, stijf \. d. pezen, tegenov. uwal; 
vgl. giütjëug en këlkël. 

^^\' P^UntJingri gélWÊg sukunya ja 
manniigsyani lakunlka tau wawang; laris, Rl. 

iim U» d« 

II., këkifiljing; de slip v. 'i gordelkleed, 
dal midden op den rug afliangt, dat gedeelte 
V. d. sabuk en kambën, dat men vast- 
houdt om iemand tegen te houden; takaté 
linfanff mamoio, kaUntjing^é mast grlsl, uit 
vrees bield hij zich aan zijn broeder vast. Dj p. 

Z. S, vgU tanggun kaiitjut. 

ïSïryp^, de kleine staart v. e. jonge kip 

mara tnmbuh kiütjang); mëkintjangf, 

volstrekt meê willen v. kleine kinderen ; tansah 

kintjaog astané btjang; v. e. klein kind, R. 

K. 111; ngin^mq^, volgen v. e. kind (vgl. de 
analogie v. ik ut in 't bal. en mal.); ngintja- 
nfin, steeds bij 't dier blijven, het achtervolgen 
V. e. hoeder; v. kleine kinderen, die steeds 
met iemand meé willen ook in toom gezegd; 

tèkèn ijanma né tjérik* né ban blsa nga- 
■Son sapi pada ng^idëp munji pada Jatna 
ja mang^anpon sapl pada nrintjang^ sapi- 
nyèbt tansah madnloran tali anjar tong 
baiDfa bnflk, boflk ag^ifis ësèhin, Djpur., 
aanb. onder man. 

?sirr)^ ' *J^^' (tjoba, nglangut, vgl. mal.); 
sani^hjaiif knfitjang^kantjing, nm. v. e. voor- 
spelling-formulier V. Drona, Nw.; kumon^ang: 
lummpat van een kafitjil, R. 7 Z. 18, 



1 (ngaliüljang makëtjos); kinantjaDrini^ 

widhi, Hadji D. hl. 45 (jav. Ad. 65, 119); ki- 

nontjani^ins dèwa, rinawasnikang widhi; 

kinan4jang;ing: lara prihati, tut. 1, 50; ki- 

nnütjang^ ing smara, «anusah lulut; ktnun- 

tjangr, Dj. 1 (in o bah); kuntjang^éDini; mabft- 

rogra, O. b. (1020); panfuntjaDginf soksma, 

Men. 341, p. ing; tajang: ag:aogr, 598; panfon- 

tjang^ngr widhi, Mal. 4, 5, 15, pang^intjang:- 

ing lara, Br. Z. 44, 2 (pamisèsa ikang 

dukha, panudub sakité); pangiuitjang- 

ing: hjangr, v. 't geen besloten is, Smw. Z. 1 , 8 ; 

pangnntjangingr daskrëti, Kid. Sund. Z. 2, 

4; pangnntjang, ald. (pangobah). 

IL, kaknntjaDg (f), niaQsëran, santa (1.: 
la) wana kaknntjang (waarin de a door 't 

rijm vast staat), een ben. v. d. versm. pangkur, 

Amd. b., z. onder user. 

orr)^ I., kumaiitjang v. d. kaütjil, R. 

7 Z. 18, 1 (adjaridjig, ngalifltjang). 

IL, z. onder koiStjong. 

' III., jav., slechts bekend als bij Ghineesche 

en Javaansche kinderen in gebruik; z. pëpoft- 
tjong, djambot en onder gumbak. 

q75nnx^\, makofifjèng, zich de poste- 

riores met water reinigen of v. vrouwen 't 

f7ro/>er/;6(kabèdji; z. kajëh, kilad en kidkid); 

pakontjèDgan, damu, aanb. onder gëlgëL 
OQsnorrp'D^ , nm. v. d. oogen op de Europ. 

kaarten (lëlangan), die boven de aas gaan, 
zonder nadere vermelding v. schoppen, klaver 
(vgl. onder k è 1 o r) enz. (Bjw. k u ii tj u ng) ; 
kontjong dawa, kontjong adasa; z. asa en 
angkong. 



7^\ 



3i6 



^ 



> 



9SD 



nnnnn<j\ , iig:ëntjèns;èh, in vollen bloei; 
pèkëntjèngèh v. oDlloken bloemen; vgl. pekë- 
bwahbwah en njampwab. 

96ïim^ L, jav., B. Z. 74, 2 (dipa, dilah; 

vgl. kënjah, sund. njaj»), W. Z. 18, 8 (tèdja); 
knmnjar, Sul. Z. 115, 3 (ngrèdèp), W. Z. 
3, 7 (dumilah, masuwar), Br. Z. 37, 4 
(sumilali), «gumawang v. d, maan, Z. 18, 
8 (anggalangi); rApanira kadi maslinëbar, 
mnrub ma(ii)t|ar patikërëdap, patikèlèrèt, 
patlkërënjar, patigarilap, Tr.; kakënjaran, «ka- 
sënwan. 

II., manahé kuménjary Stn. Z. 1 (bis.); vgl. 
onder syar. 

III., nm. V. e. smakelijke kleine zeeviscb 
(jav. te Soerab. sëlar, ba tav. këmbung; vgl. 
sulih; vgl. kënjèr. 

gsnrn^, grijnzend lachen; n^ëiijirin, legen 
iemand een grijnzend gelaat zetten als een last- 
paard, dat een ander tegenkomt, asing tëpuk 
kënjirin, U. 6j. 99. 

QQiono^ I., nm. v. e. zeeviscb; z. knjar II. 
IL, mëkënjèr, zeer hevig v. geluid, v. d. 
hitte V. d. tabja krinji; vgl. mëkebèr. 

«n n m n \ , mëkënjor, zich verspreiden v. 
glans (z. kënjah), pakanjornjor; ngëiitjo- 
rong, in heete olie doeti. 

2^ mëkënjor, v. nj o r, zijn bizonder geluid 
geven v. d. gang sa (vgl. bij deze bet. die v. 
ngronjoh). 

QQimyi^ , Sm. Z. 7, 8. 

kunnon^, «kanjiri?, schijnt Prftkrët te 
zijn (Hunter*s Orissa II, vermeldt kanyèri), rfc 



oleander, «a^wamdraka, «karav^ira, «wi- 
raka (jav. këmbang maniëga ook te Bjw., 
afb. bij Rumph. VII pi. 9); kënjèri sason 
door de Nederl. gebracht; kënjèil patih, z. 
bintaro, 2« (uit H sund. kanjèrè, briedelia 
lanceolata, op te maken, dat de toepassing op 
oleander zeer nieuw moet zijn, vgl. kënjèli); 
kbo kënjèri, aangenomen naam v. Prasanta, 
Was. Z. 2, 56 (in de gambuh te Bd. de 
bediende v. Ma la ju). 

9Siinoy]?Lni9QK , z. onder njav^an. 

Tsn mnn ^ ^ , sas., s a ng s y a b ; ook s i 

mirah mata. 

9^noQ^K, pëkënjlk, geene groote happen 

bij 't eten kunnen doen, zoodat men langzaam 

moet eten. 

9Sfi np 9dii| \ , makinjakaii, smakken, * a ngg a- 

lit; kinjnk* zou eigenlijk b. zijn v. tjiplak^ 

mungis^; sang: audaka nang^undaja, ëbah 

laQt maii([:8:iilintiiit[:, lima batisé maiig:ëtor, 

tètèli* manj^djëngfit, kinjak* mandëlik (hij 

hield zich ziek, T.bg. Z. 1, 13. 

omeSl^, z. onder kunjit. 

g^noo 9^ K , ng^ënjëknjëk, met de nagels 
knijpen; maii;ënjëknjëk, mangësësësës. 
Q^no^^, mëkëujod, Anmpeti door hitte; 

vgl. kinjud^i 



gsn no ^ ^\\f pakëq) ëdiy ëd , eeti weinig 



steken, Us. 15. 

geiirr)^^, stijf v. e. lidmaat, tegenover 

ënduk or lëmuh; v. e. klophaan, wiens 

pooten nog te stijf zijn voor 't gevecht, 't geen 

echter door nggëtjëlin en mëképotin beier 



iai\ 



327 



TSt 



\ 



^3! 



kan gemaakt worden; kuminjat ing stri 
wanëli, aanh. onder r&gadwèöa; qgèoja- 
tftiig, een touw êpannenf aanhalen; ygh kënjang 

en këdépg. 

rr5 tfij ^ , kènjèt* v. 't gevoel v. aan- 
komende koorts; z. njét; mikéniét in U hoofd 
krijgen iels te doen, b. v. overspel?; kamèojét 
riiq^ atif Ar. Pr. Z. % 2 ; s\ng këojëtang ring 
manah, «sèslinii^ èmbëk; bëtjat sakë- 
njëtaoy «drësning manah; Iwir sakënjëtan, 
• manogèmu •tjittagèmi; glis sakëujëtan, 

«^ighra manodjawa. 

^rr>tsi)|^, komëiiJnt, jav., R. sas. Z. 2, 

koméDjat atiningson marini: sira, Z. 5. 

5Snnn-:)tST!|^ , kënjot*, pijnlijk tintelen v. 

d. Iieenderenf, v. zweeren, die op 't punt 
zijn open te breken (vgl. klodot^), v. d. 
slapen bij hoofdpijn; mëkënjotan v. e. steen- 
puist; z. kënjotnjot en njaring. 

^nDTSiu^ , curcuma, «Sum. Z. 10, 15 (mal. 

id., mad. konjè, sas. kunjiq; jav. kunir, 
iloc. kunig, lamp. kufldjir en kunjir, dat 
<)ok geel bet., vgl. bug. unjiq, men. kuniq, 
bal. hunik en koning, mak. kunjiq en bug. 
unjiq, curcuma en geel, Ns. maündré, geel- 
achtig V. undrè, curcuma, mlgs. tumamu 
lamu, geel v. tamu^ curcuma); kanjit më- 
timkiis adokln pamor, tegen 't bloeden der 
tanden na de vijling; bij 't toilet v. e. doode, 
aanh. onder sangling. 

i\ ben. V. e. geele tab wan-soort, dezelfde 
als de t. kunidr; kaja kanjit, R. 24 Z. 6, 
i (tahëD kunir); «kinmjit, 2S Z.8;klèi« 
knjit tli pamoFi spreekwijze om \ gemak- 



kelijk zwanger worden eener vrouw aan te 
duiden, daar een weinig curcuma de kalk ge- 
heel geel maakt (vgl. de spreekwijze in de aanh. 
onder apu); këkmijltan, nm. v. e. stevige 
bun ter versjouwing v. zwaar hout. 

9^no tni ^^, pakaojëtojëtf aanh. onder 

mong. 

gsn no ts^ ^\ I., nj i t ; pëkëojitnjit, flik- 

keur van een vuurvlieg; wownsën ring saudya 
wèla, pasang padyat pakang^itngit, kawa- 
wasën ring djro pora, di lodji djantèrang 
sami, tëgëli wjakti tan sipi, fr. 

II., nm. V. e. kleine dj a ng k r i k-soort, die 
in de tèmbok's zit en des avonds piept (vgl. 
sa wang?), om kippen meè te bedwelmen, 
waarbij gtah gadung; matangaran kanjit- 
njit ngadjak lawanja, di arëpè nganjitnjit, 
't geen de tjurik in 't denkbeeld bracht, dat 
zijn gebed verhoord was, Tj. b. 

yp rm ^^ , qgënjotnjntf ontevredcfi, mei 

il o * 

weggaan; brangti mangaujntnjat, Bt. 31. 

QSiiono-DO rsr:)tsQ^ , kcnjot; ngënjotnjot 
V. e. gezwel dat draagt, steken v. e. wonde 
des nachts; vgl. qgëbëtbët. 

Im\, k ë nj ë m, v. iemand, die niet 
hardop durft lachen, B. U. 23, 4. 

9Si!nnop5j^, kënjong, klès. 

«nnoïuK, vermoeid (lësu; vgl. mal. v. 
KuL kënjal, jav. kësël); kënjël baisé më- 
laib akënjëlan, zoo lang doorgaan met iets tot 

men vermoeid is. 

^ o 

«nnnoru^ of kënjili, zekere boom, 't 

hout door in de aarde te begraven^ zwart ge« 






«nnopjii 



0611^ 



528 



i^\ 



maakt, voor gevesten v. krissen gebruikt; vgl. 

kënjèri. 

feinouj^, z. onder kënjab. 

ïainou|^ 1., tan kawedar, tis, Sm. 
Z. 16, 4; kënJSp (kinenjep?) nirèng: ati, 
Adip. 105; kaménjëp i rèhaning: wëka, ver- 
langende door boete, Br. Z. 16, 7 (ngartja- 
najang tingkab ikung putra); kamënjëp, 
Ar. Pr. 3 b; angënjëp, B. Z. 17, 12; kinënjëpi 
♦ inisti, Sut. Z. 25. 3, Z. 28. 6; Ar. Z. 1, 
38, 7; Z. 44. 7; Z. 62, 3; Z. 53, 1, aanh. 
onder kanaka, kiniddp, Lomb. Z. 16^ 3; 
sang: kinënjëp ing; hati, Sm. Z. 26, 9; né klnë- 
njëpani: ring: kahjan, B. Z. 23, 3P 

II., ng:ënjëpang:, proeven hoe de smaak v. 

iets is. 

9^no^ , s. (khaildja), z. onder timpang. 

2«, kakaiidja, onder de spooken, Dm., (een 
andere naam v. djapupu?); vgl. aildja^ 

9QRno\ I., tafing: kaiidji, z. onder tuüng. 

«II., Bjw., kapok, en er naast (vgl. jav.). 

III., mal. (Tamil), stijfsel bij waschgoed 
(nieuw woord); ng:aïidjinin, 't waschgoed van 
stijfsel voorzien, ook mububin. 



^ ^ 



«tinn^, z. onder kubda. 

nvr:>m\, s., (kaufldja), eigenn. v. e. 
berg, «o dj a ja, Utt. 13 (de oorspronkelijke texl 
kraufltja); vgl. Pabratan 16 b. bov.; kk. Z. 
19, 4, vigd.; ook kofldja, maar te lezen kroQ- 
tj a (k r a u tl tj a) als nm. v. e. berg door 
Para^ur&ma doorboord. 



v^ 



m^\, kèndjuh?: kinandjah (of ti- 

^1 / 



nulak), «ftjunan, W. Z. 23, 3, 



Qsn m ^ ^ , stijf, niet te buigen, v. d. vingers, 
die vol ringen zitten; ng:ënd{éliang^, stijf uit- 
steken den vinger, waaraan een ring, om iemand 
te laten zien; vgl. këtjir. 

nosiinoq^, v. e. «ifidjah, z. èildjuhf 
(2 jav. hds. tèftdjuh), W. Z. 38, 11 (gèö- 
djab, kalindiban, ulangun); vgl. gafidjuh. 

9Siino^, akaïidjar, B. Z. 12, 15 (mèdran; 
vgl. mal., waarbij aan jssj^ ook gedacht kan 
worden); makafidjar, R. 20 Z. 16, 1 (ma- 
tangkis, këfidjir; vgl. jav. Wdb. onder 
makafidjar); bhong:g:an akandjaliandjar ama- 
lajmalaji pang:ang:ang:an, B. Z. 80, 32 (mëng- 
Ikok mabikas matandang lipët^ dipaba- 
liban m. salahqané mamalih malihin 
lijatnjané ring panifidjoané); akandja- 
ran, Br. Z. 51, 11 (Iwir angigël); maro- 
ngat akandjaran ator robnikang: adadhi v. 
aanvallende jakhalzen, T. Z. 2, 9; Adip. 91; 
akan^aran, na de overwinning op den wor- 
stelaar, Wir. IK; lilftkandjaran ai|g:ra8iik ma- 
knta ratna kapwa kamënjar, Rm. Z. 45, 4. 
9siim\, z. onder swak, kinandjonin (of 
k i n a fi tj u ra n« zeer onduidelijk) ing: ijjftkf Anj. 
Z. 25, 5 (i n ë & tj u r a n), aanh. onder p r i- 
j ara na. 

QSiino^, Bjw., ben. v. d. vlinder, die, ergens 

in huis zich komt neerzetten en als voorbode 
beschouwd wordt y. 't een of ander, dat ge- 
beuren moet b. V. v. d. komst van gasten: 
kakëndjëré pan sampan nunnlian, rinp bën- 
tar pëmahé, ni sritandjonp dèn olati, ka- 
këSdJër tnmat (bal. hds.: turn rap) rin; 



»l\ 



329 



«61l\ 



fèluii;, Udnl knlon sang^kanéf sampim pa- 
todnli (padudah saogking) Jan; manoiii 
saodyah maras atinipiiD, apiklr sadjroning; 
Dila, baja Ing&fin kadajoban, Stn. Z. 1; vgl. 
këkëdjër en aanh. onder saraswati. 
JSino^, opslaan, stijf opgericht v. d. ooren 

V. e. hond, tegenov. lèpèk, v. d. padi, hetgeen 
een teeken is van leège aren, aanh. onder kë.lè8 
vgl. onder tjai^tjang), v. 't hoofdhaar, v. d. 
vederen v. e. grui^sang, «angdjëlëg, Sm. 
Z. 14, 8; m^ndjiranir, i^ëtjirang. 
»rT:>\, z. onder tadjoh. 

'^«nno^, eigenn. v. e, dadari, W.Ast.38; 

kèkèndjèr, aanh. onder dingdang. 

«noan^, jav. (skr.), ga dj ah, Brh. Z. 1, 

j ^ 

20?; knndjaramada, z. onder ma da; knn- 
djarakmrnna, titel v. e. Buddhistisch, zeer in 
laai gemoderniseerd, proza- verhaal, waarin de 
hektraffen beschreven worden (aanh. onder su- 
«ijèn en bësèr), naar een jaksa v. dien naam 
jav. knfidjajakarna, als naam v. 't hoofd 
V. d. rebellen, die tegen koning Bimhis&ra 
opstonden, te vinden in Rèjèndra Lala Mitra's. 
Sanscrit Buddhistic literature of Nepal, hl. 11; 
Tjt. 30 ook kafidjajakarna de eigenn. v. 
iemand dien Qiwa liet in verzoeking brengen 
en in een danudja veranderde; zijn vader 
heet er Dumbadjaja; als danudja ijverig 
lioele doende en den nm. dragende v. Dar- 
niasana, verlost hij Pürftawidjaja uit d. 
hel. oa Ja ma en zijne dienaren verslagen te 
bt'bben en herkrijgt later zijn meuschelijke 
eedaaole); kiindjarakiindjadè$a, z. Kern in 



de btjdr. tot de T. L. en v. v. N. I. 4« 
volgr. Dl. X. bl. 150. 

II., z. onder pëtjuk. 

QOinpj^, z. onder dj ring. 

'^osu'^t^pciS^, nirèndjèq, sas., ngèwèrin. 

^QQO'^m-D^^, koiidjot*j kotjot^ ook 

gofldjot^ 

QSiinoru|\, z. onder lékoq. 

«nrTDuj^, z. onder këtjit. 

onotAJi^, knndjajakarna, z. onder kufi- 
djarakarAa. 

QSino\, jav. (Ijapupg), Anj. Z. 10, 5 (li- 
ling); B. Z. 7, 6 (walang, kuri&djëm); 
LamI). Z. 15, 3 (ililing); z. onder lawuwina 
en vgl. wilalan. 

ono^, tall nikwakiindjéng:an, R. L. Z. 

9, iio. 

09SirY0\, Tbn., tëngah; akèiidjami:. 

«nnoi^iosw^, z. onder njiju. 
9SII nrprrp^, pakanjonja, patjur en pa- 
ba nju^ Br. Z. 1, 14. 

o xyj> rn 9 ^ , zeker boompje. 

isnno'EJiK, glimlachen, «asëmu guju; 
kénjëm*, «kèsisan wadja; vgl. kënjii^ 
en kënjung (z. onder lënjad); kakéDJéiiiln, 
«sinëmon guju (bat. unjom, mal. sënjum). 

or^oo]^, kininjami rasa sadrasa, T. b. 
Z. 2, 43; knminjami ikang minjak, Z. 4, 
220 (vgl. men. en z. klinjam); klnjamani 
«kalihasëm, Kr. (onzeker, 't bds. ver- 
scheurd zijnde en niet te zien bij welk woord 
in den text 't behoort (zou wel kënjamën 



m\ 



BSO 



7SI^\ 



kunnen zijn, daar dit Wdb. nu en dan ook 

sas. woorden opgeeft). 

9Simo9Q|^, sas., kuüd; ook komboq. 

96imni|^ I., makènjab, «amaja^ (tag. 
kinéb; vgl. kranjab); paliënjabnjab, «nia- 
kapuratuk; mèkènjabnjaban, mëkraswa- 
kan; kumënjap (sas. uilspr., b.: kumëdèp) 
dadi tatit, R. sas. Z. IS, z. prèsèt, 

IL, z. onder mëkrasapan. 

g^nonij^, njëiii; manis kënjëb, laf zoet, 
vgl. badob, gabëng, iigëmug. 

«inoni n!|^, z. onder kënjab. 

QSiiry:)^, strak, stijf (te Smbr. ëntëng); 
vooral V. d. penis in deze beteekenis djëbëk 
te Sëmbiran; bug. kanjang; 't zelfde als 't 
mal. woord voor verzadigd^ vgl. mak. banjaiig, 
vgl. sund., z. këndor); akënjang^n lima, 
zoo lang als een strak gekoudeti arm; ngënja- 
iig:aii|r, de vleugels spreidefi;ng6njmg9inglimtLf 
aanb. onder biku; vgl. kënjat, bënjang. 

9Siino^ I., z. klënjëng, sufiim: kënjëug:, 
*geheel verlaten v. e. plaats^ vgl. onder ungang, 
aanb. onder mungmung. 

11.9 sas., kënjang, z. këdjong. 

III., kakënJënfaDg:?, «winiwir (kakë- 
njangang te lezen?). 

9siim^, kënjëm; pasalèng: kënJing^Oi 
elkadr toelachen, aanb. onder duwa. 

9siop^, I., «guju; manfsing: kënjnng:, 
«ra^mining guju, vgl. kënjëm; kimimpas 
kënjuogr, onder de 108 onderboorigen v. ki 
Tjambra brag, Us. 479, 261 ; Iwir këiijnnp, 
«kösisan wadja; vgl. onder lënjad. 



II., jav., z. onder bëdès. 
«iOfY5'5^, z. onder saragi. 

n«iino^, kadènf, v. de tjurik, die bij 
geplukt bad en die verdwenen was en bij 
dood waant, djanl tëka malib, palan waloja 
mabolo kènjang; matl, Tj. b. Z. 1, aanb. on- 
der tjakëp. 

noonnno^ , ëndëh mëkonjèDf v. twi- 
stenden, babbeiars; vgl. kojon. 

OQQonno'D^, kuluk, vgl. onder bëdag. 

«no|^, kami, R. 6 Z. 8, 19 (mami), 
iba, «Kam. 17 Z. 5, 6 (vgl. lamp. si -}- kam 
en mak. kang); nda kam rèmak, 12 Z. 2, 
14 (apanga dëkdëkl). 

QQo]^ I., zekere boom met zeer veel do- 
rens, flacourtia jangomas Gmel (afb. Rumpb. VIL 
pL 19 fig. 1 en 2), «rukëm (sas. ugëm); 
z. onder prasiku. 

IL, nog een weinig nat v. e. gewasschen 
kleedingstuk; z. dëmëk en bëlus. 

IIL, aminpis mang:anf bana midëm mu- 
kha këm, R. 24 Z. 18, 2 (bungut ngëp, 
manëkëmowa); tëka këm bonpkëm, m.,z. 
onder rëp. 

9sn<E)i|^, z. «kum, (sund. keueum, vgL 
kërëm); akë'm, in 't bloed, Rr. Z. 23, 7, B. 
Z. 40, 8 (maëmëman); makë*m v. e. wilden 
buffel, R. Z. 40, S (ma kum); olahnya jan- 
pakëm, W.Z. IK, 11 (ma kum, maëmëman); 
kumë'm, Rr. Z. 44, 8 (këlëm, mangëmëm, 
ng ë m ë m a ng) ; ang^ë'mi karasnya i^tuïk^ Sm. 
Z. 26, 7 (u n g g u w a n g r i dj u r a ng 1 ê 
p i h a n). 



K|\ 



331 



)a\ 



«ac!)^, 8., paran; kim marf fa tanpama- 
haiihaja Jan snaatya, Sut. Z. 97, 8 (ngkèn 
dja awanané twara mangdé mlah jan 
suba pagëh). 

wjtJj^, jav. (#kë'm); h. v. mëm (vgl. 
kamkam); kaQaim: kam; bbg., k. kruluk; 
makomi «makd'm, te KL, makërëm, z. 
onder mëmëm (sas. bakërëm); ng^èknm, 
I o n t a r-bladeren b. v. m *t waler ie weeken 
leggen, om ze smedig te maken (vgl. jav. 
angum); kinum v. rijdieren, Sul. Z. 131, 
15; kaknmi «mudoda; paqgamaii wadja, 
Us. 1B4. 

'I^n'oj^ (f), ngom, z. onder këmkëm. 

»£A^, voorbechtsel in kamasënghitén (ült. 
87); kamatëiigfëiigëii, kftmatrèsnan, Br. Z. 
4, 9, vgl. onder dlë*; kamftslhën, z. onder 
asih; kamèrangëo, z. onder i rang. 

ïsi'EO^, in pi. V. kflm& als vrouwelijk v. 
k ft maf; himpër sani: kamftug^indarat v. e. 
mooie vrouw, Sut. Z. 5, 2 (ratih). 

)sna^ h, s., tegensU v. artha en mi tra 
de minste der 3 Ubha, R. 9 Z. 2, 8, z. 
ijaturwarga en sadwargga. 

2«, smara, Adip. 46, Sm. Z. 28, 3. 

o; «fukra, «widja, «wirjja, «indrija, 
«rmprus (z. ëmpus); kftma asat, fats. 
term voor impotentie; kama salah, eigenn. 
T e. monster, ontstaan uit Qiwa's op aarde 
gestort semen, Kr. 7 (vgl. Manikmaja, 14) 
z. aanh. onder mani; kftma ratlh, Sm. Z. 27, 
3 (sukraswanita); sarinikang rak daging ga- 
djih raatèmakan kftma ratth, Ja ta pinapang- 



glkakën dènlqg raga, Jèka maqgdadl mnwah, 

Jan akwèh ikaqg k&ma sakèng ratik, Jèka 

dadi lanang, Jan akwèk ikang ratik sakèqg 

kftma, Jèka dadi wadon, Japwan sama kwek- 

nya ikaqg kftma lawan ratik« Jèka dadi kèdl, 

walawftdl knnang enz. fr. (vgl. de aanh. onder 

Qukra); sakftmasakftma, Br. Z. 1, 20, naar 

verkiezing, aanh. onder swatjtjhanda; sa- 
k&ma*, Br. Z. 48, 8 (saba&n>); kftma^jft- 

strottama, R. 10 Z. 4, 6; sakftma'na, vliegen 

waar hij wil v. e. niet gedresseerd rljstdielje; 

naar hartelust; sakama'n angin, naar dat de 

wind blaast. 

4*, Br. Z. 9, 6 (puipftjudha, smara; jav. 

en mal. ged. kamadjaja, wat ook te lezen is 

in 3 mal. ged. hl. 142, z. onder ratih); këna 

kama, R. 3 Z. 1, 30 (kataman smara), 

34 (k. dëmën); sai^: Iwlr kftma ratth, Z. 28; 

pnëk kama djt^a kama ratih, aanh. onder dj u- 
rang; kftmarasa, s., Adip. 75 (bis.); këna kftma, 

R. 3 Z. 1, 34 (kataman dëmën, katiban 
ulangun); kftma kalangka, Wir. IS; lëmbn 
mamètwakën kftma sakahjnn, tut. 14;kftma- 
dnghft, s. ; k&madngkadhènn, aanh. onder 

w a w a n ; sarwwakftmadngkft , aanh. onder 
surabhi; vgl. onder lëmbu en nandini; 

kftmatantra, Br. Z. S8, 9 (i^guliprawë^a, 

smara katntur, vgl. onder madana), Sm. 
Z. 4,6 (smaragama), B. Z. 1; *kftma$arai 

s., R. 4 Z. 1, 77 (smar&stra sasmaran), 

Z. 7, 6; kftmalolja, z. onder lol ja; aogft- 

malolja, v. verliefdheid blaken, Utt. 31;8arwa 

kftma prada (b.: p ra bh ft), s., 2 Z. 1, 38 (z. 

onder prada); kftmawarnna tani^llik war- 



iièn\ 



532 



)éi^ 



AnflDja, kftmag^aniah , tanapilih ikang dèf^a 

parananyay V. 't paard door Anggaraparna 

aan Ardjuna geschonken , Adip. 93; kftma- 

pftla, z. onder baladèwa; warnnanira Iwir 

bhatftra kftmadjajaf Hadji D. 64 ; kftmabftna, 

R. 3 Z. ly 5S (smaranala, smara^ara), 

27 (smara r.). 

9Sii<EJi^y 1« pers., Anj. Z. 52, 1 (abam, 

mal. de aangesprokene uitsluitende evenals 'l 

bat. ka mi); vgl. kèm en mami. 

II. f 9 aanb. onder pras. 

«na^, s., anaklub, R. 7 Z. 1, 4, 6, 7, 

minnaar^ 14Z.8,2 (djadjaka, sang taruna), 

7 Z. 4, 6, 8, 9; 10 Z. 9, 13 (kakung); 

ng^hing: kimt rasa lot g^nostlnira rftmja lawan 

ikang: aniaiig:ka pawwahan, Sum. Z. 63, 2. 
asna^ , vrnw. 2« pers., Br. Z. 27 (vgl. mal, 

bat. hamd); vgl. kamung, mu en nyu. 

2<', sas., gemeen voornaamw. 2* pers. zoo- 
wel tot vrouwelijke als mannelijke personen; 
z. anta. 

QSi a ^ (m r i k a) , derwaarts, naar die plaats 

(uit ka en méa, als overeenstemmende met 

jav. maraP); apa këman maman, aanb. onder 

t a ng a b ; iig;émaïng, derwaarts gaan in tegenst. 

V. nipimaiaiig: ; apa këman kil tèkèn iba, 

spreekwoord, waarmee men iemand onder den 

neus wrijft, zicb niet gestoord te bebben aan 

onze waarschuwing. 

SQi'EJj^, jav. (z. «bëmü en kamumu II.); 

aiig;iiig:êmoni, onder de wijzen, waarop men 

iemand beleedigl, mei vooruitgestoken lippen 

iemand aangrijnzenf, Wtb. II. 61,62, Wtb. o., 

bl. 55, 54. 



o o ^ , de reusachtige oesterschelp (mal. 
id., bat. en malag. bima), wordt als dèng- 
dëng aangevoerd door die V. Se du lang; kima*, 
K. A., een vleescbgerecht, waarbij isèn en 
b o ng k o t k ë tj i tj a ng vooral gemengd worden. 

QSK'D^ I., gemeenzaam, aangenaam in den 

omgang tegenov. pgagu, met genegenheid jegens 
iemand vervuld (vgl. u t u n en a dj è r) ; éng;kèn 
kama éngkèn dodo, B. U. 485, 255; basa 
kama, familiare taal tegen kameraadjes. 

IL, voorh. ontstaan uit ka met 't inbechtsel 
um; z. onder lindung, liiidjong, gul i, enz. 

III .^ nora g:lis qjambrana antak kama 
(andere vert. beeft de ware lezing kuman* 
del) dané riqg: sadyan atusan sang: bhomaué, 
«tanapa wawang saniftjaja siré pra- 
jodjana ni düta sang bhümidja, B. Z. 
73, 4. 

IV., karnap mal, uit Singapura aangevoerd 
en bij de bal. Mahom. als thee gezet en als 
1 o 1 o h in gebruik tegen bloeduitwerping enz. 

9Siia9^, aog^mah, Br. Z. 51, 4 (manga- 

mab), Z. 42, z. (ambaksa); kinèmah dwas. 
Ar. Z. 59, 8, Sut. Z. 127, 5 (ginilut); ki- 
némah, Jsp. p. 30 (dinëmak), 32 (pina- 
ngan); anampëki këkëmahan onder de wijze, 
waarop men iemand beleedigt, Wtb. o. bl. 53, 
64, Wtb. II 61. 

9sa£jiq^ofëmëb; ang^ëmëlii, aanb. ouder 
k u k a p ; pang^ëmëh, Aw. 66 ; sakët pang^ëmëh, 
fr.; pangëmëhl (^artranya, Ag.; adh&ta pn- 
ngëmëh, Br. Z. 25, 6 (puriianing fawa, 
mawalabar ëütjit ikai^ wangké); këm- 



«1^ 



553 



.961^ 



béni:*, lUidftléiii paog^mëbinir radhlra ma- 
molabar sawaniT nadt v. e. slagveld, hr. 
Z. 50, l, Swrg. 16, 49 (*jav.: basah, vgl. 
mal. këmah?). 

^'Ej9^ , makëmah, den mand uitspoelen 
(makëkmah); amblMn iiq^iin toja, araraSp 
manirèkl , akëkëmahan (akukurahan), 
Dtuan anramèt warlh, R. sas. Zt. 12; vgl. 
k r» m u r. 

'^«o'^'EO^^, bloed met bëbëk en ëmba 
om te drinken; kèkomoh zonder santen, 
• niaras; dabating: komoh, tansipi mab- 
mak, R. S5 Z. 8. 

j^a'^unïs!]^, z. këmbaon. 

iQjaasu^, sas., gadgad (mal. id.). 

U., z. onder kraman. 

^'EO^, met volgende conjunct, alvorens, 
aanb. onder moharloka en kuwèra, voor- 
dat de wijze, waarop hij, Adip. 10, 61, 14, 80, 
112, B. Z 32, 2 (kangkat, di dasé), Z. 38, 
15 (dasé), Wir. 62; Jap van tibra Jatna ja, 
èng^fai ikan; m&s inapinya kamnft (^addhja, 

tut. 53, b. 

rst'E^75^>^, s., z. onder stri, Br. Z. 15, 32, 

Smw. Z. 12, 25; sarëng; kamini, «sas tri v. e. 
prins, T. Z. 4, 57 ; saba kaminlnya v. e. vol- 
geling, 38, «k&rwastrinya; mwah sakari 
kamlntnta pwa (b.: rowa) marikar B. Z. 4, 
10 (mwah saking somah njané jaditu, 
miwah tëkèn né lub tamju punika); 
dèwakamint, «dèwati. 

9Qi^9^^^, eigenn. v. e. desa in Gj.; ben. 
V. d. hoogste klasse der Brahmanen, z. nuwaba. 



«naoQQ^^, in pi. V. komanakP; walangr 
kamanak, Anj. Z. 10, 5, Lamb. Z. 15, 5 (i 
walang k.), 17, 1, Br. Z. 50, 5, walanp ka- 
manak anfangsyanf. Mal. 300. 

^«na3Q«[|^, jav. (këmanak), Tj. A. 

«siiagi^, in pi. V. kawandbaf, v. H lijk 
der S tt n d a-prinses, toen de prins, die haar 
huwen wilde, haar kwam halen, kadi anjapa 
pnkalon, kèn pang:èraD marëka, tinghal 
kamanda pAnyaniiq^iui pnkalan mang:ké pr&- 
pta aiig:adjawa, Kid. Sund. Z. 3, 30. 

«ii'Eii*^^, z. këmaftdèn. 

^^Tcoi'"^^ of këmaödi, Bjw., z. onder 
kapasilan (vgl. sund.?), Prabalingga kë- 
madé, sas. mëngandi (jav. këmladèjan, 
mad. këmadian). 

«iia'|giQQ|^, z. onder kamadé. 

QSia'^gQ^, aanh. onder purnamasada. 
SQi^'^isiil^, z. onder pëndak. 

9Qn£ji9^o\, s., nm. v. e. fabelboek in 
proza en overeenkomende met de T., en van een 
tutur, die ook rèdjaniti (vgl. aanh. onder 
niti) heet en waarop toegespeeld wordt in de 
W. Z. 22, 5 (vgl. aanh. onder nista); Sm. 
Z. 1, 17; Ww. Z. 1,29 (bis.), •winaja(vgl. 
aanh. onder dok en jav. en ngamandaka); 
ook noemt men aldus eenige fabelen, waarin 
dieren als rechters en litiganten optreden ; deze 
fabelen vindt men meestal achter exemplaren 
v.d. Darmawitjara; vgl. onder tj&nakja; 
mandaka m. c, aanh. onder èlotjita. 

gsiog) o^, z. onder ba pang 2\ 



901^ 



iU 



^\ 



o^a^^ru^, 8., «warèmrëta, «kuftdi; 
tlrtbt kamaniialo, «amrëta; patang: ka- 
mandala, T. 6; Kam. 14; silmpan patitanp 
kamandala, v. e. brahmaan, die iemand uit 
een put haalt, T. Z. 5, 60 ; mréta niang:i:wing: 

kamandala, «amrëta ring kuAdi. 

osaa^^ruaoj^ kmëndëlan (f), z. onder 

kijuh. 

9Sia^^, z. onder kandang II. 

oasiaQQQsII^ (kèmawan), «nghing, «kè- 

wala; vgl. kèwantën. 

961 a 9Q| 9q| ^ , vgl. «jav., intusschen, Utt. 40; 

bënëng^ëna kamantyan, Smw. Z. 14, 41, 

45; B. Z. 101, 4 (né mangkin), Z. 49, 4; 

rinir kamantyan, Z. 57, 1 (né djani), Z. 81, 

4 (né mangkin), daarop, vervolgens, Z. 37, 

27 (né mangkin); sakamantyan, Z. 4, 25 

(ri sakiana). 

96i€J|9S)^ en këmoning, z. onder kuning. 

«ionwo^^, z. onder batjot II. 

961 a ^ , urëmr 

061 -EJj^, jav. (kapur, z. aanh. onder dja- 
h i n a ng), uier v. e. koe, Kam. 6, 60 bis, waar 

een handsch. ook kapur heeft (mad. kam por). 
« c^^, perz. {j^, *i anglo-indische cum^ 

merband, ferz. shj^), Was., Ar. Pr. 36, 
51, 53, Mal. 106, 114, aanh. onder kilat 
II, (vgl. mal. këmar en mal. van Pal. mër, 
gesp v. e. buikband; 't jav. ëmër, Amd. s. 
Z. 14, snni. buikplaal, mal. v. Sukadana mar); 

vgl. onder tëdun. 

Üaioi^, Wrt. 39 b. (bis.); 0., Ap. 14; 

rëmëk këmir, z, onder rëman. 



96io^, kinëmnran, B. Z. 11, 3 (kinura- 
han, makakurah, mad. kënor, jav. këmu, 
mal. kumur); z. këmuh. 

96iia^, z. onder gardabha (mad. en jav. 

kémar). 

ï6io^, onduidelijk als schrift door 't vuil, 

Wtb. III. 5 ra., 6 o., in tegenst. v. mëlok^ 

V. d. sterren bij de opkomst v. d. maan, Tjk. 

vgl. onder mor mor (bat. markumur^ kon 

daro, met bloed bemest, mal. bërlumur). 

95«£Ji^, eigenn. v. d. vorst v. Kwari door 

Nursiwan tegen Amsyah te hulp geroepen, 

Prlj. (h. H. bl. 81, ^jy\^ jIojS). 

96i)oyi^, tamitis hëban kabarabas kadi 

kamara nirantarilomah, Rm. Z. 34, 10. 

o 
«encon^ , g., fiwa. 

o€on\ , s., een bijnaam v. Skanda, 
Giwa*s zoon en de god des oorlogs, Wd. 8, 
vigd., waar beide namen voorkomen; Sut. Z. 
139, 2, waar hij met 6a Aa vermeld wordt, 
R. 20 Z. 10, 1 (kumarajadjnja, vgl. onder 
indraloka), «warhiw&hana, agnibhüb, 
saAmukha en andere bijnamen (vgl. onder 
tèraka), kadi rApa bhatftra kamftra lomft- 
gé sakwèhni dètya dftnawa, Ud. ; tama ri 
kamftradjaja$ftstra, Sm. Z. 2, 19 (dèniog 
ida wruh ring adji kumara djajané); 
Iwlrin; swapna tawobpfrèngfal anfadëg^ la- 
gut alaja knmftra sadrë^a, Sut. Z. 3, 2 (sa- 
wèga djumënëng waü bisa mlaib lir 
hjang kumara satanding); riii|: kaf miran 
pratita pustaka sang: kamftra, singsal Jnfa* 
ksana sinftpa tëkap Uiatftra, nAsfttirJimJa té- 



«n^ 



35S 



961^ 



makaoya mag^ë'mi: allmpomi:, Sm. Z. 38, 12; 

tatwanini: bhimii djawi, mpn dharmadja ngn- 

ni, mrakréta ring lambang: kidong:, lingrimi: 

tjanda (skanda?}porana, pustaka bjanir 

kmoftra siqgfsal ing; dang^a tiba sakaringT 

kasmiran )9$iiiftpé hjang^ g^riradja, wastwft- 

tèmah onsa djawi, af nng: pandjangr a(;rt tinon, 

laBfè' Iwlr swarg:g;a anfalih, rftmjanikanf 

nafari, patamnan bjang; manobhA, sira da- 

dja manosa» manitah (il pafapati, dadya 

prabhü anjakra ring; nasa djawa, Kid. Pam. 

Z. 2, 31 ('t proza geheel onverstaanbaar); z. 

ook onder durgga; lawan wanèh phalafana 

dé $ri hadjl, dharmasasana paja(n)dé (rib., 
ja ta maiifdé krèttaning bbmni $ri b., 

Iwirnja dbarmma prabjangan pabjiu (pa- 
hajun), tJaAdl kab^Jntaii pajan, . dbarmma 
bawan pabjan, dbarmma pasar agëng pajan, 
dbarmma kirnna tjandlki pajan, dbarmma 

sètra p^Jon» ja tika komarajatUnJ^t ^t^j 
Tr. bpl.; rftdèn komara naast raden alit, 
Spl. Z. 6, 236. 

2s kang kamftra als vocat. jegens kinderen, 
Adip. B8; jan ana wwang akrama walat, 
amariksa andjamab wwang istri dorang ang- 
radjaswala, rare komaradjadma ika, sang kala 
8iiiigsa(ng)bami, damadi ring djadma ika, djad- 
ma ika ngaran tjorab ring widbi, tjorab ring 
sang araawa bnmi, djadma ika jan tuba (s a) 
tjibiia sajakti, wnang tika kinëpong djina- 
rag, sagBab*nja tka wnang rorobén, jan 
kapaiffgah patènakna, djadma ika anrangin 
djagat mwang bawan, mangawé dobkaning 



tataning bami, palanya giing tatanpgat 
pari sinigiting wgaqg, wénang patènaiuia 
atorakëna ring bjang brona, jan këdéb 
angbaripa, djadma ika, katama dènda, akèti 
n6m dasa nëm tall, mangiiana wrat dosanya, 
wnang aripën, bajwa winèb magnab ring 
nagara, ring wana dnrgga gnabakëna, fr. bpl. 

3*, de god der kleine kinderen, die nog niet 
V. tanden gewisseld hebben, aan wien men 
in een boven de slaapplaats gehangen bak (z. 
onder palangkiran), aan één kant met tee- 
keningen versierd, offeranden biedt ten einde 
't kind gedurende den slaap te doen glimlachen 
(vgl. onder sèsu); knmaranan, lachen in den 
slaap V. e. kind (Sbr. tjandèn komaranja, Bjw. 
di grido babon^, welke babon^ aangeroepen 
wordt met nini amopg en kaki among); 
ook kamarajan. 

9^'E;i7i\, aanb. onJer tuluk, z. këmèri. 



G 



g9|'Eon\, s., meisje; sapta knmari, z. onder 

sapta. 

2», aanb. onder Ijampa. 

QOin^n^, jav. (këmiri), «dèrèkan, 
»karawi (f), tingkib (kamiri, Dd. 10 a.; 
Smbw. miri), gebruikelijk in de Us. en awig^ 
maar anders alleen in djadjar kamèri, rei v. 
letters enz. (vgl. dèrèkan); djadfar kamèri, 
maildjangan sluwang aan 't eene einde, 
pusëh, sdakan, gunai^ agung, duürii^ 
akasa, sakti, këmulan sakti, waarineen 
taulan, pësarën, pënataran badupg, 
taksu (aan 't andere einde), pijasan, vgl. 
onder nawasanga; idjo kamèri, Sbr., bu« 



djagat sièkaning gaminira sang ratn, oragjlu tingkib v. kippen. 



««^ 



336 



'm\ 



osiiocooro^ , jav. uitspr. v. kumara^ 
K. A., de bezoarsteen (vgl. du gal; bat. ha- 

mala). 

noonori^ , dèwa komara, aanh. onder 

pungu; asabak Umaradja komara, Ww. b. 

Z. 3, 2K9 aanh. onder pulakét. 

9^ Q ri gdnj ^ , jav., gulzig v. iemand, die pas 

beter is (ook batav. en mal., waar ook een 
par uk zou bestaan, kar uk 't stamw., jav. 
Wdb.9 zou zijn, is dus niet waarschijnlijk), v. 
iemand, die niet genoeg aan zijn kleeding heeft, 
telkens fMar sieraden verlangen (Bjw. mak mak); 
ngèmarnkin, telkens willen eten v. e. pas her- 
stelde, (Bjw. ngëmaruhi); vgl. lagës. 
«nOTjosih, z. onder këruk. 

o'SODnasn^, s., W. Z. 5, 14. 

gsn a ^ o g^ ^ , Iwir pantar kamarékrékën 

pètnng: pring: enz., Sum. Z. 19, 6. 

gsi£j|20 9Sii^, z. onder mah&rddika. 

«ia>iwl|^, rat, muis, Tj. A. I. telkens, 
kararas tiris nmaraj i kamiris, R. 24 Z. 18, 

1 (lingkihl). 

o^Dn^go]^, z. onder bras. 

gsioori^, kamèrang^ën, z. onder èrang. 

«üon^ of kumarang, een kleine tëtèm- 

pèh; te Bbg. in pi. v. tëtèmpèh (Bjw. 
këmarang, sokasi; vgl. jav.); këmaran; 

akatas. 

gsü'Dyjn^, z. onder marunggi. 

oagdï]^, makëmëkan (b.: makëtëkan) 

in; Ibak*, v. lijken, Sut. Z. 9, 5. 

qsiUqsiÏI^ (vgl. klëmik, kamikmik, 

krimiky ngumik en jav. tjëmik en tjalë- 



mik en sund. këmèk); kémikan bibihé, 't 
sluiten en openen der lippen; kart alit wafl 
mangrlang^g^a snwahan, pamnln patih gadinj^, 
adëg: kamampaka sèlëb saparipolah, këmikan 
bibihè manis, isit Dg:radja8a glgi njatang 
pakriuing: „ Jèn mamnnji sasat mémbah madu 
drawa, sèlëb gralak amants, sing^ rarasang 
mèlah tnfl, mangg^awé rimang^, sing: rara- 
sangr masib asin, wjakti pnnika doh tityanjf 
sakèng: madji „ang^ng^ wèntën malih kidik 
Jèn pratjèda, pamarg:! waiitah bétjik alép di 
padjalan banban Jèn atindakan, ang^np wèn- 
tën malib kldik, rèmanè arang: g^lang^è kadi 
alit, sadjawinlng: pnnika tan kënèng; tjèda, 
wikan tan wèntën malih* tjaritajangf wantah 
twah anak wikan tan kapalang^ Jan rin; 
pnri, recommandatie v. e. mooie meid aan een 
vorst, fr. 

S\\, pipiné kémnk* v. iemand, die 
op de fluit blaast, een aap (vgl. onder monda); 
aanh. onder bëkung; këmakkëmnk v. e. 
toornige, Bngk. 26, aanh. onder sirang; Ijan 
ika këmnk* baannjaué ng^amah bang^kèn 
pradjnrité, «angamukamuk ikangwanèh 
janpangan wangkaj ingwira; kinëmnkan, 
Tjt. 36, aanh. onder (akuntalA (kinëmu- 
lan, dat aldaar ook eenmaal voorkomt, te 
lezen); z. onder kbut. 

IL, kënuk? 

Q6«0£Jisiu^, sas., pajuk (vgl. pëmongkaq); 

ngëméq, nëpëng. 

990 00 ol^ , djnknnjf këmèk, blandoiigan. 

oocooj^, bbg., tjèngtjèng. 



9^110 9^1 



»l^ 



SST 



»i\ 



«lU «ï|^(lee8 kupik), B. Z. 7, » (ed. Fried.). 

'^Qsne^QSiii^, zekere soort v. ronde hoonen, 
lahlab vulgaris (mad. id.), de këkara is 
platler; masan kornak in katiga, volgt op 
ma san on dis en is soms even koud (in 't 
liegin V. August.); kornak dl kaja, këkara 
als bibd. V. krana. 

2% Bjw.y nni. v e. schelpsoort ongeveer 
V. d. grootte v. e. kokosnoot en in de zee v. 
Blaqgbangan gezocht om inhoud en huid 
naar Siqgapore uit te voeren; een pikol v. 't 
vleesch 12 Sp. matten, wordt door de Gbin. 
met spek vermengd: vgl. onder lok lak en 
lumpëng; adjaii kornak, Sbr.^ kornak in 
tegenst. v. udjan djawa sëni. 

'7»oo^o®3^, sas., sëpël; v. tabak 
këpi tan. 

)Q00 9Si^, 8., kakung, Anj. Z. 19, 6. 

Kna9Si^ I., s., laras. 

IL, Sm welluêteling, aanh. onder tkasih en 
&8w&da, tut. (vgl. mal. mukah), begeerig 
naar eene vrouw, R. 4 Z. 1, 75 (saputan, 
nora mahjuD, kasmaran); si kftmiika si 
kikëoangrkénnasa, R. 23 Z. 8, 31. 

9^£.*96in^, s. (kèmakara), kamakftra, 
m. c, R. 20 Z. 9, 1 (angkara), /•cAd'oardij/, 
mvoarsichtigf v. iemand, die zich tot eene 
onrechtvaardigheid Iaat bepraten, '/ is vreemd 
of af ie keuren, dat de vorst dien vuilik gelooft, 
T. Z. 3, 74 (mad. kamangkara, ongerijmd, 
jav. mapgkara; z. aanh. onder unakara); 
Ar. Pr. 25 (bis.), 4B, 15; Hadji D. 66, 59, 
bevreemdend^ zonderling j voorireffelijh v. lelters. 



Was. 24 o.; kamakar&ntoii pd{ab sani: ma- 
htdja, B. Z. 108, 5 (daftt mambhagjanang 
njingak matin sang bomané); kamang- 
kara, Mal. telkens, karaangkarènir apëkik, Z. 5. 

9SiiO£)I|^, jav. (jav. Wdb. 2<>« ui tg., Men. 

uitg. V. Winter 218 kangkam), zeker wapen, 
Am. (vgl. Niem/s mal. leesb. I. 201; zou te 
Bjw. een soort p ë d a ng zijn, toebehoorende 
aan zekere prabu R&ri, koningin y. Nu- 
sant&rl, de heldin v. e. zeer bekend gedicht, 
sund. id. en kapgkam); vgl. onder samsam. 
^^^^' makëmkëm, «angudoda (vgl. 

kum); kèmkëm di amab mëtèn, kokken, 
niet uitgaan (sëkung); wëtisnyftkëmkëm ring^ 
banjo rësëp atis kamram apatih (putih?), 
kk. Z. 37, 4; ngëmkëm, h. v. ngëmu (sas. 
ngom, bat. omom en ongom, bis. om^ 
homhom en humhum, lag. imim, mak. 
kalimomong, mal. këmam, sund. heum- 
heum, mad. ngëmngëm), zijn lachen inhou- 
den; kënjanjf mirib ng;ëmkëm mada, aanh. 
onder mëdang; kakëmkëm en kinëmkëm, 
* h i n ë m ü. 

oe'E^^, kum; makomkiun, «apudé^ 

(jav. kungkum, mad. këmkëm); kinamkn- 
man, Z. Z, IS (inèrgulo, makumkuman, 
inèrgulon); Jèli kamkoman, geurig water 
met verschillende bloemen vermengd, om zich 
meè te baden vöór Galungan (z. banju 
pinaruh); kamkaman, Hadji D. 11 (z. 
kumkuma en vgl. gulgulan); dinos i 
komkommamrat, aanh. onder dus (m. c. in 
pi. Y. kumkuma?). 

3S 



te«\ 



333 



7St\ 



ogei^, jav., in pi. v. kungkuma, s., 
door te denken aan k u m k u m a n, aanh. onder 
dus (vgl. mal. kungkuma en kuma^; mak. 
en bug. kuma, vgl. ngadj. kangkuma, 
mah. fr. c), R. 5 Z. 8, 4 (makumkuman), 
25 Z. 8 (kumkuman). 

gQog^Qsüj^, z. këmik, «djapa; ngèmik- 

mik, «madjapa, prevelen, binnensmonds zingen 
(jav. tjëlëmik), aanh. onder arèk; ng^amik- 
mik padidiin, op zijn eentjes pruttelen zooals 
bij iets onbegrijpelijks, vgl. k umi km ik. 

gsnoool^, z. këmuk; ng^amnkmak, 
tegenpruttelen, Meg. 422 (uitgave in de Verhande- 
lingen V. 't Batav. Gen. verkeerdelijk manga- 

m u k a m u k). 

oogsngdüj^, abhasinftii|:aniikiiiik, Sm. Z. 

27, 6 (ikungbhasma us kadjapain); vgl. 

këmikmik. 
j^ j^ ^ 
oasciK V. hout, V. e. lèmbok gesproken 

ëës, meer of min ingedrukt. 

gsioio]^, «lukar, v. pipis, die losgeraakt 
zijn uit de streng, v. vederen bij 't grijpen v. e. 
vogel; z. ëmbud, mrudmud en mudmud. 

ooeo]^, z. onder imud. 

QSjéi&o|\ , jav. {gierig), krëpafta; makn- 
mëd, Ar. Z. 29, 3; aanh. onder dètè (dëmil; 
mad. komët, hardnekkig); ana atma ika ama- 
miknl, sakèhing: dnnyané, dèn grawa ponfka 
Dini, norana wong: awèh banja, sëkal ulam 
sik tanpantnk, knmëd ika dok aripéj saiki 
ing^kang: tinëmn, norana sanaké njapa, dadi 
ko tëmah mëlarat, Stn. b. b. Z. 9; z. 
komëd. 



1 






\j »lëmëh, «akabët, «aiëméh. 
K. 2 Z. 1, 47, Z 2 d., sènglad, aanh. onder 
bungbung. 

2^ bleu, bedeesde, te lezen kèmud (z. 
onder imud). 

O9sna2o]^ , «akadat. 

2«, bleuF; z. kumëd. 

Q^azo^ of ka mad in; sntra kamadi in 

de Am. om personen meé te binden zoo 't 

schijnt, tinalènan lawan sntra sasampnr sutra 

kamadin en verder abébënting sntra kamadin 

(Purwak^ndSi bl. 59, sutra kë man dèn. Men. 

lil 106; djidjirèt tampar këmandèn, vgl. 

ald. 132; ald. 111 en 114 wordt er van gezegd, dat 

het tevens een tegengift is): asabnk sntra kaman- 

dèn djinnpnt saking: djéroning: kasang iki, 

mnrdanjfkara dipun panali door Umarmaja, 

g^innbél baiinnirèki, m. ^rondjalan nora bisa 

ang^ntjnli; dit is ook bedoeld, Meg. 418, waar 

de rijmelaar 't verhaspeld heeft (h. 11., bl. 46, 

^sxoi *i geen H perz. kamand^ strik is; 

Ham z ah krijgt die van Hilir, om overal ie 

kunnen neerdalen; Men. U. 203, djëdjirél, 

maar 247 pëndarat, h. h. bl. 71, tali 

pësawat, vgl. Men. II 469, UI 120 en 121, 

ald. 378, tali këm tular, IV 52, maar 53, 

tali këm en tali këmandèn; mring awijat 

kalih ngagëm sami, sutradi kinaöt, 

këmandèn kang saking ngadjëraké, 

kang paparing rëtna kuraisin, mring 

dyah kadarvsrati, Djm. 373, Hen. VI 2*' 

uitg., 242. 

^o^^, kafitjing, R. 23 Z. 12, 13 



^\ 



ssd 



^\ 



(pafitjér; lait; vgl. onder wuri IL), ioeen 
beeldspraak z. onder banawa (mal. këniudi^ 
mlg. hamuri, ngadj. kamburi eu kambudi). 

i% of k 6 modi, jav. of mal., roet* v. e. 
schip, aanh. onder karëim: pékamodi, *n&- 
wika: nirémodyaiiir bèdll, Kid. Sund.: djnra 
moiiyaoiiiir bédil bésar en dj. m. bahitra, 
Z. 2, 87, 

SI o SCI ^, s., de lotus met witte bloemen, 

die slechls des nachts bloeit (vgl. onder tufi- 
djung), Sum. Z. 9, 3 (z. pad ma); B. Z. 57, 
15 (iundjung); tatUda sampnn mëto pwa 
bhatira sAijJa, mksèkananip kniuada $ünya 
hilanf h^Jonya, R. 1 Z. 1, 6 ; an(fhin(f sëkaminir 
kanmdAdJariiif kalèm, namentUlk In d ra's 
hemel, W. Z. 13, 9 (këmbanging nilot- 
pala augadjarapg wënginé, kusumaning 
luödjung mangadjarang wëngi, këmbang 
papgkadja ngantënang ring wëngi); 
Bfhing: fèkanir kamodAmëkar kamndn mft- 
djari tékaning^ aho lawan wéng^i, Sut. Z. 67, 5 ; 
né né raangarwanaug lëmah, bunga tuü- 
(Ijutigé ja këmbang „jèn ngarwnnang lé- 
niètigé panika pusuh bungannjané, Pdj.Z.2, 
nora panas tan këna rini: djawah, tan ana 
wëngioé, walnja rahina wëngi (këni), na- 
Qfini: (na hing) tah tëng^ëranipon komnda 
kèlamon kndnp, wëng^ ika kang tënpëranë 
(katëngëré), y. d. hemel v. Indra. Stn. b. b. 
Z. 5: nifUinèngr ratna knmoda lahkwanAsa 
mamwas (jav. hds. was was;, Br. Z. 15, 16 
(ana ripg r. pangkadja jèh matan 
émboké patarèbès, anang manik toja 
j. m. ë. kaibttkan p.); lor! rari lan komoda 



QSI'EJI 



sèkaprana, Was. Z. 1, 74, kamadakan^ana, 
aanh. onder kasègsègan; komodawati, 
eigenn. v. e. talaga, T. Z. 8, 46, Z. 3, 11, 
maar ald. 6 en 18 kumuda^ara (sara) 
(b.: 5 Z. 4, 35). 

2\ z. onder a^iadiggadja. 

3% eigenn. v. e. aap, R. 18 Z. 7, 3, ütt, 
66; komadanftga, Krsn. Z. 18, 5; Aw. 76, 
bhagawftn kamoda, Wtb. III. 18 o.; een rësi 
die Hal ka v. 't menschevleesch wilde afhouden, 
Hadji D. 25 (bis); kunodasara. 

^900020^, s. (kumuda), üd. 42. 

^^\, jav., onder de jeukverwekkende 
zaken, K. 10 (hds. këmandub, «wisabab, 
windah), vgl. onder iatëng. 

«ü'EJiacigQj^ , z. onder kamadi. 
ïsnoaoasüj^, k4madughft, 

'^Qen^'Enscili\,s. (kaumodaki), eigenn. 
V. KrësAa's knods, Adip. 116 (vgl. «komu- 
diki); i komodakt, eigenn v. d. knods v. 
KrésAa in de triwi kram a-gedaante, vert. 
V. B. Z. 105, 9; kumudiki, Harif. Z. 14,2 
(Pw. fr., bl. 154, dyJ: Jl?). 

oejoiciasi^, z. komodaki. 

9Qjotcr>«ii^^, s. eigenn. v. e. volgeling y. 
WisAu; tufidjung tangi. 

9sii'Eji&ci&ci^, kamadi dinfën angèpwl rofa- 

nyangëgës ang^ësab, Sum. Z. 28, 26. 

^ ^ ^ 

901020^, sas. (bëdigal)y een gevleugeld 

insekt, kleiner dan de këtjimplëng; is van 
verschillende kleuren en houdt zich in de ti- 
bah vooral op. 



ièk\ 



340 



»i\ 



96iotsii|^ en ikëmat, jav. (verk. hi^), 
Amd. s.; sing;([^h patik batara iki amapag^éna 
tandang^é amlr, sang: nata angntjap, lah 
rèké jaji ardjat, slra was kawélèh win(^, 
ing: niang:kè sira, tèkarëp anandangi oranana 
pra^nndang: jèn amniya, dyan sirardjad nul- 
jang^ling:, bnlah wing^i ing^wang;, dèn kémat 
dèra amsyali, niang:ké was pada dndafi, 
sakèdah amsyah, ingpsan was ang^awrahi, 
Am. fjav. texten, Z. 27 , r a dj a a rdj a n 
umatur datëog kang raka, kula ing- 
kang mëdali (kawula kang mijosi), 
amëiuk pun (mapag datëng) ambjab, 
kang raka angandika (wuwus ira), 
sira was kawëlèli (sirèku was wi- 
rang) dingin ing mëngko arsa (lanion 
mapagna), manggib (tëmah) wirang 
ping kalili, radja ardjan aturé kedab 
(nanging) amëksa, sakarëpira jaji) 
vgl. aanh. onder samba ga. 

9QiC^sti|^, z. onder mët. 

«iatftl|^ I., jav., B. Z. 47, 3 (rak 4a), v. 

kleèren bij 't na tab; kèmit tawah, z onder 
tawuh; makémit, «matunggu, R. 7 Z. 5, 
9 (magëbagan, matatunggu); akëmit, 
B. Z. 16, 8 (magëbagan); kamèmit, Adig. 
1, tegen iels waken, op bun hoede zijn; aanh. 
onder ar i sla; komëmit, Br. Z. 16, 20 (ma 
ngrëmpëg, rumëkia); mangëmit, ramakéa; 
mangrèmpëg: ngémit dané en néDgémitaDg- 
gwandané «makap&darakèaka; «ngémit 
iets zorgvuldig bewaren b. v. een verklaring 
V. e. tekst; die ongemeen is, en waarop men 



prijs stelt, Br. Z. 39, 3; Z. BI, i, aanvoeren 
een leger; kinémit, B. Z 22, 1; pakemit^ 
naam v. e. boete; «këmitanira v. e. doch tel 
door haren vader, Hw. Z. 4, 5 ; këinitan, v. e. 
amulet om onkwetsbaar te zijn, «aanh. onder 
rftdjakèrjja, aanh. onder swatjtjban da: 
pingrglèl këmitan, Was. Z. 2, 89; Mal. 116 

2«, nm. V. e. kleed gegeven ten teeken v. 
aandenken, Hadji D. K (vgl. mal. këmit tu- 
buh); masabok mantra maradjah patik dëkil 
„tëkaning slem bèèk misi këmita, bata bakat 
dl baklt, Rkd.; kambën këmit, bëbalin 
anak tjirik. 

II., nm. V. e. boom; de vruchten als die 
V. d. koffie. 

gsi'Ejjtsiil^, tawa anom sampan këmat 
(djëdjël sampun), toen Sidapaksa op de 
markt kwam terugkomende v. d. kèndran, 
Stn. Z. 51. 

«sio'eo^l^, sas., sëpsëp (vgl. 't jav. 
onder hëmü), qg^ëmot daraq v. zekere soort 
zeeroovers. 

9Qiotsi!|^, kudu; da kimatkèn wt^apala, 
lamon twara sakèng rahaja, fr. 

^^e,«'^^, «-«tal, ^^^ r. 
binikAn kamot kabaran&ngbarat* abang: wé- 
tëngnyan agëdé ja tèka sagfènak, B. Z. 82, 4 
(masambilan mandandan kakaruhnjané 
dahat pakdèpdèp baborëbnjané barak 
gdèn basangnjané ada ambul sënderé). 

^^^^9 s. (kamatha), pas. 

9Qio^sti^, kimuta^ Kid. Sund. Z. 1, 1, 
vgld., R. L. in een der hds. 



» 



\ 



541 



«^ 



9QiCAtni^, 8., Sut. Z. 97. 12 (mingkin ké), 

R. 17 Z. 7, 3 (kalingké); 7 Z. 12, 4; 20 

Z. 17, 1, aanh. onder katbamapi, Br. Z. 

14, 3, of wel; klmat&r kauina, hoe sou hij 

gewond worden, geen enkele pijl hem rakende, 

R. 20 Z. 19, 4 (kalingké). 

«D'EOtsiTi^, s., liefdeziek;likmktiaUijnn^ 

R.-5 Z. 4, 1, SS (mahjun sapaluron, sa- 
kit smaratura dëmën), aanh. onder wu- 

langun; vgl. onder wèdana. 

«-S « ^u| ^ (vgl. jav. Wdb. onder tëlëp), 

bij R. V. Eljs. naast, z. onder tinggi. 

9si€Jitsi;ij|^, jav., ta«y kamatos, ^ti. bnng^- 

kil giuMg saba, ajah kawak, arak kau|: asem, 
tahap, Us. 204. 

»c^\n'£K|n\t z. onder sumamblunga. 

ïsin'Eo^^ L, klës, 't jav. mrutjut 

(YgU kënjos). 

n., z. onder tjëmor. 

isi^Aji|^y jav., knevels (rawis); ook ko- 
rnis, vert. R. (tid. gumbis, mak. en bug. 
bulo omiq), z. onder djanggut. 

»a«Ji^, men kan ook kamësabar in 

de bier volgende plaats scheiden om er sabo 
uit te leien (vgl. kakan); panasa kamésa bar 
kakan sAkara, R. 15 Z.6, 5 (nangka mwab 
kêm sabo mwab pob idjo, n. k. s. ka- 
tjèlang gëdang); ring^ tatparfttyan aradfn 
akwèh tBdanyaniiwaU nirkana mwang: puspa 
kèsart kamikara tanir sarppasari sftpajaka 
■éflibaiif tmg sapkala wnèAdah wnni tfyn- 
tiimbawaiir panasa lau kamisabhAr (sic.) 
mlakét kamalaka kapwa sa(n|f)(;li8tah dè» 
Mtag gUung^ fr. A. 



^üiAj^, Bjw., groene soort katulampa. 

9Qia«Ji9si|^, jav. (v. mas), aanh. onder 
wësi. 

2*, nni. v. e. soort v. smeden, oorspr. v. e. 
desa V. dien naam te KI., «bèmangkara; 
santa kamasan, nm. v. e. krisfatsoen. 

«siapJinA^^, verb. v. eommiMsris v. d. 
Balische en Lomboksche zaken, zijnde vroeger 
(voor 1882) de resident v. Baqjuwangi. 

96r)oat>»n^ , eigenn. v. e. jav. vorst, Sm. 
Z. 1, 6, Z. 39, 1, waar hij voorgesteld wordt 
als K&ma op Java herboren, «f rjftdisura, 
zou de zoon v. Dharmmawangf a zijn en 
vader E r 1 a qg g j a ; saog prabha kftme^jwaray 
• fri smar&pgijidarftt; op hem wordt in 
den aanhef v. 't L. (z. onder niskala) en 
B. toegespeeld met mürti sanghjang ma- 
nobhu; z. onder bradah. 

99|o^, V. kwa II., aldus volgen de woor- 
den, Adip. 44, 103; Bh. 49 (v. d. gedachten), 
W. Z. 14, IS (kèné mèngkèné), Adip. 47, 
Wr. 10, 2, 3; Br. Z. 40, 9 (mai^kana), Z. 
42, 1 [m.): Z. 46, 2; Hw. Z. 40, 7, Z. 36, 
7, aanh. onder «um; vgl. rakwa. 

«Qjaatsu^, akumawwatari, DroAa nam 

op zich Judhi&ibira te dooden, Br. Z. 13, 19 

(nginganang, makusarajang, qjaniggu- 

pang, mangwisèsa); vgl. ald. ëtr. 22. 

«ooongoj^, karaufigan, Br. Z. 36, 7, 

tèrong. 

9Sioru|^ L, eigenn. v. e. plaats op Ha- 

dura?, karapnh randt sinnrating^ palabahan 
kamal, Krts. 42, Smw. Z. 9, 2. 



9ai\ 



342 



9SI^ 



n., kamal lan asem pada bèda, rftpanya 
pada, asem agalih, karoal ttgung alit tanpa 
pdlh, Kr. 46, z. onder anëk IL; roninp 
lUMial, in een voorgaanden zaï^ om de versm. 
ainoin aan te kondigen, R. m ; ook godong 
asem wegens de jav. verklaring van sinom, 
Bs. slot Y. Z. 2. 

III., mèkamal, vuil als een lontar-blad 
b. V., dat er onleesbaar door geworden is. 

«Ctruj^ , z, amël. 

«Qruj^, z. onder tjaiok. 

«Qruj^ , makèmöl, niet goed rijp alleen 
nog V. binnen rijp; mara makémëly z. tasak 
en vgl. mëi^kël. 

JSK a ru| \ , ng^ëmil, ng ë m u (Bj w. id.) ; ma- 
këmilan, aanh. onder udud (maljiplakan); 
akëmilan, v. apen, B. Z. 10, 10 (ngamah; 
matjiplakan; jav. këmilan, wangzak v. 
e. aap). 

• II., këmilan, Bjw., gopita. 

jsioruj^ I., jav. Br. Z. 19, 14 (kakudung); 

W. Z. 34, % B. Z. 4, 5, (s o ng a n, sa ng- 
kuQb), «songsong; makëmal uil droefheid, 
Br. Z. 1, 9 (makakudung, makabun); 
akëmal, W. Z. 15, 4; akëmal harinatjar- 
mma, ald. 12 (makukudung, makasongan, 
makaban); akëmal*, W. Z. 51, 2 (masang- 
kufib, kurub, kabun): makémul, W. Z. 3, 
14 (masangkuüh, sap ut); tanpawisma 
ingsnn, kawala akëmnl mèpa, Djt. 8; angë- 
mali V. e. pauw een verlaten kind, aanb. onder 
9akuntal&, waar Adip. 50 mamariwrëta 
en manuk slecbts beefl; kinëmalan sëwë', 



W. Z. 2, 4 (kasoi^an); këmolakëu, doe 

mijn buis over 't hoofde Br. Z. 36, 18 (kaku- 

dui^ai^); këmolan, W. Z. 31,7 (sai^kuQ- 

bang, kakudungai^), kakabunang); akan 

'abdi titijang ini orang gunung dijam 

sagënap tjëla^ gunung dan balu mëraii 

kang angëmuli kidjang kang anusoni 

tan wruh ii^ bumi nagara pun titijatog 

ini hidup di dalam alas rimba bana, 

P. S. 280; akan titijang paduka sangu- 

lun ini asal orang gunung tandang 

desa dijam pada sagënap tjëla balu 

dan gunung tijada tabu akan bumi as- 
tana kidjang jaug mënjusui dan mërak 

jang mënjëlimuti patik adji ini tijada 

karuan bangsa pun kélana ini, ald. 
367; kakang ini orang sudra samalali 

papa dijam sakidul ii^alas mërak 

ii^ kang angëmuli kidjai^ mandjangan 

kang anusoni hidup olih daün kaju 

dan taruk kaju, Tj. b. 58; djangan lah 
tuwanku bërkata dëmikijan kalaw^ 

tulah papa këlak pun mèsa tandra- 

man karna tijada patut tuwanku 

bërbhasa kakang karna patik ini 

orang sudra sëmalah tëmpat dijam 

dalam hutan rimba balantara mërak 

jang mënjalimuli kidjang jangmënjusui 

laruk dan daün kaju jai^ mëogënjaog- 

kan dijam dalam rongga kaju, ald. 76; 

manira ini tan wruh ing bumi aslana 

dijam sagënap rongga kaju dan di 

tjëla^ batu dan mërak jaug mënjali- 

muti kidang jang mënjusui, P. x., 34; 



361^ 



343 



9QR^ 



patik ini lan wruh iog bami astana 

wai^sa kidang alas mega kang anjali* 

muti mërak kaog angëmali kidang 

kaog anasoni tidur sagënap roqgga 

kaju, ald. 38; Dam ar wulan naar zijn 

Tader vragende, zegt de grootvader si ra takon 

sudarraamu, ija nora duwé bapa „më- 

rak ingkang anusoni, këmul langit 

kaAdai^ mega, kidang mêndjaii^an ra- 

mané» sira kulup rara gëdang, kapg 

duwé jajah rena, Dw. Z. 1, 13 en 14, 

aku ora duwé pin&i^k&, botjah kan- 

dang langit këmul mega, w. t. M.« 2KB, 

aku satrija ngulandara, kandai^ djagat 

kt'*mul mega, W. R., 141); over de kidaii^^ 

z. Adip. , origin. , 5434, katham ftditya 

sadrëfam mrëgi djanisyati zegt, 

Durjodhana v. Kar Aa, over wiens afkomst 

door Bb i m a smadelijke woorden had geuit. 

IL, z. kumul en onder tjëmil. 
9^oe*ru|^ L, kèmèl*, «angëmbak^; z. 

krmèlmèl. 



7St 

ê 



II., këmèl of komël. 

bru]^ I. of komël I, vuil^ smerig {mexï. 

kumar, vgl. jav. en mal. kumal); akamèl 
stlisahy aanh. onder widing (waar de Ind. 
spreuk ka^mali heeft); panganggènira 
kumël(lab) kaliwat, Jsp. Z. 13 (pa- 
ogaoggènipun kumël kaliwat; hds. bL, 
p. amob kumël angliwat; Jsp. j., pangang- 
gëné amoh tingsaluwir; sas. Jsp., pa- 
qganggènipun a. këpël kaliwat); T. b. 
7 b.; vgl. mërèngès en dëkil. 

U., jué sAmpui sapoDika, tingkahé ma- 



mapai: suwi, malih manprlnfr^tin toiigos sala- 
ran pakumöl sami, sAmpoB kasontèng saksi, 
i rata katftran rawuh, ndjëdjérliig paq^n- 
béqgan, kataran pèndëtan sami, sAmpui 
papat, rarls madat6iv*ui, lèmah lëmëng 
mai^om^goiisaD, vervolg z. onder sarui^. 

«QiCoru]^ v. kël?, bhèti, W. Z. 19, 4 

(wdi, djrib, rës). Z.20,7; (rësrësën) Z. 

35, 3 (kumëla, naën); kumël, uit vrees 

zich verbergen, R. 7, Z. 3, B en 9 (ngrasa, 

mailidan» masangidan), Br. Z. 29, 5 (ma- 

ilidan). 

oojoruj^ of këmul en kumbul, isgrooter 

dan de ka tjim pleng en houdt zich gaarne 
op bij den bloesem v. d. këtkët; zou er als 
de builtjul uitzien, wordt genuttigd en door 
tabja te smeren op een stokje, waarbij een 
fakkel gebezigd wordt, gevangen, jav. sonté; 
z. umul, brëi^, klobok en kobok. 

9SiiO£)irui|^, ter zijde hangen v. d. hals 
b. V. door een houw (vgl. këmël ü., komèl, 
tjomèl en sèngèl); iq^mèl, slap er bij Aan- 
een, van iets dat gebroken is, v. d. kaak v. 
iemand, die bek-af is. 

ngsnc^rul^, z. kumël. 

n 75n o o'. ruj \ , komèl*, niet vast aansluilem 
V. e. lat b. V. loszitten; z. onder kotjèt. 

9^'E'ru\,s., sahasrapatra (vgl. onder 
lawë'); kamala swèta, tuftdjui^ putih; 
Nw.; hrëdajakamalamadlda, L. Z. 1, 1 (pad- 
mahrëdaja); kamalajoni, s., Br&hma, B. 
Z. 2, 9; tlnompjatak Inakir kamala kinaA^ 
kanda lanjrA, T. Z. 1, 4 (paras maükir 



901^ 



344 



9SI^ 



saüpakara paliqgkahnya nialjanlja- 

n a n) ; naran&tha mantak 1 dalem damanung^ 

i kahaiian mahèf warl, tëka lanirf ah ing kama- 

la sani: narapati dajltft nda tan madoh, Rm. 

Z. 23, 6; bwat kamala, B. Z. 4, 20 (balé 

mürddamaniky b. pai^Iilan); kamala- 

watt| eigenn. v. e. buitgemaakte dame?, Ar. 

Pr. z. aan 't slot. 

9SI €Ji njo ^ y z. ouder (ri. 

9S«aru^ of kamalé, z onder rambat 

(tut. 29 kamalir). 

gsu'EJiru^ of kamalft, z. onder (ri. 

gsnonru^y z. balé; i bun kamalé, «luma- 

lé (mal. lëmab kamalèj); aanb. onder djé- 
bad; kébo kamalé, jav. {wilde buffel), scbljnt 
de naam v. e. ra dj ah te zijn; sakamalé rü- 
panira dadi po sira sandjatanlng dèwata 
kabèh, fr. s. 

Qsnann-n^, jav., om garen te verwen; 

tiin kamalo en ampas kamalo, de ampas 
V. gebrande këmalo, waarmee men op kris- 
beften een zwarten omgaanden rand zet, om 
stoelen v. wapens, als v. d. golok, vast te 
maken (men. ambalow, lamp. bamalu, 
mak. kamalo); kamalo tanu verspreidt een 
ondragelijken stank ; gëntawang; niibër ing; la- 
har, bodjog patik aiinmané, mallmba kamalo 
tona, ada masiloman domba, ambanjané 

bangès ëngas, Tj. A. ad.; sotra kamalo, vgl. 

onder sampang. 

9611 o ru^ {ï), mangimola, z. onder kilulu. 

ggioru^, eigenn. onderboorige v. Poru- 
dftda. Sut. Z. 124, 3, Z. 101, 1 en i, 
• sumala, Tjt. 78. 



IL, mal., een wonderateen door Antaboga 
aan Djoarsah geschonken; iki JaJI kamala 
kasaktèn mami, tantjëbëna ing lëmah, ka- 
saktèné jaji mëdal warlh, nalja bëna kang 
djagat bawana. Dj. Z. 11. 

'^«naru\, s., v. e. maagd, R. 3 Z. 1, 49 

en KI (alëp angrimai^i, mangjunjunin, 
konëngonëog), v. d. blik, 7 Z. 4, 13 (nutl- 
djui^ biru), zacht v. e. wind, Z. 12, 6; Z. 
107, 6, V. e. bultzak, 10 Z. 2, 6 (alus), 3 Z. 
t, 49, 51; W. Z. 33, 2 (konangunang, 
kabjunbjun), B. Z. 107, 2 (antuk ratna); 
dhwadjapatftka komala këlabnya dènlng angin, 
R. 2 Z 1, 5 (komala kakëngkabang olih 
pawana, pakalèplèp ampëhang angin); 
mata komal&manis, Z. 107, 3 (lificlining 
nètranya angbjunM), ald. 6; sang komala 
pëtak schijnt op de scheidende ziel te slaan, 
Wd. 63 ; malih ngonkon ndjëmak sislg mandas 
(b. m a fi dj u s) mamaotra ngrèhang tondjom; 
kaning „lèn mamantra ndamping pasëpan 
dl sanggah, ngrèhang komala gëai mwah 
mangrangsok dastar sarana bandakèsa, lèn 
bongané kamantrain, ada mabasma sarana 
djambal kaning, Rkd. Z. 2, 8, Ds. y. 81, eigenn. 
V. e. pi. in K A., van waar de beste tjroring. 

ïgEii^^n95l|^ I., jav., «djaring^ aanb. 

onder sawang (Bjw. mlandingan of ralaA- 
iingan, zekere groote spinsoart); tan sabhi 
kalangan djaringni kamalaAdingan (bds. nti), 
Ika mangawandha ring tahën, Sm. Z. 3, 13; 
z. ook onder «garagati. 

IL, jav., blandinganf. Mis. Gag. t7 b, 



«1^ 



345 



«1^ 



o> 



»ioru9|j^, z. onder kamlaftdingan. 

«laru^, z. onder kaniali. 

JSBafUdjJ^, sas., eigenn. v. e. plaats op 
Loiubok, alwaar een heiligdom. 
ssiorudjü^, z onder bijaQqg. 

»iOTU9Si^, R. 15 Z. 6, 4 (kumaloko; 
vgl. kamlaka, z. kalimoko), aanh. onder 
kamësa. 

3c:ianrv:)0«n^ of kamilokof, «ka- 
j ' ' 
m a 1 a k a. 

«lanrsQ^. z. onder bëlël. 

9Qi£^A^^, sas., tongkëdjut. 

loiofuopji»^, s, (bh. brdbma), *pad- 
niisana, zitplaais v. met een vorst gelijk 
zitlende heilige mannen, T. Z. 1, 8 (palang- 
kan danta); sinirh&gan&blini pradtpta, ka- 
hananira nrépati, kamaUsané sang; widon, 
prasama wos tatèng; Un(fpib, Spt. Z. 4, 105; 
rèp datang^ sanir majali, sang: nfttha méndék 
talangkap, aftdara awot sinom, asnnppadyi- 
rffatlamani , kamalisanirdjdja allnppib Kan(f 

pandya, ald. 162. 

r^. Z"^ r\jr> Vir> ^\\, kamaUdjistra $Arawl- 

dja, nra. v. e. pijl, R. 22 Z. 5, 10. 

[?^rurui|^ , nfémilmil, een pruim tusschen 

de tanden en den wang hebben (vgl. jav. 
i^étjëmil): mamisahmisah ng^milmily uit 
wrevel en pijn, Tj. b. Z. 1 (om 't rijm in pi. 

T. ngmèlmèlP). 

» no nruru] ^ , iqtnièlmè!, wauwelen, lezen 

achler elkaftr, zonder ophouden geluid geven, 
*mamaiigmang (vgl. jav. drëmèlmèl); 
kénjél Brèmèlmèl v. iemand, die lang voorge- 






lezen heeft ; Daléktékang: i botok rara malijat, 

pastibané nfiwasin, tëndas mambalaka, putih 

gigiBja ram^p, maiqfamèlinèl mang^afikin v. 

de kumai^mang, die B. r. aanriep, Tj. b. 
Ki'^'EO'^rLOfuj^ . ng^molmol, i^ëmuk- 

muk, aanh. onder ludih (vgl. mal. këmoP), 
aanh. onder dungkun. 

QSiOTun^, #jav. (asem), Sum. Z. 38, 3, 

waar de vruchten met een tja luk worden 
vergeleken; R. 15 h. b. 4 (tjampaluk), z. 
tjëlagi en kamaligi. 

9^orun^, zekere boom den weg bescha- 
duwende. Ar. Pr., L. 6, 3; Z. 16, 9, vgl. 
kamalagi. 

2% sudjang?, R. 16 Z. 9, 1 (tirtha 

tëgtëg, toja né ring tjoblong), aanh. 

onder tul uk, Wrt., 49; satfakamaliii, jèh 

di sanggah (Kr.); pakambalifi (sic), aanh. 

onder bikang; vgl. onder baligja. 
^«nan-nn^, z. üs. 3 b. mid. 

^ou^, Djmbr., kënapa. 

9siiau»^, s., R. 7 L. 12, 4 (iki pradèné, 

pradèné). 

^saeiJi^, s. («jav. kampi^ door verkeerde 

scheiding uit kampifa, goildjing), R. 5 Z. 

6, 1 (linggah; als eigenn.); ^artrakampa 

uls goed voorleeken, W. Z. 23, 2 (farira 

wi(ësa = angga kampila, raga niaingan); 

aanh. onder lagi; vgl. këdut en prakëmpa. 
9^£j|jj^ L, z. onder lakutja. 

II., sas., de buitenste *t erf omringende wand 
v. bëdiq, want de kleimuren, tèmbok, zijn 
in 't binnenland v. Lombok niet in zwang 
(vgl. sund. kik is kampuh). 



9SII^ 



346 



9611^ 



ssnoj^, këmpa*, War. h 111, bliAri 

këmpa, 104. 

gsnojj^ , mal.?, ronde v. hout gemaakte en 

versierde doos met deksel om kopjes enz. in te 

doen (Bjw. id.), als de bébo koran, maar met 

deksel, vgl. ëmpu, bogëm en gèmbal. 
ïsiiaji^ , overgrootvader of -moeder (mad. 

kompoj, kleinkind evenals 't bat. pahoppu, 
achterkleinkind, kompjang, balav.); vgl. balo 

en bujut. 

oa^\, UnampA, B., bl. 5 bov. uitg. v. 

Fried. moet verbeterd worden in tinumpü. 
o«naji^, jav.-mal uit *t HoU. pomp; 

kompa ang^in, z. onder ombak^; pèngom- 
pailn, klisteerspuit (al deze woorden zijn niet 
algemeen bekend en hoort men meer uit den 
mond v. lieden, die met vreemdelingen in 

aanraking komen). 

9Sio^9^, datan bièa kampahana ngolati 

(b.: këna kandëg dènya ng), Amd., s., 

Z. % 6 (mad. pakampakan, waar men 

uitrust?). 

<^\ (kan das), op 't drooge geraakt 

als een vaartuig, «kasasar, «kadjahat (vgl. 
onder ampir), Apkt.; v. vuil aan den kant 
v. e. water; kampih mangalik warih v. e. 
vaartuig (1. kam pub?), Meg. K6; Jan hana 
dè$a hftna k&mpihan (1.: kftbampiran?); 
olih maling^, tëndasning^ malinir, lawan po- 
mahomahè, anak rabiné, atnrakëna ring saog 
amawa bhAmi, mang^kana jnkti ring laka, 
Wtb.> 26; bas kampihan, te droog liggenh.y. 
V. worst in de azijn. 
2", z. ampib. 



o 



3», eigenn. v. e. plaats aan zee onder Bjw., 
waar een telegraafkantoortje is, toebeboorende 
aan een Engelsche Maatscbappij. 

oOsjjQ^, jav., vrn. = saput (ngadj. kam- 
poh), «ulës; asalin kampah, T. Z. 1. 6 
(mësèh paragi); kari makampah, «sar- 
wja hulës^ bahu; ang^lakari kampnh v. e. 
paar, dat zicb te bed begeeft, T. Z. 5, 108 
(nglèsang k.); akaron kampah, z. onder 
* h u 1 ë s ; këkampahan , oplegsel v. p è 1 ë t, 
dun, op de eene zijde v. d. scheede v. d. kris; 
mökampnh v. d. scheede v. e. kris, waarop 
een dunne plaat pèlèt gelegd wordt. 

asflo^ïol^. Sul. Z. 124, 3. 

oa^QQ^, eigenn. v. e. rftköasa, Utt. 9, 

«akampana. 

^ o 

OQJQQ^ I. of gëmpani, z. tampani. 

Il.^of sëmpani, verb. v. champagne door 
Chin. invloed en slechts bij zeer weinigen 

bekend. 

^ ^ o 

^o Ji9&^ , mal. (boU. compagnie), voortreffe- 
lijk; këmpëni pësan, zeer voortreffelijk; këm- 
pënian, voortreffelijker; ng^mpënljani;, of 
iets hoogen prijs stellen, veel waarde er aan 
hechten (vgl. mbwatai^). 

iJ|9Q<j^, s., hoeveel te meer! Wir. 53, 
Sum. Z. 16, 4, aanh. onder lëwas. 

o^JiJD^Alül^, R. L. Z. 1, tl\ dou kampi- 

nis, Us., X, 36. 

QQO^^, overloopen naar den vijand; mi* 

la(f pwa jAmür lakn kamparèng^ mnsata, B. 

17 Z. 5, 6 (magëdi iba luwas, këma 
alih i satru\ 



o 



«1^ 



547 



901^ 



3Siaji^, z. onder ampir. 
«i'E^Ji^, Ud. 134. 

99 a 3 ^ (?), patih qg:émpar als de k o k o- 
kan b. v., vgl. ngëpur? 

^ 96lo'C^^ V. impër?, Sul Z. 147, 2 (sa- 
ru), verlegen bij 'l lezen v. slecht schrift. 

2*. fwij/elen aan; slra hadji krétanagrara, 
kèmpèr paii|raladè{aBin; $atni, tan èngél 
Jan wontén dosanira, Ar. 30. 

i6i€;jjyi^. verk. v. kimpuruda, Rm. Z. 
28, 2 z. onder aqgg&raparna en mftrula. 

9a£^j|7jtji^ , 8., lift werd in een klmpu- 
rosa, veranderd^ Uu. 114(115,kimpurusah; 
vgl. W&AupurftAa bL 149 in de nool); 
sng kimpamsa, «sang druma; kimpomsa- 
patl, B. Z. 55, 2 (sang prabhu druma), 
Z. 48 en 49; japwan ikanf warsa kalor sa- 
kènf kioriawftn, kidulnini: kèmakAta, i kim- 
pnnièa ngraranya, Bh. 7; vgl. kinnara en 
aanh. onder nftbhi. 

jTj'^Ugij^, B. Z. 53, 1 (sang dru- 
ma, s. d. nfttha); kimparaèftdhirAdja, Z. 51, 1. 

75li'E^ A'^\\^ kamprikan, Sbr., zekere diep 
in den grond nestelende, v. wormen levende 

▼ogel; elders këpirpir? 

9Qi^j|^ of këprung, nabootsing v. *l 

geluid V. d. sungu, eens sëngg'uu's, spook- 
geluid 's nachts vaak gehoord en toegeschreven 
aan de tonja v. e. sëi^guQ, die gezondigd 
heelt, zijnde ook een slecht omen, zooals onder 
sungu te zien is (vgl. sund. këntrung; z. 
kam and ai^ en katakojan); kèmprani^n 
'l fluitend geluid v. e. stoomboot b. v., mè- 



o 



kèroprung: v. 't geluid v. e. sungu (vgl. onder 
sèmproog). 

9SII0OJ 9Qi|^, groote buidel of lasch v. Ion» 

lar-vleckiwerky voor befel en loebehooren en 
ook voor geld en andere dingen, R. L. Z. % 29, 
Z.3,9 (vgl. jav. këpèk, batav. kërëpèk), kom- 
pèk, Gj.: ngampèk, langwerpig vierkant; bulu 
kampèk, ioori v. slot ; kampèk mas tatur, Mal. 
108; kikinani^an mang^jwiiig^ kampèk mas 
adi, Ww. b. Z. 1, 104 (z. gandèk en onder 
ij a n a ng). 

2% nm. V. e. vliegsoorl^ die zich op rund- 
beesten ophoudl, bajung: kampèk of b. tapis; 
vgl. onder k o plek. 

3^ nm. V. e. bolle dikke m a ng g a-soort. 

^«nooj3Sii|^ , z. onder kampèk. 

^ïsno'EJi.r:)^^ , kompoq tal, sas., bëdu- 
da; sakompoq, akëpël. 

asna^ 9QI ^ , alb. tj è m a m p a k a, niet te 
klein en niet te groot; lèn to ada kanya anom 
sada mlah, waO Ja mënèk kèlih, malang^- 
i:a sawakan adégè kamampaka, pamalvné 
njandat padini:, twah anak mèlak taO ngè- 
mtanp atl, fr., aanh« onder këmik. 

9siio^?Q9q|^ , z. ëmpak. 

a6ii'E;jiO|^ , na 't ngikih, overgeblevene 
stukjes kokoskern (Bjw. tjikilan of ampod, 
niad. kampat, jav. tjikalan, sund. tjikal); 
z. usam. 

9^E^j^^ I., wiek, vlerk (lamp. këpi), 
• hèlar; kampid ajam, z. onder ajam. 

• IL, darjjas mingkas kasingknk mila wi- 
nldjata adjong kampid tokang: akang, R. 25 



Kt 



\ 



348 



«\ 



Z. 12, 28 (i tjéik makaid kasëpiné Ki^-i«jJ^,^w.,ifeftniMvt«cA; x. «lomba^ 
«arëng «trinya sakamadjëngio aotuk i^^ajaS]^ I.. blaasbalg van leder by de 
lahojaug mamatiDh strinya, dèniog rasé | ^^^^^^^^^ ^ ^ gove^maken; door er op 
ndalëkép kalikadé sarëog panaka ka-|j^ j^^^^^^ ^^t ^^ ^„^ roortgebraeht (sas. 
rëpika damping bwat brangta, i darèst^gp^^ ^ ^„^^^ burnng). 
Djilai^aiig tjorah sarèng giraog kara- 
hajané i^ilaDgaag në mai^dé indrija, 
i tjadk maogringkës kalëogitan baréng 
kadi gagiraog rahaja tlas ngëntangang 

indrija). 

«a^2^^9 eigenn. v. e. berg, fr. s., Tt. 

(vgL mad. Ib. II 83). 

«o,jitsii|^, aanh. onder karantiga. 

39iai^t5T|^, panfémplt, Kam. 6, 14;t61iér 

ika sinadalinya ring; warajang pangëmpit 
saqg wftnart, dènlkang p&paka, pèdjah tang 
w&nart, katiga anaknya, T. b. 

9Siiaj|^^I., kadi patining këdi matya 

kémpat, Kalimabosada. 
IL, sas., tëruiig^ 
96iajjrsii|^ , si knmpati sas., sangkur. 

9siiaji^^, s., gumëntër, v. e. berg. 

R. 10 Z. 2, 5, V. 't oog, R. 16 Z. 7, 1 (ogë- 
djër, molah; mangëdjër; «jav. kapita, 
gofidjing), 4 Z. 7, 1 (molah), «akëtër, 

R. 16 Z. 7, 1 (ngëdjër, këkëdutën, molah), 
aanh. onder rawa (vgl. «jav. en mal. gem- 

pita); anggakampita, «^arirakampa. 
g^no^^^, z. onder tampjas en vgl. 

kampjas. 

QSïioj^^, Bjw., Bantën en Oost-jav. 

(jav. këpis), visckmandje (batav. id.); van 
daar ambëkané ngrafidjang urang, bid., 
in pi. V. ngëmpis; vgl. «këmbu en dungki. 



n«, z. onder kimpës. 

isiEiJiJUA en këmpès, naast ëpgkes in 
gebruik; b. ▼. v. e. gezwd sUmkemt krimpen 
V. stoffen (mad. id., pgadj. kim pis, jav. 
këmpès), vgl. këpès. 

o«no^ji^^, gobès? 

36«oj|^ of këmpjaf; karmia maigépër 

lalatirénga, kémpwa sri^g kamèdvt pada- 

nlng lambé kamétër, Tjt. 224; lalata réngn 

këmpja sring kmnëdot, ald., 217 (kampja 

te lezen?). 

36«'E^.jj\ , këmplang; kimpwapgin ten- 

dasné; angémpwapginy «angëntal. 

96i€JUfui|\, jav., zak Y. vlechtwerk voor 
geld V. e. laksa; bras sakampil, Adig. 45 
b.; makampil, R. 23 Z. 20, 4 (mëgagawan, 
mangabih), 12, aanh. onder karantiga. 

IL. eigenn. berg, Tt. 

9SiojruK , jav., (vgL ald. ook krëmpël), 
digi op elkaar v. huizen b. v. (vgL na b wan), 
V. vruchten aan den boom (vgl. ngëd). 

2^ tegenov. adjur, aanh. onder gang sa; 
Imah Unémpëlkèmpél (b.: kinëpëlkëpël) 

nira ginawènira manusa, Tt. 

gsneiijjful^ , jav., z. RafDes op de pL der 

muziekinstrumenten, W. Z. 66, 7t; pikaq:- 
nya pantës gantnngin kémpul, Dd. 3 b.; vgl. 
mëkëtëmpur; bisan tityang kadi gananing 



^\ 



S49 



9SI^ 



maqfimbar, tanpapwara rasanin, mapan la- 
Jak sépak, IQu pakpak Ja katanp, salali 
ondak sal*, ada pamanja kadi fambaiig 
kémpoUn, fr.; di wangfan bawa mbalèlang. 
balos kad|ar i kèmpalln, saliniré nfémbo. 
kéAdangré salèni: tt^dëtin, fmnalang^ ma- 
fljrawadi, n^ralap makada 4|ftnnift djani rawuh, 
nabalih rèrod*, ada vilng^l anak tjérik, adn 
labuh, maiv;éUiig^ tuwu rowanga (volgt oy 

de aanb. onder dangsil). 

9Siojivu|^, maklmpèl, aanh. onder afidui 

(k én tel); komimpël alolanan, Bh. 74. 
«ojjruj^ (vgl. mal.), knétanjané saréng 

kampal, angompulakën wadwanira, Mal 
fr. (nëdanai^ kaülan-idané); pakampa- 
laaikany dlpa, «pasainuhaning damar. 
9Qin£i^ru|^, mèkèmpèlan, vereenigd in 

een Qaképan y. twee kidung's; vgl. gèmpèl. 
'^«o©i.j:>fu|^, jav. (en kèntal, de kui- 

/ai), de billen. 

n7Gnn'^jr>r!M\ I., kèkompol, soort v. ronde 

uit upih vervaardigde zak, om pinang ofwel 

vruchten in te doen, van boven vast gemaakt, 

ook om in 't bosch meé te nemen ter berging 

V. lingkih of andere kleine dingen; v. kinderen 

basang. 

IL, verb. v. koAtol, aanb. onder pèngkang. 

iQO'EJiLoru^, s., een bijn. v. Baladè- 

wa, Tjt. 

«sia^rugoj^, s., sipënan?, jèn asnfiil 

api sléq dalem naraka, maraq béléq kam- 
pilin, pasti lébar danya, isiq lèbih kras 
paaasoa, Kbj. Z. 1, 85 ; manana marak kém- 
pilin, oijaq lèngé pag^awèjan masih tatim- 



ban|^, Z. S, 5 (jav. sagalëpung mibër iki, 
bëtjik lan ala tinakonakën ugi). 

g^a^9^^, ngrémplak, z. onder këplak. 

9siia^gdii|^ , mikèmplék v. bloemen als 
die V. d. angsoka susun. 

«snnsi j^^, z, onder képès. 

QQjO^^K, losraken v. iets dat ergens 
aan kleeft b. v., vgl. klumpas. 

9Sii€Ji 2j^ (vgl. kaplak); lyamplaiigin, een 
oo'rvijg geven *i hoofd of den mond; kam- 
planiin bnnfi^atnéi een slang, een boom, van 
af den bongkol met een kandik vellen. 

ooiojJ^, Bjw., gëbug, lan tig (zeer grof). 

^7^/d^' nffamplèng^n, plat, een vrouw 
beslapen ; mèkamplèng^ang;, aan elkaar koppelen; 
pèng^mplèng^ln, z. onder paqëldjëlan. 

ssnnó^^ of këmplong; patih mökain- 
plonir, in een hoogen graad ; ook p« i4;émplong:; 
z. sëntak en këplak. 

)Sio^^ , kinëmplang^j «kapupuh, z. 

onder birat. 

9Siia^^ I., makémpling^, v.een klein puistje 

open barsten; pëkëmplin|^, v. korrels, door de 
hitte open barsten bij 't njanjah. 

IL, z. onder ëmpik^an en klëmping. 

9s«no^^ L, këkëmplèqg^y ge-t un u-de 
varkensnoet met een weinig vleescb en zwoord 
en verder toebehooren als de atjang^ 

II.y Bjw. plèjokan (denkelijk beeft men 
ergens een klëmpèng, zoodat 't jav. lëm- 
pèng de k heeft laten vallen, vgl. ook jav. 
këmpèng). 



9Sli\ 



380 



»i\ 



osüOOwO^ L, klein beeld v. houl, figuur, 

teekening (KL: iogog v. e. kris, of v. paras); 

saogjang: këmplonir te Baduiig bestaande uit 

vier poppen, die menschen voorstellen, en in 

beweging gebracht worden door koperdraad; 
raris tityanp manippihin anak ng^lalawang: 

8ang:lijaii(f kémplong:, raris tityang: ng^apah 

adji dwan(fdasa, titah sangjanp pauika 
magfantanf sami, sami tjritané në(fakin dja- 

ran, sami matali kawat kakèdètin all djoli, 

tjritanipan wèufèn matjan kapadémang^ an- 
tuk sangjanp pnnika, djog^èd tjritanipan 
wèntèn, sami kèdétinipnn antak anaké ng^- 
gilang:, fr. 

IL, ng^èmplon^n, weder bestampen, meel 
niet fijn genoeg uitgevallen, vgl i^intukin. 

lil., z. onder karaplong. 

IV., këmplong;*an Jèli, bellen water aan 

iemand's lijf nog hangende, als hij zich pas 
gebaad beeft. 

9sn o €0 u n u \ , dètya pinakahjang^ing; 

kadpa, pinakag^aman* wong^ tani, kadyang^- 
fauin; laké prëkal, salwiranin; kadg^a pinaka- 
sadananinp amidjilakèn kamopadjiwa, dètya 
dèwatanya, fr., aanh. onder peso. 
9Sii€JiJ|n, këmpwa. 

QSHOJij^^, de zijvleugels v. 't dak, tegenov. 
lambung (Bjw. ampik^); njang:kil kampjali, 
zulk een dak, door middel v. e. tjai^gah, 
open doen staan om binnenshuis te kunnen 
komen, zoo v. e. minnaar's nachts; salang^ 
kampjah, een hangend sieraad v. aaneen 
geregene pi pis in de balë op 't kerkhof bij 
't i^lungah b. v. 



9siiOpj|^\, ng^ampjasin, nampjasin, vgl. 

k a m p ë s. 

9^aj|n, mëkëmpjang; v. d. ktèg v. d. 

tjagtjag, zoo 't djangih is (vgl. lanlir): 

makëmpjanp mnnjinè rënjah v. e. maagd; 

knmëmpjanp, «gumëntjyangy vgl. makréni- 

pjang, grèngsèug en grëmbjang. 

Qsio^n of kompjai^ vrn. ^kumpi v. 

brahm. of vorsten; kompjang; als V persoon 
door Rftwana, als geestelijke vermomd, tot 
Sitft, «aku, Pam. 35 b. 

2*, nm. gedragen door de prabali's. 

3% titel V. de oudste mannelijke kinderen 
V. mènak's, zelden v. vrouwelijke (z. putu); 
idaja kompjang;, ida kompjang; of ida putu 
als de grootouders nog leven, volgens anderen 
de oudste der broeders als de moeder tot de 
2« of S^ kaste behoort. 

4«, !• pers. v. e. r ft dy a r s i jegens een 

jongen held, B. Z. 13, 10 (als 2« pers. tjal;. 
OQQoaJn L, «parih, de drie dobbelsteenen 

bij kompjaqgan, een spel met drie dobbel- 
steenen (z. t r ë w i j a n) ; ng^ompjaqg^, de drie 
kompjai^'s werpen, 

IL, z. kumpjang. 

n^onnOsjp^, nm. v. e. a i^ g r è k-soorl 

vermeld in de Auglung smara en Lajs.. 18, 
z. aanh. onder ajam. 

QQjajryp^, v. was voor vrouwen inde 

puri (tjlak^an); z. ganèm. 

z. onder a m p ë g , vgl. 



QSiaJiniQS) 



^\ 



k a pëgan. 

96iaj|^, pëmitran (6j.); ^I^Ian mamitNi 

makampang; tëkèn kaï, Tj. b., na di djalai 



^\ 



S51 



9^^ 



i botoh rara madandar, kampanip patara 

léntir, ald , hij zich afzonderende om Ie kakken 

kampiinfè mènfalahin, gingen zijn kameraden 

;die mei hem naar 't hanegevecht gingen) 

hem verlaten, ald., aanh. onder djëlit. 

2^ mal., de woonplaats der Mahomedanen; 

Mabomedaan in 't algemeen (vgl. ka pa la); 

kampoii|:an« këbëngan. 

3^oJ^^, z. onder pikang. 

kioajo^, makèmpong;* V. d. palu dalu- 
waqg, B. Z. 4, 3 (klentong^ pakarëm- 
pjang; ygl. jav. en sund. këmplong). 

IL, sas., pawahP (jav. ingevallen v. d. 
wangen ten gevolge v. tandeloosheid, vgl. mal., 
en mad. këlpong); z. tj opgang. 

njeinaJi^, kèmpèng:*, uitr. v. e. vrouw, 
die gigijan is, 't rammelen v. flesschen. 

«o'Eon^, jav. (këmbodja); sëkar ka- 
nodja, siert de përmas, bungan djëpun. 

isi^nn^, jav. v. Tëgal, h. v. sëré (*jav., 
vgl. Rumph. V. hl. 176 en vooral 182), staat 

in den 3'" druk v. *t jav. Wdb. 
asnop^, s., z. onder gomèda. 

»oiAj«nsI|^ (?), tailap&jika (vgl. tëm- 

bajukan). 

^anoz^^ , zeker insekt, dat bijna geheel 

01 1 een angel bestaat; de angel zou tot 15 
dagen lang ergens blijven steken en pijn veroor- 
zaken; z. kalimënjad. 

»€io|^,irih Ja kèmëm, «asëmu smita. 

9Siao^ I., kaümbang, «mumu, Sm. Z. 
21, 4 (lamp. een oneetbare kaladiumsoort, vgl. 
men.), pal ra gamëog (?) ; kadi anpagëm toja 



rim^ kanmina, v. iemands genegenheid, Hadji 
D. 34, Mis. 6. 18; Iwir pèndah anampatirta 
ing: roning: kamamn, Am. 3. m.; Iwir anang:- 
g:a tirlhèng: kamnmu, Dpt. Z. 1 (vgl. mal. 
sëpërti minjak di tatang enz., Bidasari 
bl. 101); rwaning: kamomwapèt rawit, Mal. 
301 m., vgL aanh. onder wilajut. 

II., V. mu, iig;émoina, niet uitbreken v. 
zweet bij warm weder; walerzuchtig f er uit- 
zien; z. smug, bëtëg; ng^émama jèh vgl. 

ngëmu. 

>^ ^ 

Qsnoa^, z. mëma. 

éi o €00 £0 06111^ , ngfémomok, uitsteken, 
uitpuilen v. d. tli, (vgl. mëntul, mundil 
en ngëdoplok), 

goinooonj^, vgl. këmèg; ng^émèmèf, 
gapend als de këpah en bung ka k-vrucht; z. 
ngëbèbèng en ngëmèmèg. 

^sna-EJin^ (f), jav. (këm&ngg&), z. onder 
garagati. 

9Siioani|^, aan één kant nog vast zitten, 
aan den anderen los, v. d. cunnus v. e. 
vrouw, die schrijlings te paard zit; tlng^kang: 
këmèf V. *t kleed v. vrouwen, zoodat de heupen 
te zien zijn; ng^ëmèg^ang:, van eVLikSirverwijderen 
wat aan één kant nog vast zit; mékëmèfany 
mëkëbèngan, vgl. këmèmèg. 

QQ'E^ni^ , z. maga. 

9SII o \ , 8., z. onder k a m b a s. 

Qsii o o ^ , mëkrab kambé of ambé (?) z. 
onder krab en kurambé. 

9^ a \ , jav., apa karanira këmba kowaténa 



961^ 



SS^ 



»l\ 



dèDira nrg^itik kamt, Amd. s.; adja këmba 

slraiq^gitik, ald. 

•^ o 

QSiio^ of gëmbj. een sieraad aan de zijde 

V. e« ka sur, bestaande uit een of meerstree- 
pen, die een rei vertoonen v. knopvormige 
bultjes, door de kapuk gevuld; zij vormen 
lagen, die de bultzak verhoogen. 

^Sl\» jav.- batav. en sund. T. b. Z. 4, 

277 (z. onder rftgi II; bat. tomburan is 

misschien een bewijs, dat er vroeger een këm- 

b u r ergens bestaan heeft) ; z. d u ng k i en 

këmpis. 

^ O €0 ^ , ijdel^ canceited; jadin baii|a kas- 

ropèn da pati bang;(fa, momo mabikas Icfja, 

da n^nirg^laiig: sëma, këmbo manéirëtaaiig: 

^adik, tëkèn nfama braja, apang; sama apang 

tanjcipah, da ng^iidëhaiig^ awak, lapaté ting:- 

g^ar s&i, kësèngr^n tar kapartjaja, katarat 

bain njama llja, fr., aanh. onder brëgah. 
QSTQ^, 8., B. Z. 1, 18 (dyun, djun); v. 

e. olifant, Sut. Z. 100, 2 (bofitjal), T. Z. S, 
34, Z. 4, 110 (mal de 2 knobbels aan zijn 
voorhoofd, lamp. gumb^, tëmbëlèlé); R. 7 
Z. 13, 2 ((irah; jav. R. 198 v. e. olifant, 
jav. Ar. 111 V. e. wil); kambhakira^ ngga- 
wé dyun, Adip. 101, «angdyun (de Kid. 
Z. 2, 46, madagang pajuk); kambhaki- 
ra$&la, unggwanii^ magawé dyun, Adip. 

101 vlgd.; kombhakaf&grra, T. Z. 4, 14; een 
wapen v. Anantabhoga, War. b. 56. 

2^ eigenn. v. e. zoon v. Kumbhakaróa, 
R. 21 Z. i, 2; 22 Z. 5, 27 (vgl. nikumbha); 
kambhakarua, s., eigenn. v. e. broeder v. 
Rftwafta, welken naam hij kreeg om zijn als 



een kumbha er uitziende ooren; kambhi- 

kftra pwi taliqranya, kadyftkftraniiig kumbha, 

Utt. 17 (R. sas. steeds kumbangkarAa; jav. 

ook &mbSkarnS, Wg.« As. Z. 14 en Raffl<^ 

I, 380, umbakarna); kambhanètra, eigenn. 

v. e. asura, Hari(. Z. 18, 2; kambhakaré- 

tfaking^lébiir (b.; karèngtjakftng lëbur): 

gè'ng^niiig: malatraja, T. Z. 5, 62; z. kum- 

bbajoni. 

3s teeken v. d. dierenriem. 

4s aanh. onder wwang. 

QSij£j^, weigeren geluid Ie geven (vgl. jav); 

katon kombiué v. e. vorst, die niet uit eigen 
beweging iets, dat een zijner onderdanen ver- 
langt te hebben, ten geschenke geeft, maar 
wacht, tot het hem afgebedeld wordt, aanh. 
onder sangèi^é; hèna slnapa rik&djirAp&- 
kambi, R. L. Z. 11, 2 (kënkèn nè djani 
da makubda); kumbi tan ahjan roodjara, 
Hadji D. 18; a«ya knmbiha kaja lakinira, 
Mal. 373. 

II., sas., bungkak. 

III., anaking wil, Kr., vgl. kumbika. 
9^a\ I., kamambu v. lotusknoppen, H. 

IK Z. 2, 5 (kumombo, mandëlok); ka* 
mambakamba v. walvisschen in de zee door 
de hitte, 14 Z. 2, 12 (luildjuk^ numbuk 

katumbuk). 

IL, kakomba, komak manjanjah laüt 
mëmëm; kornak këkaniba, kakamba talak 
dadar, Meg. 14 (vgl. bis. en tag. kombo, 
mad. kakumbu?; wadjik ^y^ onder de 
lekkernijen, hik. Tjandawan putih, 48). 

III., kamboUy Bjw., wat men opleest aan 



tai\ 



S53 



«\ 



mch, die, door tuba bedwelmd, ver afge- 
dreven is. 

n 9QO n ^ \ » kamombo, op 't punt van zich 

te openen of te ontluiken, v. bolvormige bloem- 
knoppen gezegd, zoo b. v. van de pusuh v. 
de pèrèng in tegenst. v. die v. d. djaQm^ 
die naaldvormig en rood is, maar na de ont- 
luiking wit, «kumumbu. 

^o^\. jav., h. V. bëtus (batav. kambu, 

vgl sund. kafitjeub); kèkambah, middel om 
de pokken niet meer te krijgen (vgl. onder 
lungguh): ngambokin, h. v. mëtusin; èlik 
bliné i kladi ng^mbiihiii , «sampaj ta lém- 
pajnya, bisa; nptmbah'in v. zekere spijzen 
zooals udang, njawan enz.; kèkambahan, 
tijd r. onthouding (één maand en 7. dagen, vgl. 
aanb. onder sangib), na de bevalling b. v. v. 
e. kraamvrouw, die zich v. sommige spijzen 
heeft te onthouden, v. iemand, die de pokken 
gehad heeft, om ze niet meer te krijgen; v. e. 
gesneden stier, dien men gedurende dien tijd 
verschoonend moet behandelen, niet voor den 
ploeg mag spannen, niet door de zon mag laten 
blakeren enz.; Dotafaiig^ kakaipbwan, U offeren 
op den 7« dag na de maand ter zuivering v. 

e. kraamvrouw. 

39 a^^, kapw&kémbak ikt kawastas (ka- 
wan t u s f) 1 tèté'niiig^ rënfi^a réropak rémok, 
Sm. Z. 3K, 4 (Iwir gëntub plaibnjané 

mambabar salèning ratha enz.). 

9^ EX 9^, jav., kakambatainif banja, Sum. 

Z. 1 , 23 (Jansz, Nederl.-Jav. Wdb. geeft k. als 
stamwoord op): kakambah, verh Balav. Gen. 

XL VII. 2«' stuk, bl. 89; z. kapèta; kamba- 

u. 



hén, aanb. onder adhastha (umbah lalar); 

z. umbah en vgl. onder këlid. 

9QiQnLno9Q|^, «kombala en «kambala 

(b steeds kambawan), W. Z. 23, 1, «ka- 

sirS Sm. Z. 30, 4, «rawis, Z. 5, 4; vederen 

lansstaart v. don piraksok rood gemaakt, 

V. bagun manas of b. mandori; makani- 

baon, «rinawis; ng^mbaoniny «maogra- 

wisakën; kinambaonan kèma, «rinawisan 

m&s; ook këmaon, warnaning kamaön, 

«wuluning tjamara; bulun këmaön, 

zeker roodgemaakt haar v. e. dom ba, wordt 

bij 't kussentje, dat bij de gëgutuk gedaan 

wordt, met een naald aan een lapje gestoken; 

buiten het kussentje is een pala mëdon; 

vgl. onder bèrok. 

9S1) Q goj ^ y «tjèla, data (tjotaf) z. onder 

was tra, kleed om de heupen v. vrouwen zoo- 
wel als V. mannen (wastra); z. sèmprèt en 

sampël. 

)9ieji9QK, sas., antëng (paitan; jav. id., 

bat. om on, denkelijk uit een vroeger bomon). 
361^, z. onder kuAdifia. 

^s^3S)n\, 8., tante v. R&waAa, doch- 

ter V. Suraftli, Utt. 10, 52, 91; vrouw v. 
AnggarapraAa, Adip. 93; kadi sanp kam- 

bhlnari v. Minluna, toen bij een vrouw 
geworden was. 

9SII o ^ , jav., tweeling v. 't zelfde geslacht 

(z. bufitjiii^); wordt naar bal. gewoonte door 
den vorst tot zich genomen, om hem te die- 
nen (mal. id., tag. kam bal); eigenn. v. e. 
paar bedienden v. e. vorst, Tjp. (vgl. onder 
wudjil, wukir, en pasir; z. P. x. 30, nm. 

S3 



^\ 



SK4 



tSk\ 



y. e. bediende te Da ha); bédil kémbar, dub- 

belloap (z. paiidjal); kadi nusa kémbar itfo- 

nfonè madjadjak; i kétnt kémbar, eigenn. v. 

e. persoon in de ardja (z. onder kritis); 

samur këmbar, z. onder baAdung; këmbar, 

met elka&r een paar of weerga vormen b. v. v. 

2 bloempolten, links en rechts v. den ingang; 

botok of djam kémbar, ngémbar stjap pa- 
mékélé; bkatAra kémbar, a^wino, Kid. Adip., 

b., Z. 4y 18; naam v. d. mantra? en pana- 
war, Us. 2 (vgl. lamp. ng urn bar); balé 
kémbar, met i2 staanders en plaats v. voor- 
namen, B. U. 44, 418; makémbarv. diezeWen 
den klophaan laten vechten en er groote wed- 
dingschappen op aangaan, legenov. mëmu- 
djang; nfémbarln, iemand bestrijden^ in den 

strijd staan, aanh. onder gëlu, overmannen 
(vgl. këmbul); raris kémbarin, «pradja- 

janén tumuli, (vgl. ëmbar). 

9Sio\, akémbnran v. badenden, R. 24 Z. 

12, 1 (malalamèsan), v. 't water, ald. 4 

(masasampukan, muiltjrat); vgl. këbur. 
oïsno'EO^ , papperig dik, mokoh mol 

(vgl. jav.); lomaku angaras (f) basang: kom- 
bor V. Toök naar Sëmar geleid, Sdm., z. 
aanh. onder pëlud en bungbung. 
9Siioyi\, z. onder gumbak. 

ox|^, iri (mad. id. en tampuruftn, 
jaloersch, benijden, ngadj. kabèhu, tag. i^i- 
bogho, ngimbolo en gimbolo, bat. ma- 
ngiburu en méngëburu, mal. v. kut. 
tëmpuruftn, bug. émpuru, mal. tjëmbu- 
ruwan), R. 2 Z. 1, 7 (iri, iri ati), 5 
Z. 3, 56. 21 o.; Wth. 111. 17 b.; kimba- 



o 

9SI 



rmiiiig ati lobha iBgralnran dyaatnn amangi^ih 
narèndra wibhAli pënah pan sasaksana 
bklnnkti atëmah dnhklta (zooals de ba ka 
enz.), T«, Z. 3, 6. 

tsian^, s., wuhaja (doch vgl. onder 
lodan). 

iQiQ^\sii|'^, z. onder bungkak. 

g^l €^10^^ , aanh. onder gabëng. 

^ncji €^\ , sas., ngada; ook ogumbé 

(vgl. bim. hè, kolo mboë'). 

'IQQO'icogJil^ , sas., buQgail of kuQdf, 

maar z. onder kënjamën. 
«Cjjn|t9i|^, sas., klipës. 

goio 9Si\ , bënguk. 

9Q|g|^9Qi^, s., d. adem ophouden door den 
mond en de beide neusgaten met de vingers 
V. d. rechterhand te sluiten, aanh. onder rè- 
tj a k a. 

gojêigsi^ , anakii^ wéwé, Vr., vgL 
kumbi. 

gojo 9si^, halèr. 

Kic/pooosn^, z. onder kumbha. 

tsna^^, ii|;amblt, met de slagtanden 
stoeten vooral v. e. kaflog, v. varkens, Bs. 
bl. b. V., verscheuren tets vooral v, varkens; 
vgl. slambit, tambil, ambis en gëmbèl. 

^SL^\# flsis., sambuk. 

9Sia Aji]\ , aanh. onder lëhuQg. 

^ r , 

utoj^ , z. onder kambaön; makanJ 
bawan, «rinawisan. 

gsiQUCSJtl^, sas., mètaftg. 



9SIQ 



«N 



388 



•^\ 



» 



navuj^ I., aqgimbaliy iemand vergezel^ 
len; Hadji D. 44, 92, 34. 

IL, vierkanie doos v. vlechtwerk mof dek' 

sel zooals die, waarin de gekookte rijst, die 

men naar de kubu meè neemt (te Bbj., 

kropak v. e. takëpan; vgl. ma!., bat. 

h o ro b a 1), v. e. draagband voorzien (vgl. onder 

badaka); een kampèk met houten voetstuk ; 

z. onder pidada en vgl. këbën. 
9siGinj|^ , sas., sëpangan. 

anji|\, jav. (z. «ëmbul); këmbul U- 

■a» «mangalimé; këmbul pat, soms alsb. 

V. adjak pat pat; këmbul duwt, met zijn 

iweeên uil één bord eten, mei zijn tweeen aan 

één juk, één per twee man, met zijn tweeen 

een: kimbol duwa dawanja nëm dëpa, per 
twee mam te leveren bamboe v. 6 dëpa's 
lengte; mai4;ëmbuli9 *R. 3 Z. 1, 71 (ngu- 

dupung, mangabèbi mangrébut); ma- 

mënball purly B. Z. 29, 9 (mangitër, ma- 
Dgëpung); kl tjupak angrak gangsul sumatlr 
(asëma gang sul), ah sato bnroné, këmbul 

dasa (lima) aora imblli (piid), djanl né 

daii (dini) ada, apaniga nawang matëbuki 

apang baq|a saling punggal, njèrèt gëtlli ki 
■aadam, Tjp. Z. U 23; këmbnllna adji lë- 

liflM^ figuurlQke wys van spreken v. e. kopok 

V. ata, die als 't ware aangevallen door vijf, 

V. én tabbladen, nog steviger is ; kinëmbulaUy 
• kinabèban, «dinol (dinonf), «inirup, 

giDurumung, «kinabjatan (kinabjëtan 

or kinabwatan te lezen), Z. 19, 1 (kinu- 

dupnng), L. Z. 20, 9, Z. 26, 1; akëmbulan 

I, Wtb.; Mal. 8, 13. 



1 



a'^\ , z. kumul. 
n l 

7«n^€orL5|^, sas., glUng, pusuh, plo- 
sor; z. kakar. 

QSiiOfU^, s., {wollen kleed), W. Z. 12, 
9 en 14, 19 (kambaön; jav. wadju kam- 
bala, z. onder antakusuma); watang rina- 
wisan kambalAbang, Kid. Sund. .Z. i, 142 
mal. fr. b, Z. 6, 3 maal; kumbali door te 
denken aan 't mal. ^^^^f z. onder kombala, 
mal. V. kut. gé m ba la, afhangend versiersel 
V. veeren of haar aan statie-pieken, Bljdr. T. 
L. V. 5« volgr. lil, hl. 106; vgh kombala: ki- 
nambalan sinlmping, R. L. Z. 10, 22 (ma- 
kawatja saha sisimping). 

II., z. onder karkkotaka. 

9SII onru\ , z. onder ram bat. 

g^^ru^ of kumbili, (z. onder sabrang 
en këmili, aanb. onder bijaQng). 

QQioru^ I., «afokawana (bedoeld ui- 
k u m b i I a f ). 

IL, z. onder kombala. 

gQ|aru^ , mal., ana angungsi wnkiri wé- 
nèh kumbali ring desa, Dm., z. kom bal i; 
ngombali marfug nagara, ald. 

II., z. onder kambala. 

9000 ruN (vgl. kambala, jav. kumbala, 

I VB 

Bantënsch kumbali als vert. v. en vgl. ook mal. 
^J^); buroB kombala, Sbr., Z. 3; konbala 
singa of 8. kombala, nm. v. e. vlakte (tëgal), 
waarop Ardjuna zijn zoon DjagatkraAa be- 
streed, W. Ast. ; swanüD sang prabku aputra 
kakung aOsuk wésL tinanggu dènlng lawèjan 
„mwata swamin saag aijja kéiitjèng asnta k., 



^\ 



S56 



^\ 



t d. kombala „malih swamin san(f arja sën- 
tong asata k. ingramon(f dènin(f bh Ata idjo, 
Us. Dj. 27; satwa kombala, aanli. onder djala- 
rang; kombalig^l of komalê(pii, zeker toover- 
middel, Z. Us. 471; kombalawati, dochter v. 
d. vorst der djins v. Djabalkap en gemalin 
V. Sipatiman; kinombalau b&n; putih, 
T. Z. 5, 116 (makambaön barak mwah 
p.); kinémbang^n kombala pntih, ald. 85 
(masëkar kambaön pëtak). 

ngonoru^ , ngombali, R. L. Z. 7, 3, z. 

kumbali. 

9SIIO nisQ^, in pi. V. kabëlët; ngambë- 

létanjc taka(t), «ngësngër. 

QSii'EJi run \ . z. onder kamaligi en 

baligja. 

ooincon^ , s., eigenn. v. e. land, B. ; onder 

de voornaamste Korawa's, Ud. 109 ('t origin. 

k&mbodja), Br. Z. 15, 53 (vgl. jav. sambodja, 

Ad. 156); vgl. aanh. onder javira. 

ïGjoouooQ^, agastya, z. Utt. 85; 

«wasisiha (jav. kumbajana, drofia). 

Ssii'EJi tAJi^sïj^ . Bjw., nm. v. e. wonderwater, 

gesneuvelden en verbrijzelden herstellende, vf. 

Kap.; vgl. kamandalu. 

gsiiotAJi^^(?), z. aanh. onder burang en 

vgl. onder sënu II. 

QsnnouJi^, sas., katulëba; ook tem- 

bèjang en këndèwa. 

75%'è^'\ L, flauw v. tabak, ook tegenov. 

mëklëtëk, z. ampang, tabah en ambah; 
balnn kambang^aUf z. onder balun. 

II., jav. V. lieden, die geen prahëkël 
hebben^ v. e. zaak onzeker (vgl. i^apuug), 



«kabwang; kambaq^ padjalané v. e. werk- 
tuigf vgl. aanh. onder gumi; kumamban; 
$awanya ring banja adjro, eedf.; mas ko- 
mambanp, nm. v. e. jav. versmaat, hier zelden 
in gebruik, maar op Lombok meer bekend; 
komt vaak voor in gedichten uit K. A. (z. b. v. 
ouder pajuk), z. kurambang; mang^mban;, 
«mangalun, «ai^alajan; ng^ambang^, «mum- 
bul, «mftmbang; makambang^an, aanh. onder 
kapwa, B. Z. 99, 4 (umibër). Kam. 5 b. 
(bis), V. e. steen op 't water, T. b. Z. 4, 95 
en 94 (T. a. Z. 3« 43 mam bang). 

2«, z. onder sëpëkën; niisa kamba- 
ngran, Nw. 

III., kawi spelling in pi. van këmbaug. 

IV., atinira nora patik (iku na dj is), sètan 

kamambangr (^lumampab) sira Jèn son 

arani, Amd. s. Z. 29 (kumaugmang?). 
3S«m, mèsi, «mintuna, *udus (wëdus), 

geit (mal. id., tag., bis. en mangind. kan ding, 
iloc. ka ld ing); ,Jeenen als de geit'* is in 't 
bal. zooveel als: leenen om niet terug te geven; 
't is namentl. eene toespeling op een verhaal 
(saiwa), waarin de geit van een ander beest 
horens leent (dit relletje ook op Java bekend, 
z. Soer. Hndbl. 1882, N«. 233 in de Bljdr. tot 
de T. L. en V., alwaar de hanen de uiüeeners 
zijn); sllik kambin;*, z. onder sai IL; mata 
kambln(f, aanh. onder imbang; mniipkar 
kambing;, z. onder wëdus; snla kambin^, 
aanh. onder djanggit: kambing^*» z. onder 

k 1 ë m b i ng. 

Q^o^ , pasilik k&mbang^B, aanh. onder 

w a dj a n a. 



w^ 



387 



9SI^ 



/^ ^ 



96IO ^ , ontloken f gespreid v. e. bloem, 
U'genov. pus ah (mal. id., jav. en sas. en 
smbw., alwaar de uitspraak kémang is, 
bloem: tag. kam bang v. wieken); gerezen v. 
gebak, rijp v. d. pokken (z. ëngsah); over 
de bloemen als offerande niet bruikbaar, z. 
aanh. onder luru; in namen v. planten slechts 
gebezigd met de bet. v. bloem (z. onder ku- 
ning en djënar); kémban; p^Jas, z. onder 
pa jas; bakémbang^, de geadspireerdeba(bha), 
denkelijk omdat këmbaug vaak in Kawi 
këmbhang gesjield wordt (?); kémbang^ taOn, 
T. lil. ]; kémbanrtiq: panon v. e. geliefd 
kind, T. Z. 4, 8; kémban; api, (nieuw woord), 
vuurwerk (vgl. lom); kémbang: kuniiq: of 
kémbaog djénar, eigenn. v. e. rijk, Tj. 2 (z. 
ook onder kuning); kémbaiq^é wong torn, 
z. onder tain-pëdëm; lantjing kèmbang, 
Bjw., naast kémalakala, jav. v. e. knaap, 
die manbaar gaat worden; mnpn kémbaiq^, 
zeer vroeg in den ochtend voordat de zon op- 
komt, omstreeks kwartier over vijf, later dan 
galang kangin; tnras ing^ këkembang^ en 
tnras kimbang mas, z. onder kusuma; adjl 
kémbang, titel v. e. k ë k a w i n« op Bali gemaakt , 
waarin korte en lange lettergrepen niet in 
aanmerking genomen worden; 't bevat man- 
tra's, aanh. onder mandi^ora en hulu 
waras: Dyan kramaning wwang matakwan 
iBf lanmya, Jan pntih këmbangnya fkA| 
hJaDg winAJaka manglarani, mMis awaknya, 
tbhJftntarAwrtJa; Jan hkn% këmbangnya tkA, 
pamali manglaranly tmh Ja; Jan knnlng 



këmbangnya tkA hjang wArawAtmanglarani; 
Jan awo këmbangnya tkA, ènggal Ja waras; 
iti tënnngning wwang lara ring këmbang, 
War. 73; knmëmbang (vgl. mëmbaug), Sm. 
Z. 27, 4 (kadi sëkar); kadi kinëmbang v. 
't gemoed (tjitta) v. iemand, wien men ge- 
ruststelt; vgl. onder irir, Ud. 152 (vgl. onder 
sëkar enkudu); «klnémbangan (te lezen 
djinambangan?) mirah» Sm. 24, 12 (ma ëm- 
banan mirah). 

II., flets, bleek v. iemands voorkomen; z. 
lètju, lèbé, lëtèg en tjoöng. 

III., hnln këmbang of hnln sëkar, leerling 

V. e. kluizenaar?. Wit. 49, Tt. 22 en 30; 

sanghnin këmbang anak wësi badji sira mil- 

wanadin wisaja v. die een vorst in 't bosch 

volgen, Sum. Z. 1B9, 4 (Kid. Z. i, 7 tumut 

sang para mantri wrëddha satrija sa- 

111 a til ar ing kawisajan). 

^knoN, jav., këmbënging mata, B. Z. 91, 

2 (ngëmbëng ikang waspa, vgl. ook jav. 
nier béng), Sut. Z. 96, 3; këmbëng*, aanh. 
onder këroëh (mangëbek); knmëmbéng, Sm. 

Z. 28, 4 (amëro waspa); knmëmbëng ikang 
Inh, »waspftgfttra; Inh kumémbëng, B. Z. 

30, 4 (waspa mangëbek, w. matlagaftn); 

ngëmbëng v. wolken, ngëmu; ngëmbëng na- 
nah, h. v. ngëmu n.; mangëmbëng v. bloed, 

B. Z. 88, 5 (mabëbëng, mangëbek); karl 

ngëmbëng gnlëmé, de regen nog niet vallende; 

mangëmbëng tangis; * n a I ft s a ; pangëmbëng- 

i bëbnn, Br. Z. 50, 4; makëmbëngan, «ana- 

1 a g a ; matali* makëmbëngan , * t i t i r 

analaga. 



^\ 



358 



9SI\ 



^ ^ 



9Sii£A^y geswollen als een schouder door *i 
dragen, v. e. bezeerde hand, bol uitgeslagen v. 
metaal ten gevolge b. v. ▼. U mësudng; o/)- 
gezel; ook als bijnaam toegepast op een dikzak 
(maU tag. kambong, bat. gombuug); batn 
këmbanf , zekere drijfsteen^soorU door de vul- 
kanen uitgeworpen, om 't lemmet v. wapens 
nieê te schuren; de olie trekt er in (Bjw. wa- 
tu gomboug); sakn këmbang^, c/e wa ali 
pënganggo (jav. s. gémbung; z. onder ko- 
dj o ng) ; nfadnt of nf g^rondot bata këmboof 
V. e. bluffer of leugenaar; kaden awaké pa- 
tas, bata këmbancé farondot, Fr. vgl. aanh. 
onder b u ng k a h, waar k ë m b u ng alleen voor 
komt; bata këmbonfan v. d. grond legenov. 
lanjah; kékënibang;an, blaas v. e. mensch of 
dier(jav. plëmbungan, Bjw. kiëmbungan; 
vgl. onder ujuh); hlaasspeeliuig v. kinderen 
V. këtjèltjèlan vervaardigd. 

IL, z. onder mènjol. 

III., batëk malih këmbanf, z. onder ëm- 
bung; kinëmbanf v. water, Sut. Z. 90, B 
(tinambakan). 

9SiiO|n^ V. d. padi door balaug sangit, 

pujung?, vgl. ijab en pis. 

QQjè^ I., jav., R. 28 Z. 12, B (bhrëugga, 
tambulilingan); anaking kambang, «lëfi- 
tjut; anglaring kombang, v. tanden, Was. 
Z. 5, 77 (mal., ngadj kakumbang; vgl. on- 
der hëlar en ali); kumbangaU*, noemt zioh 
Ar dj una blJ 't sumbar, w. Kap. 181; 
tatah kombang, «mara^iwalf; asgam- 
bang, gonzen v. e. k urn bang, Smw. Z. 1,17, 



18; vgl. onder f utji, Z. 12, 9; pani^ambang, 
gegons^ Z. 1, 18. 

IL, z. kaümbapg. 

III. of urn bang?; ngombang, spelevaren v. 
e. vaartuig (djong mangumbapg); v. dansers 
mëdëdipgkrik, Kid. Adip. Z. 3, 59, v. die 
mëèndé; mangambang, *bhramanta. 

IV., vgl. maL gumbang; brem saga^l kom- 
bang, Adig. ; pamalik pah sarat, $a., toja ring 
kambangy sëkar piagé enz., Us.; kambaqg. 
karna, z. kumbhakarAa. 

9^^^, besluiteloos f ^ onbeslist v. e. zaak, 
onzeker v. d. uitslag, napgdo; kar! kambëug 
manah rëko v. iemand, die aarzelt een prins 
te dooden. Pk. 

Qsii'ei^, sisu, kèmpër;kainéiigba]iiyaDg 
mëtèk, vgl. kèmëng. 

9Sia^ (f), «kamu, «kita; kamoqg, ta. 

9SiiQ^ L, z. onder këmbang. 

IL, West-jav., nm. v. d. wani, «kumama 

(b. kunapa?). 

>^ ^ 

9SiiO^, eventjes gewond ten gevolge v. e. 

lichte beet, een kneep; zonder bloed uit te 
laten, daar 't nog maar binnen is, MaL Z. 6; 
paran rasané tatanlra, akëmëng pakalao 
(vgl. jav. en z. sëbuh); kaliiig ké mëtata 
këmëng ko bgana, vgh si lab. 

9Qi0£O^, een muziekinstrument, wordende 
bespeeld, een liggende (djong kak) en de an- 
dere hangende (gantung, vgL klëntit en 
klëntong), de jav. kënopg, (z. Raffles N«. 10 
V. d, pi.); këmong gantung is grooter, niaar 
kleiner dan de këmpul (vgL maL gënung 



i 



\ 



359 



^ 



ofkënui^ i^adj. kapgkanopg; z. kënak 
en pëtuk); vgL kënjopg. 

S^ nm. ▼. e. buta met oogen zoo groot als 
een k. en een krekel, gevonden op een plaats, 
waar men zulk een spook tegenkomt (vgl. on- 
der dopgol); asa dèm mata ndèUk, fëdèné 
Iwlr mate kèmongri lya^^ni^t riglné miivldi 
Djp.; matené Iwlr këmoiv ndélik, ald.; nasi 
këmoiif in een kopje gedaan en dan omge- 
keerd op een blad ter onthaling v. d. pëi^uün; 
mikémovg v. d. rijst; * këmongf*aii, z. onder 

mata* 

aSi^, V. kipgf, kufidjaka, impo/0fil(lamp. 

geem testikels kMen; jav. koming, kleine pe- 
«tV), aanh. onder bösèr, tjoda en tjuté, 
Smw. Z. 13, 11, U. PogT. B, Wtb.; knmiiv 
tes kawa^a rti^: sangf^ama, dndn lanang, 
Wib.^ lijdelijk impotent; wwang malaki ka- 
wAmgf mèlik ttrinyat patembAkéna rnmalian, 
aatekon htqganya, liwat satehan ten waras, 
wènaqg atrinya palakèkéna manik, tokon wë- 
nang bllang kramanya, Wtb.; stri tèkang 
nakangan aawaï^ rara pakanwanam asëmn 
wnlandjar ing knmliVf Lamb. Z. 22, 1 (Iwir 
wanita pawongan kari kanyaka ikapg 
lirang solahnya katinggal dèning 
amarihjun); ikang strI ten midjii brabma- 
katyanya, atrt kaming ngaranya ring loka» 
wëkauing pApa témén IkA, ten rowangën 
aamA^ara, IkA ten Jogja mUwa ring tilëman 
bwat kjang flwamanéala, ityèwamftdijadjnja, 
fradAka, marl pariyarl(ka) ikang kAïjja dè- 
nika, Jawat mllwa i^ftunël sadji mateiq^- 
nyaa ikaiir rand tepwan Qunpnr, mwang 



Btrt kabbi^lan ikang Iwasnlng rak gamamël 

sadjl bhatkra, adyapl katëka mangké, Ag. en 

Adig. (vgl. këdi 2«) »9, Ag. 37; stri komlBg, 

paspahtnai * n i 6 ph a 1 A, Ap. 20, aanh. onder 

(ukla; ontmand, K. 8; dyah kamli^ norA- 

nakanak *niskaha, Tjt. vgl. onder banang; 

vgl. këmangi II. 

i; pakoming, benaming v. e. m., die de 

bijen 't steken belet, z. de 2 bet. v. tjëlak 

en vgl. pëmëgëng en pabungkëm. 
'^96i€i ^, z. ömëng en kamëng. 

"^lonéi^ I., K. A., njoman. 

II., z. omang^ 

)si<Exn^ I. of kumapgi, sas. en jav. (al- 
waar alang^ k. als verkl. opgegeten wordt v. 
sëré), këtitjarum, «fapadja, aanb. onder 

bënguk, këtjëpu en bangkalan; mal. nm. 
V. e. paarsch-klearige s ë 1 a s i h-soort, b^X. kë- 

mangé, bug. tjamapgi, mak. tjamani). 

IL, jav. (iki wong lanapg apa, baja 
wopg lanang këmangi, bagus anom 
tjatjadé wëdi wanodya, Dw., bds. b. Z. 
B, ingkang kaprahaké wong lanang kë- 
mangi; wëdi mati(ing) pajudan, Kr. B., Z. 
7, vgl. Dw., p., bl. 18); kaja tek lanang ka- 

mangi snmëAèt gandanipnn, nora snwé napsn 
dndn, kaja wong atepa mangké, kang fnml- 

tls ring sirèkn, nora snwé napsn yidray ten 

kagimbang ring wandya, jegens een man, die 

van de vrouwen niet wil weten, Stn. (akan kë- 

lana ini kumangi, atawa këdi gëra- 

ngan rupanja maka tijada ija gëmar 

akan përampuan sajang sakali laki^ 

bagus anom tijada ampunja nafsu itu, 



«> 



560 



«\ 



zeiden de gevangen dames ▼. den in een man 
veranderden Tjandrakirana, P. S. 307; v. de 
zelfde princes, loen zij die dames aan een man 
wilde belpen, maka sëgala përputéri hè- 
ran mindëugar kata itu dalam hatiiija 
bantji gëraugan pangèran ini maka 
lijada ija ingin akan përëmpuan, P. 
X. 136; saöraug pon tijada istërinja 
samuwanja diambii akan sodaranja 
maka përmisori pon dijamlab dalam 
hatinja kalau bantji gërapgan pangè- 
ran ilu, ald.; suuggub pon banjak ada 
përpatëri baik^ rupanja saörang pon 
tijada di përistërinja sapërti sodara 
djuga maka kata paduka mahadèwi 
kalau bantjih gërangan karëna bèta 
libat lakunja sapërti përëmpuwan lê- 
mah lëmbut lakunja, ald. 37, aanh. onder 
djaga); palawa mliiia këmanj^ v. e. vrouw, 
die zicb niet laat bepraten, ald. Z. 5, Mis. 
Gag. 34 b; vgl. kuming. 

9^onr)\, z. onder ka ma ka ra. 



^ n 



\ ^ 



QSioo Y zeker kerkhofspaak, zijnde een vlam- 
mend boofd, aanh. onder ilëg (batav. en jav. 
këmamang, en ftdas glundung, dit Amb. 
J. 110; kumamang, dwaalUchl, Cramfurd, mal. 
dict, mad. tamangmang; vgl. onder «ulü), 
• tëndas, «mastaka (z. onder dit woord); 
paflh kamanpnang^, aanh. onder krijët en 

balaka. 

900£on^ , s., pob (batav. mangga), 

heeft bestaan P 

gsionvu^ , z. onder guli en tëngguli. 



3sin^ L, flukëf, «maturA; atara ma- 
ké; masaliinui, sn&rken in den daapf B. Z. 
5, 7 (anidra ènak pagërus, djaën pu- 
lësnjané manjautin), Hw. Z. 13, 1; Z. 
19, 9; pakës, 1 R. 81 Z. 1, 7; tan utjapèn 
pakëf, «bjatita mamrëm; vgl. T. Z. 3, 
20; vgl. onder »lëgë*. 

n., 9kég gnbarina satas* i^nwal komn- 
tuiugi Sm. Z. 33, 3. 

3sin^ , s., (khaga), paksi, aanh. onder 

rudita; sahnr ka|^ sahur paksi, R. m.; 

kafapatiy kagèndra; 8< wtraka|:apati, nm. 

V. e. slagorde naar de plaatsing der krijgers, Br. 

Z. 18, 6 (z. onder kroiltja), Smw. Z. 11, 5; 

kapirftdjat aauL onder mrëtjukunda; kaga- 

waktra, onderboorige v. Poru^ftda, Tjt. 78; 

pakai^n (daar aldaar v. e. boschbaan gesproken 

wordt is de lezing pagagan beter; jav. hds. 

pagakan), Br. Z. 6, 1 (pamanukan, kuru- 

ng a n ; jav. vert. p r a g a k a n) ; pakag^han, 

Tt. 22, 30. 

oQsirj^ , z. onder igü. 

nni«i|^, s., Sm. Z. 28, 5 (garuda; 
jav. ook gagèndra. Men. II). 

2«, nm. V. e. slagorde. Ar. Z. 18, 1 (Z. 
17, 2, pak^irftdja); kagèndrawaktra, ga- 
rudftsya. 

ïsiin|y?ruul\, B. Z. 81, 19 (mangrèdèp; 
vgl. mal. gëmërlapan), Z. 80, 30 (pak dép), 
Z. 85, 8 (patiugk rëdap); makagarilap, 
«makabaranaug, Br., Z. 18, 8 (p a ka- 
de pdèp), Hari(. Z. 18, 2, 3 en 4, Kid. Sund. 
39; z. gilap. 



9Qi 



^ 



561 



961^ 



9610 



9?f 



9S1I 71 mo ni| ^ , makag:arabag: v. strijdkar- 
ren, paarden enz., Br. Z. 42, 1 (magagru- 
dugan, magërëbég; jav. vert. auggarëbëg). 

ioiniTi^ of gëgiraugP, raadsel er op, do- 
na srinipg^ buwaha sridjëng^ 

»inni«ij^, verbaasd (vgl. sund.), #(b.: 

;;awok), R. L. Z. 10, 18 (kalofidjok). 

nj ^ , ii|^ag;luig: v. e. vogel die de 

vlerken aitspreidt (vgl. ëpgkag en kabkab); 

pëkafk'ftf, met groeven en spleten b. v. v. d. 

toi^ bij zekere kwaal. 

^ ni ri(| ^ , ffila aUf kig; op 't zien v. de 

afschuwelijke gedaante v. d. vorst, die haar tot 

vrouw wilde bebben, aanh. onder pèiigkaug. 
;n| o nï| ^ , kaf kagan, Sbr., sikëp, zekere 

roofvogel, die v. kikkerts leeft en ook kiekens 

verslindt; de kag;kafan maUng^ zou zeer vroeg 

in den morgen, als wanneer 't nog half donker 

is, zich listig v. d. kiekens meester maken 

door hun insekten toe te werpen. 

Ri'^niTSTl|^, «kagjat, ♦tjël, «les, op 

rens^ Dj. Pr. 2, Dd. Ha. (vgl. sagët); sing^- 

4a kafèt ada prafl mlajar, misschien is er 

^ij ioeiHsl e&H vaartuig. 

93nitn96ii^, aanh. onder waitftlika (te 

lezen gAtbaka). 

jcim^n , 8., z. onder garudftsya. 

«rjfuaJi^ V. lijken op 't slagveld, B, 

'L 85, 9 (padjulëmpang; jav. glimpang). 
KI o.noN, makaglénjcê'ng: v. lijken, Wir. 58. 

»0]tSTij^ , z. onder *gjal, ♦kêwit. 



^ n 



3^ O E^j^, waaruiteen gëm moet opgemaakt 
irorden of kafèman, W. Z. 25, 9 (katrasan. 



katrësan, dinëmak)» T. 4,63 (kampëgan; 

«j(iv. kagum, kagèt), B. Z. 92, IS (uitg. 

V. Fried., hds. agëm); kagèman, Sm. Z. 26, 

13 (dj rib); kafé'man, B. Z. 94, 1; Br. Z. 

51, 15, R. 4 Z. 1, 89 (kèpuhan, kasab); 

aii|;afèmi9 schrik aanjagen, aanh. onder pëtitjar. 

IL, z onder agëm. 
9s«riï|^ z. këbaug. 

9sa rii| ^ , kinab (h i n u b ?), door wolken, 

Sm. Z. 21, 5 (kaüban). 

9Sini\ I., «kaba*9 R. 14 Z. 7, 12 (pa- 
lal jan; jav. R. 319: z. onder «singgi), 16 
Z. 10, 3 (panjalimur, gapgapan), aanh. 
onder fiwopakaraAa; sèwakAti^aja ring^ ka- 
ba* ja, B. 13 Z. 2, 25 (punggawa tan sipi 
dèning angkara rusak). 

!!., kaba*, eigenn. v. e. pi. in Mngw. ; z. 
onder blog, Sp. 7. 

III., kokila manyalapat mral ang^wnl 

kakabAngrhrik ang^jam alas, R. L. Z. 1, 123. 

9^ nj \ , kamëbnkébu tibA, R. 7 Z. 4, 1 

(mapupahan labub). 

ïSïinni':)^, jav., «krëwag, bnffel, dedon- 

kerkleurige (z. misa; mal. kërbow, kmb. 
kërbaw, salaj. karambu, mad. kërbuj, 

bat. borbo en kërbo, lamp. kibaw; z. 

kawo; tag. kobaw, met naar voren hangende 
horens) ; wel eens achter benamingen v. dieren» 

om een soort aan te duiden, die zwaarder ge- 
bouwd is (z. b. V. onder babwang of awan 
en V. daar ook ben. v. e. groote soort tëm- 
buliliügan); nlauan kébo z. onder ulan; 
• kèbo wana, B. Z. 40, 5 (m&isa wadak), 
R. 25 Z. 7, 1 ; kadi ëSdjëk'an këbo, toespeling 



9SI\ 



362 



9SI^ 



op de cunnus, (vgl. onder pil en sul pit); 
këbo bangst elgenn. v. e. olifant?, Wd. b. Z. 
3, 49; kébo aofpraf kandaiVi Wtb. III. 25; 
kébo*, Bjw., obag^ (vgl. aanh. onder page r); 
këbo'aOi een dikschalig gekorven diertje, dat 
zich onder vergane boomstammen ophoadt; 
»fflon katëma (namentlijk de zicb schuil hou- 
dende dieven) san fawèné (b. : donanè) ki- 
këbowau, U. Pngr. 85 (vgl. onder këluh en 
lèsan II); këbowaktra, mahisawadana. 
2% ben. v. e* lange katjang-soort, die zeer 
in trek is; këkalaiig^ këbo mëiig(fali, Jsp. b., 
160, këlat bahn këbo mëng:i:ah, Djm. 386; 
bëbaioiv këbo mëngpah, St., bniw.,Z. 6, 18; 
ta, Jan abot awaknya, tlwang^ këbo, iq^a., 
Us.. 226, Jan Ja mntah nanah, npas kbo 
putih, ng^., Us. 439. 

9siDi^ kibëhf; singr da dadi makiba v. 

iemand, die gebonden is, fr. vert. R. aanb 
onder panég (vgl. jav. kipaP). 

Qsanj^ I., op '/ veld of in een tuin slaande 

hut (vgl. mal.» tag. kobo en z. *kuwu), uit 

nederigheid v. zijn eigen huis (evenzoo in *t 

iloc, z. onder tj a ug g a h) ; ng^abUi in een 

kubu wonen. 

IL, kubon, z. kubwan. 

ïSü'^niQ^, jav., W. Z. 9, 4 (sami, sa- 

krahnya), R. 3 Z. 1, 46 (samuwa), Sm. 
Z. 29,4 (samuha), R. 7Z. 5,60 (samasta), 
20 Z. 9, 6 (samian), W. Z. 1, 3 (samu- 
daja), B. Z. 49, 11 (samian, sami); ka- 
bèhnya, Z. 9, 6 (sahananya); warëj^ kabèh, 
R. 7 Z. 1, 7 (btëk watra, b. makëdjang); 
kami kabèh, R. 2 Z. 1, 28 (tityaug adjak 



sami); ang^abèhi, «ai^rëbut, L. Z. 19, 1; 
mang^bèU, «mai^ëmbuli, aZ/eii v. iets roor- 
zien, Adip. 164 (bis), 24, 90; lyabèhi, «mam- 
buli, angëmbuli; maivabèhi, «rumëbut; 
ng^abèhi mang^lipot, angasut augëmbul, 
W. Z. 8, 8; kinonira ikangr tasyan kabèhana 
4|nfa ri sAnakta kadtng: la|^, verdeelt U door 
bedelen verkregene onder uwe broeders enz., 
102. R. Inl. 30; vgl. Bh. 73 b.: 84 b.; kfna- 
bèhan, kambulan, kinëmbulan; nlihing 
klnabèhan, Sdj. (vert. v. sa m bh ü ja, samut- 
thftnam, Manu VIII 4). 

2<, ancabèhi, ben. v. e. ambtenaar (vgl. 
jav.), U. Pngr. 

9Siirii9\ , ontwikkeld^ v. e. vlinder uil de pop 

gekomen^ v. e. blad, zich uitzetten b. v. v. e. 
kurk, die niet wéér in de flesch past (sund. 
beukah, men. b&kah), v. d. vederen v. e. 
jongen vogel; «Inkar, «muré, naar de hoogte 
zwellen als stukjes papier op elkaftr, als men 
er niet op drukt; këbah tufël na H kuma- 
djaüm en daarna këbak tani^këp, als wanneer 
zij vliegen; këkëh kambënéi anak kambën 
mara këbah; makëbah v. kleederen; ni^ba- 
hamf V. haar, vert. W. Z. 23, 14T, een wet- 
boek openen; ng^ëbah kambëOi een kleed, dat 
nieuw is of in langen tijd niet gedragen de 
stijfheid ontnemen door 't eventjes aan te trek- 
ken of 't eventjes te laten dragen; z. gahgah 
en vgl. sëbah. 



^ ^ 



«im9^, këbëh* ▼. geur, Tgl. këpëb, 

kësyëng^ maugkug. 

IL, sakëbëhy aanh. onder wèila. 



\ 



S6S 



^ 



o o 



ssi'^mon, «gébohlBy de klèniang, de 
Truchi T. d. biju dak èsok, de schil zeer 
dik zijnde afschillen, de ron v. d. lidi'i 
ootdoen, om H blad geschikt te maken voor 
taléd djadja (Bjw. v. busung en ron më- 
rèti, maar t. d. bujuk aan één kaniafichillen, 
mbësèt); kébohUi de dunne huid v. d. ba* 

sung. kloping enz., */ vlies. 

sio^^ (vgK klibëh en kiba); mèklbéli, 

zich bewegen; nora nèklbèhy *nif tjala. 

^\ , icheef V. d. gang v. die eenigzins 

kreupel zijn, kèna katimpsf palané klbih 

natatrèjodM ladin kadjèk^ik malih, Rkd. 
«^o^ui96Ï|^, z. onder bèèk. 

sGim^o^^, qgébèhbèh, klapwieken als 
een Togel, die gaat baden, «mapgëpér, «ma- 
nambër» «malimër; vgl. kabërbër. 

96itn|»|^, z. onder kuban. 

»ini«Q|^9 mal. (këban), soort v. mand 

als een sokasi er wit ziende, om kleeren in 

te bewaren (als de kaping?, batav. id., bat. 

bob on, mangind. kobon); kèbèn*i nm. v. e. 

boom, de bladen waarvan tegen b la ban; 

néUln oOt pësaky ivèbèiiiii gumpang (vgl. 

këmbal). 

nrxie!]^ v. d. kapas na 't mëdjëtèt, 

Uitgespreid; verward v. ongekamd haar (vgl. 
aanb. onder rui^kug; z. roudmud en nggë- 
dëbun); patlh kèban, niet gelijkmatig wii; 
kébui lii^luig, z. onder liuglapg. 

n o mo 9si| ^ , jav. en sas., kakibonani vm. = 
abjan; vgl. kubwan en kuban. 



11 



^\ ofkabun (als hds., maar zelden, 



kudupg), «këmul; mékabu, zich *i hoofd 
omsluieren; ook makaban, «akëmul; di 
4aiBak médèm maliiigkah (b.: makabun), 
bané tanl qggélah gèlar, makabnii (b.: ma- 
bënjdjuh?) mamatt awak (ra ga)» Bgd. 9. 

98ionio«Q|^, «kubwan, abjan vgl. kë- 
bon en onder abjan tubuh. 

2«, gehuchten buiten de desa, uit kubu's 
bestaande (K. A.) ; kakubonan, Akw. ; balé ka- 
bon, een kubu? in een tuin, Tjb. 

9Sixi«sj\, 8., (kabandha), eigenn. v. e. 

bh Ata; zijn l)eeldteni8 vaak als krisheft v. 

goud of ivoor; bhAta kabandha paianapala- 

nya v. d. verminkten Kumbbakarna